Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2826

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
200.267.386/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.267.386/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/552137 / HA ZA 18-475

Arrest van 8 december 2020

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. Nice-2-Get B.V.,

gevestigd te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem,

4. Kwekerij Niriko B.V.,

gevestigd te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem,

appellanten,

hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud te noemen: [appellant 1] c.s.,

advocaat: mr. H.M. van Eerten te Zwolle,

tegen

Amantia Stichting,

gevestigd te Leiden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Amantia,

advocaat: mr. M.J.E.L. Delissen te Den Haag.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij exploot van 4 oktober 2019 is [appellant 1] c.s. in hoger beroep gekomen van het in deze zaak tussen partijen gewezen eindvonnis van de Rechtbank Den Haag van 24 juli 2019 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven (hierna: MvG) met producties heeft hij vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Amantia deze grieven bestreden. Daarna heeft [appellant 1] c.s. nog een akte genomen en heeft Amanatia daarop gereageerd bij antwoordakte, met één productie. Ten slotte hebben partijen het procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of [appellant 1] c.s. een recht van overweg heeft om van zijn erven aan de [weg 1] te [plaats] rechtstreeks naar het zuiden over erven van Amantia heen te gaan naar en te komen van de [weg 2] , ook te [plaats] . [appellant 1] c.s. heeft de door de rechtbank vastgestelde feiten niet bestreden, waardoor het hof die feiten tot uitgangspunt neemt. Op grond van die feiten en van de feiten die het hof zelf heeft vastgesteld, gaat het in deze zaak om het volgende.

De huidige situatie

2.2

Amantia is eigenaar van de percelen te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , […] , nummers 2454 (voorheen 419), 2455 (voorheen 422), 2456 (voorheen 425, deze percelen 2454, 2455 en 2456 hierna tezamen: de percelen Amantia) en 2586 (voorheen 2073).1 Amantia heeft deze percelen in pacht uitgegeven ten behoeve van land- en tuinbouw.

2.3

[appellant 1] c.s. is eigenaar van een aantal aanpalende, ten noorden van deze percelen gelegen percelen, waaronder de percelen (voorheen) 420, 421, 426, 427, 428 en 1212 (hierna: de percelen [appellant 1] 1) alsmede het perceel kadastraal bekend gemeente [plaats 2] , […] , nummer 1624 (hierna: het perceel [appellant 1] 2, tezamen met de percelen [appellant 1] 1 de percelen [appellant 1] ).

Hierna zijn twee kaarten afgebeeld die een (totaal- respectievelijk ingezoomd) overzicht geven van de kadastrale situatie.

Historie van de percelen

2.4

Bij notariële akte van 30 januari 1978 (hierna: de akte 1978) zijn verkocht en geleverd:

A. [de percelen [appellant 1] 1] (...).

B. De [percelen Amantia en de percelen 423, 424, en 432] (alle geheel), (...) en 1296 (gedeeltelijk) (...), namelijk met uitzondering van: de boerderij, bedrijfsgebouwen, erf en grond, staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (...).”

2.5

Daarbij is een erfdienstbaarheid van weg bevestigd:

- ten behoeve van de sub A. en sub B. geleverde percelen als heersende erven; en

- ten laste van:

* het aan de betrokken verkopers in eigendom verblijvende gedeelte van perceel 1296 (waarop de boerderij met opstallen aan de [adres 1] ); en

* perceel 1564 (waarop het woonhuis aan de [adres 2] )

als lijdende erven;

om op de destijds gebruikelijke wijze te komen van en te gaan naar de [weg 2] (hierna: de erfdienstbaarheid 1978).

2.6

Bij notariële akte van 29 september 1987 (hierna: de akte 1987) zijn onder andere de percelen [appellant 1] verkocht en geleverd. Daarbij is, onder verwijzing naar een notariële akte van 19 december 1979 (hierna: de akte 1979) waarin wordt verwezen naar de akte 1978, de erfdienstbaarheid 1978 bekrachtigd en voor zover nodig opnieuw gevestigd. In de akte 1987 is ook verwezen naar artikel 8 van de akte 1979, waarin is bepaald dat die erfdienstbaarheid 1978 eindigt “zodra verkoper casu quo zijn rechtsopvolgers een eigen uitweg op de [weg 2] verkrijgen via gemeente grond.”

2.7

Daarnaast is in de akte 1987 de volgende erfdienstbaarheid van weg (hierna: de erfdienstbaarheid 1987) gevestigd:

Ten behoeve van het bij deze akte verkochte (te weten de [percelen [appellant 1] ]); (…) en (…) ten laste van de (…)percelen (…) 422 en 2073 wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar het erf gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] te [plaats] , eigendom van [betrokkene] , zulks uit te oefenen over de bestaande (beton)weg.

(…)

2.8

Bij notariële akte van 11 december 2001 heeft Amantia de onder 2.2 genoemde percelen gekocht en geleverd gekregen. In de akte is onder het kopje “OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN, KWALITATIEVE BEDINGEN EN/OF BIJZONDERE VERPLICHTINGEN” onder meer verwezen naar de aktes van 1978 en 1987, onder woordelijke aanhaling van de daarin opgenomen en hiervoor geciteerde erfdienstbaarheden.

2.9

Bij notariële akte van 18 februari 2005 heeft [appellant 1] c.s. de percelen [appellant 1] 1 gekocht en geleverd gekregen.

2.10

Bij notariële akte van 3 mei 2007 (hierna: de akte 2007) heeft Amantia van [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) gekocht en geleverd gekregen perceel 2126, dat is gelegen achter de [adres 3] . Op pagina vier van voornoemde akte is de volgende bepaling opgenomen:

"OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEDEN, KWALITATIEVE BEDINGEN EN/OF BIJZONDERE VERPLICHTINGEN

Er zijn verkoper geen erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen bekend.

Verkoper en koper verklaren te zijn overeengekomen dat de toegang tot het bij deze akte overgedragen perceel niet langer zal gaan over het aan verkoper in eigendom toebehorende perceel nummer 751 derzelfde kadastrale gemeente en sectie doch via een reeds bij koper in gebruik zijnde toegangsweg.”

2.11

Op enig moment zijn de percelen [appellant 1] 1 ontsloten door een openbare weg, de [weg 1] . Via een omweg kunnen vanuit de [weg 1] de [weg 2] en het centrum van [plaats] worden bereikt.

Betonpaden

2.12

Over de percelen van Amantia lopen drie betonpaden. Een rechtsvoorganger van Amantia heeft deze omstreeks 1980 in een rechte lijn aangelegd, zoals (deels) zichtbaar is op onderstaande luchtfoto uit 2006.

2.13

In 2013 heeft [appellant 1] c.s. met stelcon rijplaten een pad gecreëerd, waarmee hij vanaf een van de betonpaden een eigen (eerdere) afslag naar zijn percelen heeft gerealiseerd. Onderstaande (lucht)foto’s geven een indruk van de situatie ter plekke. De tweede foto geeft de situatie weer aan de zuidkant van de op bovenstaande luchtfoto meest naar het oosten gelegen van de drie parallelle banen, dus ongeveer in het midden van bovenstaande foto.

2.14

Op een later moment heeft [appellant 1] c.s. de door hem gecreëerde afslag in samenwerking met een aannemingsbedrijf en in overleg met de eigenaar van een nabijgelegen perceel verlegd naar een destijds recent gerealiseerde woonwijk die zichtbaar is op de hierna volgende luchtfoto.

2.15

Bij brief van 12 augustus 2015 heeft Amantia aan [appellant 1] c.s. verzocht met haar in overleg te treden om te bezien of en onder welke voorwaarden hij afstand zou willen doen van de erfdienstbaarheid die zij in die brief als volgt heeft omschreven:

U hebt ten laste van onze grond en ten behoeve van uw perceel aan de [weg 1] 3 te [plaats] een erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de [weg 2] , ten tijde van de vestiging de dichtstbijzijnde openbare weg.”

3 Het geding in eerste aanleg

3.1

Hierna zal het hof de vorderingen en stellingen van partijen en de oordelen van de rechtbank slechts samengevat weergeven en voor zover relevant voor dit hoger beroep. Amantia heeft in eerste aanleg na eiswijziging gevorderd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat bij de akte 1978 geen erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van de percelen van Amantia (als dienend erf) en ten gunste van de percelen van [appellant 1] c.s. (als heersend erf), om via de betonpaden te komen van en te gaan naar de [weg 2] te [plaats] ;

II. een verklaring voor recht dat de erfdienstbaarheid 1987 [appellant 1] c.s. geen recht geeft om, anders dan met landbouwmachines, via de betonpaden te komen van en te gaan naar de [adres 3] te [plaats] ;

III. [appellant 1] c.s. te veroordelen de door hem aangelegde stelcon rijplaten op eigen kosten te verwijderen en verwijderd te houden;

IV. [appellant 1] c.s. te verbieden om, anders dan met landbouwmachines, gebruik te maken van de betonpaden;

V. [appellant 1] c.s. te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000, voor iedere dag dat hij met de nakoming van het onder III en IV gevorderde in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000 (hierna: vorderingen I t/m V);

met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten, vermeerderd met rente.

Zij heeft aan haar vorderingen I, III en V ten grondslag gelegd dat bij de akte van 1978 geen erfdienstbaarheid van weg is gevestigd ten laste van haar percelen en ten gunste van de percelen [appellant 1] : zowel de percelen [appellant 1] 1 als de percelen Amantia waren immers heersende erven. Voor de erfdienstbaarheid 1987 geldt dat die niet gaat naar de openbare weg, maar naar “het erf nabij de boerderij aan de [adres 3] ”. In de akte van 2007 is geen nieuwe erfdienstbaarheid opgenomen en is een verbod voor Amantia opgenomen om over perceel nummer 751 uit te wegen naar de [weg 2] , waardoor [appellant 1] c.s. niets heeft aan de erfdienstbaarheid 1987. Tot slot heeft [appellant 1] c.s. zonder toestemming stelcon rijplaten op de percelen van Amantia gelegd, aldus nog steeds Amantia.

3.2

[appellant 1] c.s. heeft in eerste aanleg in reconventie na eiswijziging gevorderd, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. primair een verklaring voor recht dat de loop van de bij de akte van 1987 gevestigde erfdienstbaarheid gaat over perceel 2586 , zoals weergegeven op onderstaande tekening (hierna: het tracé [appellant 1] ), ten behoeve van de percelen [appellant 1] als heersende erven;

b. subsidiair wijziging op grond van artikel 5:80 BW van de loop van de bij de akte 1987 gevestigde erfdienstbaarheid volgens het tracé [appellant 1] ;

c. veroordeling van Amantia tot het verwijderen en verwijderd houden van de borden ‘Verboden Toegang’ op (of met betrekking tot) haar perceel 2586 , desgewenst te vervangen met een aanduiding ‘Eigen Weg’ (hierna: vorderingen a t/m c);

met veroordeling van Amantia in de proceskosten.

[appellant 1] c.s. heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat partijen het tracé [appellant 1] over perceel 2586 in de loop der jaren (impliciet) zijn overeengekomen en dat dat tracé voor Amantia ook minder belastend is.

3.3

De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van Amantia II en IV afgewezen en de vorderingen van Amantia I, III en V (in enigszins beperkte vorm) toegewezen, en in reconventie de vorderingen van [appellant 1] c.s. afgewezen, met veroordeling van [appellant 1] c.s. in de proceskosten in conventie en in reconventie. Zij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen.

- In de erfdienstbaarheid 1978 zijn zowel de percelen voorheen 419, 422, 423, 424, 425 en 432, die nu eigendom zijn van Amantia, als de percelen [appellant 1] 1 aangeduid als heersende erven, waardoor die erfdienstbaarheid [appellant 1] c.s. geen recht van weg geeft over die percelen van Amantia.

- Uit de tekst van de akte 1987 volgt dat de erfdienstbaarheid 1987 het recht geeft om te komen van en te gaan naar het erf gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] . Dat [appellant 1] c.s., zoals deze betoogt, deze erfdienstbaarheid niet op basis van de kadastrale aanduiding kan reconstrueren en dat het mede daarom meer lijkt alsof daarmee een ontsluiting naar de [adres 2] / [adres 1] werd beoogd, is, gelet op de betwisting van Amantia, onvoldoende voor de vaststelling dat deze uitleg van [appellant 1] c.s. de juiste is. Die akte bevat ook geen fout: daarin werd namelijk voorzien in twee afzonderlijke erfdienstbaarheden: enerzijds de erfdienstbaarheid 1978, met een uitweg naar de [adres 2] / [adres 1] maar zonder dat een erf van Amantia daarbij dienend is, en anderzijds de erfdienstbaarheid 1987, met percelen van Amantia als dienende erven, om te komen van en te gaan naar het erf gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] .

- [appellant 1] c.s. heeft geen toestemming van Amantia gekregen om de stelconplaten op het erf van Amantia te leggen en de loop van de erfdienstbaarheid 1978 te wijzigen. Daarmee heeft [appellant 1] c.s. deze platen zonder recht of titel neergelegd en moet hij deze verwijderen.

- [appellant 1] c.s. heeft niet weersproken dat zijn percelen via de [weg 1] zijn ontsloten. Daarom is de erfdienstbaarheid 1978 krachtens de akte 1987 geëindigd en komt de rechtbank niet toe aan wijziging van die erfdienstbaarheid op grond van artikel 5:80 BW.

- Als eigenaar van perceel 2586 is Amantia krachtens artikel 5:75 BW bevoegd een bord “Verboden Toegang” te plaatsen bij de toegangswegen tot dat perceel, mits de eigenaar van heersende erven onbelemmerde toegang houdt.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert [appellant 1] c.s., bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van Amantia in conventie in eerste aanleg en toewijzing van zijn eigen vorderingen in reconventie in eerste aanleg, met veroordeling van Amantia tot terugbetaling van datgene wat hij aan Amantia heeft betaald ter voldoening aan het bestreden vonnis en tot vergoeding van de proceskosten van beide instanties. Amantia vordert bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellant 1] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, met nakosten en rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest.

5 De beoordeling van het hoger beroep

De loop van de erfdienstbaarheid 1987

5.1

Met zijn eerste grief bestrijdt [appellant 1] c.s. het oordeel van de rechtbank over de loop van de erfdienstbaarheid 1987. Volgens [appellant 1] c.s. loopt die erfdienstbaarheid 1987 over wat nu de percelen 2455 en 2586 van Amantia zijn. Alle percelen die voortkomen uit de dienende percelen voorheen 422 en 2073 bevinden zich in de buurt van de erven [adres 2] en [adres 1] , terwijl geen van deze percelen zich nabij het perceel met de boerderij aan de [adres 3] bevindt. Als de erfdienstbaarheid 1987 inderdaad een recht van weg zou inhouden van en naar die boerderij, zou dat recht ook genoemd moeten zijn in de leveringsaktes met betrekking tot een of meer van de aldaar gelegen percelen 2727, 2519, 2520 of 2521, hetgeen niet het geval is. Daarmee kunnen de dienende percelen voorheen 422 en 2073 alleen worden herleid tot percelen nabij en rondom de erven [adres 2] en [adres 1] , aldus nog steeds [appellant 1] c.s.

5.2

Deze grief faalt om de volgende redenen. In r.o. 4.3 heeft de rechtbank onbestreden (en terecht) als maatstaf genomen dat het bij de uitleg van de betrokken aktes aankomt op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, zoals die kan worden afgeleid uit de in die aktes gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van die aktes. Ook het hof zal daarom deze maatstaf hanteren.

5.3

Dienende erven voor de erfdienstbaarheid 1987 zijn de percelen voorheen 422 en 2073.

- Perceel voorheen 422, een smalle strook, stemt grotendeels overeen met wat nu perceel 2455 is, en de loop van de erfdienstbaarheid 1987 over die smalle strook is niet in geschil.

- Perceel voorheen 2073 bestond uit wat nu zijn de percelen 2722, 2723, 2724, 2708, 2586 , 2666, 2665, 2664 en 2573 (zie producties [appellant 1] c.s. 3 en 4 bij conclusie van antwoord in eerste aanleg, hierna CvA, en A bij MvG; zie ook het grootste deel2 van de blauw gearceerde vlakken op productie 4 bij CvA, hierna afgebeeld, ten zuiden van de smalle, blauw gearceerde strook van perceel 2455 boven in beeld).

5.4

Perceel 2586 , dat het rompgedeelte vormt van wat voorheen perceel 2073 was, grenst aan zijn zuidwestpunt (zie pijltje op productie [appellant 1] c.s. 4 bij CvA, hiervoor afgebeeld), met de klok mee, aan de percelen 2727 (ten zuiden), 2520 (ten zuidwesten, met daarop het gebouw [adres 3] ) en 2126 (ten westen). Amantia betoogt daarom terecht dat de erfdienstbaarheid 1987 wel degelijk in verband is te brengen met een “erf nabij de boerderij aan de [adres 3] ”. [appellant 1] c.s. voert aan dat daarmee de doorgang van perceel 2586 naar perceel 2520 met daarop de boerderij [adres 3] nog niet is gewaarborgd: daarvoor moet men immers over een van de tussengelegen percelen 2126 of 2727 gaan, waardoor de erfdienstbaarheid in de door Amantia bepleite lezing ergens in het weiland zou eindigen. Amantia wijst er echter terecht op dat de zuidwestpunt van perceel 2586 hoe dan ook is gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] , en dat die boerderij in 1987 kon worden bereikt via perceel 2126, dat tot 2007 eigendom van [betrokkene] was. Dat de percelen 2664 en 2573, die deel uitmaakten van perceel voorheen 2073, zoals [appellant 1] c.s. betoogt aan hun oostkant grenzen aan de percelen 2572 en 1564 waarop de gebouwen [adres 2] en [adres 1] staan, is weliswaar juist, maar is gezien hetgeen hiervoor is overwogen niet van belang.

5.5

Amantia wijst er verder op dat de akte 1987 bij het beschrijven van de erfdienstbaarheid 1987 specifiek verwijst naar “de boerderij aan de [adres 3] te [plaats] , eigendom van [betrokkene] ” en dat [betrokkene] destijds daadwerkelijk op [adres 3] woonde. [appellant 1] c.s. voert als tegenargument aan dat op p. 5 van de akte 1978 ook wordt verwezen naar een “Dirk [betrokkene] , veehouder, wonende te [plaats] , [adres 1] ”, maar dat betekent nog niet dat in de (latere) akte 1987 sprake is geweest van een misverstand tussen nummers [adres 3] en [adres 1] .

5.6

Zoals Amantia terecht betoogt, is het ook niet nodig dat de erfdienstbaarheid 1987 wordt genoemd in latere leveringsaktes voor de percelen 2727, 2519, 2520 of 2521: die erfdienstbaarheid 1987 geeft namelijk het recht om te komen van en te gaan naar het erf gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] en kan daarmee eindigen aan het grenspunt van de percelen 2586 , 2727, 2520 en 2126 (zie voorgaande afbeelding). Een regeling voor de percelen 2727, 2519, 2520 (met daarop de boerderij [adres 3] ) of 2521, die in 1987 alle eigendom waren van [betrokkene] , was daarom niet nodig.

5.7

Verder heeft [appellant 1] c.s. betoogd dat de erfdienstbaarheid 1987 moet worden uitgelegd als een recht ten behoeve van de percelen [appellant 1] om over de percelen 2455 en 2586 uit te wegen ter hoogte van de [adres 2] en [adres 1] , omdat in 1987, door de verkoop van de percelen [appellant 1] aan een andere eigenaar dan de eigenaar van wat nu de percelen 2455 en 2586 zijn, de percelen A en B uit de akte 1978 niet meer in één hand waren en er ten behoeve van de percelen [appellant 1] een nieuwe erfdienstbaarheid van uitweg naar de [weg 2] moest worden gevestigd. Amantia betoogt echter terecht dat deze uitleg moet worden verworpen, omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hij in strijd is met de duidelijke bewoordingen van de akte 1987.

5.8

[appellant 1] c.s. heeft onder verwijzing naar artikel 5:73 BW nog betoogd dat de erfdienstbaarheid 1987 moet worden uitgeoefend als een ontsluiting via de erven [adres 2] en [adres 1] omdat [appellant 1] c.s. die erfdienstbaarheid 1987 jarenlang te goeder trouw op die wijze heeft uitgeoefend. Het hof gaat hier echter aan voorbij omdat Amantia op grond van hetgeen hiervoor is overwogen terecht heeft betoogd dat er geen twijfel bestaat over de juiste wijze van uitlegging van die erfdienstbaarheid 1987 en dat [appellant 1] c.s., door het eerst zonder overleg leggen van de stelconplaten en het later eveneens zonder overleg verleggen van het tracé, niet te goeder trouw heeft gehandeld.

5.9

Verder heeft [appellant 1] c.s. betoogd dat “de erfdienstbaarheid” na 2005 op verzoek en ter wille van de eigenaren van een deel van de dienende erven is verlegd in verband met bouwactiviteiten en grondruil op en nabij de ervan [adres 2] en [adres 1] . Dit betoog behoeft na het voorgaande geen bespreking. In dit licht ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Omdat [appellant 1] c.s. het in het kader van zijn eerste grief en met name in de passage (punt 9 MvG) onmiddellijk voorafgaand aan dit betoog (punt 10 MvG) steeds heeft over de erfdienstbaarheid 1987, vat het hof dit betoog aldus op dat het (alleen) op die erfdienstbaarheid 1987 betrekking heeft. [appellant 1] c.s. heeft in dat kader aangevoerd dat de aannemer die het wegtracé naar de nieuwbouwwijk naast de zuidoosthoek van perceel 2586 heeft aangelegd (zie hiervoor onder 2.15) hem heeft voorgehouden dat hij over dat verleggen overleg heeft gehad met Amantia, maar deze betwist dat en voert terecht aan dat [appellant 1] c.s. daarover overleg had moeten voeren met haar als eigenaar van het dienende erf, en niet met de aannemer.

Wijziging krachtens artikel 5:80 BW

5.10

Met zijn tweede grief klaagt [appellant 1] c.s. dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot wijziging van “de erfdienstbaarheid” op grond van artikel 5:80 BW heeft verworpen. Omdat [appellant 1] c.s. daarbij verwijst naar zijn vordering in reconventie in eerste aanleg, waar hij heeft verzocht om wijziging van de loop van “het bij [de akte 1987] gevestigde recht van erfdienstbaarheid”, vat het hof deze grief aldus op dat [appellant 1] c.s. ook daar verwijst naar de erfdienstbaarheid 1987. Volgens [appellant 1] c.s. kan van Amantia naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden gevergd dat zij aan deze wijziging meewerkt. Subsidiair betoogt hij dat Amantia, door zich tegen die wijziging te verzetten, misbruik van recht maakt. Het gaat immers steeds om een verkorting van de erfdienstbaarheid ten opzichte van haar oorspronkelijke loop naar de erven [adres 2] en [adres 1] .

5.11

Deze grief faalt. [appellant 1] c.s. heeft in zoverre gelijk dat de rechtbank haar oordeel over het niet kunnen wijzigen van de erfdienstbaarheid heeft gebaseerd op het verval van de erfdienstbaarheid 1978 wegens de ontsluiting van de percelen [appellant 1] 1 langs de openbare weg, terwijl [appellant 1] c.s. had verzocht om wijziging van de erfdienstbaarheid 1987. Dit kan [appellant 1] c.s. echter niet baten, omdat Amantia terecht aanvoert dat de erfdienstbaarheid 1987 niet voorzag in een recht voor [appellant 1] c.s. om uit te wegen bij de erven [adres 2] en [adres 1] . Daarom kan niet kan worden gezegd dat het tracé [appellant 1] een verkorting oplevert ten opzichte van die hypothetische uitweg. Amantia voert tevens terecht aan dat de erfdienstbaarheid 1987 slechts voorziet in het ten behoeve van een tuinbouwbedrijf komen van en gaan naar het erf gelegen nabij de boerderij aan de [adres 3] . Een algemeen recht van weg over het tracé [appellant 1] om daar in de nieuw aangelegde wijk de openbare weg te bereiken levert ten opzichte van dat recht een verzwaring op, mede omdat daarvoor een duiker over een sloot moet worden gebouwd.

Slotsom

5.12

[appellant 1] c.s. heeft geen belang bij behandeling van zijn derde grief, waarin hij klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de erfdienstbaarheid 1987 hem geen recht geeft om de openbare weg te bereiken (r.o. 4.15). Uit de context van deze overweging in r.o. 4.15 van het bestreden vonnis volgt namelijk dat de rechtbank bij die overweging uitsluitend het oog had op een hypothetisch recht om de openbare weg te bereiken via het erf [adres 3] . Ook indien de erfdienstbaarheid 1987 [appellant 1] c.s. wel dat hypothetische recht zou geven, zou dat niet kunnen leiden tot vernietiging van de veroordelingen van de rechtbank I, III en V. Evenmin zou dat kunnen leiden tot toewijzing van de vorderingen a. en b. van [appellant 1] c.s., die betrekking hebben op het aan de andere kant van perceel […] gelegen tracé [appellant 1] , of van de vordering c. van [appellant 1] c.s., die betrekking heeft op de bebording op perceel […] en om de door de rechtbank opgegeven redenen afgewezen zou moeten worden ongeacht het tracé. De vierde grief, die voortbouwt op de eerste en de tweede grief en in zoverre geen zelfstandige betekenis heeft, faalt omdat deze eerdere grieven falen.

5.13

De slotsom van het voorgaande is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant 1] c.s. zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad en met rente en nakosten, zoals gevorderd.

6 De beslissing

6.1

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van Amantia: i) vastgesteld op € 741,- aan griffierechten en € 1.611,- aan salaris advocaat, en ii) begroot op € 157,- aan nasalaris advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien betaling niet binnen veertien dagen na vandaag heeft plaatsgevonden en dit arrest moet worden betekend, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na vandaag, althans, wat het bedrag van € 82,- betreft, de veertiende dag na betekening;

- verklaart bovenvermelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, M.Y. Bonneur en J.J. Dijk en door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.

1 Tenzij anders aangegeven gaat het bij de hierna aangeduide percelen steeds om percelen kadastraal bekend gemeente [plaats] , […] .

2 De op de hierna volgende afbeelding blauw gearceerde (vlakken op de) percelen 2719 en 2638, ten oosten van de oostelijke grens van de percelen 2586 , 2664 en 2573, maken geen deel uit van perceel voorheen 2073. De percelen 2722, 2723, 2724, 2708, 2666 en 2665, die wel deel uitmaken van perceel voorheen 2073, zijn op die afbeelding de kleine percelen in de zuidoosthoek van perceel 2586 en de noordoosthoek van perceel 2664.