Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:370

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
2200389519
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tijdens een verkeercontrole een politieagent op diens bovenlichaam getrapt. Beroep op noodweer(-exces) wordt verworpen omdat de politieagent gedurende het gehele incident in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is gebleven. Vrijgesproken voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Bewezen is verklaard de mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003895-19

Parketnummer: 10-180108-19

Datum uitspraak: 2 maart 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1993,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 17 februari 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. Voorts is er in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is het bevel tot voorlopige hechtenis – bij eerdere beslissing reeds geschorst – opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 25 juli 2019 te Rotterdam, een ambtenaar, te weten [persoon 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten als brigadier van politie Eenheid Rotterdam, heeft mishandeld door hem (met kracht en met geschoeide voet) te trappen in de buik en/of de (onder)rug en/of tegen de zij, althans op/tegen het (boven)lichaam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een gekneusde nier en/of een bloeduitstorting op de nier ten gevolge heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het bestanddeel “zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende”.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de – hieronder nog te bespreken - trap van de verdachte tegen het bovenlichaam van de aangever zwaar lichamelijk letsel – als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht - ten gevolge heeft gehad. De aangever is – weliswaar na meerdere medische behandelingen – volledig van zijn klachten, mede veroorzaakt door de verplaatsing van een toen reeds aanwezige niersteen, genezen. Daarnaast heeft de aangever enkele weken na de tenlastegelegde mishandeling (een deel van) zijn werkzaamheden hervat.

Derhalve zal de verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Inleiding

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de beschikbare camerabeelden afgespeeld en is aangever [persoon 1] (hierna te noemen aangever) als getuige gehoord. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten vast.

De verdachte en zijn bijrijder ([persoon 2]) worden op 25 juli 2019 te Rotterdam door aangever en zijn collega [persoon 3] staande gehouden voor een verkeerscontrole. De controle vindt plaats naar aanleiding van een melding dat de verdachte alcohol heeft gedronken en lachgas heeft gebruikt. De verbalisanten treffen de verdachte en de bijrijder aan in een auto met een draaiende motor. De auto blijkt te zijn gehuurd door een ander dan de verdachte of zijn bijrijder. Volgens de verdachte wachtten hij en de bijrijder op de huurder, maar telefonische navraag leert dat de huurder thuis voor de televisie zit.

Ter uitvoering van nader onderzoek en om te voorkomen dat de verdachte de auto zal gaan besturen deelt de aangever aan de verdachte mee dat hij de auto in beslag zal nemen. Hierop weigert de verdachte de sleutels van de huurauto af te staan. De aangever bukt daarop zelf voorover door het bestuurdersportier om de sleutels te pakken. Terwijl hij in deze positie staat duwt de verdachte met zijn lichaam tegen aangever aan en is hij hem daarbij verbaal aan het uitdagen. Overigens geven zowel de aangever als de verdachte aan dat gedurende de hele controle door de verdachte uitdagend en vervelend gedrag wordt vertoond.

Vervolgens komt aangever omhoog uit de auto. Blijkens zijn verklaring als getuige ter terechtzitting wilde hij op dat moment de verdachte aanhouden en daartoe handboeien om doen. Aangever pakt de verdachte beet, maar aangezien hij niet meewerkt, ontstaat er een worsteling waarbij de aangever verdachte naar de grond probeert te duwen. Aangever krijgt echter geen goede grip op de verdachte. Aangever heeft verklaard dat hij zich door het gedrag van de verdachte en de bijrijder onveilig voelde. De verdachte werkte niet mee aan zijn aanhouding en verzette zich hevig, terwijl de bijrijder voortdurend op aangever af bleef komen ondanks dat hij door de aangever gevorderd was afstand te bewaren. In een poging de situatie onder controle te krijgen trekt aangever vervolgens zijn wapenstok en gebruikt deze tegen de verdachte door een soort porrende beweging hiermee richting zijn lichaam te maken.

Op de camerabeelden is te zien dat hierna de aangever zich wat verwijdert van de auto en dat hij hierbij tegen zowel de verdachte als de bijrijder blijft praten. Ter zitting heeft de aangever verklaard dat hij herhaaldelijk heeft gevorderd dat de verdachte en de bijrijder afstand tot aangever bewaarden. Te zien is dat dit ook ondersteund wordt door de handgebaren die de aangever daarbij maakt. Dit is door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet ontkend. Ondanks deze vorderingen blijven de verdachte en de bijrijder toenadering zoeken bij de aangever. Uiteindelijk is te zien dat de aangever de verdachte tweemaal met de wapenstok tegen de bovenarm slaat. Te zien is dat vervolgens de bijrijder de aangever wederom nadert en daarom richt de aangever zijn aandacht op hem. Terwijl de aangever zich richt op de bijrijder en hem met opgeheven wapenstok vordert afstand te bewaren, geeft de verdachte de aangever een trap aan de zijkant van het bovenlichaam.

Het doen van deze trap is hetgeen de verdachte wordt verweten.

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnotities - aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bestaande uit – kort gezegd - diverse (onmiddellijk dreigende) geweldshandelingen door de aangever jegens hem en [persoon 2].

De verdediging heeft aangevoerd dat de aangever de verdachte heeft beetgepakt, geduwd en geslagen met een wapenstok. De verdediging heeft aangevoerd dat deze handelingen niet binnen de rechtmatige uitoefening van de bediening vallen, omdat het optreden niet gebaseerd is op een wettelijke bevoegdheid. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het gebruikte geweld de toets van de proportionaliteit en subsidiariteit niet doorstaat, omdat er van enige dreiging door de verdachte jegens de aangever niet is gebleken uit het dossier en gelet op het feit dat zijn collega [persoon 2] de aangever op enig moment beetpakt terwijl hij zich met opgeheven wapenstok tegen de verdachte richt. Nu de geweldshandelingen niet onder de rechtmatige uitoefening van de bediening vallen, stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van een wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.

Het hof is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen, en overweegt hieromtrent als volgt.

Het gebruik van de wapenstok, alsmede de overige geweldshandelingen van de aangever, vallen binnen de rechtmatige uitoefening van de bediening. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan zijn aanhouding en hij en zijn bijrijder vervolgens, ondanks de herhaaldelijke vorderingen tot het houden van afstand tot de aangever, die aangever meermalen bleven naderen.

Het hof is aldus van oordeel dat de gedragingen van de aangever niet kunnen worden aangemerkt als een wederrechtelijke aanranding. Immers, de aangever handelde binnen de grenzen van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Hiermee komt de wederrechtelijkheid van de aanranding te vervallen.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op of omstreeks 25 juli 2019 te Rotterdam, een ambtenaar, te weten [persoon 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten als brigadier van politie Eenheid Rotterdam, heeft mishandeld door hem (met kracht en met geschoeide voet) te trappen in de buik en/of de (onder)rug en/of tegen de zij, althans op/tegen het (boven)lichaam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een gekneusde nier en/of een bloeduitstorting op de nier ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnotities aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Onder de bespreking van het beroep op noodweer is het hof reeds tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt verworpen.

Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft de aangever, in zijn hoedanigheid als ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, mishandeld door hem tegen het bovenlichaam te trappen. De verdachte heeft de aangever getrapt op het moment dat de aangever zich richtte op een ander dan de verdachte. Aldus handelend heeft de verdachte hem nodeloos pijn en letsel bezorgd. Daarnaast heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag.

Het hof rekent het de verdachte aan dat hij geweld heeft gepleegd tegen een politieambtenaar. Politieambtenaren en andere personen met een publieke taak moeten er immers – in het belang van de openbare orde en veiligheid – bij uitstek op kunnen rekenen dat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden gevrijwaard blijven van tegen hen gerichte vormen van geweld of dreiging daarmee.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [persoon 1]

In het onderhavige strafproces heeft [persoon 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van de geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu er geoordeeld dient te worden over de mate van eigen schuld aan de zijde van [persoon 1].

Het hof is evenwel van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van de aangever als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Nu de aangever handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, is de schade immers niet mede het gevolg van een omstandigheid die aan de aangever kan worden toegerekend.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering ter zake van de geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op vergelijkbare gevallen - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [persoon 1].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [persoon 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [persoon 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro)bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [persoon 1], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 juli 2019.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W. van Lottum, mr. J. Candido en mr. A. Postma, in bijzijn van de griffier mr. T.S.M. Middelburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 maart 2020.

Mr. A. Postma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.