Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2831

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2020
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
BK-20/00351
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:1181, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:714, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6.17 Wet IB 2001; uitgaven voor specifieke zorgkosten; vervoerskosten vanwege ziekenhuisbezoeken en ritten door de omgeving met de auto; hulpmiddelen; extra kosten voor kleding en beddengoed; overschrijding redelijke termijn; invloed van de gemachtigde op de duur van het proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2021/1638
Viditax (FutD), 05-05-2021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00351

Uitspraak van 22 oktober 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 30 januari 2020, nr. SGR 19/1995.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2015 aangifte voor de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.565 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 850. Zij heeft uitgaven voor specifieke zorgkosten van € 3.708 opgevoerd. Aan de hand van de door belanghebbende in antwoord op in het kader van de aanslagregeling gestelde vragen verstrekte informatie, heeft de Inspecteur de aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten niet geaccepteerd en de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.273 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 850 met berekening bij beschikking van € 1 aan belastingrente. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de Rechtbank. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.963 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 850, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig gewijzigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.572 en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 131 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij op 29 juni 2020 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 18 juni 2020 ("Conclusie van repliek").

4. De voor 22 oktober 2020 geplande mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft geen doorgang gevonden: de gemachtigde van belanghebbende heeft bij e-mail van 21 oktober 2020 ter telefonische bevestiging te kennen gegeven vanwege ziekte van haar en haar kantoorgenoot/echtgenoot [A] niet op de zitting aanwezig te zijn, terwijl niet om uitstel van de zitting is verzocht, de Inspecteur heeft in reactie (telefonisch) meegedeeld dat geen bezwaar bestaat de zaak zonder zitting af te doen en het Hof acht zich met de stukken van het geding voldoende geïnformeerd zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, zodat een zitting achterwege is gebleven, ook overwegend dat het Hof, in aanmerking nemend dat de gemachtigde, althans [A] , al jaren lang telkens - ook vaak vlak vóór de zitting - probeert, doorgaans - omdat niet de gevraagde bewijzen worden overgelegd - vergeefs, zittingen niet te laten doorgaan en voor deze zitting bovendien geen uitstel is gevraagd, de reden voor het niet verschijnen op de zitting niet zonder meer geloofwaardig acht.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of [belanghebbende] recht heeft op aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten.

5. [ Belanghebbende] beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe aan dat zij de aftrek met stukken heeft onderbouwd, maar dat bij [de Inspecteur] de stukken zijn zoekgeraakt. Verder heeft [de Inspecteur] volgens [belanghebbende] niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten slotte verzoekt [belanghebbende] om immateriële schadevergoeding.

6. [ De Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] geen recht op de gevraagde aftrek omdat zij niet de gevraagde bewijsstukken heeft overgelegd. Ook weerspreekt [de Inspecteur] dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

7. [ Belanghebbende] is ter zitting in de gelegenheid gesteld bewijsstukken in te dienen en de rechtbank heeft deze stukken geaccepteerd. Mocht er al sprake zijn van het niet overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken door [de Inspecteur], dan verbindt de rechtbank hier geen gevolgen aan omdat [belanghebbende] niet is benadeeld.

Aftrek voor uitgaven voor specifieke zorgkosten

8. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet IB 2001 komen voor aftrek in aanmerking de op [belanghebbende] drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten. De specifieke zorgkosten zijn limitatief opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat zij uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan.

Vervoerskosten

9. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat zij vervoerskosten heeft gemaakt vanwege ziekenhuisbezoeken met de auto en ritten door de omgeving met haar dochter. [Belanghebbende] heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat de in de aangifte in aanmerking genomen vervoerskosten meer bedragen dan de kosten die een vergelijkbare belastingplichtige zonder ziekte of invaliditeit maakt (zie HR 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626). Nu [belanghebbende] verder niet met stukken aannemelijk heeft gemaakt dat vervoerskosten zijn gemaakt die rechtstreeks verband houden met een medische behandeling heeft [de Inspecteur] deze kosten terecht niet in aftrek toegelaten (vgl. Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:669).

Andere hulpmiddelen

10. [ Belanghebbende] heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat de kosten voor het gehoortoestel en de batterijen op haar hebben gedrukt. Weliswaar heeft [belanghebbende] een factuur van het hoortoestel en een verklaring van de audicien overgelegd, maar geen overzicht van de verzekeraar waaruit blijkt welk gedeelte van de kosten van het gehoorapparaat en de batterijen wel of niet door de verzekeraar zijn vergoed. [De Inspecteur] heeft het overzicht van de verzekeraar twee keer opgevraagd en het had op de weg van [belanghebbende] gelegen om dit overzicht in te dienen.

Dieetkosten

11. Op [belanghebbende] rust de bewijslast aannemelijk te maken dat zij in 2015 op medisch voorschrift het door haar genoemde dieet heeft gevolgd. De ter zitting overgelegde verklaring van haar huisarts is niet de vereiste dieetverklaring als bedoeld in artikel 37, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

Kleding en beddengoed

12. [ Belanghebbende] heeft aangevoerd dat zij extra kosten heeft gemaakt voor kleding en beddengoed vanwege het extra wassen door incontinentie. [Belanghebbende] heeft hiervoor een overzicht van de apotheek overgelegd, waarin staat dat zij op 22 juli 2014 en 22 september 2014 184 incontinentieluiers heeft gekocht. Mede gelet op de leeftijd van [belanghebbende] acht de rechtbank aannemelijk dat zij ook in 2015 incontinent was en hierdoor extra kosten heeft gemaakt voor kleding en beddengoed (vgl. Gerechtshof Amsterdam van 24 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4310). [Belanghebbende] heeft dus op grond van artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 recht op het forfaitaire bedrag van € 310. Aangezien [belanghebbende] reeds recht heeft op het forfaitaire bedrag, behoeven de extra kosten voor kleding vanwege het gebruik van steunzolen geen behandeling. Rekening houdend met verhoging van de uitgaven voor specifieke zorgkosten met 113% (= € 661) en een drempel van (1,65% van € 21.273= ) € 351 bedraagt de aftrek € 310.

Belastingrente

13. Tegen de te betalen belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Aangezien de aanslag verminderd zal worden, zal de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig worden verminderd.

Immateriële schadevergoeding

14. [ Belanghebbende] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt behoudens bijzondere omstandigheden in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

15. [ De Inspecteur] heeft het bezwaarschrift ontvangen op 8 mei 2017 en heeft op 14 februari 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank heeft op 30 januari 2020 uitspraak gedaan. Dat betekent dat de redelijke termijn in beginsel is overschreden met afgerond negen maanden. De rechtbank is echter van oordeel dat de redelijke termijn in dit geval met die periode moet worden verlengd (vgl. r.o. 3.5.1 onder b van voormeld arrest). [De Inspecteur] heeft er namelijk op gewezen dat de gemachtigde langdurig was verhinderd voor een hoorgesprek. De eerste afspraak stond gepland op 1 december 2017. Deze is afgezegd door de gemachtigde en uiteindelijk heeft het hoorgesprek pas plaats kunnen vinden op 20 november 2018. Voor toekenning van immateriële schadevergoeding bestaat geen grond gelet op de invloed van de gemachtigde op de duur van het proces.

16. Aangezien [belanghebbende] recht heeft op de forfaitaire aftrek vanwege extra kosten voor kleding en beddengoed, zal het beroep gegrond verklaard worden.

Proceskosten

17. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).

(…)"

6. In hoger beroep zijn, zo begrijpt het Hof, (nagenoeg) dezelfde geschilpunten aan de orde als bij de Rechtbank. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

7. Gelet op het geheel van voorhanden zijnde gegevens, in het licht van de relevante regelingen, heeft de Rechtbank naar 's Hofs oordeel met betrekking tot alle geschilpunten op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld. Belanghebbende heeft niets, ook niet in hoger beroep, aangevoerd of ingebracht, dat een andere conclusie rechtvaardigt. Het Hof neemt in het bijzonder in aanmerking dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur op geen enkele wijze de beweerdelijk gemaakte kosten heeft waargemaakt. Al met al heeft belanghebbende, zo moet worden geconcludeerd, geen feiten en omstandigheden gesteld dan wel, tegenover de gemotiveerde en overtuigende weerspreking door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, zo al wat zij heeft gesteld relevant en te volgen is, die de conclusie rechtvaardigen dat haar meer aftrek toekomt dan de Inspecteur en de Rechtbank hebben gegeven dan wel anderszins dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand kan blijven.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten. Opmerking verdient dat volstrekt niets rechtvaardigt dat de Inspecteur belanghebbende de proceskosten en het griffierecht in hoger beroep vergoedt.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 22 oktober 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Het gaat om natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het cassatieberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd.

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn.

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.