Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:409

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
200.255.531/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Financiële afwikkeling van eenvoudige gemeenschap tussen ongehuwd samenwoners op grond van notariële samenlevingsovereenkomst; maatstaf voor uitleg van de samenlevingsovereenkomst. Analoge toepassing van verjaringsregeling in art. 3:320 jo. 3:321 lid 1 sub a BW op ongehuwd samenwoners.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2020/85
JPF 2020/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.255.531/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/527879 / HA ZA 17-537

arrest van 4 februari 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B.G. van Twist

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.G.J. Booij

Het geding

Bij exploot van 18 januari 2019 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam, gewezen op 19 december 2018 tussen de vrouw als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie/eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover is vermeld op blz. 1 van het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de vrouw vier grieven geformuleerd alsmede een incident opgeworpen op de voet van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.

Bij memorie van antwoord in het incident heeft de man de incidentele vordering van de vrouw weersproken.

Bij arrest van 25 juni 2019 heeft het hof de incidentele vordering van de vrouw afgewezen.

Vervolgens heeft de man ten principale bij memorie van antwoord de grieven van de vrouw weersproken en tevens incidenteel appel ingesteld.

De vrouw heeft bij memorie van antwoord in het incidenteel appel verweer gevoerd tegen de vordering van de man.

Partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen hebben samengewoond en op 1 september 2000 een notariële samenlevingsovereenkomst gesloten.

2. In de samenlevingsovereenkomst hebben partijen onder het kopje ‘Gemeenschappelijke huishouding’ verklaard dat zij voornemens zijn om met ingang van 1 september 2000 een gemeenschappelijke huishouding te gaan voeren. Voorts zijn partijen onder het kopje ‘Gemeenschappelijk bezit’ overeengekomen dat zij tezamen, ieder voor de onverdeelde helft, gerechtigd zijn tot:

‘(…)
Roerende zaken

inboedel en andere roerende zaken;

(…)
Rekeningen

bankrekeningen die op beider naam staan dan wel de en/of-clausule dragen (hierna te noemen: gemeenschappelijke rekeningen); voor zover partijen niet gezamenlijk rechthebbend zijn, dragen zij in het kader van deze overeenkomst aan elkaar over de onverdeelde helft in de desbetreffende rechten, hetgeen zij aannemen.’

3. Voor zover van belang hebben partijen de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenleving als volgt geregeld in de samenlevingsovereenkomst:

‘(…)

Gemeenschappelijke huishouding

Artikel 2. 1. Ieder van partijen is bevoegd tot het verrichten van alle rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, binnen het daarvoor door hen vast te stellen budget. Zij zijn verplicht daarvoor aan elkaar voldoende gelden ter beschikking te stellen.

2. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding komen ten laste van partijen naar evenredigheid van de inkomens.

Toekomstig gemeenschappelijk bezit; schulden

Artikel 3. 1. De na heden te verwerven roerende zaken (…) zullen door partijen in mede-eigendom worden verkregen, met uitzondering van hetgeen ieder van hen krachtens erfrecht of schenking verkrijgt. (…)

2. Toekomstige stortingen op gemeenschappelijke rekeningen zullen eveneens aan ieder van partijen voor de onverdeelde helft toebehoren.

3. Ingeval partijen voornemens zijn een woning te kopen, zullen zij vooraf overeenkomen omtrent de mede-eigendom, de financiering en de kosten.

4. Onverminderd het overigens in deze akte bepaalde worden de huidige en toekomstige schulden gedragen door de partij die deze heeft doen ontstaan.

(…)

Verdeling

Artikel 6. 1. Zolang de samenleving duurt kan geen van partijen verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen noch over zijn aandeel daarin beschikken behoudens afwijkende regelingen tussen partijen.

(…)
3. Indien de verdeling van een gemeenschappelijk goed wordt gevorderd, kan iedere partij verlangen dat ook de andere gemeenschappelijke goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen, onverminderd het bepaalde in artikel 179 Boek 3 Burgerlijk Wetboek.

(…)

Geschillen

Artikel 8. Ingeval tussen partijen een geschil bestaat omtrent de vraag aan wie enig goed toebehoort en geen van hen zijn recht daarop kan bewijzen, wordt het goed geacht aan ieder voor de onverdeelde helft toe te behoren. (…).’

4. Partijen zijn op 15 januari 2010 ieder voor de onverdeelde helft eigenaar geworden van een perceel bouwgrond te [plaatsnaam] . Partijen hebben een bedrag van € 503.000,- betaald voor de koop van de grond met een daarop te bouwen woning. Voor de koop van de grond en de bouw van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening van € 586.000,- afgesloten, waarvoor zowel de vrouw als de man hoofdelijk aansprakelijk zijn.

5. Op 9 maart 2015 is de op dat moment nog resterende hypotheekschuld afgelost middels een aflossingsvrije geldlening ten bedrage van € 345.000,-, aangegaan bij [De Bank] , waarvoor deze bank als zekerheid een eerste hypotheekrecht heeft verkregen op de woning.

6. Makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] heeft op 21 maart 2017 aan de woning een marktwaarde toegekend van € 510.000,-.

7. Aan de samenleving is op 24 mei 2017 een einde gekomen. Op die datum verliet de vrouw de woning.

8. Tussen partijen is een meningsverschil ontstaan over de verdeling van de eenvoudige gemeenschap tussen partijen, bestaande uit de hiervoor genoemde woning aan de [adres] te [plaatsnaam] (verder: de woning), een auto van het merk [De Auto] , inboedelzaken en een banktegoed.

9. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank op de vorderingen van partijen over en weer met betrekking tot de verdeling van de eenvoudige gemeenschap, in conventie en in reconventie, als volgt beslist:

- deelt het aandeel van de vrouw in de woning te [plaatsnaam] aan de man toe, onder de voorwaarde dat de man de hypotheekschuld bij [De Bank] ten bedrage van € 345.000,- als eigen schuld draagt en de vrouw door de bank wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid;

- gelast partijen om binnen een maand na de uitspraakdatum voor beider rekening aan [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] de opdracht te geven om de woning te taxeren, en bepaalt dat de huidige waarde van de woning voor partijen bindend wordt vastgesteld door voornoemde makelaarskantoor;

- bepaalt dat in het geval de voorwaarde voor toedeling van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man wordt vervuld, de vordering van de man van € 87.771,50 uiterlijk op de dag van de levering van de woning dient te worden verrekend met de vordering van de vrouw op de man uit overbedeling van de man, ter grootte van de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de overwaarde van de woning wordt berekend door de waarde van de woning te verminderen met de hypotheekschuld van € 345.000,-;

- bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen;

- bepaalt dat partijen met betrekking tot de inboedel uitvoering dienen te geven aan het verdelingsvoorstel dat als productie 8 bij de dagvaarding is overgelegd, en veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 5.665,-;

- deelt de [De Auto] aan de man toe en veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.050,-;

- veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 70.986,77, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 2 maart 2017 tot de dag der voldoening.

De rechtbank heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Vorderingen in hoger beroep

10. De vrouw is tijdig in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis en heeft tevens een incidentele vordering ingesteld. Zij vordert

- in het incident:

(i) dat het hof de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis zal schorsen;

- ten principale:

(ii) dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog de vorderingen van de vrouw zal toewijzen en de vorderingen van de man zal afwijzen;

(iii) dat het hof de man zal veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede tot restitutie aan de vrouw van al hetgeen zij krachtens het bestreden vonnis aan de man heeft betaald, althans door de man op haar zal zijn verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling althans de dag van het verhaal.

11. De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident.

12. De incidentele vordering van de vrouw is afgewezen bij arrest van 25 juni 2019 van dit hof (ECLI:NL:GHDHA:2019:1820).

13. Ten principale heeft de man geconcludeerd dat het hof de grieven van de vrouw ongegrond verklaart. Verder heeft de man op zijn beurt incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vorderingen van de man in eerste aanleg alsnog worden toegewezen respectievelijk dat wordt beslist in lijn met zijn grieven. In het principale en incidentele appel heeft de man verder geconcludeerd dat de vrouw wordt veroordeeld in de kosten van beide instanties.


Bespreking van het principale appel

14. In het principale appel komt de vrouw met vier grieven op tegen verschillende onderdelen van het bestreden vonnis. In de kern houdt het betoog van de vrouw in dat het saldo op bankrekeningen van partijen op grond van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk vermogen betreft, zodat zij uit dien hoofde gerechtigd is tot een deel van het saldo.

Gemeenschappelijke bankrekeningen

15. Grief 1 strekt ten betoge dat de rechtbank in rov. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft beslist dat artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst niet zo kan worden begrepen dat, door de enkele omstandigheid dat een deel van het privévermogen van partijen op een gemeenschappelijke rekening werd gestort of dat de tenaamstelling van een (vermogens)rekening wijzigde, de gelden op de gemeenschappelijke rekeningen van partijen gemeenschappelijk zijn geworden. Kort gezegd voert de vrouw hiervoor aan dat partijen bij het opstellen van de samenlevingsovereenkomst de intentie hebben gehad, met betrekking tot onder andere de bestaande en toekomstige saldi op de gemeenschappelijke bankrekeningen, een situatie te laten ontstaan die vergelijkbaar is met een huwelijk in gemeenschap van goederen. Dit blijkt volgens de vrouw ook duidelijk uit de bepalingen van de samenlevingsovereenkomst, in het bijzonder artikel 3.2. Verder voert de vrouw aan, dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, uit de samenlevingsovereenkomst niet kan worden afgeleid dat artikel 3.2 slechts betrekking heeft op het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De conclusie van de vrouw is dat de stortingen op de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen, die zijn gedaan na de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst, op grond van artikel 3.2 van deze overeenkomst aan ieder van partijen voor de onverdeelde helft toekomen, ongeacht de herkomst van de stortingen en ongeacht of de gemeenschappelijke bankrekeningen bestemd waren voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

16. De man verweert zich daartegen en voert, kort gezegd, aan dat hij vanuit zijn privérekeningen bedragen heeft overgeboekt naar de gezamenlijke bankrekeningen van partijen ten behoeve van de verbouwing van de woning en de aflossing van de hypotheek. De man stelt dat hij uit dien hoofde een vordering op de gemeenschap heeft. Volgens de man is de samenlevingsovereenkomst vooral bedoeld om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te regelen en hebben partijen niet beoogd hun vermogens te vermengen, behoudens enkele uitzonderingen. De gemeenschappelijke bankrekeningen genoemd in artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst zien volgens de man op de rekeningen die zijn gebruikt voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding en alleen voor zover de stortingen zien op die huishouding.

17. Bij de beoordeling van de grief stelt het hof voorop, dat de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst dient te worden uitgelegd met inachtneming van het Haviltex-criterium, waarbij de rechter rekening dient te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval en ook acht kan worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen (zie HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX1571 en HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9539). Dit betekent dat bij de uitleg van de samenlevingsovereenkomst het niet alleen aankomt op een taalkundige uitleg van deze overeenkomst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

18. Voor de stelling van de vrouw dat partijen met de samenlevingsovereenkomst een vermenging van hun vermogens wensten te bewerkstelligen, overeenkomend met de gemeenschap van goederen op grond van een huwelijk, kan het hof geen aanknopingspunten vinden in de samenlevingsovereenkomst zelf noch in de wijze waarop partijen tijdens hun samenleving invulling aan deze overeenkomst hebben gegeven. Naar het oordeel van het hof bevat de samenlevingsovereenkomst aanwijzingen voor het tegendeel, zoals de regeling dat, ingeval partijen voornemens zijn een woning te kopen, zij vooraf zullen overeenkomen omtrent de mede-eigendom, de financiering en de kosten (artikel 3 lid 3), alsmede dat, onverminderd het overigens in de overeenkomst bepaalde, de huidige en toekomstige schulden gedragen worden door de partij die deze heeft doen ontstaan. De vrouw heeft haar stelling met betrekking tot de bedoelingen van partijen bij het opstellen van de overeenkomst, in de kern gebaseerd op de inhoud van de samenlevingsovereenkomst en de taalkundige uitleg die zij daaraan geeft. Andere bijzondere omstandigheden, die in het kader van het Haviltex-criterium relevant zouden kunnen zijn voor de door de vrouw voorgestane opvatting over de bedoelingen van partijen, zijn door haar niet gesteld, behoudens de blote stelling van de vrouw dat ‘in haar beleving (…) voorafgaande aan het opstellen van het samenlevingscontract uitvoerig overleg (is) geweest tussen partijen en de notaris over wat partijen wilden’ (CvA in reconventie, nr. 7) en de door de man weersproken stelling van de vrouw dat de samenlevingsovereenkomst is afgestemd op de kinderwens van partijen en de rol die de vrouw als verzorgende moeder op zich zou nemen (MvG, nr. 9-10).

19. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen (rov. 4.10), maakt het hof uit de samenlevingsovereenkomst op dat partijen hoofdzakelijk een regeling hebben beoogd met betrekking tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding (blz. 1, onder het kopje ‘Gemeenschappelijke huishouding’: ‘Zij zijn voornemens om per heden een gemeenschappelijke huishouding te gaan voeren.’). De bepaling dat partijen tezamen, ieder voor de onverdeelde helft gerechtigd zijn tot de bankrekeningen die op beider naam staan dan wel de en/of-clausule dragen, dient naar het oordeel van het hof tegen deze achtergrond te worden gezien, hetgeen ook volgt uit het bepaalde in de overeenkomst dat, voor zover partijen niet gezamenlijk rechthebbend zijn met betrekking tot een bankrekening, zij ‘in het kader van deze overeenkomst’ aan elkaar overdragen de onverdeelde helft in de desbetreffende rechten, hetgeen zij aannemen (blz. 1). Daarbij past ook het bepaalde in de samenlevingsovereenkomst dat partijen elkaar ‘gedurende het bestaan van de gemeenschappelijke huishouding’ hulp en bijstand verschuldigd zijn (artikel 1) en dat ieder van partijen bevoegd is tot het verrichten van alle rechtshandelingen ‘ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, binnen het daarvoor door hen vast te stellen budget’ (artikel 2).

20. De door de man aangevoerde bijzondere omstandigheden met betrekking tot de financiële positie van partijen ten tijde van de totstandkoming van de samenlevingsovereenkomst, ondersteunen ook deze uitleg van de overeenkomst. Zo heeft de man onweersproken gesteld dat, op het moment dat partijen wensten samen te gaan wonen, de man een hoger inkomen had dan de vrouw en ook meer vermogen (spaargeld en een vakantiehuisje in [volgt land] ), terwijl tijdens de samenleving van partijen de man in 2003 en 2007 vermogen uit hoofde van erfrecht heeft ontvangen. Uit niets blijkt dat partijen beoogt hebben dit vermogen van de man door middel van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk te maken. Verder hecht het hof waarde aan hetgeen de man onweersproken heeft aangevoerd in het kader van het feitelijk handelen van partijen tijdens de samenleving, te weten dat het beheer van het vermogen door de man alleen is gedaan, anders dan de gewone gang van de huishouding, en dat uit de IB-aangiften van partijen tijdens de samenleving niet blijkt dat een vermenging van vermogens tussen partijen heeft plaatsgevonden.

21. Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van de vrouw tevergeefs is voorgesteld. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank dat de samenlevingsovereenkomst slechts ertoe strekt dat partijen gerechtigd zijn, ieder voor de helft, tot het saldo van de gemeenschappelijke bankrekeningen die gebruikt zijn voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding tussen partijen, en voorts dat uit de samenlevingsovereenkomst noch uit de door partijen gestelde omstandigheden valt op te maken dat partijen hebben beoogd een situatie te scheppen gelijk aan die van een huwelijk in gemeenschap van goederen (rov. 4.10 bestreden vonnis).

Vordering man van € 118.855,- op gemeenschap

22. In grief 2 komt de vrouw op tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 4.11 van het bestreden vonnis dat, nu de vrouw de hoogte van de door de man gestelde vergoedingsrechten niet heeft betwist, vast staat dat de man een vordering van € 118.855,- heeft op de gemeenschap. Volgens de vrouw bedraagt het vorderingsrecht van de man slechts € 20.532,-, aangezien alleen dit bedrag niet van een gemeenschappelijke bankrekening is betaald maar van een privérekening van de man.

23. De grief bouwt voort op de eerste grief en deelt het lot daarvan. Het hof legt dat als volgt uit. De man heeft zijn vordering van € 118.855,- op de gemeenschap gespecificeerd, zoals weergegeven in rov. 4.8 van het bestreden vonnis. De man heeft met bankafschriften onderbouwd dat de in rov. 4.8 genoemde bedragen afkomstig zijn van zijn privérekeningen en heeft verder met stukken onderbouwd op welke wijze deze bedragen zijn aangewend ten behoeve van de verbouwing van de woning en de aflossing van de hypotheek (rov. 4.9 bestreden vonnis). De vrouw heeft de hoogte van de in rov. 4.8 genoemde bedragen – ook in appel – niet betwist, maar gesteld dat deze bedragen, met uitzondering van een bedrag van € 20.532,-, op een gemeenschappelijke bankrekening zijn gestort en daarmee op grond van artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk vermogen zijn geworden. Dat betoog is door de rechtbank verworpen in rov. 4.10 van het bestreden vonnis, waartegen grief 1 zich tevergeefs keert. Nu de beslissing van de rechtbank in rov. 4.11 met betrekking tot de vordering van de man van € 118.855,- rechtstreeks volgt uit rov. 4.10, faalt ook grief 2.

Verjaring

24. Grief 3 heeft betrekking op het verjaringsverweer van de vrouw ten aanzien van de door de man ingeroepen vergoedingsrechten, welk verweer door de rechtbank in rov. 4.14 van het bestreden vonnis is verworpen. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat de vrouw heeft gesteld dat de vergoedingsrechten van de man al ten tijde van de samenleving zijn ontstaan, dat de man terecht een beroep doet op artikel 6 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst waaruit volgt dat partijen zijn overeengekomen dat zij geen verdeling van een gemeenschappelijk goed kunnen vorderen zolang de samenleving voortduurt, dat nu partijen op 24 mei 2017 de samenleving hebben beëindigd de vergoedingsrechten pas op dat moment opeisbaar waren, zodat van verjaring volgens de rechtbank geen sprake is. De vrouw voert hiertegen aan dat het in dit geval niet gaat om de verdeling van een gemeenschappelijk goed maar om een vergoedingsrecht dat tijdens de samenleving is ontstaan en tijdens de samenleving al aan verjaring onderhevig is. De vordering van de man is opeisbaar geworden in mei 2010 op het moment dat de vermogensrekening op beider naam werd gesteld en daarmee gemeenschappelijk vermogen werd, aldus de vrouw. Gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar op grond van artikel 3:307 BW, betoogt de vrouw dat de vordering van de man is verjaard.

25. Het hof overweegt als volgt. In artikel 6 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat, zolang de samenleving duurt, geen van partijen verdeling van een gemeenschappelijk goed kan vorderen noch over zijn aandeel daarin kan beschikken behoudens een afwijkende regeling tussen partijen. Het hof is van oordeel dat het door de man ingeroepen vergoedingsrecht zo nauw is verweven met de in artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst geregelde verdeling van een gemeenschappelijk goed, dat, bij gebreke van een andersluidende afspraak tussen partijen, het ingeroepen vergoedingsrecht niet eerder opeisbaar is geworden dan op 24 mei 2017, de datum waarop de samenleving van partijen is beëindigd. Het beroep van de vrouw op verjaring faalt derhalve en daarmee ook grief 3.

26. Indien met de vrouw zou worden aangenomen dat het vergoedingsrecht van de man reeds opeisbaar is geworden tijdens de samenleving van partijen, dan is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 3:320 jo. artikel 3:321 lid 1 sub a BW, dat weliswaar is geschreven voor, voor zover van belang, echtgenoten en geregistreerde partners, zich voor overeenkomstige toepassing leent op de situatie van partijen die ongehuwd hebben samengewoond, zodat de verjaringstermijn van het door de man ingeroepen vergoedingsrecht in dat geval zou worden verlengd tot zes maanden na de beëindiging van de relatie. Ook in dat geval faalt het beroep van de vrouw op verjaring.

Banktegoed

27. Grief 4 heeft betrekking op de vordering van de vrouw tot verdeling van het tegoed van de op beider naam staande ING-bankrekening eindigend op nummer [volgt nummer] (verder: de betaalrekening). De rechtbank heeft deze vordering van de vrouw afgewezen, daarbij vooropstellende dat uit de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen beoogd hebben elkaar de onverdeelde helft over te dragen van het saldo op gemeenschappelijke bankrekeningen die in gebruik waren om de kosten van de gemeenschappelijke huishouding te voldoen (rov. 4.23), en voorts overwegende dat tussen partijen vast is komen te staan dat de betaalrekening geen gemeenschappelijke rekening betreft die ten tijde van het indienen van de vordering van de vrouw voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding is gebruikt, zodat zij niet gerechtigd is tot de onverdeelde helft van het te verdelen saldo (rov. 4.24).

28. Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus, dat allereerst wordt betoogd dat zij recht heeft op de helft van het saldo op deze betaalrekening op grond van artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst, waarbij zij verwijst naar het in grief 1 door haar ingenomen standpunt. In zoverre bouwt de klacht voort op grief 1. Het hof verwijst naar de bespreking van grief 1 (rov. 15 e.v.), waaruit volgt dat het betoog van de vrouw dat het tegoed op de gemeenschappelijke bankrekeningen op grond van artikel 3.2 van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk vermogen betreft faalt. Het op grief 1 voortbouwende gedeelte van grief 2 faalt derhalve eveneens.

29. Verder betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat tussen partijen vast is komen te staan dat de betaalrekening vanaf 1 oktober 2014 niet meer is gebruikt voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding en dat het saldo van deze rekening op voornoemde datum nihil of nagenoeg nihil was (rov. 4.24). Onder overlegging van een uitdraai van de mutaties op de betaalrekening in de periode 16 februari 2015 tot en met 14 maart 2017 en het jaaroverzicht 2016, voert de vrouw aan dat deze betaalrekening ook na 1 oktober 2014 nog is gebruikt voor uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding.

30. Het hof volgt het betoog van de man dat uit de overgelegde mutaties van de betaalrekening weliswaar blijkt dat ook na 1 oktober 2014 gelden zijn bij- en afgeschreven van deze rekening, maar dat niet vast is komen te staan dat deze mutaties, althans voor een belangrijk deel, betrekking hebben op uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Nog daargelaten dat de vrouw in reactie daarop niet heeft gespecificeerd welke mutaties precies betrekking hebben op uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijk huishouding, volgt het hof de man in zijn betoog dat niet deze betaalrekening, maar een andere ING-bankrekening eindigend op nummer [volgt nummer] bedoeld was voor de uitgaven ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding – waarvoor de man ook heeft verwezen naar een budgetteringsplan waarin de kosten van de huishouding zijn gespecificeerd – en daadwerkelijk ook daarvoor is gebruikt. Het hof verwerpt derhalve het betoog van de vrouw. En daarmee faalt grief 4 ook in dit opzicht.

Conclusie met betrekking tot principaal appel

31. Nu blijkens het voorgaande geen van de grieven van de vrouw slaagt, zal het hof het principale appel verwerpen en het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigen.

Bespreking van het incidentele appel

32. In het incidentele appel komt de man met drie grieven op tegen het bestreden vonnis.

Waarde van woning

33. In grief 1 voert de man aan dat de rechtbank bij de waardering van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [adres] te [plaatsnaam] ten onrechte geen acht heeft geslagen op de marktwaarde van de woning van € 510.000,- die op 21 maart 2017 is vastgesteld door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] , maar is uitgegaan van de waarde die zal volgen uit een nieuwe taxatie uit te voeren door hetzelfde makelaarskantoor binnen een maand na het bestreden vonnis (rov. 4.4 bestreden vonnis). De waarde van de woning is naar aanleiding daarvan op 7 januari 2019 door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] vastgesteld op € 590.000,-.

34. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat partijen vóór de inleidende dagvaarding getracht hebben met elkaar tot overeenstemming te komen over de financiële afwikkeling van de beëindiging van hun relatie. Eveneens staat vast dat partijen hebben afgesproken dat de gemeenschappelijke woning aan de man zal worden toegedeeld. Op 21 maart 2017, derhalve vóór de inleidende dagvaarding, is de waarde van de woning getaxeerd op € 510.000,-. De man heeft onweersproken gesteld dat de opdracht voor deze taxatie door partijen tezamen is verstrekt. In de inleidende dagvaarding (nrs. 14 en 25) is de vrouw ook van deze waarde uitgegaan in het kader van haar vordering uit hoofde van overbedeling van de man. In de CvA, nr. 28, heeft de man laten weten dat hij ‘kan instemmen met een actuele waarde van de woning (…) ad € 510.000,-.’ Naar het oordeel van het hof is op dat moment tussen partijen overeenstemming bereikt over de toedeling van de woning aan de man tegen een waarde van € 510.000,- en dient derhalve van deze waarde te worden uitgegaan in het kader van de vordering van de vrouw uit hoofde van overbedeling van de man.

35. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank, rekening houdend met de gewijzigde eis van de vrouw om de waarde van de woning opnieuw te laten vaststellen in verband met een waardestijging, ten onrechte een nieuwe taxatie van de woning heeft bevolen, aangezien de tussen partijen bereikte overeenstemming over de waarde van de woning daar in de weg aan staat en een beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid zulks niet anders maakt.

36. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt vernietigen en de woning in de verdeling betrekken tegen een waarde van € 510.000,- in plaats van € 590.000,-.

Wettelijke rente

37. De in grief 2 gerichte klacht tegen de afwijzing van de door de man gevorderde wettelijke rente over zijn vordering op de vrouw van € 87.771,50 in rov. 4.12 van het bestreden vonnis, zal het hof verwerpen omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:119 lid 1 BW terecht heeft overwogen dat de vrouw niet in verzuim is zolang het aandeel van de vrouw in de woning niet is overgedragen aan de man en verrekening tussen partijen niet heeft plaatsgevonden.

Waarde auto

38. In grief 3 bestrijdt de man het oordeel van de rechtbank in rov. 4.18 van het bestreden vonnis dat de auto van het merk [De Auto] op grond van artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk bezit is, dat de man geen vergoedingsrecht toekomt ter zake van deze auto, en dat de man wegens overbedeling de helft van de waarde van de auto van € 20.100,- aan de vrouw dient te betalen.

39. Primair betoogt de man dat hij de auto uit zijn privémiddelen heeft gefinancierd en dat zulks maakt dat de auto tot zijn privévermogen behoort en geen gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Voor zover de auto op grond van artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst gemeenschappelijk eigendom van partijen is, voert de man subsidiair aan dat hij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap waarvan de hoogte in redelijkheid moet worden vastgesteld op de dagwaarde van de auto. Meer subsidiair grieft de man tegen de waarde van € 20.100,- waarvoor de auto door de rechtbank is betrokken in de vordering van de vrouw uit overbedeling van de man.

40. Het hof verwerpt het primaire betoog van de man dat de auto geen gemeenschappelijk eigendom van partijen is. Daarvoor verwijst het hof naar artikel 3 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst waarin partijen hebben afgesproken dat de te verwerven roerende zaken, met uitzondering van kleding en sieraden, door partijen in mede-eigendom worden verkregen, met uitzondering van hetgeen ieder van hen krachtens erfrecht of schenking verkrijgt. Het hof deelt niet het standpunt van de man dat ook deze bepaling van de samenlevingsovereenkomst wordt begrensd door het met de overeenkomst beoogde doel om een regeling tussen partijen in het leven te roepen voor het voeren van de gemeenschappelijke huishouding tussen partijen. Met het bepaalde in artikel 3 lid 1 hebben partijen, naar oordeel van het hof, beoogd mede-eigendom te bewerkstelligen van alle roerende zaken die tijdens de samenleving worden verkregen.

41. Het hof volgt echter wel het subsidiaire standpunt van de man. Partijen hebben weliswaar ieder een gelijk aandeel in de eigendom van de auto, maar dat neemt niet weg dat de man in het kader van de verdeling van de gemeenschap recht heeft op vergoeding van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van de auto heeft aangewend (vgl. HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8938). Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is daarvoor niet vereist dat de samenlevingsovereenkomst een daartoe strekkende bepaling bevat, omdat de rechtsbetrekking tussen partijen als – voormalige – informeel samenlevenden mede wordt beheerst door de regels van de redelijkheid en billijkheid (vgl. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707). Nu vast staat dat de auto is gekocht met privégeld van de man, acht het hof het redelijk dat het vergoedingsrecht van de man wordt vastgesteld op de dagwaarde van de auto, die door de man in appel – onweersproken – is gesteld op € 13.500,-.

42. Aangezien het vergoedingsrecht van de man gelijk is aan de dagwaarde van de auto, rust op de man geen verplichting om de vrouw iets te betalen uit hoofde van overbedeling wegens de auto. Bij deze stand van zaken behoeft het meer subsidiaire standpunt van de man geen bespreking meer.

Bewijsaanbod

43. Het hof komt niet toe aan het bewijsaanbod van partijen, nog daargelaten dat het bewijsaanbod van de vrouw onvoldoende gespecificeerd is.

Proceskosten

44. Gelet op de relatie tussen partijen als voormalige informeel samenlevenden, zal het hof de kosten van de procedure compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin is beslist:

  • -

    dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] in de verdeling zal worden betrokken tegen de waarde die zal worden bepaald door makelaarskantoor [Naam Makelaar] te [plaatsnaam] (rov. 5.2);

  • -

    dat de man uit hoofde van toedeling van de [De Auto] wegens overbedeling wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 10.050,- (rov. 5.6);

en bepaalt, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    dat de woning aan de [adres] te [plaatsnaam] in de verdeling wordt betrokken tegen een waarde van € 510.000,-;

  • -

    dat de man uit hoofde van toedeling van de [De Auto] niets is verschuldigd aan de vrouw;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af, zowel in het principale als het incidentele appel;

compenseert de kosten van het geding, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, P.B. Kamminga en J.M. van Baardewijk, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.