Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:421

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
200.261.274/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Inning door LBIO. Geschil tussen de man en het LBIO over de in rekening gebrachte opslag- en beslagkosten (art. 1:408 lid 3 BW). Kennisgeving vooraf aan de onderhoudsplichtige (lid 5): welke inspanning mag van het LBIO verwacht worden, nu de in het buitenland woonachtige man zich niet in het register niet-ingezetenen van het BRP heeft laten registeren. Openbare betekening van de brief als gedaan is in dat geval voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.261.274/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/542235 / HA ZA 18-24

arrest van 11 februari 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. K.E. van Hoeve te Sneek,

tegen

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,

zetelend te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: het LBIO,

advocaat: mr. R.D. Rischen te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 juni 2019 is de man in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 27 maart 2019, hierna: het bestreden vonnis. Het vonnis is bij vonnis van 19 juni 2019 ten aanzien van twee overwegingen daarin verbeterd.

Bij memorie van grieven met producties heeft de man vijf grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft het LBIO de grieven bestreden.

De man heeft pleidooi gevraagd en heeft het procesdossier overgelegd. Partijen hebben op 5 december 2019 de zaak doen bepleiten, de man door zijn advocaat en het LBIO door zijn advocaat, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities.

Partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 27 maart 2019 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van de man afgewezen. De man is in de proceskosten veroordeeld. De man heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat hij geen (opslag)kosten aan het LBIO is verschuldigd;

- het LBIO te veroordelen om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis aan de man de ten onrechte geïncasseerde bedragen te betalen, zijnde een bedrag van € 10.430,09, dat onder het beslag is gevallen en de teveel betaalde bedragen, waaronder de (opslag)kosten per maand;

- te bepalen dat het LBIO de inning staakt;

- het LBIO te veroordelen in de proceskosten van het kort geding en van de onderhavige procedure.

3. De man vordert dat het bestreden vonnis en het herstelvonnis d.d. 19 juni 2019 zullen worden vernietigd en dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vordering van de man (het hof leest: in eerste aanleg alsnog) zal toewijzen, met veroordeling van het LBIO in de kosten van beide procedures.

4. Het LBIO concludeert, uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en het herstelvonnis d.d. 19 juni 2019, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in hoger beroep, het salaris van de advocaat daaronder begrepen en met bepaling, dat de man die kosten dient te voldoen binnen veertien dagen na het wijzen van het arrest, bij gebreke waarvan de man de wettelijke rente over de kosten is verschuldigd vanaf veertien dagen vanaf het arrest tot de dag der algehele voldoening.

5. Het gaat in deze zaak om het volgende. De man is van 15 december 1993 tot 17 januari 2017 gehuwd geweest met [de vrouw] , hierna ook te noemen: de vrouw. Zij hebben vier kinderen, waarvan drie inmiddels meerderjarige. De man en de vrouw zijn schriftelijk overeengekomen dat de man aan de vrouw gedurende twaalf jaar maandelijks een bedrag van € 4.000,- per maand tot haar levensonderhoud zal uitkeren. Daarnaast zal de man een bedrag van € 750,- per maand per kind voldoen, zolang de kinderen thuis wonen. Vanaf het moment dat het betreffende kind uit huis is, zal de man een bijdrage van minimaal € 500,- per maand rechtstreeks aan het kind voldoen tot een leeftijd van 20 jaar dan wel gedurende de tijd dat het kind studeert. De afspraken zijn opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 15 juni 2016 van de rechtbank Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij tussenbeschikking van 30 mei 2017 bepaald dat de man met ingang van 17 januari 2017 een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw is verschuldigd van € 4.000,- per maand en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter een] en [dochter twee] aan de vrouw is verschuldigd van € 750,- per maand per kind. De vrouw heeft op 15 december 2016 het LBIO verzocht de inning van de onderhoudsbijdragen over te nemen. Het LBIO is op 31 januari 2017 tot openbare betekening overgegaan van de beschikking van de rechtbank van 15 juni 2016 en van een brief van het LBIO aan de man van 31 januari 2017. De man heeft tot 30 mei 2017 maandelijks € 3.000,-, respectievelijk € 1.000,- aan onderhoudsbijdragen aan de vrouw betaald ten behoeve van de vrouw en ten behoeve van de minderjarige kinderen. Het LBIO heeft op 25 oktober 2017 beslag gelegd op de banktegoeden van de man bij de ABN AMRO Bank N.V. |Bij overname door het LBIO van de inning bedroeg het openstaand saldo € 41.874,39, bestaande uit onderhoudsbijdragen partner- en kinderalimentatie, opslagkosten en executiekosten. Het beslag is na 30 oktober 2017 opgeheven.

Afspraken tussen de man en de vrouw over een verrekening van posten met de alimentatie, dan wel: mocht de man bepaalde uitgaven verrekenen?

6. In de eerste grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man niet heeft onderbouwd dat er nadere aanvullende afspraken tussen hem en de vrouw zijn gemaakt over verrekening van de posten. De man voldeed over de periode van juni 2016 tot januari 2017 maandelijks € 3.000,- aan partneralimentatie en € 1.000,- aan kinderalimentatie ‘conform afspraak’. De man zou namelijk daarnaast de lasten blijven voldoen, wat hij ook heeft gedaan. Dit moet duidelijk zijn geweest nu de man telkens dezelfde betalingen verrichtte. Op de afschriften is duidelijk vermeld dat de man bedragen heeft verrekend omdat de vrouw bepaalde kosten betreffende de kinderen weigerde te betalen en de man vond dat deze door hem betaalde kosten in het belang van de kinderen waren. De man heeft in totaal daaraan en aan een premie verzekering een bedrag van € 10.177,52 betaald. De vrouw heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

7. Het hof overweegt als volgt. De man betoogt, evenals hij in eerste aanleg heeft gedaan, dat tussen hem en de vrouw nadere afspraken zijn gemaakt over de verrekening van bepaalde door de man te betalen posten, zodat hij een lager bedrag aan alimentatie aan de vrouw zou voldoen. Het LBIO betwist dat deze afspraken zijn gemaakt. Ook in hoger beroep laat de man na om deze stelling te onderbouwen. Van de gestelde afspraak is nog altijd geen enkel bewijs overgelegd. De enkele vermelding door de man zelf op bankoverschrijvingen: ‘conform afspraak’ is onvoldoende om de gevolgtrekking te maken dat de man en de vrouw nadere afspraken hebben gemaakt. Het maken van nadere afspraken tussen de man en de vrouw is daarom niet komen vast te staan. Vervolgens rijst de vraag of de man, afgezien van afspraken, bepaalde door hem voor de vrouw en/of de minderjarige betaalde kosten mocht verrekenen met de door hem te betalen alimentatie. De omstandigheid dat de uitgaven mogelijk aan de kinderen ten goede zijn gekomen, maakt nog niet dat daaruit een bevoegdheid tot verrekening ontstaat. De man heeft gesteld dat de vrouw weigerde deze kosten te betalen en hij deze in het belang van de kinderen achtte. Wat daar ook van zij, niet kan worden geconcludeerd dat de betaling van deze kosten een besparing voor de vrouw heeft opgeleverd. Immers, niet staat vast dat de vrouw deze kosten anders zelf zou hebben voldaan. Het hof is daarom van oordeel dat een bevoegdheid van de man tot verrekening niet is komen vast te staan. De eerste grief wordt daarom gepasseerd.

Artikel 1:408 lid 5 BW; de kennisgeving vooraf aan de onderhoudsplichtige

8. In de tweede grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat met de openbare betekening aan de wettelijke vereisten van artikel 1:408 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Uit het als productie 7 overgelegde uittreksel en de brief van het SVB blijkt dat het adres van de man bekend was. Het adres was ook bij de vrouw bekend, in elk geval in juli 2017. De vrouw had het LBIO op de hoogte kunnen stellen van het adres van de man. Het LBIO had de man een mail kunnen sturen met het verzoek zijn adresgegevens te verstrekken of met het verzoek telefonisch contact op te nemen. De man verwijst naar een pagina van het Jaarbericht 2018 van het LBIO waaruit volgt dat het LBIO het belangrijk vindt om te voldoen aan de verplichting er alles aan te doen om de onderhoudsplichtige te bereiken. Van het LBIO mag enige inspanningsverplichting verwacht worden. Dat het LBIO mocht afgaan op de mededeling van de vrouw dat een adres van de man in [woonplaats] onbekend was, is onterecht. De vrouw heeft de man niet verteld dat zij de invordering had overgedragen aan het LBIO, noch dat zij de alimentatie voor [dochter een] niet meer wenste vanaf 1 september 2017. Het LBIO mag niet enkel afgaan op BRP-gegevens.

9. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat het LBIO met de openbare betekening van de brief aan de vereisten van artikel 1:408 lid 5 BW heeft voldaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. In hoger beroep is niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe. Vast staat dat de man niet zijn (volgende) woonadres in het buitenland heeft laten registreren in het register niet-ingezetenen. Ingevolge artikel 1:408 lid 5 BW wordt, alvorens tot invordering met verhaal van kosten over te gaan, de onderhoudsplichtige bij brief met bericht van ontvangst in kennis gesteld van het voornemen daartoe en de redenen daarvoor, alsmede van het bedrag inclusief de kosten van invordering. Om een brief te kunnen verzenden, moet het LBIO wel op de hoogte zijn van het adres van de man. Dat de vrouw op de hoogte zou zijn van het adres van de man, zoals de man aanvoert, betekent niet dat ook het LBIO daarvan op de hoogte is. De vrouw heeft aan het LBIO medegedeeld dat zij het adres niet kende. Indien dit echter anders zou zijn, regardeert dit niet het LBIO. Ook de andere verwijten die de man de vrouw maakt, zoals het de man niet informeren over het overdragen aan het LBIO van de inning van de alimentatie, zijn het LBIO niet aan te rekenen. De tweede grief faalt daarom. Nu aan de vereisten van artikel 1:408 lid 5 BW is voldaan en de betekening aan de man op de wettelijk voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, is terecht tot invordering overgegaan en zijn de opslag- en beslagkosten terecht bij de man gevorderd.

Had een verweer van de man geleid tot een afzien van inning door het LBIO?

10. In de derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat het LBIO, ook indien de man in staat was geweest verweer te voeren tegen de voorgenomen inning, tot die inning zou zijn overgegaan. De man had dan met stukken kunnen onderbouwen dat hij volledig aan zijn onderhoudsverplichting voldoet en heeft voldaan. De man had de vermeende achterstand kunnen voldoen om opslagkosten te vermijden.

11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat het LBIO ook tot inning zou zijn overgegaan indien de man in staat was geweest verweer te voeren. De man stelt weliswaar dat hij had kunnen onderbouwen dat hij volledig aan zijn onderhoudsverplichting voldoet en heeft voldaan maar hij heeft nagelaten deze stelling te onderbouwen. Voorts staat vast, dat heeft de man niet bestreden, dat hij na op de hoogte te zijn geraakt van de invordering door het LBIO de door hem verschuldigde bedragen evenmin volledig heeft betaald.

Schade?

12. In de vierde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat de man schade heeft geleden waardoor een beroep op artikel 6:162 BW niet kan slagen. Het LBIO heeft onzorgvuldig en onrechtmatig gehandeld. De schade bestaat uit de ten onrechte opgelegde opslagkosten en de beslagkosten.

13. Het hof zal deze grief passeren. Het hof heeft bij de bespreking van de tweede grief al uiteengezet waarom de opslag- en beslagkosten niet ten onrechte zijn opgelegd. De man heeft overigens niets gesteld dat kan leiden tot het oordeel dat het LBIO onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en hij dientengevolge schade heeft geleden.

Kan de man na inschakeling van het LBIO nog bevrijdend aan de vrouw betalen?

14. In de vijfde grief voert de man aan dat de rechtbank ten onrechte van oordeel is dat na inschakeling van het LBIO niet meer bevrijdend kan worden betaald (via verrekening). De man wist niet dat het LBIO was ingeschakeld en betaalde de bijdrage rechtstreeks aan de vrouw waarbij hij bedragen verrekende.

15. Het hof overweegt dat de man niet het oordeel van de rechtbank bestrijdt dat het LBIO op grond van artikel 1:408 BW een zelfstandige vordering heeft op de man en dat betalingen aan de vrouw niet in mindering strekken op de vordering van het LBIO. Dat de man niet wist dat het LBIO was ingeschakeld doet daaraan niet af, althans betreft dit een omstandigheid die, zoals hiervoor is overwogen, het LBIO niet is aan te rekenen. Dat de man rechtstreeks aan de vrouw betaalde betekent bovendien niet dat het LBIO geen eigen aanspraak op de opslag- en executiekosten houdt. Evenmin levert dit een grond op om te oordelen dat de man bedragen die hij al aan de vrouw had betaald, kan terugvorderen van het LBIO. Het LBIO heeft deze niet onverschuldigd aan de vrouw betaald. Ook deze grief wordt gepasseerd.

Slotsom; proceskosten

16. De slotsom is dat alle grieven falen, de vorderingen van de man in hoger beroep zullen worden afgewezen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De man zal in de proceskosten worden veroordeeld, zoals door het LBIO gevorderd, nu de man in het ongelijk is gesteld. De vordering van de man, het LBIO in de proceskosten te veroordelen, zal dan ook worden afgewezen.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van het LBIO begroot op € 3.963,- in totaal, te weten € 741,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat, met bepaling dat de man, indien hij deze proceskosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest aan het LBIO voldoet, hij daarover met ingang van die dag de wettelijke rente is verschuldigd tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink, M.W. Koek en G.D. Hoekstra en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.