Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:360

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
200.249.650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen?/ schadeplicht i.v.m. afgebroken onderrhandelingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.249.650/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/547715 / HA ZA 18-346

arrest van 10 maart 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. B.A.M. Cordemeyer te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam Beauty-Affairs

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.M. Hoppenbrouwers te Breda.

De verdere loop van het geding

Voor het verloop van het geding tot 19 februari 2019, verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Bij dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft geen doorgang gevonden. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] twaalf grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover de door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan uitgaan. Voor zover deze wel zijn bestreden zal het hof ze niet als vaststaand aannemen.

2. Met inachtneming van hetgeen verder in hoger beroep is komen vast te staan gaat het in deze zaak om het volgende.

2.1

[appellant] is ondernemer en investeerder. Hij heeft ervaring in marketing en sales, het ontwikkelen van een langetermijnvisie en het financieel (weer) gezond maken van bedrijven.

2.2

[geïntimeerde] , die 29 jaar werkzaam is geweest voor een groothandel in cosmetica, heeft in 2014 een eenmanszaak opgericht. Deze onderneming houdt zich onder de naam Beauty-Affairs bezig met een groothandel van parfums en cosmetica. Beauty-Affairs is/was in Nederland de exclusieve distributeur van het merk Skin Vital Solution van de Duitse onderneming Profimade en het merk Belnatur van de Spaanse onderneming BCN Cosmetics 2000 S.L. De exploitatie van Beauty-Affairs was de eerste jaren niet winstgevend.

2.3

[A] (verder te noemen [A] ) is de schoonzus van [geïntimeerde] . Zij heeft aan [geïntimeerde] ten behoeve van Beauty-Affairs een bedrag van € 10.000,-- geleend, dat [geïntimeerde] mag terugbetalen zodra de bedrijfsresultaten dat toelaten. Ook verzorgde [A] de website voor Beauty-Affairs , vooralsnog zonder daarvoor een vergoeding te vragen.

2.4

[appellant] en [geïntimeerde] , die eind jaren '90 "schoonzus en zwager" van elkaar waren, kwamen elkaar in mei 2017 na vele jaren weer tegen op een feestje van wederzijdse vrienden.

2.5

Op initiatief van [appellant] hebben partijen op 13 juli 2017 een gesprek gevoerd over een investering van [appellant] in Beauty-Affairs , dan wel een andere vorm van samenwerking.

2.6

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 18 juli 2017 haar bedrijfsplan gegeven. [appellant]

heeft een nieuw bedrijfsplan gemaakt en een concurrentieanalyse gemaakt. Ook heeft hij

voor de onderneming van [geïntimeerde] filmscripts voor promotiefilmpjes gemaakt.

2.7

Op 16 en 17 augustus 2017 hebben [geïntimeerde] , [B] (een klant van Beauty-Affairs en tevens trainer van klanten van Beauty-Affairs , verder [B] ) en [appellant] een bezoek gebracht aan Profimade in Duitsland. [geïntimeerde] heeft daarbij [appellant] geïntroduceerd als haar zakenpartner.

2.8

[geïntimeerde] en [appellant] hebben op 21 augustus 2017 [C] , de financieel adviseur van [appellant] (verder: [C] ), bezocht om door te spreken hoe hun samenwerking vorm zou kunnen krijgen.

2.9

Op basis van het besprokene heeft [C] op 4 september 2017 (volgens de begeleidende mail) een "1e conceptversie van de VOF-akte" aan partijen gestuurd, partijen op een aantal vragen/aandachtspunten gewezen en partijen gevraagd te reageren op het concept. In artikel 4 van de conceptovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] alle activa van haar bedrijf inbrengt in een vennootschap onder firma en [appellant] een geldbedrag inbrengt gelijk aan de waarde van de ingebrachte onderneming. Partijen zouden elk voor de helft deelgenoot in de VOF worden.

2.10

Tijdens zijn vakantie in Spanje heeft [appellant] op 6 september 2017 een bezoek gebracht aan de Spaanse leverancier van Belnatur. Ook daar heeft [geïntimeerde] hem geïntroduceerd als haar zakenpartner.

2.11

Op 14 september 2017 hebben [geïntimeerde] , [appellant] en [A] gesproken over de inrichting van de website. [A] heeft [geïntimeerde] na dit gesprek meegedeeld, dat zij niet langer voor [geïntimeerde] wilde werken.

2.12

In verband met het gesprek dat [geïntimeerde] nog met [A] zou hebben, heeft [appellant] [geïntimeerde] op 19 september 2017 een e-mail gestuurd. Daarop heeft [geïntimeerde] , per e-mail van gelijke datum geantwoord: "(…) Echter met onderstaande mail ben je een streep over gegaan waar je NOOIT overheen had moeten gaan. Ik ben zeer goed in staat een gesprek te voeren met wie dan ook en heb werkelijk niemand nodig die mij dicteert, hoe ik een gesprek moet voeren. Ook jou niet. Ik ben zo onderste boven van deze mail dat ik werkelijk zit te trillen op mijn stoel". In de e-mail correspondentie die daarop volgde heeft zij die dag, op de vraag van [appellant] "Of is er echt geen weg meer terug?", geantwoord: "Ik ga nu weg en nee er is geen weg meer terug!".

2.13

Op 20 september 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat zij de onderhandelingen over een vorm van samenwerking beëindigt ("De deal is wat mij betreft volledig van de baan!").

2.14

Bij e-mail van 29 september 2017 heeft [geïntimeerde] haar beslissing aan [appellant] als volgt toegelicht:

"(…)

Kennelijk is mijn mededeling dat ik in de toekomst niet met jou in zee wil gaan niet

doorgekomen.

Vandaar stuur ik je onderstaand mijn uitgebreide beweegredenen hiervoor.

1 In de afgelopen periode heb ik al meerdere malen irritatie gevoeld met betrekking tot jouw gedrag en manier van communiceren. Deze vond ik regelmatig:

a. overheersend

b. manipulerend

c. indoctrinerend

d. kleinerend

e. te overtuigd van eigen kunnen

Dat is nogal wat, maar toch heb ik jou tot op een bepaald moment het voordeel van de twijfel gegeven.

2 Het moment waarop je bij mij het voordeel van de twijfel bent gaan verliezen was:

a. toen JIJ het gesprek met [A] ( [A] , hof) aanging. Ik zeg JIJ, want bij dit gesprek werd ik, als eigenaar van Beauty-Affairs , door jou in het geheel niet betrokken

b. er door jou tijdens dit gesprek onderwerpen werden aangesneden die NIET met mij waren overlegd

c. je tijdens dit gesprek zaken probeerde op te leggen aan [A] waarvan ik je nadrukkelijk had gevraagd je daar niet mee te bemoeien.

3 Het voordeel van de twijfel ben je daarna compleet verloren, omdat:

a. Jij na het gesprek met [A] meerdere malen richting mij hebt geuit, dat JIJ en ik in de toekomst de lijnen uitzetten en dat [A] 'het maar gewoon moest doen'. Dit nota bene vanwege het feit 'dat JIJ er zo goed over had nagedacht'.

b. Jij, toen ik je op de hoogte had gebracht dat ik een gesprek met [A] alleen zou hebben, jij het nodig vond dat je daarbij aanwezig moest zijn.

c. Jij mij, hoewel ik je nadrukkelijk had verzocht mij de gelegenheid, de tijd en de ruimte te geven om als eigenaar van Beauty-Affairs mijn werk te kunnen doen, bleef bestoken met mails, WhatsApps, telefoontjes over: 'hoe ik dit moest doen', en 'of ik dit al had gedaan', en wederom zaken naar voren bracht waarvan ik je al meerdere keren had gevraagd je daarmee niet te bemoeien, enz. enz. enz.

d. Jij toch, hoewel ik je nadrukkelijk had verzocht dat NIET doen, een zeer denigrerende mail naar [A] hebt gestuurd.

e. Jij het nodig vond om mij per mail en tot in detail te vertellen hoe ik een gesprek met [A] moest voeren!

Het lijkt mij dat het bovenstaande voldoende uitdrukt waarom ik in de toekomst nooit met jou in zee wil gaan.

Ik wil je erop wijzen dat op basis van het bovenstaande, waarvan ik in de vorm van e-mails en WhatsApps voldoende bewijzen in huis heb, jij op geen enkele wijze het recht hebt om ook maar ergens aanspraak op te maken.

Verder zal ik van mijn kant op geen enkele wijze gebruik maken van alle onderwerpen, zaken, ideeën die jij, op papier hebt gezet en die zijn voortgevloeid uit al hetgeen IK er al over op papier had gezet."

2.15

Bij brief van 6 oktober 2017 schreef de advocaat van [appellant] aan [geïntimeerde] :

"Vanaf juli 2017 bent u samen met cliënt opgetrokken om een professionaliseringsslag te maken ten aanzien van uw eenmanszaak Beauty-Affairs . Van meet af aan was de bedoeling van zowel u als cliënt dat een V.O.F. zou worden opgericht, waardoor u beiden voor 50% eigenaar zou worden van Beauty-Affairs . De afspraken waren helder. U heeft kennis van de cosmeticaproducten, terwijl cliënt ervaring heeft met onder andere marketing en sales. De afspraak was dan ook dat cliënt een geldbedrag zo inbrengen ter waarde van uw inbreng. Cliënt en u waren ‘business partners’ (…) Cliënt is samen met u voortvarend aan de slag gegaan; businessplannen werden geschreven, cliënt woonde meetings bij en heeft een visie voor Beauty-Affairs uitgewerkt. Voor deze honderden uren aan strategische werkzaamheden werden geen kosten in rekening gebracht, cliënt en u waren immers businesspartners, waardoor cliënt de vruchten zou plukken als de werkzaamheden voor Beauty-Affairs zich in een later stadium zouden uitbetalen.

Als donderslag bij heldere hemel heeft u op 19 september jl. aangekondigd het partnership te verbreken. Zonder nadere uitleg heeft u besloten niet langer verder te willen gaan met de V.O.F., en Beauty-Affairs te willen continueren als eenmanszaak. Over alle werkzaamheden die cliënt heeft verricht op basis van de afspraken die u beiden met elkaar hebt gemaakt, wordt door u niet meer gesproken. Cliënt heeft van 13 juli 2017 t/m 19 september 2017 circa 344 uur (incl. reistijd) geïnvesteerd in de V.O.F., maar staat door uw eenzijdig handelen momenteel met lege handen.

U heeft onrechtmatig gehandeld door deze werkwijze. Cliënt heeft het gerechtvaardigd vertrouwen gehad dat u beiden 50% eigenaar zou worden van Beauty-Affairs en heeft in die hoedanigheid al zijn werkzaamheden verricht. Dit gerechtvaardigd vertrouwen blijkt overduidelijk uit al uw berichten, waarin u zich constant positief uitlaat over cliënt en over de samenwerking. In dit vergevorderde stadium van samenwerking was u gehouden om rekening te houden met het gerechtvaardigde belang van cliënt. Hier was in uw handelen echter geen enkele sprake van.

Cliënt heeft schade geleden door uw onrechtmatig handelen en is voornemens deze schade op u te verhalen. Hierbij ligt het voor cliënt voor de hand om het negatief contractsbelang te vorderen. Tegen zijn reguliere tarieven voor 344 uren aan strategisch advies, betekent dit dat de schade die cliënt op u wil verhalen een bedrag van € 66.500,- betreft. Cliënt behoudt zich echter nadrukkelijk het recht voor om ook het positief contractsbelang te vorderen."

2.16

Bij inleidende dagvaarding vorderde [appellant] – zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] ten onrechte de onderhandelingen met hem over het gedeelde eigenaarschap heeft beëindigd en daardoor aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden, met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van die schade.

2.17

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen.

3.1

In hoger beroep vordert [appellant] , na wijziging van eis en zakelijk weergegeven: de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende:

Primair:

I. een verklaring voor recht dat tussen [appellant] en [geïntimeerde] een (VOF-)overeenkomst tot stand is gekomen en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [appellant] voor de schade (positief contractsbelang) als gevolg van toerekenbaar tekortkomen door [geïntimeerde] in de nakoming van die overeenkomst.

II. De (VOF-)overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] te ontbinden.

III. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan [appellant] van € 746.976,--, exclusief btw, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente; althans [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van

schadevergoeding aan [appellant] , nader op te maken bij staat.

Subsidiair:

IV. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig de onderhandelingen met [appellant] over het gedeelde eigenaarschap van de onderneming Beauty-Affairs heeft afgebroken en dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade (positief contractsbelang) die [appellant] als gevolg daarvan heeft geleden.

V. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] van € 746.976,-

exclusief btw, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente; althans [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] , nader op te maken bij staat.

Meer subsidiair:

VI. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is jegens [appellant] voor schade (negatief contractsbelang) als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen tussen [geïntimeerde] en [appellant] over het gedeelde eigenaarschap van de onderneming Beauty-Affairs .

VII. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] van € 50.908,40 exclusief btw, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente; althans [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van

schadevergoeding aan [appellant] , nader op te maken bij staat.

Meer meer subsidiair:

VIII een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant] , althans dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] .

IX. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellant] van € 50.908,40 exclusief btw, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente;

Uiterst subsidiair:

X. Toe te wijzen het door [appellant] in eerste aanleg gevorderde.

Bij alle hiervoor genoemde vorderingen tevens [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, daaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2

[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij en [geïntimeerde] op 13 juli 2017 met elkaar hebben gesproken over zijn voorstel tot een mogelijke samenwerking in Beauty-Affairs . [appellant] zou toen meteen hebben voorgesteld dat [geïntimeerde] en hij beide 50% eigenaar zouden worden van Beauty-Affairs en dat hij een geldbedrag zou inbrengen dat gelijk was aan de waarde van de inbreng van [geïntimeerde] in Beauty-Affairs . De waarde van Beauty-Affairs zou later worden vastgesteld. [geïntimeerde] zou positief hebben gereageerd, waarmee de wezenlijke elementen van de overeenkomst vaststonden. Hierna heeft [geïntimeerde] haar bedrijfsplan aan [appellant] gemaild, waaruit het [appellant] direct duidelijk werd waarom Beauty-Affairs geen zwarte cijfers schreef. Hij heeft daarom direct het bedrijfsplan grondig herschreven. [geïntimeerde] was hiervan onder de indruk. De weken daarna kreeg de samenwerking meer vorm. [appellant] heeft veel tijd (in totaal 346,75 uur) geïnvesteerd in Beauty-Affairs en zich volledig gericht op het grootmaken van het bedrijf, onder andere door het maken van videoscripts, definitieve versie van nieuwe ideeën (slogans, welkomstwoord, visie, missie, keuzes waar Beauty-Affairs voor staat, het ' Beauty-Affairs ' gevoel, tekst voor een uitnodiging voor een seminar in november 2017, filmcontract, standaard antwoord op verzoeken om productinformatie). Op 15 augustus 2017 heeft [appellant] [geïntimeerde] uitgenodigd voor een bijeenkomst op 21 augustus 2017 bij [C] , met als doel de samenwerking te formaliseren. Tijdens dat gesprek hebben partijen alle elementen van de overeenkomst besproken, te weten dat [geïntimeerde] en [appellant] ieder 50% eigenaar zouden worden van Beauty-Affairs en dat de winst gelijkelijk zou worden verdeeld, zoals zij reeds op 13 juli 2017 overeen waren gekomen. [appellant] zou een bedrag gelijk aan de waarde van Beauty-Affairs inbrengen. Uit de door [geïntimeerde] aangeleverde administratie bleek het hierbij te gaan om een bedrag van € 10.000,-- tot € 12.000,--. De samenwerking zou op 1 oktober 2017 ingaan. Partijen zijn vervolgens op goede voet met elkaar doorgegaan, tot het gesprek op 14 september 2017 met [A] . [A] verweet [geïntimeerde] tijdens dat gesprek dat zij haar niet op de hoogte had gesteld over haar samenwerking met [appellant] . [appellant] heeft zijn best gedaan de gemoederen tot bedaren te brengen, maar tevergeefs. Zijn goedbedoelde e-mail aan [geïntimeerde] van 19 september 2017 viel kennelijk geheel verkeerd, waarna [geïntimeerde] – als donderslag bij heldere hemel – de samenwerking zonder verdere opgave van redenen beëindigde.

3.3

[geïntimeerde] heeft het vorenstaande deels weersproken. Het klopt volgens haar dat [appellant] en zij elkaar op 13 juli 2017 hebben gesproken, maar de aanleiding hiervoor was dat [appellant] had aangegeven een investering te willen doen in Beauty-Affairs . Alvorens hij tot een investering zou willen overgaan, wilde hij haar eerst een verbeterde versie van de missie en visie uit het bedrijfsplan aanleveren. Dit zou hem de kans geven zich te verdiepen in de – voor hem geheel onbekende – branche alvorens een investeringsbeslissing te nemen. Begin augustus 2017, net voor de meeting in Duitsland, zou [appellant] aan [geïntimeerde] hebben laten weten dat hij als hij in Beauty-Affairs zou investeren, ook partner in Beauty-Affairs zou willen worden. [geïntimeerde] zou toen hebben gezegd hierover na te willen denken. Zij heeft dit voorstel niet onmiddellijk afgewezen, omdat daarmee ook de voorgenomen investering van [appellant] in Beauty-Affairs zou kunnen afketsen. [geïntimeerde] heeft daarom de deur voor een samenwerking op een kier gezet. Omdat men in Duitsland hecht aan duidelijke formele verhoudingen heeft [geïntimeerde] [B] van meet af aan als businesspartner geïntroduceerd, en heeft zij – in lijn daarmee – ook [appellant] op die manier voorgesteld. Dat impliceert geenszins dat [B] of [appellant] op dat moment ook haar businesspartner was. [appellant] zou aanvankelijk aan [geïntimeerde] hebben laten weten dat een besloten vennootschap de meest geschikte rechtsvorm zou zijn voor hun beoogde samenwerking. Omdat [geïntimeerde] – vanwege het kostenplaatje – daar zo haar twijfels over had, heeft [appellant] zich tot zijn persoonlijke accountant gewend en een bespreking met [C] en [geïntimeerde] gepland. [C] zou tijdens deze bespreking hebben voorgesteld een concept VOF-akte op te stellen. Over de concrete invulling zou later worden gesproken. [geïntimeerde] heeft toen aangegeven dat zij over de daadwerkelijke invulling advies wilde inwinnen bij haar zwager, die financieel kundig is. [geïntimeerde] bestrijdt dan ook dat over de essentiële punten (waaronder goodwill) overeenstemming was bereikt. [geïntimeerde] kreeg twijfels over de samenwerking, omdat zij ervoer dat [appellant] steeds op een dwingende manier op zoek was naar aandacht en bevestiging. Haar vertrouwen in [appellant] verdween tijdens een bijeenkomst met [A] , waarbij [appellant] geheel zijn eigen gang ging en zich vijandig jegens [A] opstelde. De e-mail van 19 september 2017, waarin [appellant] haar dicteerde hoe zij het gesprek met [A] diende aan te gaan, was wat haar betreft de druppel die de emmer liet overlopen. Zij heeft [appellant] daarvan nog op dezelfde dag op de hoogte gesteld, aldus [geïntimeerde] .

3.4

Onder verwijzing naar de onder 3.2 gestelde feiten, stelt [appellant] zich in hoger beroep primair op het standpunt dat er tussen partijen een VOF-overeenkomst tot stand is gekomen. Hij stelt daartoe dat partijen op 21 augustus 2017 (tijdens het bezoek aan [C] ) een overeenkomst hebben gesloten die er toe strekte dat [geïntimeerde] en [appellant] samen eigenaar zouden worden van de VOF Beauty-Affairs . Tijdens dat overleg hebben partijen immers mondeling overeenstemming bereikt over alle essentialia van de overeenkomst, zoals ook blijkt uit de schriftelijke verklaring van [C] .

3.5

[geïntimeerde] ontkent, onder verwijzing naar haar zienswijze zoals onder 3.3 weergegeven, dat partijen een VOF-overeenkomst hebben gesloten.

3.6

Het hof overweegt als volgt.

Vast staat dat partijen de samenwerking niet hebben geformaliseerd in een ondertekende overeenkomst. De stelplicht en de bewijslast dat tussen partijen een (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen, rust op [appellant] .

Dat partijen reeds op 13 juli 2017 overeenstemming hadden bereikt over een samenwerking op 50/50-basis zoals door [appellant] gesteld, kan niet als vaststaand worden aangenomen nu dit door [geïntimeerde] gemotiveerd is betwist. Tegenover deze betwisting had het op de weg van [appellant] gelegen om nader te specificeren wat op dit punt op dat moment tussen partijen precies is besproken. Nu hij dat heeft nagelaten gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat partijen reeds op 13 juli 2017 tot een dergelijke overeenstemming zouden zijn gekomen acht het hof ook weinig aannemelijk, gegeven het feit dat in deze procedure vaststaat dat dit de eerste gelegenheid was waarin partijen elkaar spraken, nadat zij kort tevoren hernieuwd kennis hadden gemaakt.

3.7

Dat overeenstemming over de samenwerking is bereikt tijdens het overleg op 21 augustus 2017 acht het hof evenmin voldoende onderbouwd. [appellant] verwijst ter zake naar de schriftelijke verklaring van [C] (prod. Z3 bij MvG). Het overleggen van een verklaring van een getuige ontheft een partij niet van de stelplicht, hoewel in het algemeen van een aanbod tot het leveren van bewijs door getuigen niet kan worden vereist dat wordt aangegeven wat (precies) door de getuige(n) kan worden verklaard. In zijn verklaring benoemt [C] niet dat partijen tijdens die bijeenkomst overeenstemming hebben bereikt. In die verklaring benoemt hij immers dat partijen eerder waren overeen gekomen dat de kern van de samenwerking eruit zou moeten bestaan dat [geïntimeerde] en [appellant] beiden 50% eigenaar zouden worden van Beauty-Affairs , waarbij [appellant] een geldbedrag gelijk aan de waarde van de inbreng van [geïntimeerde] zou inbrengen. [C] verklaart echter niets over de oorsprong van zijn wetenschap (mogelijk een uitlating van [appellant] ) en evenmin op welk moment voorafgaande aan de bijeenkomst van 21 augustus 2017 partijen overeenstemming zouden hebben bereikt. [appellant] heeft dit evenmin nader gespecificeerd, hoewel dat op zijn weg had gelegen. Dat tijdens het onderhoud op 21 augustus 2017 op kantoor bij [C] overeenstemming is bereikt over de waarde van de inbreng, blijkt evenmin uit de schriftelijke verklaring van [C] . De waarde van de inbreng van [appellant] moest immers nog worden vastgesteld op basis van een nog op te stellen balans van Beauty-Affairs . Dat [appellant] er daarbij vanuit ging dat Beauty-Affairs geen goodwill vertegenwoordigde, betekent nog niet dat daarover tussen partijen overeenstemming bestond. Uit de op 4 september 2017 door [C] aan partijen verstuurde e-mail met 1e concepttekst blijkt verder dat ook over andere punten van de VOF-overeenkomst nog door partijen overeenstemming moest worden bereikt. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [geïntimeerde] door niet direct op deze e-mail te reageren, geacht moet worden met de concept-akte in te hebben gestemd. Een en ander vraagt te meer om een toelichting van [appellant] nu deze in eerste aanleg kennelijk nog van oordeel was dat geen sprake was van overeenstemming tussen partijen. Ook kan van [appellant] worden verwacht dat hij nader toelicht wat of wie hem tot het nadere inzicht heeft gebracht dat dit wel het geval was (anders dan een ‘nadere bestudering van de feiten’). Nu [appellant] aldus onvoldoende heeft gesteld als onderbouwing voor de door hem gestelde overeenstemming, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Dit betekent dat de primaire grondslag faalt.

3.8

Het hof overweegt verder (en gelet op het vorenstaande ten overvloede) dat het door [appellant] gestelde positief contractsbelang van € 746.976,--, gegeven het feit dat Beauty-Affairs tot 2017 geen zwarte cijfers heeft geschreven, weinig realistisch voorkomt.

3.9

Ten aanzien van de subsidiaire grondslag overweegt het hof dat de rechtbank in het bestreden vonnis terecht de contractsvrijheid tot uitgangspunt heeft genomen. Dit houdt in dat het partijen in beginsel vrij staat om onderhandelingen af te breken, zij het dat hierdoor onder omstandigheden een schadevergoedingsplicht kan ontstaan.

3.10

Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan. Dit is een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf (zie HR 12-08-2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467).

3.11

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld om het oordeel te dragen dat het afbreken van de onderhandelingen – gelet op zijn gerechtvaardigd vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen – onaanvaardbaar is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.12

Vast staat dat partijen op 13 juli 2017 in gesprek zijn geraakt over de vraag of [appellant] iets zou kunnen betekenen voor Beauty-Affairs , dat partijen die mogelijkheid vervolgens gedurende een periode van ruim 9,5 week hebben verkend en dat [geïntimeerde] genoemde vraag op 19, maar in ieder geval op 20 september 2017 met een definitief nee heeft beantwoord.

3.13

Indien het hof veronderstellenderwijs – [geïntimeerde] heeft dit immers weersproken, volgens haar ging het toen nog slechts om een investering – ervan uitgaat dat partijen vanaf 13 juli 2017 in gesprek waren over een vorm van samenwerking, stelt het hof vast dat een periode van ruim twee maanden om te verkennen of samenwerking in enige vorm voor beide partijen werkbaar en wenselijk is, niet bijzonder lang voorkomt.

3.14

Zoals hiervoor overwogen dienen partijen in deze verkenningsfase hun gedrag te laten bepalen door elkaars gerechtvaardigde belangen.

3.15

Dit betekent dat [appellant] [geïntimeerde] in de gelegenheid diende te stellen om te onderzoeken of zij haar eenmanszaak op enigerlei wijze zou willen omzetten in een samenwerkingsverband met hem. [appellant] moest daarom [geïntimeerde] de tijd gunnen om te onderzoeken of zij goed met hem zou kunnen samenwerken.

3.16

Voor [geïntimeerde] betekende dit dat zij [appellant] – die Beauty-Affairs immers nog niet kende – de gelegenheid moest bieden om alle ins en outs van haar onderneming te leren kennen alvorens hij tot een investering/samenwerking zou overgaan. Ook [appellant] moest de gelegenheid krijgen om te onderzoeken of hij met [geïntimeerde] zou kunnen samenwerken.

In dit kader past dat [geïntimeerde] [appellant] heeft geïntroduceerd bij haar leveranciers en hem alle informatie heeft gegeven over haar onderneming. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is het hof van oordeel dat [appellant] aan deze omstandigheden daarom niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat een overeenkomst tot stand zou komen. In dat kader heeft [appellant] evenmin aan de omstandigheid (zoals hij zelf stelt) dat hij zich al volledig is gaan richten op het grootmaken van Beauty-Affairs , het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat een overeenkomst tot stand zou komen.

3.17

Het mag zo zijn dat [geïntimeerde] zich aanvankelijk louter positief heeft uitgelaten over [appellant] , en hem om haar moverende redenen tot 19 september 2017 weinig of geen signalen heeft gegeven dat zij reserves begon te krijgen over een samenwerking, maar dat is onvoldoende om te oordelen dat hierdoor verplichtingen jegens [appellant] zijn ontstaan.

3.18

Zoals hiervoor overwogen mocht van [appellant] worden verwacht dat hij [geïntimeerde] de ruimte zou bieden om te bezien of zij met [appellant] in zee zou gaan. [geïntimeerde] is betrekkelijk snel (al na twee maanden vanaf de eerste bespreking) tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval was en zij heeft dit direct aan [appellant] meegedeeld. Omstandigheden die maken dat ondanks hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat het afbreken van onderhandelingen jegens [appellant] onaanvaardbaar zou zijn, zijn door hem niet gesteld. Dit betekent dat ook de subsidiaire grondslag faalt.

3.19

Meer subsidiair stelt [appellant] zich op het standpunt dat de onderhandelingen tussen [geïntimeerde] en hem al zover waren gevorderd dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [geïntimeerde] bij het afbreken van de onderhandelingen de door hem gemaakte kosten dient te vergoeden.

3.20

Ook dit beroep faalt, omdat van relevante voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. Onderzoek naar de ins-en-outs van een investering, dan wel het verrichten van werkzaamheden vooruitlopend daarop, behoren tot het normale bedrijfsrisico van een investeerder/ondernemer. Niet valt in te zien dat [geïntimeerde] gehouden is de uren van [appellant] te vergoeden, en al helemaal niet op basis waarvan hiervoor een tarief van € 150,-- per uur, excl. btw zou moeten gelden. Ook in het kader van de besprekingen over een VOF-overeenkomst zou [appellant] bij aanvang slechts een investering in geld doen; hij heeft niet gesteld dat over een vergoeding voor door hem verrichte werkzaamheden vóór de oprichtingsdatum van 1 oktober 2017 afspraken zijn gemaakt. De door [appellant] gemaakte reiskosten, behoren – nu hij evenmin heeft gesteld dat hierover door partijen nadere afspraken zijn gemaakt – ook tot het normale bedrijfsrisico van [appellant] . Hoewel het hof zich zou kunnen voorstellen dat het redelijk is dat de kosten van [C] (ad € 292,50) en de reiskosten naar Duitsland (door [appellant] begroot op € 278,80) door partijen zouden worden gedeeld, is het feit dat [geïntimeerde] hiertoe niet bereid is gebleken, geen reden om te oordelen dat het afbreken van de onderhandelingen zonder vergoeding onredelijk of onbillijk is. Dat meer of andere kosten zijn gemaakt die ten goede zijn gekomen aan (de onderneming van) [geïntimeerde] , heeft [appellant] niet aangetoond.

3.21

Ook de meer meer subsidiaire vordering kan niet slagen. Ook voor deze vordering rusten de stelplicht en de bewijslast op [appellant] . [appellant] heeft onvoldoende gesteld om de conclusie te dragen dat [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Wat de ongerechtvaardigde verrijking betreft rust op de verrijkte een verplichting tot vergoeding van de door de verarmde geleden schade voor zover dat redelijk is. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] "waardevolle producten en diensten van [appellant] " heeft ontvangen, maar niet uitgelegd waarin de waarde voor [geïntimeerde] zou kunnen liggen. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat de geleverde producten en diensten voor haar waardevol waren en aangevoerd dat zij geen enkel idee van [appellant] heeft gebruikt en niets met de door [appellant] geschreven teksten heeft gedaan. Tegenover deze betwisting heeft [appellant] zijn vordering onvoldoende geconcretiseerd. De vordering op grond van onrechtmatige daad is kennelijk gestoeld op de stelling dat [appellant] de werkzaamheden niet zou hebben verricht als [geïntimeerde] hem niet had voorgehouden dat ze samen een gedeeld eigenaarschap in Beauty-Affairs zouden aangaan en hem niet had aangespoord werkzaamheden voor de onderneming te verrichten. Ook deze stelling wordt verworpen omdat deze onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover de motivering moet worden gelezen in hetgeen [appellant] ter onderbouwing van de reeds verworpen vorderingen heeft aangevoerd wordt de stelling verworpen op dezelfde gronden als waarop deze vorderingen zijn verworpen.

3.22

Uit het vorenstaande vloeit voort dat ook de uiterst subsidiaire grondslag faalt.

3.23

Bij gebreke van voldoende onderbouwde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.24

Nu geen van de vorderingen van [appellant] kan worden toegewezen, faalt het hoger beroep. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als na te melden.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven van 18 juli 2018;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 4.678,-- aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, M.C.M. van Dijk en M.D. Ruizeveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.