Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2824

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
200.270.408/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk - Levert wanprestatie een onrechtmatige daad op jegens een derde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.270.408/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/538033 / HA ZA 17-881

Arrest van 17 november 2020

in de zaak van

Aannemersbedrijf [naam] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente 1],

appellante,

nader te noemen: Aannemersbedrijf [naam],

advocaat: mr. E. Beele te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente 2],

geïntimeerde,

nader te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Postma te Honselersdijk.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het dossier van de procedure voor de Rechtbank Den Haag tussen Aannemersbedrijf [naam] en [naam] Projectontwikkeling B.V. (hierna: [naam] Projectontwikkeling) als eiseressen in conventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eindigend met het vonnis van die rechtbank van 19 september 2018 (hierna: het vonnis van de rechtbank);

  • -

    het exploot van dagvaarding in hoger beroep van Aannemersbedrijf [naam] van 18 december 2018;

  • -

    de memorie van grieven van Aannemersbedrijf [naam] van 25 februari 2020; en

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 12 mei 2020.

2 De feiten

2.1

Dit hoger beroep gaat over de vraag of [geïntimeerde], door zich niet te houden aan een garantie in een koopovereenkomst met [naam] Projectontwikkeling, aansprakelijk is voor schade uit onrechtmatige daad in verhouding tot Aannemersbedrijf [naam], een zustervennootschap van [naam] Projectontwikkeling. Daarbij gaat het hof uit van de volgende feiten, waarover [geïntimeerde] en Aannemersbedrijf [naam] geen verschil van mening hebben.

2.2

Bij overeenkomst van 2015 (hierna: de koopovereenkomst) heeft [geïntimeerde] een woning met opstallen, tuin en ondergrond (hierna: het terrein) verkocht aan [naam] Projectontwikkeling. Daarbij heeft hij aan [naam] Projectontwikkeling gegarandeerd dat zich in het registergoed, op een bepaalde ruimte na, geen asbesthoudende materialen bevinden (hierna: de garantie).

2.3

[geïntimeerde] heeft het terrein in 2017 geleverd aan [naam] Projectontwikkeling. Volgens de akte van levering (hierna: de leveringsakte) zou [naam] Projectontwikkeling het terrein gebruiken voor de realisatie van een woon-/zorgcomplex (hierna: het complex).

2.4

[naam] Projectontwikkeling heeft het terrein in datzelfde jaar in stukken doorverkocht aan twee kopers, waarna de ene koper en een aan de andere koper verbonden vennootschap aan Aannemersbedrijf [naam] de opdracht hebben gegeven voor de bouw van het complex (hierna: de aannemingsovereenkomsten).

2.5

Daarna is op het terrein asbest aangetroffen (hierna: de verontreiniging).

3 Het geding voor de rechtbank

3.1

Aannemersbedrijf [naam] heeft na wijziging van eis, zakelijk weergegeven en voor zover relevant voor dit hoger beroep, bij de rechtbank gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, betaling van de schade die voor haar is ontstaan door de vertraging van de bouw van het complex als gevolg van de verontreiniging, nader op te maken bij staat maar vooralsnog begroot op € 207.414,-, met rente en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Aannemersbedrijf [naam] heeft daarvoor aangevoerd dat haar belangen dermate nauw waren verbonden met de uitvoering van de koopovereenkomst dat [geïntimeerde], door zich niet aan de garantie te houden, tevens onrechtmatig heeft gehandeld in verhouding tot haar.

3.2

De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat zij niet aannemelijk achtte dat Aannemersbedrijf [naam] schade zal lijden ten gevolge van de vertraging.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert Aannemersbedrijf [naam] dat het hof het vonnis van de rechtbank, voor zover de rechtbank haar vordering heeft afgewezen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, deze vordering zal toewijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en rente.

4.2

[geïntimeerde] concludeert dat het hof de vordering van Aannemersbedrijf [naam] zal afwijzen en deze laatste uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, met nakosten.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1

Aannemersbedrijf [naam] klaagt met haar enige grief tegen het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van schade althans van oorzakelijk verband tussen het zich niet houden aan de garantie en de vertragingsschade.

5.2

De vraag of deze grief gegrond is, kan in het midden blijven. Ook als die grief gegrond is, kan hij namelijk niet tot vernietiging van het vonnis leiden omdat in dat geval de devolutieve werking van het hoger beroep (dat wil zeggen het feit dat het geschil met het hoger beroep is overgedragen aan het hof) meebrengt dat het hof de overige in de procedure voor de rechtbank aangevoerde stellingen van [geïntimeerde] moet beoordelen, waaronder de betwisting dat hij onrechtmatig heeft gehandeld in verhouding tot Aannemersbedrijf [naam].

5.3

Het hof oordeelt om de volgende redenen dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van dat onrechtmatig handelen. Het hof stelt voorop dat wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden, het hem niet onder alle omstandigheden meer vrijstaat de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben. Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kan de maatschappelijke betamelijkheid meebrengen dat die contractant deze belangen moet ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Om te beoordelen of dat het geval is, moet de rechter alle relevante omstandigheden van het geval beoordelen, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.1

5.4

Aannemersbedrijf [naam] heeft daarover in de procedure voor de rechtbank het volgende aangevoerd:

( i) zij is een zustervennootschap van [naam] Projectontwikkeling, waardoor de twee vennootschappen in hoge mate moeten worden vereenzelvigd;

(ii) haar belangen waren nauw bij de garantie betrokken omdat zij op het terrein het complex zou bouwen, waarvoor van belang was dat dat terrein asbestvrij zou zijn;

(iii) [geïntimeerde] wist dat het terrein bestemd was om er het complex op te bouwen;

(iv) zij mocht er daardoor op vertrouwen dat [geïntimeerde] bij het zich houden aan de garantie ook rekening zou houden met háár belangen;

( v) het was voor [geïntimeerde] ook weinig bezwaarlijk om met die belangen rekening te houden;

(vi) de aard en omvang van de vertragingsschade is aanzienlijk;

(vii) van [geïntimeerde] kon gevergd worden dat hij zich had ingedekt tegen het nadeel, door onderzoek te doen naar de aanwezigheid van asbesthoudende materialen of af te zien van het geven van een garantie; en

(viii) [geïntimeerde] heeft geen redelijk aanbod tot schadeloosstelling gedaan.

5.5

Het hof volgt Aannemersbedrijf [naam] niet in haar betoog. [geïntimeerde] wist weliswaar door de vermelding in de leveringsakte dat het terrein bestemd was om er een complex op te bouwen, maar hij heeft er in de procedure voor de rechtbank terecht op gewezen dat noch die akte noch de koopovereenkomst naar Aannemersbedrijf [naam] verwijst. [geïntimeerde] heeft er ook op gewezen dat hij:

(i) Aannemersbedrijf [naam] niet kende totdat veel later, naast [naam] Projectontwikkeling, ook Aannemersbedrijf [naam] beslag had laten leggen op zijn banktegoeden;

(ii) niet wist dat Aannemersbedrijf [naam] het complex zou bouwen en dat de datavan de aannemingsovereenkomsten 2 jaar na de koopovereenkomst liggen;

(iii) niet op de hoogte was of kon zijn van de risicoverdeling in de aannemingsovereenkomsten met betrekking tot verontreiniging.

Aannemersbedrijf [naam] heeft geen van deze omstandigheden weersproken en heeft haar eigen stellingen op dit punt ook niet (nader) onderbouwd. Bij deze stand van zaken valt moeilijk in te zien hoe voor [geïntimeerde] kenbaar was dat het belang van Aannemersbedrijf [naam] nauw betrokken was bij de garantie en waarom Aannemersbedrijf [naam] erop mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] bij het zich houden aan die garantie ook met dat belang rekening zou houden. Daardoor kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld in verhouding tot Aannemersbedrijf [naam], zonder dat daarvoor hoeft te worden ingegaan op de overige door deze in dat verband aangevoerde omstandigheden.

5.6

Zonder dat onrechtmatig handelen kan [geïntimeerde] niet aansprakelijk zijn voor schade uit onrechtmatige daad in verhouding tot Aannemersbedrijf [naam]. Het hof zal het vonnis van de rechtbank (voor zover in conventie tussen partijen gewezen) daarom bekrachtigen en Aannemersbedrijf [naam] veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, met nakosten en uitvoerbaar bij voorraad, zoals [geïntimeerde] heeft gevorderd.

6 De beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 september 2018 voor zover in conventie gewezen tussen Aannemersbedrijf [naam] en [geïntimeerde];

- veroordeelt Aannemersbedrijf [naam] in de kosten van het hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.684,- aan griffierechten en € 3.919,- aan salaris advocaat, en begroot op € 157,- aan nasalaris advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien betaling niet binnen veertien dagen na vandaag heeft plaatsgevonden en dit arrest moet worden betekend;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, S.J. Schaafsma en M.P.J. Ruijpers en door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2020, in aanwezigheid van de griffier.

1 HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, NJ 2008/587 (Vleesmeesters/ALOG).