Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2822

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
200.266.510/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen VvE en appartementseigenaar mbt een energierekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.266.510/01

Zaak-/rolnummer rechtbank: 6598973 CV EXPL 18-2364

Arrest van 8 september 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.B. Kloosterman te Rotterdam,

tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Vereniging van eigenaars [naam], gelegen aan [adres],

gevestigd te [woonplaats],

hierna te noemen: de VvE,

advocaat: mr. M.J. Schapendonk te Rosmalen.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij exploot van 25 juli 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het in deze zaak tussen partijen gewezen eindvonnis van de kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam van 26 april 2019 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven (hierna: MvG) heeft hij elf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft de VvE deze grieven bestreden. Daarna hebben partijen het procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

2 De feiten

2.1

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de VvE aan [appellant] een bedrag moet terugbetalen dat [appellant] aan de VvE heeft betaald in verband met betalingen die de VvE heeft verricht voor elektriciteitsleveringen aan een appartement waarvan [appellant] rechthebbende is. Op grond van de feiten die de rechtbank onbestreden heeft vastgesteld en van de feiten die het hof zelf heeft vastgesteld, gaat het daarbij om het volgende. Het hof zal hierna onder 5.1 ingaan op de Inleiding van de memorie van grieven en op Grieven 1 t/m 4, waarin [appellant] klaagt over delen van onderdeel 2 van het bestreden vonnis (de feitenvaststelling).

2.2

[appellant] is sinds 2008 appartementsrechthebbende met betrekking tot de appartementen [appartementen A en B] (hierna: [appartementen A en B]), die deel uitmaken van een complex van gebouwen op de hoek van de [straat] en de [straat] te [plaats] en waarvan de VvE de vereniging van eigenaren is. De VvE wordt geadministreerd door VP&A Vastgoedmanagement B.V. (hierna: VP&A).

2.3

[appellant] is sinds 2005 ook appartementsrechthebbende met betrekking tot het appartement [appartement C] (hierna: [appartement C]). Dat appartement maakt deel uit van hetzelfde complex, maar ressorteert onder een andere vereniging van eigenaren. De drie appartementen waren voorheen eigendom van een rechtsvoorganger van de onderneming Havensteder.

2.4

Sinds 2008 voert [appellant] in deze drie appartementen een tandartspraktijk onder de naam “Tandzorg.nl” (hierna: Tandzorg.nl).

2.5

Ten tijde van de verkoop van [appartementen A en B] zijn de overeenkomsten met Eneco voor de levering van elektriciteit aan die appartementen omgezet van de rechtsvoorganger van Havensteder naar de VvE.

2.6

De VvE heeft in 2013 ontdekt dat zij ook aan Eneco de kosten betaalde voor de levering van elektriciteit aan het niet onder haar ressorterende [appartement C], en heeft die leveringsrelatie toen beëindigd.

2.7

[appellant] heeft daarvoor in de plaats voor dat [appartement C] met ingang van 7 mei 2013 een eigen overeenkomst gesloten met Eneco.

2.8

Eneco heeft op 28 augustus 2013 aan de VvE met betrekking tot [appartement C] een eindnota (hierna: de eindnota) gestuurd met een overzicht van de nota’s van Eneco aan de VvE en de volgens Eneco door de VVE aan haar gedane betalingen tussen 31 augustus 2007 en 8 juli 2013 (hierna: de betrokken periode), resulterend in een negatief eindsaldo van € 6.121,63.

2.9

De VvE heeft besloten al deze betalingen, verhoogd met het eindsaldo van € 6.121,63, aan Tandzorg.nl door te belasten, waarna de VvE en VP&A hierover hebben overlegd met [appellant] en hem hebben aangeschreven tot betaling.

2.10

Bij brief van 21 december 2016 heeft Tandzorg.nl namens [appellant] als volgt gereageerd:

“(…) Op maandag 12 december 2016 heeft de heer [appellant] de mail van de heer [betrokkene] [van VP&A, hof], met betrekking tot de verbruikte elektriciteit van de [appartement C] in de periode 2007-2013 beantwoord. In een gesprek met de heer [betrokkene] heeft de heer [appellant] zijn ongenoegen geuit en dit nogmaals per mail kenbaar gemaakt. Daarin is ook gesproken over het vele aanpassen van de hoogte van de genoemde rekening. In de brief van 30 november jl. wordt gesproken over een totaalsaldo van € 38.070,82. Tandzorg.nl heeft op dinsdag 13 december jl. een bedrag van € 19.035,41 overgemaakt. Dit bedrag is de helft van het totaalsaldo en is uit coulance aan jullie overgemaakt.
(…)
Mocht u van mening zijn dat zijn gebaar onvoldoende is, laat hij weten dat er uitsluitend meer zou kunnen worden betaald wanneer hij daartoe wordt gedwongen door de hoogste gerechtelijke instantie.

(…)”

2.11

Na deze betaling van de eerste helft (hierna: de eerste helft) van het totaalbedrag van € 38.070,82 heeft de VvE [appellant] meermaals laten aanschrijven tot betaling van het nog openstaande bedrag van € 19.035,41 (hierna: de tweede helft), te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3 Het geding in eerste aanleg

3.1

Hierna zal het hof de vorderingen en stellingen van partijen en de oordelen van de kantonrechter slechts samengevat weergeven en voor zover van belang in dit hoger beroep. De VvE heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] tot betaling van € 20.316,32 (zijnde de tweede helft ad € 19.035,41, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten), met rente en veroordeling in de proceskosten. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij in de betrokken periode in totaal € 38.070,82 aan Eneco heeft betaald voor de levering van elektriciteit aan [appartement C], waardoor zij met dat bedrag is verarmd terwijl [appellant] daar ongerechtvaardigd mee is verrijkt. De gevorderde hoofdsom is de tweede helft van dat totaalbedrag, die is overgebleven nadat [appellant] de eerste helft heeft betaald.

3.2

[appellant] heeft in conventie onder andere geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de VvE wegens het ontbreken van een machtiging van de algemene ledenvergadering en in reconventie gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad, terugbetaling van de eerste helft ad € 19.035,41, met rente en veroordeling van de VvE in de proceskosten. Aan deze vordering in reconventie heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij de eerste helft uit coulance en onverschuldigd had betaald ter voorkoming van een procedure, en, subsidiair, dat de VvE door die betaling ongerechtvaardigd is verrijkt. De VvE heeft zich verweerd met het betoog dat [appellant] de eerste helft onvoorwaardelijk had betaald en dat die betaling wegens de eerdere ongerechtvaardigde verrijking van [appellant] niet onverschuldigd was en evenmin als ongerechtvaardigde verrijking van de VvE kon worden aangemerkt.

3.3

De kantonrechter heeft de VvE bij tussenvonnis van 22 juni 2018 in conventie niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en veroordeeld in de proceskosten. Bij het bestreden vonnis heeft zij in reconventie de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft zij het volgende overwogen. Niet is komen vast te staan dat [appellant] het niet door de VvE voeren van een incassoprocedure voor de tweede helft als voorwaarde had gesteld voor de betaling van de eerste helft. In het licht van de door de VvE overgelegde eindspecificatie van Eneco, met nota’s voor de betrokken periode voor [appartement C], en van het feit dat [appellant] sinds 2008 in dat appartement een elektriciteit gebruikende tandartspraktijk heeft gedreven, had het op de weg van [appellant] gelegen, als rechthebbende op en gebruiker van dat appartement, inzichtelijk te maken dat hij en/of Tandzorg.nl voor dat appartement een eigen elektriciteitscontract had afgesloten. Daardoor heeft [appellant] de eerste helft niet onverschuldigd aan de VvE betaald, en vormt die eerste helft evenmin een ongerechtvaardigde verrijking van de VvE.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1

In hoger beroep vordert [appellant], bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en volledige toewijzing van zijn vordering in reconventie in eerste aanleg, met veroordeling van de VvE in de proceskosten van beide instanties. De VvE vordert niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] dan wel afwijzing van zijn vorderingen, met bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties, met nakosten.

5 De beoordeling van het hoger beroep

De relevante feiten

5.1

Met Grief 1 en punt 1 MvG verwijt [appellant] de kantonrechter dat zij in onderdeel 2 van het bestreden vonnis niet alle door hem gestelde en niet door de VvE betwiste feiten heeft vastgesteld en meegewogen. Deze grief faalt reeds omdat de rechter de vrijheid heeft zich bij de vaststelling van de feiten te beperken tot de feiten die hij van belang acht voor zijn oordeel. Met inachtneming daarvan en van hetgeen [appellant] onder grieven 2, 3 en 4 tegen de feitenweergave van de kantonrechter heeft aangevoerd, heeft het hof de feiten hierboven opnieuw vastgesteld. Ook hierna, bij de beoordeling, zal het hof nog ingaan op een deel van de door [appellant] onder grief 1 (punt 6 MvG) geponeerde stellingen en op hetgeen [appellant] overigens met grieven 1 tot en met 4 heeft aangevoerd, voor zover het hof het gestelde althans ter zake dienend acht. De grieven 1 t/m 4 falen in zoverre om die redenen.

5.2

In zijn toelichting bij Grief 4 klaagt [appellant] verder dat de VvE, toen zij erachter kwam dat zij de rekeningen van Eneco voor [appartement C] betaalde, geen overleg met hem heeft gevoerd om te komen tot een correcte overdracht van de leveringsverhouding. Het hof gaat aan dit verwijt voorbij omdat het niet relevant is voor de vast te stellen feiten en ook overigens geen verband houdt met de vordering van [appellant] tot terugbetaling van de eerste helft.

5.3

Met betrekking tot de inhoud van de zaak stelt het hof voorop dat de eigenaar van een appartement moet betalen voor elektriciteit die aan dat appartement is geleverd en die hij of zij daar heeft gebruikt. Als een ander, die niets met dat appartement te maken heeft (in dit geval de VVE), (abusievelijk) voor die leveringen heeft betaald zonder dat dit tussen die ander en de eigenaar was afgesproken, is de eigenaar op grond van ongerechtvaardigde verrijking verplicht het betaalde aan die ander terug te betalen. Dat geldt dus in beginsel ook voor [appellant]. De reeds door hem aan de VvE betaalde eerste helft is dan in beginsel niet onverschuldigd betaald, zoals hij betoogt, en evenmin is in dat geval sprake van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de VvE, zoals hij subsidiair aanvoert. Volgens [appellant] zijn er echter een aantal redenen waarom dat uitgangspunt in dit specifieke geval niet geldt. Het hof zal deze redenen hierna achtereenvolgens bespreken.

Betaling door de VvE van de levering van elektriciteit aan [appartement C]

5.4

Met zijn Grieven 5 en 6, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen, betwist [appellant] dat de VvE heeft betaald voor de levering van elektriciteit aan [appartement C]. [appellant] voert daarvoor ter onderbouwing aan dat de facturen van Eneco niet dat [appartement C] vermelden en niet zijn voorzien van meterstanden, dat de VvE geen bewijzen van betaling in het geding heeft gebracht en dat Tandzorg.nl in de betrokken periode al een eigen, andere elektriciteitsovereenkomst had met Eneco, waardoor hij ervan uitging dat reeds was voorzien in de elektriciteitsbehoefte van die praktijk.

5.5

Het hof volgt [appellant] hier niet in. De VvE wijst terecht op de jaarnota’s die zij als productie 5 bij conclusie van antwoord in reconventie in het geding heeft gebracht. Deze nota’s hebben alle als locatieaanduiding “[appartementen A en B] [postcode, plaats] ETAGE BG” en zijn voorzien van bijlagen waarin door middel van begin- en eindstanden op een meter met nummer 89889451 het elektriciteitsgebruik van die locatie is weergegeven. Ook wijst de VvE terecht op de eindnota (productie 3 bij conclusie van antwoord in reconventie), waarin Eneco voor leveringen aan “[appartement C]” voor de betrokken periode een overzicht heeft verstrekt van alle door haar aan de VvE gezonden nota’s en van alle door de VvE aan haar verrichte betalingen. [appellant] heeft niet gesteld dat meter nummer 89889451 een andere meter is dan die, die sinds 7 mei 2013 wordt gebruikt voor zijn eigen leveringsovereenkomst voor [appartement C], dat “[appartementen A en B] [postcode, plaats] ETAGE BG” een ander leveringspunt aanduidt dan dat appartement, of dat het gebruik dat Eneco in de betrokken periode voor dat [appartement C] heeft gemeten afwijkt van zijn eigen, daarna gemeten gebruik. Hij heeft evenmin toegelicht waarom de VvE niet daadwerkelijk aan Eneco per automatische incasso de bedragen zou hebben betaald die Eneco in haar eindnota heeft opgesomd als zijnde door haar ontvangen. Uit zijn toelichting dat hij zich niet bewust was van het bestaan van een andere elektriciteitsaansluiting volgt tenslotte niet dat hij tot 7 mei 2013 geen elektriciteit heeft gebruikt in [appartement C]. Er volgt slechts uit dat hij zich er wegens het niet ontvangen van de betrokken nota’s niet van bewust was dat het gehele elektriciteitsverbruik van zijn praktijk niet werd gedekt door zijn bestaande, andere overeenkomst met Eneco. Deze dekte immers, naar achteraf is gebleken, slechts de behoefte van [appartementen A en B], en niet mede die van [appartement C]. Er moet daarom van worden uitgegaan dat Eneco in de betrokken periode de door haar gemeten elektriciteit heeft geleverd aan [appartement C], dat de VvE Eneco daarvoor de in de eindnota weergegeven bedragen heeft betaald en dat Eneco de VvE het daarin berekende eindsaldo in rekening heeft gebracht. Dat de VvE haar leveringsovereenkomst met Eneco voor [appartement C] niet in het geding heeft gebracht is daarvoor niet van belang. [appellant] is zich ook bewust van het feit dat de betrokken bedragen voor zijn rekening behoren te komen, daar waar hij in punt 21 MvG, ter toelichting op Grief 7 (zie hierna), schrijft : “Het kan zijn dat [appellant] in beginsel (dat lijkt correct) gehouden zou zijn tot betaling maar als dat anders ligt, is het natuurlijk wel relevant wie een verwijt terzake moet treffen”. Dat [appellant] in de betrokken periode geen overeenkomst had met Eneco of de VvE voor de levering van elektriciteit aan [appartement C] (punten 2 en 20 MvG) is niet relevant, aangezien het verweer van de VvE tegen zijn terugbetalingsvordering niet is gestoeld op een contractuele verhouding, maar op ongerechtvaardigde verrijking.

Verantwoordelijkheid van Havensteder, Eneco, VP&A en de VvE; eigen schuld VvE?

5.6

Met onderdelen van zijn Grieven 5 t/m 7 die zich eveneens voor gezamenlijke behandeling lenen klaagt [appellant] verder dat de kantonrechter eraan is voorbijgegaan dat Eneco, Havensteder, de VvE en/of VP&A onzorgvuldig jegens hem hebben gehandeld door de elektriciteitsleveringsverhouding met Eneco met betrekking tot [appartement C] na de verkoop van dat appartement aan [appellant] ten onrechte bij de VvE te leggen en die in de jaren tot 2013 ook daar te laten. De VvE had ook eerder dan 2013, bijvoorbeeld toen Eneco voorschotnota’s ging aanpassen, moeten controleren of die aanpassing terecht was, waarbij zou zijn gebleken dat er met de verkeerde partij was gecontracteerd. Het kan zijn dat hij in beginsel gehouden is tot betaling van de elektriciteitsleveringen, maar als dat anders ligt, is het relevant wie op dat punt een verwijt gemaakt kan worden. Er is bij Havensteder, Eneco, de VvE en VP&A sprake van eigen schuld. Ten slotte verwijt [appellant] de VvE dat hij door de onjuiste contractering tussen 2007 en 2013 niet in staat is geweest met Eneco in overleg te treden over de juistheid van de door deze verzonden nota’s.

5.7

Deze grieven falen. Mogelijk hadden Eneco, Havensteder, de VvE en/of VP&A de fout eerder kunnen en moeten ontdekken, maar een eventuele nalatigheid van eerstgenoemden is hier geen geldig verweer tegen de stelling dat [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt doordat de VvE voor de betrokken periode de rekeningen van Eneco voor [appartement C] heeft betaald. Enige onzorgvuldigheid van Eneco, Havensteder, en/of VP&A kan niet zonder meer leiden tot een eigen schuld aan de zijde van de VvE, die hier de wederpartij van [appellant] is. Dat eigenschuldverweer kan ook niet met succes jegens de VvE worden gevoerd, aangezien [appellant] ook een eigen verantwoordelijkheid had voor het bij aankoop van [appartement C] op zijn naam of op dat van Tandzorg.nl zetten van het bij dat appartement horende elektriciteitscontract en voor het in de jaren daarna als eigenaar niet verhelpen van de verkeerde tenaamstelling van dat contract. [appellant] heeft niet toegelicht in welke mate de aan hemzelf respectievelijk aan de VvE toe te rekenen omstandigheden daarbij tot de door hem gewraakte situatie hebben bijgedragen. Ook overigens valt (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet in te zien waarom een eventuele fout van de VvE zou moeten leiden tot vermindering van het bedrag waarmee [appellant] ongerechtvaardigd is verrijkt.

Betaling van de eerste helft onder voorwaarde van het niet incasseren van de tweede helft

5.8

[appellant] klaagt met zijn Grief 8 tegen het oordeel van de kantonrechter over het niet vervallen zijn van zijn aanbod tot betaling van de eerste helft nadat de VvE een incassoprocedure had ingeleid voor de tweede helft. Nergens blijkt uit dat hij zich er bij betaling van de eerste helft van bewust was dat hij zonder overeenkomst elektriciteit had afgenomen in [appartement C] en zich om die reden genoodzaakt zag die betaling onvoorwaardelijk te verrichten. Hij heeft de eerste helft uit coulance, dat wil zeggen onverschuldigd, betaald om te komen tot een schikking met de VvE. Nu geen schikking is bereikt, is de rechtsgrond aan die betaling komen te ontvallen, aldus nog steeds [appellant].

5.9

De grief faalt. Uit het voorgaande volgt dat de VvE jegens [appellant] een vordering had wegens ongerechtvaardigde verrijking. De rechtsgrond voor de betaling door [appellant] van de eerste helft was dus niet het niet door de VvE voeren van een incassoprocedure voor de tweede helft, maar die ongerechtvaardigde verrijking, en deze rechtsgrond is overeind gebleven toen de VvE de tweede helft ging incasseren. Voor zover het hof de stelling van [appellant] aldus zou moeten opvatten dat hij met de VvE had afgesproken dat deze in ruil voor betaling van de eerste helft zou afzien van de incasso van de tweede helft, rusten de stelplicht en bewijslast voor het bestaan van deze afspraak volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellant]. Deze heeft echter niet toegelicht waarom de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat die afspraak niet kan worden gelezen in de brief van Tandzorg.nl aan VP&A van 21 december 2016. Dat oordeel is ook juist: die voorwaarde staat niet in die brief, waarin Tandzorg.nl er juist mee dreigt dat de VvE de tweede helft tot in hoogste instantie zal moeten bevechten. Daarnaast heeft [appellant] niet gesteld dat de VvE een dergelijke voorwaarde zou hebben aanvaard: hij licht in punt 26 MvG juist toe dat hij met de VvE geen schikking heeft kunnen bereiken. [appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat zijn coulancebetaling enkel is gedaan om het geschil af te ronden en met name niet omdat hij zich zou realiseren dat hij zonder overeenkomst elektriciteit zou hebben afgenomen. Het hof gaat aan dat aanbod voorbij omdat deze stelling, ook indien bewezen, gezien het voorgaande niet tot een andere uitkomst kan leiden. Van belang is dat [appellant] zonder voorwaarde de eerste helft heeft betaald en dat deze betaling niet onverschuldigd was, niet of [appellant] zich bewust was van die verschuldigdheid. [appellant] heeft geen bewijs aangeboden van andere feiten waarmee hij het bestaan van de door hem gestelde afspraak zou kunnen aantonen.

Ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de VvE

5.10

Grief 9 klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van de VvE die maakt dat deze verplicht zou zijn de eerste helft terug te betalen aan [appellant]. Omdat [appellant] ter toelichting op deze grief uitsluitend stellingen heeft herhaald die hij had ingenomen ter toelichting op zijn Grieven 5 en 6, faalt deze grief om de hiervoor onder 5.5 vermelde redenen.

Slotsom

5.11

De Grieven 9 en 10, die gericht zijn tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] in reconventie en zijn daarbij horende veroordeling in de proceskosten, bouwen slechts voort op de voorgaande grieven, die alle falen, en moeten daarom worden verworpen. De slotsom van het voorgaande is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep, met nakosten, zoals gevorderd.

6 De beslissing

6.1

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van de VvE vastgesteld op € 2.020,- aan griffierechten, € 1.074,- aan salaris advocaat, en begroot op € 157,- aan nasalaris advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien betaling niet binnen veertien dagen na vandaag heeft plaatsgevonden en dit arrest moet worden betekend.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, E.M. Dousma-Valk en M.P.J. Ruijpers en door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.