Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:386

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
200.207.991/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

garantie overeenkomst; (schijn van) volmachtverlening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2020/59 met annotatie van Poelsema, M.
NTHR 2020, afl. 3, p. 133
JONDR 2020/363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.207.991/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/466192/HA ZA 14-597

arrest van 10 maart 2020

inzake

Barron International Holding LTD,

gevestigd te Gibraltar, Verenigd Koninkrijk,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Barron,

advocaat: mr. K.A.J. Bisschop te Amsterdam,

tegen

Robi House II B.V.,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Robi House,

advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te Tilburg.

Het geding

Voor het eerdere procesverloop verwijst het hof naar zijn tussenarrest van 10 juli 2018 (hierna: het tussenarrest). In het tussenarrest is Barron toegelaten tot de in r.o. 16 genoemde bewijslevering. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 13 november 2018 en 21 februari 2019. Barron heeft vier getuigen voorgebracht en in de contra-enquête is van de zijde van Robi House één getuige gehoord. Van de getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Robi House heeft ten behoeve van het getuigenverhoor op 21 februari 2019 nog een aantal producties overgelegd (zie nader onder 15). Nadat het getuigenverhoor is gesloten heeft Barron een memorie na (contra-) enquête met producties genomen. Robi House heeft hierop gereageerd bij antwoordmemorie na (contra-)enquête met producties.

Partijen hebben de stukken overgelegd en opnieuw arrest gevraagd.

Bij H 16 formulier van 6 juni 2019 heeft Robi House medegedeeld dat het hof van de juistheid van de inventarisstaat van Barron kan uitgaan.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In de kop van het tussenarrest is ten onrechte niet vermeld dat Barron geïntimeerde is in het door Robi House ingestelde incidenteel appel. Het incidenteel appel van Robi House is in het tussenarrest wel inhoudelijk besproken. De correctie betreft dus uitsluitend de aanduiding in de kop van het tussenarrest.

2. In het tussenarrest is, kort gezegd, overwogen dat Robi House het volgende aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. [X] heeft via zijn vennootschap Robi House werkzaamheden verricht ten behoeve en in opdracht van de vennootschap ICBS. Het betreft onder meer het in samenwerking met het advocatenkantoor MannaertsAppels N.V. (hierna: MA) voeren van gerechtelijke procedures. Omstreeks april 1998 heeft [A] , die tot zijn overlijden op 1 januari 2006 namens Barron en ICBS optrad en de feitelijke leiding over deze vennootschappen voerde aan [X] de opdracht gegeven te voorzien in de directie van ICBS. Vervolgens is [de bestuurder] benaderd en is hij, althans de vennootschap onder firma waarvan hij vennoot was, per 1 juli 1998 benoemd tot enig bestuurder en statutair directeur van ICBS. [X] en [de bestuurder] kwamen met [A] overeen (i) dat zij voor hun werkzaamheden van ICBS ieder een jaarlijkse vergoeding zouden ontvangen van

fl. 60.000,-- excl. btw, (ii) dat op het moment dat ICBS niet meer in staat zou zijn deze vergoedingen te betalen Barron de vergoedingen van de kosten van MA, en (de vennootschappen van) [X] en [de bestuurder] voor haar rekening zou nemen en (iii) dat met betrekking tot de vergoedingen voor (de vennootschappen van) [X] en [de bestuurder] pas zou worden afgerekend na het afronden van de gerechtelijke procedures. [A] heeft verklaard dat Barron zou instaan voor de betaling van deze vergoedingen. Na het overlijden van [A] is namens ICBS te kennen gegeven dat de lopende procedures alleen zouden worden voortgezet als Barron bereid bleef de kosten voor haar rekening te nemen. Barron heeft niet kenbaar gemaakt dat zij daartoe bereid was en er is op een geven moment zelfs (door de partner van [A] , mevrouw [de partner] ) te kennen gegeven dat de procedures moesten worden gestaakt. De vorderingen zijn hiermee opeisbaar geworden, en nu ICBS niet in staat is deze vorderingen te betalen is Barron hoofdelijk naast ICBS verplicht tot betaling van de facturen van MA, Robi House en [de bestuurder] ten bedrage van in totaal € 719.636,55. [de bestuurder] en MA hebben hun vorderingen op ICBS bij akte van 13 juni 2013 aan Robi House gecedeerd.

3. In r.o. 4.7. van het tussenvonnis van 23 december 2015 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank overwogen dat zonder nadere bewijslevering niet kan worden vastgesteld dat de overeenkomst tot garantstelling tot stand is gekomen. In dit verband dient Robi House tevens te bewijzen dat [A] bevoegd was Barron te vertegenwoordigen, althans nu vast lijkt te staan dat dit niet het geval was, dat sprake was van schijn van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW. De rechtbank heeft Robi House toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden als bedoeld in r.o. 4.7. waaruit kan volgen dat: [X] en [de bestuurder] enerzijds met [A] namens Barron anderzijds zijn overeengekomen dat Barron zou instaan voor de betaling van de door ICBS aan Robi House en [de bestuurder] verschuldigde jaarlijkse vergoedingen en dat deze vergoedingen pas zouden worden gedeclareerd en betaald nadat alle procedures die namens ICBC werden gevoerd zouden zijn afgerond. Vervolgens hebben beide partijen schriftelijke stukken in het geding gebracht. Daarnaast heeft Robi House als getuigen voorgebracht: [X] , [de getuige] , [de bestuurder] en de zoon van [A] (hierna: [de zoon] ). Barron heeft afgezien van contra-enquête.

4. In r.o. 2.3. van het eindvonnis van 14 december 2016 (hierna: het eindvonnis) heeft de rechtbank overwogen dat, gelet op r.o. 4.7. van het tussenvonnis, in de bewijsopdracht besloten ligt dat Robi House tevens diende te bewijzen dat [A] bevoegd was Barron te vertegenwoordigen, althans dat sprake was van schijn van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW. De rechtbank heeft beslist dat Robi House is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering. Met betrekking tot de (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft de rechtbank overwogen dat de getuigenverklaringen de rechtbank tot het oordeel hebben gebracht dat [A] als uiteindelijk rechthebbende op het trustvermogen van Barron deze vennootschap kon binden omdat hij de (formele) bestuurders van Barron kon instrueren. Als al geen stilzwijgende volmachtverlening kan worden aangenomen, mochten [X] en [de bestuurder] redelijkerwijs aannemen dat een dergelijke volmacht was verleend. De rechtbank heeft bij de bewijswaardering in het bijzonder van belang geacht dat Barron de personen waarvan zij schriftelijke verklaringen heeft overgelegd – de chauffeur van [A] die stelt dat nooit iemand anders, en dus ook niet [de zoon] , [A] naar zakelijke besprekingen heeft vervoerd, alsmede een persoon die stelt dat [X] tegenover hem vóór de start van deze procedure geheel andere standpunten heeft ingenomen dan de standpunten die door Robi House in deze procedure worden ingenomen - niet als getuigen heeft voorgebracht, waardoor de rechtbank deze getuigen niet heeft kunnen bevragen. Deze omstandigheid brengt mee dat aan deze schriftelijke verklaringen minder gewicht moet worden toegekend dan aan de getuigenverklaringen.

In het principaal appel

5. De grieven III tot en met VII zijn gericht tegen de bewijswaardering en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank dat Robi House is geslaagd in de haar opgedragen bewijslevering. Barron heeft in hoger beroep (alsnog) concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden door het doen horen van de getuigen: [de partner] , [de chauffeur] , [naam] en [de bedrijfsjurist] . In het tussenarrest heeft het hof Barron toegelaten tot de levering van dit aangeboden getuigenbewijs. Deze getuigen zijn door de raadsheer-commissaris gehoord en van de zijde van Robi House is [X] nogmaals als getuige voorgebracht. Daarnaast hebben beide partijen in dit hoger beroep nog stukken overgelegd.

6. Het hof zal het bewijsmateriaal opnieuw beoordelen en overweegt daartoe het volgende.

7. In de toelichting op grief III heeft Barron, kort gezegd, betoogd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de bezwaren die zij heeft aangevoerd tegen de loyaliteit, geloofwaardigheid en wetenschap van de getuigen die Robi House heeft voorgebracht. Daartoe is aangevoerd dat (i) [X] en [de bestuurder] een evident belang hebben bij de uitkomst van de procedure, (ii) [de getuige] er als (indirect) aandeelhouder en directeur van ICBS belang bij heeft dat de vorderingen tegen Barron worden toegewezen omdat dit ICBS zou disculperen van haar betalingsverplichtingen, en (iii) ook [de zoon] , als pretense erfgenaam van [A] , een wezenlijk belang heeft bij de uitkomst van deze procedure, waarbij volgens Barron verder nog in aanmerking moet worden genomen dat [de zoon] in onmin leeft met [de partner] , die door [A] is aangewezen als enige begunstigde van de Barron Trust.

8. Het hof overweegt dat [X] partijgetuige is in de zin van artikel 164 Rv en dat ten aanzien van zijn getuigenverklaring de beperking van de bewijskracht geldt als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv. Dit heeft de rechtbank in r.o. 2.6 en 2.13 van het eindvonnis ook tot uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft Barron niet gevolgd in haar betoog dat ook [de bestuurder] als partijgetuige moet worden aangemerkt. De tegen dit oordeel gerichte grief II is in het tussenarrest verworpen (r.o. 15). De rechter is op de voet van artikel 152 Rv (in beginsel) vrij in de bewijswaardering van de verklaringen die zijn afgelegd door de getuigen [de bestuurder] , [de getuige] en [de zoon] . Het verwijt van Barron dat in de kern genomen strekt tot betoog dat de getuigen onder ede leugenachtige verklaringen hebben afgelegd kan alleen worden gehonoreerd als daarvoor in de stukken (concrete en) voldoende overtuigende aanwijzingen worden gevonden. Dat een getuige een belang heeft bij een bepaalde uitkomst van een procedure is op zichzelf onvoldoende om diens verklaring ongeloofwaardig te achten. Daarbij tekent het hof overigens nog aan dat Robi House (gemotiveerd) heeft betwist dat [de getuige] en [de zoon] een (eigen) belang hebben bij de uitkomst van deze procedure.

9. De rechtbank heeft in r.o. 2.9 tot en met 2.11 van het eindvonnis de verklaringen van de getuigen [X] , [de bestuurder] , [de getuige] en [de zoon] juist weergegeven. Uit de getuigenverklaringen van [X] , [de bestuurder] en [de zoon] , in onderling verband en samenhang bezien, valt, kort gezegd, af te leiden dat zij samen met [A] aanwezig zijn geweest bij een bijeenkomst medio 1999 in het Holiday Inn hotel in Leiden. Hierbij is besproken of [A] de procedures van IBCS tegen haar voormalig bestuurder [de voormalig bestuurder] in verband met het (onbevoegd) vervreemden van onroerend goed wilde voortzetten, en zo ja, wie de kosten van deze procedures zou dragen indien IBCS daartoe niet meer in staat was, hetgeen op dat moment het geval was. Uit de getuigenverklaringen blijkt verder, kort zakelijk weergegeven, dat [A] toen heeft gezegd dat hij de procedures wilde voortzetten en dat Barron de salarissen van [X] en [de bestuurder] zou betalen zodra de procedures waren afgerond. De getuige [de getuige] kon uit eigen wetenschap niets verklaren over de hiervoor genoemde afspraak maar hij acht het zeer aannemelijk dat er ten aanzien van [X] en [de bestuurder] een dergelijke afspraak is gemaakt omdat het wel vaker voorkwam dat adviseurs pas aan het einde van de rit werden betaald. [de zoon] heeft met betrekking tot zijn aanwezigheid bij de hiervoor genoemde bespreking nog verklaard dat hij zijn vader naar deze afspraak heeft gebracht. De getuigen [X] en [de bestuurder] hebben dit bevestigd. [X] heeft verder nog verklaard dat [A] zich altijd liet rijden en dat [de bestuurder] [A] had meegenomen naar een eerdere bespreking.

10. [X] heeft met betrekking tot de bevoegdheid van [A] om namens Barron op te treden verklaard dat [A] de afspraak kon maken omdat hij via Barron de uiteindelijk begunstigde was. Als slechts anderen (formeel) bevoegd waren om Barron te binden is dat niet doorslaggevend omdat [A] opdracht kon geven aan die anderen. Dat gebeurde volgens hem ook steeds. Ook volgens [de bestuurder] was [A] bevoegd afspraken namens Barron te maken omdat hij in 20 jaar niets anders heeft meegemaakt. Volgens [de bestuurder] was Barron de portemonnee van [A] . De getuigenverklaring van [de getuige] sluit, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, hierop aan. [de getuige] heeft onder meer verklaard: “Ik was betrokken bij bijna alle activiteiten die [A] deed op het gebied van onroerend goed. De werkzaamheden van mijn kantoor zagen op het geven van advies wat betreft de structuur van de groep, het beheer van de vennootschappen in de groep, en het voeren van de financiële administratie van het grootste deel van de groep (…). [A] had een personal assistent, in het begin was dat [de personal assistent] . Alle betalingen, rekeningen en toezeggingen werden naar [A] gestuurd, ter attentie van [de personal assistent] . Zij maakte de betalingen dan in orde, maakte er een totaal van en [A] ondertekende. De betalingen werden vrijwel altijd gedaan door Barron. Ten aanzien van de rekening van Barron (…) in Zwitserland was alleen [A] tekeningsbevoegd. Er was één centrale rekening: die van Barron. (…). Barron wás [A] . [A] deed alles in naam van Barron (…). Alle transacties en onderhandelingen werden gedaan door [A] . Niemand vroeg hem naar een volmacht.” [de zoon] heeft op dit punt verklaard dat zijn vader Barron was en Barron zijn vader. Als er door Barron iets betaald moest worden dan gaf zijn vader een opdracht. Barron was de portemonnee van mijn vader, aldus (ook) de verklaring van [de zoon] .

11. Barron heeft betwist dat [de zoon] bij de hiervoor genoemde bespreking in 1999 aanwezig is geweest. In dit verband heeft zij in dit hoger beroep de getuige [de chauffeur] laten horen. [de chauffeur] heeft verklaard dat hij in 1999 in Antwerpen woonde en dat, voor zover hij zich kon herinneren, [A] in die periode in Zwitserland woonde. Hij was de enige chauffeur van [A] . Hij was er altijd, het maakte niet uit waar [A] vandaan kwam en waar hij naar toe moest. Voor zakelijke besprekingen maakte [A] altijd gebruik van de chauffeursdiensten van [de chauffeur] . De getuige [de partner] heeft verklaard dat als [A] in Nederland was hij zijn vaste chauffeur [de chauffeur] gebruikte. Het hof overweegt dat uit deze verklaringen volgt dat het voor [A] zeer gebruikelijk was om als hij Nederland was zich te laten rijden door [de chauffeur] . Dit sluit naar het oordeel van het hof echter niet uit dat dat in dit concrete geval anders is geweest en dat [A] is meegereden met zijn zoon [de zoon] . Dat dit zo is wordt bevestigd door de getuige [X] (die, als gezegd, er bovendien nog op heeft gewezen dat [A] bij een eerdere bespreken was meegereden [de bestuurder] ) en door getuige [de bestuurder] . Concrete (en verifieerbare) aanwijzingen dat [X] , [de bestuurder] en [de zoon] op dit punt leugenachtige verklaringen hebben afgelegd zijn in het dossier niet gevonden. De getuigen [de chauffeur] , [de partner] en [naam] zijn niet aanwezig geweest bij de hiervoor genoemde bespreking in het Holiday Inn Hotel in Leiden. De verklaringen van [naam] en [de partner] (die met name betrekking hebben op een lunch die in 2007 op uitnodiging van [X] in Breda heeft plaatsgevonden) leveren onvoldoende concrete en overtuigende aanwijzingen op dat de hiervoor besproken verklaringen van [X] , [de bestuurder] en [de zoon] over de in 1999 met [A] gemaakte afspraken niet betrouwbaar dan wel ongeloofwaardig zouden zijn. De (hierna te bespreken) verklaring van de getuige [de bedrijfsjurist] betreft in de kern genomen informatie over de (trust)structuur van de Barron groep en bevat geen relevante informatie over de inhoud van de in 1999 gevoerde bespreking.

12. Dit betekent dat Robi House is geslaagd in het eerste deel van de bewijsopdracht, inhoudend het bewijs van feiten en/of omstandigheden als bedoeld in r.o. 4.7 van het tussenvonnis waaruit kan volgen dat [X] en [de bestuurder] enerzijds met [A] namens Barron anderzijds zijn overeengekomen dat Barron zou instaan voor de betaling van de door ICBS aan Robi House en [de bestuurder] verschuldigde jaarlijkse vergoedingen en dat deze vergoedingen pas zouden worden gedeclareerd en betaald nadat alle procedures die namens ICBS werden gevoerd zouden zijn afgerond. Het hof heeft zich hierbij rekenschap gegeven van het feit dat [X] partijgetuige is en is van oordeel dat de hiervoor besproken verklaringen van de getuigen [de bestuurder] , [de getuige] en [de zoon] zodanig sterk zijn en essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigeverklaring van [X] voldoende geloofwaardig maken. Dat [X] bij de comparitie van partijen uitsluitend heeft verklaard over een bijeenkomst rond maart 1998 betekent (anders dan Barron betoogt) niet dat daarmee dus vaststaat dat de bijeenkomst van medio 1999 waarover de getuigen hebben verklaard, niet heeft plaatsgevonden (en de getuigen op dit punt leugenachtige verklaringen hebben afgelegd). Robi House heeft er in de memorie van antwoord op gewezen dat zij in de inleidende dagvaarding heeft toegelicht dat er op twee verschillende momenten afspraken zijn gemaakt over, kort gezegd, de (directie)vergoedingen voor [X] en [de bestuurder] (fl. 120.000,--, ieder fl. 60.000,-- per jaar) en de garantieafspraak. Verder heeft Robi House toegelicht dat (naast de overeengekomen vaste (directie)vergoedingen) alle kosten van [X] en [de bestuurder] (zoals bijvoorbeeld genoemd in randnummer 144 van de memorie van antwoord) zouden worden vergoed. Dat er diverse declaraties van [X] en [de bestuurder] zijn overgelegd ontzenuwt dus niet het bewijs dat is afgesproken dat de vaste (directie)vergoedingen/salarissen achteraf (aan het einde van de rit) zouden worden betaald.

13. Dit betekent dat vervolgens beoordeeld moet worden of er sprake is van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 BW. De volmachtverlening is niet aan vormvereisten verbonden; zij kan uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden (artikel 3:61 lid 1 BW). Als er geen sprake is van een uitdrukkelijke of stilzwijgende volmachtverlening aan [A] , is het ook denkbaar dat Robi House zich kan beroepen op de schijn van volmachtverlening. Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt immers dat ingeval een rechtshandeling in naam van een ander is verricht, tegen de wederpartij, indien zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat een toerekende volmacht was verleend, op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep kan worden gedaan. Voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde kan ook plaats zijn ingeval men gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid (ECLI:NL:HR:2010:BK7671). De schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan ook berusten op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de betrokken rechtshandeling. In veel gevallen kan een scherp onderscheid tussen omstandigheden die in het bijzonder grond zouden kunnen opleveren voor de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid en omstandigheden die in het bijzonder betrekking hebben op de schijn van bekrachtiging in de praktijk niet worden gemaakt, hetgeen meebrengt dat dezelfde omstandigheden zowel bij de ene als bij de andere afweging kunnen worden betrokken (ECLI:NL:HR:2015:1119 met verwijzing naar ECLI:NL:HR:2001:AA9429).

14. De getuige [de bedrijfsjurist] heeft (met betrekking tot de vraag of [A] bevoegd was om Barron te vertegenwoordigen) verklaard dat hij als bedrijfsjurist in 2010 bij Nerine Trust in dienst is getreden. [A] was toen al overleden. [de bedrijfsjurist] heeft zijn kennis over de periode vóór het overlijden van [A] uit de dossiers. Zijn onderzoek heeft betrekking gehad op de periode 1988-2006. Nerine Trust is vanaf 2001 als trustee betrokken geweest bij Barron Trust. Zonder trustee kan Barron Trust geen activiteiten ontwikkelen. Nerine Trust is (anders dan Barron Trust) een bedrijf met bedrijfsactiviteiten. Deze bedrijfsactiviteiten houden in hoofdzaak in dat wordt opgetreden als trustee voor andere partijen. Nerine Trust is als trustee voor Barron Trust enig aandeelhouder in Barron. De settlor van Barron Trust is [A] en voor zover [de bedrijfsjurist] zich kan herinneren waren de beneficairies tot 2001 liefdadigheidsinstellingen en vanaf 2001 onder meer [de partner] . [A] was op geen enkel moment bevoegd om Nerine Trust te vertegenwoordigen. Het is toegestaan dat de settlor met de trustee praat. Dat is ook niet ongebruikelijk maar de settlor kan de trustee niet instrueren. De trustee moet zijn eigen besluiten nemen. [A] was uitsluitend bevoegd om Barron te vertegenwoordigen als hij daartoe specifiek gevolmachtigd was door de directeuren van Barron. In antwoord op een vraag naar aanleiding van de verklaring van de getuige [de getuige] of het juist is dat er een centrale bankrekening was voor Barron in Zwitserland heeft [de bedrijfsjurist] geantwoord dat hij dat niet weet. [de bedrijfsjurist] is alleen bekend met een bankrekening van Barron in Zürich bij de Bank Hofmann. Voor zover [de bedrijfsjurist] bekend had [A] alleen in 2004 een beperkte tekeningsbevoegdheid (tot een bedrag van

€ 10.000,--) voor deze bankrekening. Voor een hoger bedrag was een tweede handtekening nodig van de Gibraltar ‘directors”.

15. Bij brieven van 29 januari 2019, 15 februari 2019 en 19 februari 2019 heeft Robi House voorafgaand aan het getuigenverhoor van [X] een aantal producties overgelegd. [X] heeft als getuige in hoger beroep naar aanleiding van deze producties, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:

Brief 29 januari 2019

Productie 1: Dit betreft een bankafschrift van de “current account” van Barron Int. Holding Ltd. (“quarterly statement 01.4.99-30.6.99”) van Bank für Handel & Effecten (hierna: BHE) met als mailing adres “Mr. [A] ”. Op dit bankafschrift staat een betaling d.d. 25 mei 1999 aan [X] ten bedrage van CHF 146.132,50. [X] heeft verklaard dat het op dat bankafschrift vermelde adres het privé adres van [A] in [plaats] is. De betaling heeft betrekking op een declaratie van [X] .

Productie 2: Dit betreft (voorschot)declaraties van [X] aan Barron van 25 april 2001 (fl. 76.532,73), 2 mei 2001 (fl. 19.462,90), 23 mei 2001 (fl. 5.344,16, althans fl. 5.329,15), 26 mei 2004 (€ 53.859,25) en 16 april 2002 (€ 50.000,--, althans € 49.950,--). [X] heeft verklaard dat [A] hem belde als hij dacht dat de kosten te hoog gingen oplopen. Hij vroeg dan een declaratie te sturen en gaf aan op naam van welke vennootschap deze declaraties moesten worden gesteld. De verschotten specificeerde [X] tot achter de komma. Als [A] vond dat [X] weer erg veel werk voor hem had gedaan noemde hij een bedrag dat kon worden gedeclareerd.

Productie 3: Dit betreft een op 19 februari 2003 gedateerde betalingsopdracht (“payment order”) van Barron aan Bank Hofmann in Zürich van CHF 8.000.000,--, getekend door [A] (met een corresponderend “debit advice” van deze bank met valuta datum 28 februari 2003). [X] heeft verklaard dat met dit bankstuk is aangetoond dat de bevoegdheid van [A] verder ging dan € 10.000,--.

Productie 4: Dit betreft een “debit advice” van Bank Hofmann met betrekking tot de bankrekening van Barron, per order van 23 oktober 2000, met valuta datum 24 oktober 2000 ten bedrage van CHF 56.200,--, met vermelding “Beneficiary: Clinique la Prairie 1815 Clarins” en “Details of payment: [de partner] ”. [X] heeft verklaard dat deze productie is overgelegd om aan te tonen dat de bankrekening van Barron door [A] ook werd gebruikt voor betaling van privé kosten. Deze betaling heeft betrekking op [de partner] . Hiermee wordt [de partner] (de partner van [A] en de moeder van twee van zijn kinderen) bedoeld.

Brief van 19 februari 2019 met de hierna te noemen bijlagen

- Een brief van 25 september 2000 van Bank Hofmann met betrekking tot de bankrekening van Barron, gericht aan het privé adres van [A] in [plaats] . Deze brief betreft informatie over de fusie van de computersystemen van BHE en Bank Hoffman en de geldigheid van oude cheques en de ingebruikneming van nieuwe cheques. Volgens [X] blijkt uit deze brief dat Bank Hofmann [A] als de cliënt beschouwt.

- Een “debit advice” van Bank Hofmann met betrekking tot de bankrekening van Barron, per order van 22 maart 2002, met valuta datum 26 maart 2002 ten bedrage van € 10.000,-- met vermelding “Beneficiary: (…) mevrouw [de ex-echtgenote] (…)” en “Details of payment: alimentation”. [X] heeft verklaard dat ook uit deze stukken blijkt dat van deze bankrekening privébetalingen van [A] werden gedaan. Het gaat hier om de alimentatiebetaling aan de ex-echtgenote van [A] , mevrouw [de ex-echtgenote] .

- Een bankafschrift van Deutsche Bank in Amsterdam d.d. 29 november 2004, geadresseerd aan Westblaak U.A. Co-operatieve Investment Fund in Barendrecht, met vermelding “”rekening-courant inz Barron (…)”. Op dit bankafschrift staat een betaling aan [X] van € 28.859,25. [X] heeft verklaard dat hij met dit bankafschrift wil aantonen dat [A] bepaalde van welke bankrekening de bedragen werden betaald.

- Een bankafschrift van Bank Hofmann ter zake van de bankrekening van Barron waarop een betaling aan [X] d.d. 8 mei 2002 is vermeld van € 50.000,-- met bijbehorend “debit advice”. Dit betreft de betaling van de voorschotdeclaratie van [X] van 16 april 2002 (zie productie 2, overgelegd bij brief van 29 januari 2019).

16. Het hof overweegt dat met de overgelegde stukken en getuigenverklaringen in onderling verband en samenhang bezien en rekening houdend met de beperkte bewijskracht van de verklaringen van de partijgetuige [X] voldoende overtuigend is aangetoond dat door Barron aan [A] volmacht was verleend. De in de eerste aanleg afgelegde getuigenverklaringen van de zijde van Robi House die erop neer komen dat [A] vrijelijk over de bankrekeningen van Barron kon beschikken, vinden op relevante punten verdere steun in de hiervoor besproken bankstukken. Met deze bankstukken wordt het beeld bevestigd dat [A] kon beschikken over de bankrekening van Barron bij de Bank Hofmann in Zürich (en dit ook (zelfs voor privé uitgaven) deed). Uit niets is gebleken dat Barron bezwaar heeft gemaakt tegen dit gebruik van die bankrekening(en). De omstandigheid dat de volmacht aan [A] niet op schrift is gesteld, doet aan het vorenstaande niet af. Immers, zoals hiervoor in r.o. 13 is overwogen kan een volmacht ook stilzwijgend worden verleend. De verklaring van de getuige [de bedrijfsjurist] heeft het hiervoor besproken bewijsmateriaal onvoldoende weerlegd. [de bedrijfsjurist] is pas in 2010 in dienst gekomen van Nerine Trust. Hij heeft (uitsluitend aan de hand van een dossieronderzoek) verklaard over de (trust)structuur van de Barron groep en heeft geen eigen wetenschap ten aanzien van de feitelijke (financiële) gang van zaken in de periode dat [A] nog in leven was. Het hof voegt hier, gelet op het voorgaande ten overvloede, nog aan toe dat op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden in ieder geval de conclusie kan worden getrokken dat sprake is geweest van schijn van volmachtverlening als bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW.

17. Dit leidt tot de conclusie dat de grieven III tot en met VII falen.

18. Grief VIII bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte de getuigentaxen ex artikel 182 Rv in het proces-verbaal heeft begroot op de daar genoemde bedragen en deze bedragen in het eindvonnis als deel van de proceskosten heeft toegewezen.

19. In de toelichting op deze grief heeft Barron aangevoerd dat zij tijdens het getuigenverhoor bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van deze taxen. De toegekende getuigentaxen van [de getuige] ad € 730,-- en [de zoon] ad € 1.500,-- zijn niet in overeenstemming met hetgeen is bepaald in de Wet griffierechten Burgerlijke zaken en het Besluit tarieven in Strafzaken. Voor zover de rechtbank voor [de zoon] , als getuige die in het buitenland verblijft, heeft willen afwijken van de wettelijke regeling voor toekenning van de vergoeding, geldt dat het niet met een kostenopgave onderbouwde bedrag van € 1.500,-- buitensporig is. [de zoon] heeft verklaard dat hij Malaga (Spanje) woont. Volgens Barron kost een retourvlucht Amsterdam (Schiphol) – Malaga in het hoogseizoen ongeveer € 125,--.

20. Het hof verwerpt ook deze grief. Het staat de rechter vrij om als partijen geen overeenstemming bereiken over de hoogte van de getuigentaxen een bedrag te bepalen dat de rechter reëler voorkomt dan de in de regelgeving genoemde bedragen. Daarbij komt dat de in het Besluit tarieven Strafzaken genoemde bedragen niet zijn toegespitst op in het buitenland wonende getuigen. Robi House heeft naar het oordeel van het hof in de memorie van antwoord afdoende toegelicht dat de door de rechtbank vastgestelde bedragen (die mede zien op gederfde inkomsten) als een reële schadeloosstellingen kunnen worden aangemerkt.

21. De grieven IX en X bevatten geen zelfstandige klachten en behoeven verder geen bespreking. De grieven I en II zijn in het tussenarrest reeds verworpen.

In het incidenteel appel

22. De grieven 1 en 2 zijn afgedaan in het tussenarrest.

23. De grieven 3 en 4 strekken, kort gezegd, tot betoog dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 9.489,44 ter zake van de door IBCS onbetaald gelaten facturen van MA heeft afgewezen.

24. Het hof overweegt dat Robi House geen belang heeft bij haar klacht dat, kort gezegd, de rechtbank ten onrechte de door Robi House na het tussenvonnis alsnog overgelegde facturen van MA buiten beschouwing heeft gelaten en in het eindvonnis niet bereid is geweest terug te komen op de in het tussenvonnis gegeven eindbeslissing dat dit onderdeel van de vordering reeds afstuit op het feit dat Robi House deze door Barron betwiste facturen niet heeft overgelegd. De door Robi House bij de rechtbank overgelegde stukken zullen bij de beoordeling van dit hoger beroep worden betrokken.

25. Het gaat hierbij om de stukken die Robi House als productie 31 bij brief van 10 mei 2016 aan de rechtbank heeft toegezonden. Dit betreft de specificatie Openstaande posten debiteuren en de hierna te noemen onderliggende facturen van MA aan ICBS:

- 16 februari 2008 € 4.486,13 (nog openstaand: € 2.463,85)

- 17 maart 2009 € 3.708,52

- 20 april 2009 € 2.601,86

- 22 juni 2009 € 715,21.

26. Barron heeft deze vordering in de memorie van antwoord in het incidenteel appel betwist. Zij heeft betwist dat het hier gaat om kopieën van facturen die MA aan ICBS heeft gestuurd. In de voetnoot van iedere factuur staat vermeld dat dat de facturen zijn verstuurd uit naam van MannaertsAppel NV. Deze entiteit (rechtspersoon) is echter pas opgericht op 27 mei 2009 terwijl nagenoeg alle facturen zijn gedateerd ruim voor die datum. Verder heeft Barron nog heeft aangevoerd dat [X] heeft erkend dat de facturen van 16 juli (bedoeld zal zijn februari) 2008, 17 maart 2009 en 20 april 2009 niet openstaan. Barron heeft daarbij verwezen naar een e-mail van [X] van 28 juli 2010 (productie E30), waarin is medegedeeld dat alle facturen van MA zijn betaald, behalve de laatste. Dit is volgens Barron dus de factuur van 22 juni 2009 ten bedrage van € 715,21. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van Robi House gelegen om deze verweren (deugdelijk onderbouwd) te weerleggen. Nu dit niet is gebeurd ziet het hof geen grond om het gevorderde bedrag van

€ 9.489,44 alsnog toe te wijzen. Dit betekent dat de grieven 3 en 4 geen doel treffen.

27. Grief 5 strekt tot betoog dat de rechtbank in r.o. 4.19 van het tussenvonnis ten onrechte heeft beslist dat de rentevordering over een toe te wijzen hoofdsom van € 705.751,- die door Barron aan Robi House moet worden betaald, toewijsbaar zal zijn vanaf de datum van de dagvaarding (5 maart 2014). Aan deze beslissing heeft de rechtbank het volgens Robi House onjuiste oordeel ten grondslag gelegd dat niet beslissend is of Barron de facturen waarvan Robi House betaling vordert voorafgaand aan deze procedure al dan niet heeft ontvangen, aangezien gesteld noch gebleken is dat is overeengekomen dat de vervaldata ingebrekestellende werking hebben, zodat op deze data geen verzuim is ingetreden.

28. Ter toelichting op deze grief heeft Robi House het volgende aangevoerd. In de factuur van Robi House aan Barron van 13 april 2010 staat een duidelijke termijn van 14 dagen waarbinnen de factuur dient te worden betaald. Het feit dat op de factuur een duidelijke (uiterste) betalingstermijn staat omschreven laat geen andere conclusie toe dan dat er sprake is van een fatale betalingstermijn en dat het verzuim ex artikel 6:83 BW van rechtswege intreedt na het verstrijken van deze termijn. Ter zake van de factuur van [de bestuurder] moet volgens Robi House artikel 6:119a lid 2 BW (analoog) worden toegepast. Daarnaast is de rechtbank volgens Robi House voorbij gegaan aan het feit dat [X] in het jaar 2010 heeft gecorrespondeerd met de (toenmalig) advocaat van Barron en dat hij namens Robi House en [de bestuurder] aanspraak heeft gemaakt op betaling van de facturen. Deze brieven hebben te gelden als ingebrekestellingen. Het verzuim van Barron is ingetreden op 15 juni 2010, zijnde de datum waarop mr Peters namens Barron aangaf niet tot betaling te zullen overgaan.

29. Deze grief treft ten aanzien van de factuur van Robi House doel. In deze factuur van 13 april 2010 is een betalingstermijn van veertien dagen gesteld. Toen Barron niet betaalde heeft Robi House in haar e-mails van 28 juli 2010 en 16 september 2010 nieuwe betalingstermijnen gesteld. Barron heeft in haar e-mail van 20 september 2010 haar in eerdere e-mails ingenomen standpunt dat zij weigert deze factuur te betalen bevestigd. Dit betekent dat Robi House aanspraak kan maken op de wettelijke rente vanaf de in de in de e-mail van 20 september 2010 genoemde termijn van acht dagen, dus vanaf 28 september 2010. In de facturen van [de bestuurder] is geen betalingstermijn genoemd. Niet is gebleken dat ten aanzien van deze facturen (rechtsgeldig) in gebreke is gesteld. Het hof ziet tot slot, anders dan Robi House betoogt, geen grond voor analoge toepassing van artikel 6:119a BW. De rechtbank heeft in r.o. 4.18 van het tussenvonnis geoordeeld dat de overeenkomsten van opdracht en de garantiestellingsovereenkomst zijn gesloten voor de inwerkingtreding van artikel 119a BW en dat deze bepaling om die reden niet van toepassing is (waarbij het hof aantekent dat de “peildatum” anders dan de rechtbank heeft overwogen niet 8 december 2002 is maar 1 december 2002, hetgeen overigens voor de beoordeling van het beroep op analoge toepassing niet van belang is). Bij deze (door Robi House niet betwiste) stand van zaken is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding voor de door haar bepleite analoge toepassing van deze bepaling. Dit betekent dat deze grief ten aanzien van facturen van [de bestuurder] faalt.

Slotsom

30. Het principaal appel wordt verworpen. Barron zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel. Het incidenteel appel treft doel voor zover dit de ingangsdatum van de wettelijke rente over de factuur van Robi House betreft. Voor het overige wordt ook het incidenteel appel verworpen. Robi House zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel appel. Dit leidt tot de hierna te noemen beslissingen.

Beslissing

Het hof:

In het principaal appel

-verwerpt het principaal appel;

- veroordeelt Barron in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Robi House tot op heden begroot op € 5.200,-- aan verschotten en € 4.678,-- aan salaris advocaat;

In het incidenteel appel

- vernietigt de beslissing in r.o. 3.2 van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag, Team handel van 14 december 2016,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Barron tot betaling aan Robi House van € 705.751,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 326.722,-- vanaf 28 september 2010 tot de dag van algehele voldoening en over een bedrag van € 379.029,-- vanaf 5 maart 2014 tot de dag van algehele voldoening;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- veroordeelt Robi House in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Barron begroot op € 2.339,-- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen.

In het principaal en incidenteel appel

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs A.J.M.E. Arpeau, C.A. Joustra en A.J. Berends en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.