Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:390

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
05-03-2020
Zaaknummer
000079-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 262 Sv. Bezwaarschrift tegen de dagvaarding wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AV-nummer : 000079-20

Uitspraak d.d. : 5 maart 2020

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen op het bezwaarschrift, op grond van artikel 262 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door de verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

hierna te noemen: de verdachte.

Procesgang

Door de raadsvrouw, mr. A.H.J. Saes, advocate te Amsterdam, is namens de verdachte op 3 september 2019 een bezwaarschrift ingediend tegen de jegens de verdachte uitgebrachte dagvaarding om op 4 oktober 2019 te verschijnen ter openbare terechtzitting van de meervoudige strafkamer in het arrondissement Den Haag, teneinde terecht te staan ter zake van de feiten zoals vermeld in die dagvaarding.

De meervoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag heeft het bezwaarschrift op 4 oktober 2019 behandeld. Bij beschikking van 1 november 2019 heeft de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaard en de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging gesteld.

Tegen deze beschikking heeft de officier van justitie tijdig hoger beroep ingesteld.

Voorafgaand aan de behandeling van het hoger beroep in de raadkamer hebben de advocaat-generaal en de verdediging hun standpunten in hoger beroep op schrift gesteld. De advocaat-generaal heeft ter onderbouwing van zijn standpunt als bijlage toegevoegd een proces-verbaal van bevindingen dat op 27 november 2019 op ambtsbelofte door [rechercheofficier], rechercheofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag, is opgemaakt en ondertekend.

Het hof heeft het hoger beroep op 20 februari 2020 in raadkamer behandeld. Daar zijn gehoord de advocaat-generaal, mr. H.H.J. Knol, en de gemachtigd raadsvrouw van de verdachte, mr. A.H.J. Saes.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De officier van justitie heeft op 5 november 2019 hoger beroep ingesteld en op 20 november 2019 een appelschriftuur ingediend.

Op grond van artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een appelschriftuur indienen. Nu de appelschriftuur vijftien dagen na het instellen van het hoger beroep is ontvangen is sprake van termijnoverschrijding. Het hof ziet zich om die reden voor de vraag gesteld of het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

In artikel 416, derde lid, Sv is bepaald dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het Openbaar Ministerie niet, of te laat, een schriftuur heeft ingediend. Bij de beoordeling of aan de te late indiening van de schriftuur de sanctie van niet-ontvankelijkheid dient te worden verbonden dient het belang van het hoger beroep te worden betrokken (HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4078, NJ 2009/403).

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Den Haag omdat het Openbaar Ministerie zich er niet mee kan verenigen dat de rechtbank het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond heeft verklaard en de verdachte tevens ten aanzien van de gehele tenlastelegging buiten vervolging heeft gesteld. Het belang van het hoger beroep, te weten het daardoor mogelijk alsnog kunnen vervolgen in een zaak waarin de verdachte wordt verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de misdrijven omschreven in de artikelen 248a en 248b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), dient naar het oordeel van het hof te prevaleren boven het belang de sanctie van niet-ontvankelijkheid te verbinden aan het verzuim van het Openbaar Ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen. Het hof is derhalve van oordeel dat het Openbaar Ministerie kan worden ontvangen in het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep.

Feiten

Het hof neemt de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden met enkele aanpassingen, waar nodig zakelijk weergegeven, over. Daaraan voegt het hof toe hetgeen volgt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 november 2019, opgemaakt door [rechercheofficier], rechercheofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag. Het hof komt aldus tot vaststelling van de volgende feiten en omstandigheden, die aan de beoordeling ten grondslag liggen.

a. De verdachte is op 19 april 2017 door de rijksrecherche aangehouden als verdacht van het plegen van een of meer van de misdrijven, strafbaar gesteld bij de artikelen 245, 247, 248a en 248b Sr, gepleegd te Amsterdam in de periode van april 2016 tot en met december 2016.

b. Bij het politieonderzoek, genaamd 13OScoda, op basis waarvan de verdachte is aangehouden, zijn tevens tien andere verdachten aangehouden.

c. Het onderzoek 13Oscoda werd vanuit het arrondissementsparket te Amsterdam vanaf het begin geleid door de aldaar werkzame officier van justitie [officier van justitie 1], die ook aanwezig was bij de huiszoeking die gelijktijdig met de aanhouding van de verdachte op 19 april 2017 in diens woning plaatsvond.

d. In een later stadium van het onderzoek is daarin, naast [officier van justitie 1], als zaaksofficier mede gaan optreden [officier van justitie 2], aanvankelijk eveneens werkzaam bij het arrondissementsparket aan het IJdok te Amsterdam, thans bij het landelijk parket.

e. De verdachte is op 21 april 2017 op basis van een vordering tot inbewaringstelling voorgeleid aan de rechter-commissaris te Amsterdam. Bij het verhoor van de verdachte op de vordering was aanwezig [officier van justitie 1]. De rechter-commissaris heeft de vordering tot inbewaringstelling afgewezen.

f. De verdachte is door de rechter-commissaris te Amsterdam nader gehoord op 12 juli 2018. Bij dat verhoor waren aanwezig [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2].

g. De verdachte was ten tijde van zijn aanhouding, en ook in de daaraan voorafgaande periode waarop de verdenking tegen hem ziet, werkzaam als plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket. In die hoedanigheid hield hij kantoor aan het IJdok te Amsterdam.

h. De leiding van het arrondissementsparket Amsterdam heeft zich de vraag gesteld of er aanleiding was om met betrekking tot de verdachte een verzoek te doen als bedoeld in artikel 510 Sv, welk wetsartikel bepaalt dat op verzoek van het Openbaar Ministerie door de Hoge Raad een ander gerecht wordt aangewezen waarvoor de vervolging en berechting van een zaak moet plaatsvinden als een rechterlijk ambtenaar binnen het ressort van zijn rechtbank of zijn gerechtshof wordt vervolgd en berecht.

i. Ter beantwoording van die vraag heeft de leiding van het Amsterdamse parket advies ingewonnen bij het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (hierna: W.B.O.M.). Dat bureau heeft op 2 november 2018 een advies uitgebracht, waarvan de conclusie als volgt luidt:

Er bestaat al met al geen zekerheid over de toepasselijkheid van artikel 510 Sv bij een verdenking gerezen tegen een officier van justitie bij het functioneel parket. Gelet op de omstandigheid dat:

- ook in geval van een dergelijke verdenking van belang is dat deze officier van justitie zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden,

- een verzuim hierin bestaande dat het OM nalaat zich op de voet van artikel 510 Sv tot de Hoge Raad te wenden met het verzoek tot aanwijzing van een gerecht, nietigheid meebrengt van het gehouden onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken,

- in het toekomstig recht de opvolger van artikel 510 Sv, te weten artikel 6.1.4.1, eerste lid, Boek 6 Sv, van toepassing is op (onder meer) rechterlijke ambtenaren werkzaam bij het functioneel parket,

- met behandeling van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 Sv door de Hoge Raad weinig tot zeer weinig tijd heengaat,

moet het zeer verstandig worden geacht dat het OM dat naar de gewone regels met de vervolging is belast, zich met een verzoekschrift tot de Hoge Raad wendt waarin aan de Hoge Raad wordt verzocht het gerecht aan te wijzen waarvoor vervolging en berechting dient plaats te vinden. In dat verzoekschrift kan open kaart worden gespeeld door aan te geven dat het OM niet zeker weet of indiening daarvan in de betreffende situatie verplicht is maar dat het OM geen risico wenst te lopen op nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraken.

j. De hoofdofficier van justitie bij het Amsterdamse parket heeft op 11 december 2018, onder verwijzing naar en met bijvoeging van het W.B.O.M.-advies, op basis van artikel 510 Sv het verzoek aan de Hoge Raad gedaan om, alvorens er enige definitieve vervolgingsbeslissing wordt genomen, een gerecht aan te wijzen waar de mogelijke vervolging en berechting van de verdachte zal dienen plaats te vinden.

k. De Hoge Raad heeft op 22 januari 2019 op het verzoek beslist. Het dictum van die beslissing luidt als volgt:

De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die Rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatsvinden.

l. De Hoge Raad heeft zijn beslissing gemotiveerd met (onder meer) de volgende overwegingen:

4.2

De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het openbaar ministerie om - in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een verdenking van een strafbaar feit is gerezen - al dan niet gebruik te maken van onder meer zijn bevoegdheid die ambtenaar niet te vervolgen. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in het eerste lid genoemde gevallen het openbaar ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen indien naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het openbaar ministerie bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (vgl. HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3669).

4.3.

Uit het doel en de strekking van art. 510 Sv volgt dat de daar bedoelde regeling ook toepasselijk is in een geval als het onderhavige waarin het gaat om een bij het functioneel parket werkzaam rechterlijk ambtenaar tegen wie de verdenking is gerezen een strafbaar feit te hebben begaan en die ter zake daarvan zou moeten worden vervolgd en berecht voor een gerecht waarbij hij op grond van art. 139b, eerste lid, RO de vervolging pleegt of placht in te stellen. Hetzelfde geldt ook voor een bij het landelijk parket werkzaam rechterlijk ambtenaar.

Vervolgens is het aan de Hoge Raad om naar aanleiding van het in te dienen verzoekschrift naar bevind van zaken een gerecht aan te wijzen ter waarborging dat de betrokkene zal worden vervolgd en berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden.

m. Op 24 januari 2019 heeft de rechercheofficier van het arrondissementsparket Amsterdam de rechercheofficier van het arrondissementsparket Den Haag in kennis gesteld van het feit dat de rechtbank Den Haag was aangewezen voor de verdere behandeling van de strafzaak. Daarop heeft [rechercheofficier] de (toenmalig) hoofdofficier van justitie te Den Haag, [hoofdofficier van justitie], en de (toenmalige) plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, [plaatsvervangend hoofdofficier van justitie], hierover ingelicht. Hij heeft hierbij onder verwijzing naar het dictum van de beschikking van de Hoge Raad aangegeven dat de beslissing tot vervolging uitdrukkelijk ligt bij het Openbaar Ministerie bij de aangewezen rechtbank.

n. De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op diezelfde dag naar aanleiding van het feit dat zij (via publicatie op www.rechtspraak.nl) kennis had genomen van de beschikking van de Hoge Raad per brief tot [officier van justitie 1] gewend. In die brief staat onder meer het volgende:

Wij zullen ons tot het parket Den Haag wenden. Kunt u ons vertellen wie de nieuwe zaaksofficier wordt?

o. Op 28 januari 2019 is door de hoofdofficier van justitie te Den Haag besloten dat de strafvervolging tegen de verdachte diende te worden voortgezet.

p. Rond 30 januari 2019 is door de hoofdofficier van justitie te Den Haag besloten dat de beide zaaksofficieren, [officier van justitie 2] en [officier van justitie 1], als zodanig konden blijven functioneren, maar nu uitdrukkelijk onder zijn gezag. Hierbij is blijkens het proces-verbaal van bevindingen van [rechercheofficier] in ogenschouw genomen dat:

  • -

    het onderzoek in deze zaak al circa twee jaar liep;

  • -

    de overige tien verdachten reeds (een voor een) gepland stonden op afzonderlijke zittingen bij de meervoudige kamer medio 2019;

  • -

    in deze zaak sprake was van een kwetsbare en getraumatiseerde aangever waarmee beide zaaksofficieren inmiddels goed contact hadden, zodat de vertrouwdheid met de zaaksofficieren een factor van belang zou kunnen zijn als de aangever bij een rechter-commissaris of ter zitting als getuige zou moeten worden gehoord;

  • -

    de zaaksofficieren werkzaam waren bij een ander parket dan de verdachte;

  • -

    de gelijke behandeling van de verdachte ten opzichte van de tien andere verdachten in het betreffende onderzoek was gediend bij het aanblijven van de betrokken zaaksofficieren.

q. Met de rechercheofficier van justitie van het parket Amsterdam is vervolgens rond 31 januari 2019 afgesproken dat:

  • -

    het parket Den Haag het gezag heeft over de (verdere) strafvervolging tegen de verdachte;

  • -

    de rechercheofficier van het parket Den Haag als eerste aanspreekpunt voor de aansturing vanuit het parket Den Haag zal optreden;

  • -

    als zaaksofficieren [officier van justitie 2] en [officier van justitie 1] zullen optreden;

  • -

    de persvoorlichting door het parket Den Haag zal worden gedaan;

  • -

    [officier van justitie 3] (officier van justitie mensenhandel te Den Haag) als contactpersoon voor de zaaksofficieren zal optreden om hen wegwijs te maken richting de administratie van het parket Den Haag en de rechtbank Den Haag.

r. Op 21 februari 2019 heeft de raadsvrouw zich per e-mail tot [officier van justitie 2] en [officier van justitie 1] gericht:

Wij proberen al enige tijd te achterhalen wie de nieuwe Haagse officier van justitie is, die aldus de beschikking van de Hoge Raad d.d. 22 januari 2019 de vervolgingsbeslissing in deze zaak zal moeten nemen.

s. Op 5 maart 2019 heeft [officier van justitie 2] (onder meer) het volgende per e-mail aan de raadsvrouw bericht:

Inmiddels is besloten dat de zaak formeel aan het Haagse parket wordt overgedragen en dat mijn collega [officier van justitie 1] en ik zaaksofficieren zullen blijven.

t. Op 7 maart 2019 heeft de raadsvrouw per brief het volgende aan [officier van justitie 2] bericht:

Middels deze brief reageer ik op uw e-mail d.d. 5 maart 2019. In deze e-mail schrijft u dat ‘is besloten dat de zaak formeel aan het Haagse parket wordt overgedragen en dat mijn collega [officier van justitie 1] en ik zaaksofficieren zullen blijven.’

De Hoge Raad besliste op 22 januari 2019 dat hij ‘de Rechtbank Den Haag aan[wijst] als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben.’ Uw beslissing komt daarom onverwacht.

Uw beslissing is in strijd met deze beschikking en met de ratio van artikel 510 Sv. De ratio van artikel 510 Sv is dat elke schijn van een partijdige vervolging en berechting dient te worden vermeden indien een rechterlijk ambtenaar wordt verdacht van een strafbaar feit. In een dergelijk geval wijst de Hoge Raad op een verzoekschrift van het Openbaar Ministerie een ander arrondissement of ressort aan dan waar de rechterlijke ambtenaar werkzaam is/was voor het nemen van de vervolgingsbeslissingen en voor de eventueel daarop volgende berechting van die rechterlijk ambtenaar. Dit verzoekschrift moet het Openbaar Ministerie indienen op het moment dat er een verdenking tegen een rechterlijk ambtenaar is ontstaan, spoedgevallen daargelaten.

Het Openbaar Ministerie had dus al een verzoek ex artikel 510 Sv moeten doen op het moment dat [verdachte] in januari 2017 als verdachte werd aangemerkt of in ieder geval toen de verdediging in april 2018 een verzoek om buitengerechtelijke afdoening deed. Desondanks heeft het Arrondissementsparket Amsterdam het gezag over het strafrechtelijk onderzoek bij zich gehouden en in dat kader vele (vervolgings)beslissingen genomen, inclusief de beslissing tot verdere vervolging.

Uw beslissing zoals verwoord in uw e-mail van 5 maart jl. betekent, ondanks het verzoek ex artikel 510 Sv en ondanks de daaropvolgende beschikking van de Hoge Raad, dat de vervolgende instantie slechts op het papier het Haagse parket wordt.

Gelet op het feit dat er geen tussentijds rechtsmiddel tegen deze beslissing van het Openbaar Ministerie open staat, richt ik mij tot u met het verzoek om uw beslissing te herzien. Mocht u daar niet toe bereid zijn, zal de verdediging uw beslissing te zijner tijd aan de Rechtbank Den Haag voorleggen.

u. Op 8 maart 2019 is de zaak opgenomen in het interne zicht-op-zaken systeem van het parket Den Haag en vervolgens periodiek gemonitord door [rechercheofficier] en/of plenair besproken in het Haagse zicht-op-zaken overleg.

v. Op 18 maart 2019 heeft [officier van justitie 2] per e-mail de hiervoor genoemde brief van de raadsvrouw d.d. 7 maart 2019 beantwoord, en wel als volgt:

In reactie op uw verzoek om de beslissing dat de zaak wordt overgedragen aan het Haagse parket en dat mijn collega [officier van justitie 1] en ik zaaksofficieren blijven, te herzien, het volgende.

Voor de goede orde deel ik mee dat dit niet mijn beslissing is, maar die van de Haagse parketleiding.

De regeling van artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering moet met name voorkomen dat indien een verdenking is gerezen tegen een rechterlijk ambtenaar, deze zou worden berecht voor de rechtbank waar deze persoon zaken voor/mee heeft gedaan en dus een band mee heeft. Dit heeft tot doel de onpartijdigheid van de rechtspleging te verzekeren, reden waarom de rechtbank Den Haag is aangewezen.

Daarnaast, indien een verdenking tegen een officier van justitie is gerezen, moet worden voorkomen dat deze door collega’s van zijn of haar eigen parket wordt vervolgd. Daarvan was en is geen sprake. Verdachte was werkzaam bij het Functioneel Parket, mijn collega [officier van justitie 1] en ik (destijds) bij het arrondissementsparket. Daarmee is sprake van voldoende distantie.

De beslissing zal dan ook niet worden herzien.

w. Nadat de Hoge Raad zijn beslissing had genomen, is het strafdossier, dat zich bij de rechter-commissaris te Amsterdam bevond, overgedragen aan de rechter-commissaris te Den Haag. Deze heeft op 15 april 2019 een regiebijeenkomst gehouden. Daarbij was het Openbaar Ministerie vertegenwoordigd door [officier van justitie 2].

x. Op diezelfde dag heeft [rechercheofficier] in zijn hoedanigheid van rechercheofficier van justitie in het arrondissementsparket Den Haag kennis gemaakt met beide zaaksofficieren in verband met het feit dat zij onder het gezag van de Haagse hoofdofficier – en daarmee materieel ook onder het gezag van [rechercheofficier] – met deze strafzaak waren belast.

y. In de loop van het voorjaar van 2019 heeft de opvolger van de (toenmalig) hoofdofficier van justitie [hoofdofficier van justitie], de waarnemend hoofdofficier van justitie [plaatsvervangend hoofdofficier van justitie], de vervolgingsbeslissing bevestigd.

z. Op 2 juli 2019 heeft onder voorzitterschap van [rechercheofficier] op het parket Den Haag een reflectiebijeenkomst plaatsgevonden in het kader van de komende reeks zittingen in Amsterdam, waarbij de (voorgenomen) strafeisen in deze reeks zaken en die in de Haagse zaak tegen de verdachte zijn besproken.

aa. De voorzitter van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag heeft in overleg met de zaaksofficieren, [officier van justitie 1] en [officier van justitie 2], alsmede met de raadsvrouw de data voor de regiezitting, te weten 4 oktober 2019, en de inhoudelijke behandeling, te weten 7 november 2019, bepaald.

bb. Op 29 augustus 2019 is aan de verdachte de dagvaarding betekend voor de zitting van de rechtbank Den Haag van 4 oktober 2019, teneinde terecht te staan op verdenking van twee cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten, gebaseerd op de artikelen 248a en 248b Sr. Bovenaan die dagvaarding staat “Arrondissementsparket Den Haag”.

cc. Op 26 september 2019 heeft onder voorzitterschap van [rechercheofficier] een reflectiebijeenkomst plaatsgevonden om de zaaksofficieren te adviseren over het in te nemen standpunt met betrekking tot de bewezenverklaring in het kader van de ten laste gelegde strafbare feiten in de strafzaak tegen de verdachte.

dd. Naar blijkt uit op www.rechtspraak.nl gepubliceerde vonnissen van 27 september 2019, hebben andere verdachten uit het onderzoek 13Oscoda inmiddels terecht gestaan voor de rechtbank Amsterdam. In die zaken werd het Openbaar Ministerie vertegenwoordigd door [officier van justitie 2] of [officier van justitie 1].

Het bezwaarschrift

Het bezwaarschrift tegen de op 29 augustus 2019 aan de verdachte betekende dagvaarding strekt ertoe dat de verdachte voor alle in die dagvaarding genoemde feiten buiten vervolging zal worden gesteld. De verdediging heeft in dat bezwaarschrift en de overgelegde stukken, alsmede bij de behandeling in raadkamer bij zowel de rechtbank als het hof – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Het is hoogst onaannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, het Openbaar Ministerie ontvankelijk zal verklaren in zijn vervolging.

Het Openbaar Ministerie heeft zichzelf op meerdere momenten een bevoegdheid aangemeten die hem niet toekomt:

  • -

    Het Openbaar Ministerie is gehouden om een verzoek ex artikel 510 Sv bij de Hoge Raad in te dienen op het moment dat een verdenking tegen een rechterlijk ambtenaar is ontstaan. In deze zaak is het verzoek pas ingediend op het moment dat de zaak gereed was voor zitting, waardoor het gehele opsporingsonderzoek en de vervolging geleid zijn door onbevoegde officieren van justitie.

  • -

    Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens, nadat de Hoge Raad expliciet en ondubbelzinnig de rechtbank Den Haag had aangewezen als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatshebben, deze opdracht niet uitgevoerd, maar een schijnconstructie opgetuigd door de Haagse hoofdofficier van justitie binnen twee dagen een goedkeuringsstempel op de vervolgingsbeslissing te laten zetten en de Amsterdamse officieren als zaaksofficieren op de zaak te laten.

De handelwijze van het Openbaar Ministerie gaat verder dan een enkele schending van artikel 510 Sv, dat tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting leidt. Door het bewust negeren van de opdracht van de Hoge Raad en het optuigen van een schijnconstructie heeft het Openbaar Ministerie zichzelf een bevoegdheid aangemeten die hem niet toekomt en daarmee de verhouding tussen het Openbaar Ministerie en de rechter bij de behandeling van strafzaken miskend, hetgeen een ernstige en fundamentele inbreuk vormt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en strafvervolging en het wettelijk systeem in de kern raakt.

Het voorgaande moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en – ingevolge artikel 262, vijfde lid, Sv – tot buitenvervolgingstelling van de verdachte.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het hof de beschikking waarvan hoger beroep zal vernietigen en het bezwaarschrift ongegrond zal verklaren. Daartoe is – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Na de beschikking van de Hoge Raad is de beslissing om de verdachte (verder) te vervolgen volledig genomen door de toenmalige en huidige parketleiding van het arrondissementsparket Den Haag, waardoor volledig is voldaan aan de opdracht van de Hoge Raad dat de vervolgingsbeslissing moest worden genomen door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag. Bovendien vindt ook de verdere vervolging plaats door het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag nu de zaaksofficieren als plaatsvervangend officieren van justitie onder directe aansturing van de Haagse parketleiding handelen en daarbij gewaarborgd is dat de schijn van bevoordeling of benadeling van de verdachte wordt vermeden. De verdachte en de zaaksofficieren waren niet werkzaam op hetzelfde parket noch hadden anderszins een, al dan niet functionele, relatie met elkaar. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat het optreden van het Openbaar Ministerie, leidend tot het uitbrengen van de inleidende dagvaarding waartegen het bezwaarschrift is gericht, volledig in overeenstemming is met de beschikking van de Hoge Raad.

De raadkamerprocedure heeft een voorlopig karakter en noopt tot terughoudendheid. Het hof mag niet vooruitlopen op een weging van feiten en omstandigheden die is voorbehouden aan de zittingsrechter. De rechtbank is ten onrechte voorbij gegaan aan dat karakter en heeft bovendien een rechtens niet juist criterium gehanteerd op grond waarvan zij de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft geacht in de vervolging.

Mocht het hof, zonder miskenning van het voorlopige en tot terughoudendheid nopende karakter van de procedure, tot het oordeel komen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, dan dient buitenvervolgingstelling als bedoeld in artikel 262, vijfde lid, Sv achterwege blijven omdat er geen sprake is van een onherstelbare niet-ontvankelijkheid (vgl. HR 10 december 1985, NJ 1986/439 en HR 29 september 1987, NJ 1988/784). Het is immers mogelijk andere officieren van justitie aan de zaak te verbinden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Bij de beoordeling van het bezwaarschrift zal het hof uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals bovenomschreven.

I. Algemeen

2. Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding een summier karakter draagt. Wanneer een op artikel 262 Sv gegrond juridisch verweer wordt gevoerd, is de rechter verplicht zich over de al dan niet doeltreffendheid van het verweer uit te laten, zulks evenwel met inachtneming van evenbedoeld summier karakter van het onderzoek (vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4112).

3. De inzet van de bewaarschriftprocedure is of er voldoende rechtvaardiging bestaat om de verdachte in het openbaar terecht te laten staan. Het summiere karakter van de bezwaarschriftprocedure heeft tot gevolg dat alleen evidente beletselen (als bijvoorbeeld een kennelijke verjaring of een te laste gelegd feit dat niet als strafbaar gekwalificeerd zal kunnen worden) tot een direct resultaat leiden.

4. Het hof overweegt ten overvloede dat het summiere karakter erin is gelegen dat de bezwaarschriftprocedure anders het karakter zou krijgen van een eerste toetsing, die in de plaats treedt van de toetsing die in de openbare procedure ter terechtzitting dient plaats te vinden.

5. Het hof ziet zich bij de beoordeling van het bezwaarschrift voor de vraag gesteld of hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, de officier van justitie ontvankelijk zal verklaren in de vervolging (HR 29 september 1951, NJ 1952/58).

6. Het hof stelt voorop dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad slechts plaats is in uitzonderlijke gevallen.

II. Tijdige indiening verzoekschrift?

7. Het Openbaar Ministerie dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, is gehouden een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijke oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt. Het Openbaar Ministerie heeft het verzoek in de zin van artikel 510 Sv ingediend geruime tijd nadat de verdachte is aangehouden en verhoord. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat alle (vervolgings)beslissingen in de strafzaak door het verkeerde arrondissementsparket zijn genomen, hetgeen in strijd is met de behoorlijke procesorde. Het hof verwerpt deze stelling. Wat er zij van de termijn die is verstreken voor de indiening van het verzoek ex artikel 510 Sv bij de Hoge Raad, is niet hoogst aannemelijk dat de gestelde overschrijding zal leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

III. Handelen in strijd met de beschikking van de Hoge Raad?

8. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 22 januari 2019 het volgende beslist:

De Hoge Raad wijst de Rechtbank Den Haag aan als gerecht voor hetwelk, zo het Openbaar Ministerie bij die rechtbank dit nodig oordeelt, de vervolging en berechting van de zaak zullen plaatsvinden.

9. Het dictum van de beschikking van de Hoge Raad bevat twee beslissingen: 1) de vervolging en berechting van de verdachte vindt plaats voor de rechtbank Den Haag; en 2) het Openbaar Ministerie bij die rechtbank beslist over de al dan niet (verdere) vervolging van de verdachte.

10. Het hof stelt vast dat de verdachte is gedagvaard te verschijnen voor de rechtbank Den Haag middels een door de waarnemend hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket te Den Haag ondertekende dagvaarding.

11. Daarmee is voldaan aan de eis dat de vervolging en de berechting van de verdachte plaatsvinden voor de rechtbank Den Haag.

12. Voorts blijkt uit het in hoger beroep overgelegde proces-verbaal van bevindingen van [rechercheofficier] dat de vervolgingsbeslissing na de beschikking van de Hoge Raad is genomen door de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Den Haag en ook overigens later is bevestigd door de opvolger van die hoofdofficier van justitie en niet – zoals de rechtbank in rechtsoverweging 12 van haar beschikking heeft overwogen – door de twee zaaksofficieren.

13. Daarmee is eveneens voldaan aan de eis dat het Openbaar Ministerie bij de rechtbank Den Haag beslist over de al dan niet (verdere) vervolging van de verdachte.

14. Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat formeel en materieel is voldaan aan het dictum van de beschikking van de Hoge Raad.

IV. Handelen in strijd met artikel 510 Sv?

15. Artikel 510 Sv strekt ertoe een onpartijdige vervolging en berechting van een rechterlijk ambtenaar te waarborgen, door deze vervolging en berechting niet over te laten aan autoriteiten die zijn verbonden aan dezelfde rechterlijke instantie als die waaraan de verdachte als rechterlijk ambtenaar is verbonden (vgl. HR 13 november 2001, NJ 2003/569).

16. Gelet op de vastgestelde omstandigheden dat:

i) de plaatsvervangend officieren van justitie werkzaam waren bij een ander parket dan de verdachte;

ii) zij de verdachte niet kennen en nooit met hem hebben samengewerkt;

iii) het parket in Den Haag het gezag heeft over de (verdere) strafvervolging;

iv) dit gezag blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de rechercheofficier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag in de loop van 2019 ook de facto is uitgevoerd,

is het hof van oordeel dat niet reeds nu tot het oordeel kan worden gekomen dat sprake is van zodanige strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv dat de zittingsrechter tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging zal concluderen.

V. Conclusie

17. Gelet op het voorgaande acht het hof in het kader van de summiere toetsing die bij de raadkamerprocedure past onvoldoende grond aanwezig voor de door de raadkamer in eerste aanleg getrokken conclusie dat de kernwaarden van het wettelijk systeem zijn genegeerd, waardoor de waarborgen van een onpartijdige vervolging en berechting zijn geschonden. Het is naar het oordeel van het hof niet evident in de zin van hoogst aannemelijk dat de zittingsrechter, later oordelend, strijd met het doel en de strekking van artikel 510 Sv of de beschikking van de Hoge Raad aanwezig zal achten en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.

19. Dit oordeel neemt niet weg dat het handelen van het Openbaar Ministerie in de onderhavige zaak als onhandig en bijzonder ongelukkig kan worden gekwalificeerd. Door de twee zaaksofficieren te handhaven heeft het onnodig discussie laten ontstaan over de (schijn van) partijdige vervolging van de verdachte, terwijl een voorziening als die van artikel 510 Sv (mede) beoogt te voorkomen dat hierover bij de verdachte of derden vragen opkomen. Verdere discussie hierover dient naar het oordeel van het hof zo veel mogelijk voorkomen te worden.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht, indien het hof niet van oordeel is dat het reeds kan oordelen dat een volledige buitenvervolgingstelling zou moeten volgen, op grond van artikel 23, eerste lid, Sv

  • -

    de (toenmalige) betreffende leden van de parketleiding van het arrondissementsparket Amsterdam,

  • -

    de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam, [hoofdofficier van justitie te Amsterdam], en

  • -

    de betreffende leden van de parketleiding van het arrondissementsparket Den Haag,

als getuigen te horen.

Het hof wijst dit verzoek af. De raadkamerprocedure leent zich, gelet op het summiere karakter daarvan, niet voor een uitputtend onderzoek. Bovendien is het verzoek, in het licht van het aanvullende proces-verbaal van [rechercheofficier], onvoldoende onderbouwd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is op 5 maart 2020 gewezen door

mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. D.M. Thierry, leden, in bijzijn van de griffier mr. K. Elema.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.