Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:283

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
200.253.928/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:10175, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering tegen onder meer gevaar van verstikking van varkens. Voorwaarden met betrekking tot alarminstallatie en doormelding. Primaire dekkingsomschrijving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.253.928/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/525427/ HA ZA 17-80

arrest van 3 maart 2020

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. H.E. de Leeuw-Blokland te Rotterdam,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

tevens handelend onder de naam Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn en mede kantoorhoudende te Leiden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Achmea,

advocaat: mr. E.H. Verweij te Apeldoorn.

Het geding

Bij exploot van 7 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 8 augustus 2018 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven tevens houdende akte vermeerdering grondslag eis (met een productie) heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Achmea de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen op 17 februari 2020 de zaak doen bepleiten door hun advocaten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op het door [appellant] voorafgaand aan de pleidooien overgelegde dossier.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1.

[appellant] heeft een vleesvarkensbedrijf in [plaats]. Voor de bedrijfsvoering heeft hij met Achmea een verzekeringsovereenkomst gesloten. Op de verzekering is de volgende clausule van toepassing:

“Deze verzekering dekt schade aan pluimvee en varkens die volgens het verzekeringsbewijs op deze voorwaarden zijn gedekt als gevolg van een plotseling en onvoorzien uitvallen van of een plotselinge en onvoorziene storing in:

- de INSTALLATIES VOOR AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING, mits van de uitval of storing onmiddellijk een alarm is ontvangen, waarna iemand snel ter plaatse is geweest en adequaat heeft opgetreden;

(...)

Wij zullen geen beroep doen op het feit dat er geen alarm is ontvangen als

- de alarminstallatie is getroffen door dezelfde gebeurtenis als waardoor de INSTALLATIES VOOR AUTOMATISCHE KLIMAATREGELING zijn getroffen. Voorwaarde is dat de alarminstallatie moet zijn voorzien van noodvoorzieningen voor het wegvallen van de voedingsspanning van de alarminstallatie;

- de alarminstallatie niet heeft kunnen doormelden door een aantoonbare storing in het telefoonnet waarop verzekerde is aangesloten. (...)

- de alarminstallatie niet heeft gewerkt door een eigen gebrek, maar alleen als de accu's van de alarminstallatie niet ouder dan twee jaar zijn en verzekerde aantoont dat hij de alarminstallatie en de doormelding regelmatig, met een minimum van eenmaal per maand, heeft getest op bedrijfszekerheid,”

2.2.

Op 12 maart 2011 is in één van de varkensstallen van [appellant] de installatie voor automatische klimaatregeling uitgevallen. De temperatuur in de stal is daardoor opgelopen. Als gevolg daarvan zijn 285 vleesvarkens door verstikking om het leven gekomen.

2.3.

Op 14 maart 2011 heeft expert [naam expert] op verzoek van Achmea een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de schade en de hoogte van het schadebedrag. De omvang van de schade is vastgesteld op € 28.785,00, exclusief het nadien gefactureerde bedrag van € 666,69 voor het ophalen, verwerken en vernietigen van de kadavers. In het expertiserapport is onder meer opgenomen:

Inleiding

(...) Ik sprak met verzekerde [appellant]. Op 15 maart heb ik [naam bedrijf] uit [plaats] gevraagd om verzekerde te bezoeken en de oorzaak van de schade vast te stellen. [X] van [naam bedrijf] uit [plaats] heeft verzekerde op 16 maart 2011 bezocht en geconstateerd dat alleen de aardlek is uitgevallen. De alarmering werkte normaal, zij het dat er een vertraging van ongeveer een kwartier in zit. (...)

Toedracht en oorzaak van de schade

(…)

Ik heb samen met verzekerde het alarm gecontroleerd. Bij de controle bleek dat het alarm gewoon werkte. Op die dag is alleen de aardlek uitgevallen. De oorzaak van het uitvallen van de aardlek is eveneens niet duidelijk. Omdat het uitblijven van het alarm niet duidelijk werd heb ik [naam bedrijf] [plaats] gevraagd om eens naar de apparatuur te kijken. [X] van [naam bedrijf] heeft de apparatuur getest. Hij constateerde dat het alarm normaal werkte maar dat er een vrij lange vertraging in zat. Er was ook geen storing in de Inteltelefoonkiezer. Waarom het alarm niet is afgegaan was ook [X] onduidelijk. De batterij in de telefoonkiezer was goed.

Omdat het alarm niet is doorgekomen heb ik verzekerde over een langere periode een telefoonspecificatie laten opvragen. Daaruit blijkt dat verzekerde niet vaak maar wel via de telefoonkiezer meldingen ontvangt. Verzekerde heeft een melding gehad 22 december 2010, 12 maart 2011 en vervolgens na de schade op 12 maart 2011. (...) Zowel verzekerde als zijn vrouw worden beurtelings gealarmeerd. (...)

Akkoord verzekerde

(…)

Verzekerde ontvangt wel alarmmeldingen, controleert in de tussenliggende periodes niet.

Het niet functioneren van het alarm op dat moment zal nooit duidelijk worden omdat het wel werkte op het moment dat de spanning terugkwam. De accu was goed.”

2.5.

Bij brief van 23 mei 2011 heeft Achmea vergoeding van de schade afgewezen, omdat geen alarmmelding is ontvangen en de oorzaak van het niet functioneren van het alarm op het moment van uitval onbekend is.

3.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd – samengevat – veroordeling van Achmea tot betaling van € 29.451,69, met rente en kosten, alsmede € 1.128,99, met rente ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat van het voorval op 12 maart 2011 geen onmiddellijk alarm is ontvangen waarop snel en adequaat is opgetreden, terwijl de in de verzekeringsvoorwaarden voorziene uitzonderingssituaties niet aan de orde zijn. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

In hoger beroep heeft [appellant] geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering, met veroordeling van Achmea in de proceskosten van beide instanties met nakosten en rente, alsmede veroordeling van Achmea tot terugbetaling van al hetgeen uit hoofde van het bestreden vonnis is betaald aan Achmea, met rente. [appellant] heeft in hoger beroep de grondslag van zijn eis vermeerderd (c.q. verbreed). Tegen deze eiswijziging heeft Achmea geen bezwaar gemaakt. Het hof zal uitgaan van de gewijzigde eis. De grieven kunnen als volgt worden samengevat. Het beroep op het niet afgaan van het alarm is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar omdat ook de alarminstallatie is uitgevallen door een onvoorziene en onbekende oorzaak. [appellant] heeft niet meer kunnen doen dan hij heeft gedaan om te zorgen dat het alarm werkte (grief I). Ten onrechte is overwogen dat zich niet de uitzonderingssituatie voordoet dat de alarminstallatie is getroffen door dezelfde gebeurtenis als waardoor de klimaatregelingsinstallatie is uitgevallen. De experts hebben vastgesteld dat de alarminstallatie niet werkte toen de aardlek was uitgevallen en wel weer werkte toen de aardlek weer was omgezet (grief II). Eveneens ten onrechte is geoordeeld dat zich niet de uitzonderingssituatie van ‘eigen gebrek’ voordoet en dat [appellant] zijn stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft de installatie regelmatig getest, maar wist niet en hoefde niet te weten dat hij ook de doormelding naar zijn telefoon moest testen (grief III). Het beroep van Achmea op het zich niet voordoen van een van de uitzonderingssituaties waarbij wel dekking bestaat, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (grief IV). Ten onrechte is de vordering afgewezen (grief V).

3.4.

Achmea heeft in hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

3.5.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.6.

Tussen partijen staat vast dat [appellant] op 12 maart 2011 schade heeft geleden door verstikking van varkens, die het gevolg is geweest van het plotseling en onvoorzien uitvallen van de klimaatregelingsinstallatie in zijn stallen. Eveneens staat vast dat van het uitvallen van de klimaatregelingsinstallatie geen doormelding is ontvangen op de telefoon van [appellant] of zijn echtgenote. De oorzaak daarvan is onbekend. De accu’s van de alarminstallatie en de voor de doormelding benodigde telefoonkiezer werkten direct na ontdekking van de schade naar behoren.

3.7.

Het hof is met Achmea van oordeel dat van de verzekeringsvoorwaarden in deze zaak als primaire dekkingsomschrijving heeft te gelden: “Deze verzekering dekt schade aan (…) varkens (…) als gevolg van een plotseling en onvoorzien uitvallen van of een plotselinge en onvoorziene storing in de installaties voor automatische klimaatregeling, mits van de uitval of storing onmiddellijk een alarm is ontvangen, waarna iemand snel ter plaatse is geweest en adequaat heeft opgetreden”.

3.8.

Anders dan [appellant] betoogt, maakt van de primaire dekkingsomschrijving ook deel uit de voorwaarde “mits van de uitval of storing onmiddellijk een alarm is ontvangen, waarna iemand snel ter plaatse is geweest en adequaat heeft opgetreden”. [appellant] onderkent op zichzelf dat het woordje “mits” er op lijkt te duiden dat Achmea het daaropvolgende als deel van de primaire dekking heeft willen omschrijven, maar volgens hem maakt dit de dekkingsomschrijving innerlijk tegenstrijdig. In de verzekeringsvoorwaarden zijn “installaties voor automatische klimaatregeling” namelijk gedefinieerd – voor zover hier van belang – als “Automatisch functionerende ventilatiesystemen, elektrische en verwarmingsinstallaties en de daarbij behorende alarmsystemen”. Dat betekent volgens hem dat de dekking niet alleen uitval of storing van het ventilatiesysteem maar ook uitval of storing van het alarmsysteem omvat.

3.9.

Het hof verwerpt dit argument. Van een innerlijke tegenstrijdigheid van de clausule is geen sprake. De door [appellant] aangehaalde definitie, die duidelijk maakt dat op de klimaatregelingsapparatuur een een alarmsysteem behoort te worden aangesloten, dwingt er geenszins toe om aan te nemen dat uitval of storing van het ventilatiesysteem inclusief het daarbij behorende alarmsysteem onder de (primaire) dekking valt. Integendeel, juist door de nadere voorwaarde dat van de uitval of storing onmiddellijk een alarm is ontvangen, is volstrekt duidelijk dat voor dekking (in beginsel, behoudens de hierna nog te bespreken uitzonderingssituaties) vereist is dat het alarmsysteem wél heeft gefunctioneerd.

3.10.

Overigens kan het argument van [appellant] ook om andere reden niet worden gevolgd. Het argument is pas bij pleidooi aangevoerd. Omdat het niet kan worden beschouwd als een uitwerking of toelichting op een reeds aangevoerde grief, moet het worden beschouwd als een nieuwe grief, waarvoor bij pleidooi geen ruimte bestaat, nu Achmea er niet ondubbelzinnig mee heeft ingestemd dat deze nieuwe grief in de rechtsstrijd wordt betrokken. Daaraan doet niet af dat Achmea naar aanleiding van een uitdrukkelijke vraag van het hof wel is ingegaan op het argument (zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3238).

3.11.

Nu de omstandigheden waaronder de schade zich heeft voorgedaan niet beantwoorden aan de primaire dekkingsomschrijving, rijst de vraag of die omstandigheden wel beantwoorden aan een van de twee in deze zaak relevante uitzonderingsituaties als genoemd in de polisvoorwaarden. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.

3.12.

De eerste uitzonderingsituatie – waarin dus wél dekking bestaat – doet zich voor als de alarminstallatie is getroffen door dezelfde gebeurtenis als de klimaatregelingsinstallatie, op voorwaarde dat de alarminstallatie is voorzien van noodvoorzieningen voor het wegvallen van de voedingsspanning van de alarminstallatie. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] zijn betoog dat het uitvallen van de aardlek ook als oorzaak van het niet functioneren van de alarminstallatie moet worden beschouwd, niet voldoende heeft onderbouwd. Nu [appellant] er zelf op wijst (MvG onder 25) dat [naam expert] en [X] hebben geconstateerd dat de oorzaak van het niet werken van het alarm onduidelijk is, is er onvoldoende reden om ervan uit te gaan dat die oorzaak toch gelegen moet zijn in het uitvallen van de aardlek. Onduidelijk is dan immers hoe het mogelijk is dat de alarminstallatie ook geen alarm heeft afgegeven met behulp van de noodstroomaccu’s.

Verder valt niet uit te sluiten dat de alarminstallatie al eerder door een andere oorzaak was uitgevallen of – al dan niet bewust – uitgeschakeld. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting bij het hof verklaard dat in dat geval de alarminstallatie niet direct weer zou hebben gefunctioneerd toen hij de aardlek weer inschakelde, maar dit een en ander staat tussen partijen niet vast en nader bewijs hieromtrent heeft [appellant] – die de bewijslast draagt van de feiten die zijn beroep op de uitzonderingssituaties ondersteunen – niet voldoende gespecificeerd aangeboden. Het hof verwerpt in dit verband het standpunt van [appellant] (pleitnota h.b. onder 26) dat de door Achmea genoemde mogelijke oorzaken geen reële mogelijkheid zijn. Zulks volgt immers – anders dan [appellant] aanvoert – niet uit het feit dat de door Achmea ingeschakelde deskundigen constateren dat geen oorzaak kan worden achterhaald.

3.13.

De tweede uitzonderingssituatie is aan de orde als de alarminstallatie niet heeft gewerkt door een eigen gebrek, maar alleen als de accu's van de alarminstallatie niet ouder dan twee jaar zijn en verzekerde aantoont dat hij de alarminstallatie en de doormelding regelmatig, met een minimum van eenmaal per maand, heeft getest op bedrijfszekerheid. Niet staat vast dat er sprake is geweest van een eigen gebrek van de alarminstallatie. [naam expert] en [X] hebben aan de alarminstallatie niets kunnen vinden dat wijst op een eigen gebrek. Hoewel daarmee niet zonder meer vaststaat dat zich géén eigen gebrek heeft voorgedaan, acht het hof dit toch bepaald niet aannemelijk. Ook hier kan niet worden uitgesloten dat de alarminstallatie al voor 12 maart 2011 door andere (externe) oorzaak was uitgevallen dan wel – al dan niet bewust – was uitgeschakeld. Aan bewijslevering komt het hof niet toe, nu [appellant] daartoe geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.

3.14.

Voor toepassing van de tweede uitzonderingssituatie is verder vereist dat de verzekerde de doormelding minimaal eenmaal per maand heeft getest op bedrijfszekerheid. Met ‘doormelding’ is klaarblijkelijk gedoeld op het doorgeven van een alarmbericht door de alarminstallatie op een daarvoor bestemd telefoonnummer van de verzekerde. Ook hieraan is niet voldaan. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat het hem niet duidelijk was noch behoefde te zijn dat ‘doormelding’ hierop zag en niet op het doorgeven van het alarmsignaal aan de alarmbel. Naar het oordeel van het hof laat de formulering van de tweede uitzonderingssituatie geen ruimte voor misverstand dat ‘doormelding’ ziet op door de verzekerde te ontvangen alarmberichten. Dit geldt nog sterker wanneer deze wordt gelezen in verband met hetgeen in de polisvoorwaarden daaraan direct voorafgaat, te weten de situatie dat “de alarminstallatie niet heeft kunnen doormelden door een aantoonbare storing op het telefoonnet (…)”. [appellant] heeft ter zitting verklaard dat hij de doormeldingen nooit heeft getest, omdat daarvoor het alarm eerst ongeveer een kwartier moest klinken en de varkens daarvan last hadden. Vast staat ook dat in de maand voorafgaande aan 12 maart 2011 geen doormelding is ontvangen.

3.15.

[appellant] heeft zich er voorts op beroepen – en daartoe de grondslag van de eis verbreed – dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Achmea zich met een beroep op haar polisvoorwaarden aan dekking zou mogen onttrekken. Daartoe heeft hij, samengevat, gewezen op de volgende omstandigheden:

(1) uitval of storing van het alarmsysteem is een gedekt evenement, maar daarmee is onverenigbaar de eis dat een alarm is ontvangen;

(2) de oorzaak van het niet afgaan van het alarm zal nooit duidelijk worden;

(3) er zijn geen maatregelen die [appellant] had kunnen nemen om te zorgen dat het alarm op 12 maart 2011 wel functioneerde;

(4) Achmea loopt geen risico als de eis van het ontvangen van een alarm mag worden gesteld;

(5) uit de uitzonderingssituaties in de voorwaarden blijkt dat Achmea onderkent dat als de verzekerde geen verwijt treft, zij geen beroep zal doen op het niet afgaan van het alarm;

(6) [appellant] heeft er niets aan kunnen doen dat het alarm niet afging;

(7) het onzekere voorval waartegen verzekerd was, heeft zich voorgedaan, nu zowel het ventilatiesysteem als het alarm niet functioneerden.

3.16.

Het hof acht onvoldoende grond aanwezig om het standpunt van Achmea naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.

3.17.

Met betrekking tot de hiervoor in 3.15 vermelde omstandigheden waarop [appellant] zich heeft beroepen, merkt het hof het volgende op. De omstandigheden onder (1) en (7) werpen om de hiervoor in 3.9 en 3.10 uiteengezette redenen geen gewicht in de schaal. Het hof gaat voorbij aan de omstandigheden (3) en (6), omdat niet valt uit te sluiten dat het alarmsysteem al voor 12 maart 2011 is uitgevallen dan wel uitgeschakeld, en [appellant] voorts heeft nagelaten om de doormelding met de vereiste frequentie te testen op bedrijfszekerheid. In dit licht bezien werpt ook omstandigheid (5) – wat daarvan verder zij – geen gewicht in de schaal. Met betrekking tot omstandigheid (4) merkt het hof op dat Achmea heeft aangevoerd dat ook bij een adequaat optreden van de verzekerde de schade niet in alle gevallen (geheel) voorkomen had kunnen worden. Verder heeft Achmea er op gewezen dat dat zij op basis van de huidige premiestelling het risico van het uitvallen van de installaties voor automatische klimaatregeling zonder alarmering (met doormelding) niet voor haar rekening kan nemen (naar het hof begrijpt: behoudens de in de verzekeringsvoorwaarden omschreven uitzonderingssituaties). Deze toelichting is door [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Omstandigheid (2) ten slotte, het niet duidelijk worden van de oorzaak van het niet afgaan van het alarm, is een omstandigheid die gelet op de verzekeringsvoorwaarden voor risico komt van [appellant].

3.18.

Achmea heeft ter zitting verklaard dat haar ervaring is dat alarminstallaties nogal eens niet afgaan door menselijke fouten, en dus niet door een eigen gebrek. Het staat Achmea vrij om dergelijke situaties buiten de omschrijving van de dekking te houden. Tussen partijen staat niet vast of het niet afgaan van het alarm het gevolg is geweest van een eigen gebrek, dan wel van een onbewuste of bewuste menselijke handeling (uitschakelen; instellingsfout). Onder die omstandigheden mag Achmea zich erop beroepen dat niet vaststaat dat de schade van [appellant] onder de dekking valt. Met betrekking tot die dekking merkt het hof ten overvloede nog op dat die dekking mede omvat de situatie dat de alarminstallatie als gevolg van een (gebleken) eigen gebrek niet heeft gefunctioneerd en in zoverre ruimer is dan de dekking die aan de orde was in de door [appellant] vermelde zaak Hof Leeuwarden 13 april 2010, ECLI:NL:GHLEE:2010:BM1439.

3.19.

[appellant] heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Dit bewijsaanbod heeft echter niet voldoende concreet en gespecificeerd betrekking op feiten die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden leiden. Het hof zal daarom geen bewijs opdragen.

3.20.

Slotsom is dat de grieven falen. Dat brengt mee dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep als hierna vermeld. Voor zover in hoger beroep meer of anders is gevorderd dan in eerste aanleg zal het hof dit afwijzen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Achmea begroot op € 1.978 voor verschotten en € 4.173 voor salaris van de advocaat;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, A.J.M.E. Arpeau en G. Tangenberg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.