Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:432

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
BK-19/00362
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5257, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of [de Inspecteur] de uitkeringen van het UWV en De [Y] terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend. De beschikbare gegevens wijzen in het licht van de regelgeving uit dat de uitkeringen naar de aard niet zijn aan te merken als een (vrijgestelde) vergoeding voor door een beroepsziekte geleden schade, meer in het bijzonder letselschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-03-2020
FutD 2020-0792
V-N Vandaag 2020/615
V-N 2020/24.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00362

Uitspraak van 28 februari 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 29 april 2019, nr. SGR 18/7357.

Overwegingen

1. Belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.341 opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar - gedaan na doorzending door de Rechtbank bij de op verzet gedane uitspraak van 14 augustus 2018, nr. SGR 15/5684, ter behandeling van het bezwaar tegen de aanslag als bezwaar tegen de beschikking afwijzing ambtshalve vermindering - heeft de Inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag afgewezen.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Heffing van griffierecht is wegens betalingsonmacht achterwege gebleven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Heffing van griffierecht is wegens betalingsonmacht achterwege gebleven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij op 9 februari 2020 ingekomen en op 10 februari 2020 aan de Inspecteur doorgezonden brief met tien bijlagen en bij op 19 februari 2020 ingekomen en op 20 februari 2020 aan de Inspecteur doorgezonden brief met zeven bijlagen.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 21 februari 2020. Partijen zijn verschenen.

5. Belanghebbende is sinds 2001 arbeidsongeschikt. Hij heeft in de jaren daarna, ook in dit jaar (2010), uitkeringen van het UWV en De [Y] ontvangen. Bij de regeling van de aanslag heeft de Inspecteur de uitkeringen als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking genomen.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

3. In geschil is of [de Inspecteur] de uitkeringen van het UWV en De [Y] terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

4. Op grond van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel a, in samenhang gelezen met artikel 3.101, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (de Wet) wordt een uitkering die wordt ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. Op grond van artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, van de Wet behoren andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel c, van de Wet eveneens tot het belastbaar inkomen uit werk en woning.

5. [ De Inspecteur], op wie de bewijslast rust, heeft kopieën van renseignementen overgelegd waaruit valt op te maken dat [belanghebbende] van het UWV een WAO/AAW-uitkering heeft ontvangen. Deze uitkering moet worden aangemerkt als een uitkering op grond van een publiekrechtelijke regeling en behoort, gelet op de hiervóór onder 4 aangehaalde wettelijke bepalingen, tot het belastbare inkomen uit werk en woning. Voorts blijkt daaruit dat de uitkering van De [Y] een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering betreft welke op grond van de hiervóór onder 4 aangehaalde wettelijke bepalingen eveneens tot het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid van deze renseignementen te twijfelen waar het de aard van de onderhavige uitkeringen, te weten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, betreft. Het betreft immers uitkeringen waarbij de aanspraken op die uitkeringen destijds onbelast zijn gebleven, dan wel de premies voor aftrek in aanmerking kwamen, al dan niet op het van de werkgever ontvangen loon. Ook in de door [belanghebbende] ingebrachte stukken van [A] en de bij de kantonrechter afgelegde getuigenverklaring van [B] , bedrijfsarts bij [A] , ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de renseignementen te twijfelen, aangezien die stukken geen enkele informatie bevatten over de onderhavige uitkeringen. Uit die stukken valt alleen de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] op te maken. Dat er een causaal verband is tussen de arbeidsongeschiktheid van [belanghebbende] en de uitbetaling van de onderhavige uitkeringen staat niet ter discussie, maar dat brengt nog niet mee dat hier sprake is van vrijgestelde letselschade-uitkeringen, zoals [belanghebbende] heeft betoogd. Voor dat laatste rust overigens op [belanghebbende] de bewijslast en daaraan heeft hij niet voldaan.

6. Gelet op het vorenstaande heeft [de Inspecteur] dan ook terecht de onderhavige uitkeringen tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend.

7. Voor zover [belanghebbende] heeft bedoeld te stellen dat sprake is van schending van het fair trial beginsel als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) indien hij door de rechtbank in het ongelijk wordt gesteld, faalt dit beroep, reeds omdat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op geschillen over aanslagen inkomstenbelasting (vgl. Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3270).

8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

9. De rechtbank wijst, gelet op de door [belanghebbende] overgelegde inkomens- en vermogensgegevens, het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

7. In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of de uitkeringen van het UWV en De [Y] tot het belastbare inkomen uit werk en woning moeten worden gerekend. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. Hoezeer het Hof, zeker nu de uitkeringen voortvloeien uit arbeidsongeschiktheid als direct gevolg van een in het kader van de uitoefening van de dienstbetrekking opgelopen ziekte of aandoening, begrip heeft voor de andere zienswijze van belanghebbende, de beschikbare gegevens wijzen in het licht van de regelgeving uit dat de uitkeringen naar de aard niet zijn aan te merken als een (vrijgestelde) vergoeding voor door een beroepsziekte geleden schade, meer in het bijzonder letselschade. In schadesituaties als die gaat het immers om omstandigheden zoals bijvoorbeeld afspraken in de arbeidsovereenkomst of rechtspositionele regelingen waaraan de gelaedeerde een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent. Hier is van zodanige omstandigheden niets gebleken. De Rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld dat de uitkeringen tot het belastbare inkomen uit werk en woning zijn te rekenen.

9. Het Hof ziet voor deze procedure geen reden de Hoge Raad der Nederlanden prejudiciële vragen voor te leggen, ook nu dat rechtscollege blijkens de - kennelijk naar aanleiding van een wrakingsverzoek, waardoor de bij brief van 6 februari 2020 aan belanghebbende aangekondigde uitspraak niet op 14 februari 2020 is gedaan - ingetrokken publicatie: ECLI:NL:HR:2020:249, 14-02-2020, 19/03669, voornemens is het door belanghebbende met betrekking tot dezelfde problematiek ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof van 17 juli 2019, nummers BK-18/00609 tot en met BK-18/00611, inhoudend de ongegrondverklaring van de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen voor de jaren 2012 t/m 2014, met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO af te doen.

10. Het hoger beroep is ongegrond.

11. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 28 februari 2020 in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.