Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2809

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
BK-20/00497
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:4720, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 225, tweede lid, Gemeentewet; parkeerbelasting; stilstaan voor het onmiddellijk laten instappen van een persoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-04-2021
NTFR 2021/1376
Belastingblad 2021/189 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00497

Uitspraak van 5 november 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 30 april 2020, nr. SGR 19/6837.

Overwegingen

1. De auto van belanghebbende staat op 13 augustus 2019 om 13.37 uur, zo blijkt uit een controle, op een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats in Den Haag aan de Stevinstraat ter hoogte van nummer [nummer] . Naar aanleiding van de ten tijde van de controle gedane bevinding dat niet blijkt dat parkeerbelasting is voldaan, is belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag van € 63.25 (€ 2,25 belasting en € 61 kosten) opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 131 is geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij een aan de Heffingsambtenaar doorgezonden e-mail van 29 oktober 2020 ("pleitnotitie").

4. De voor 5 november 2020 geplande zitting heeft geen doorgang gevonden: belanghebbende heeft bij de e-mail van 29 oktober 2020 (zie punt 3) te kennen gegeven niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te kunnen zijn en heeft geen uitstel gevraagd, bij e-mail van 29 oktober 2020 heeft de Heffingsambtenaar naar aanleiding van die kennisgeving meegedeeld, in overeenstemming met wat in het verweerschrift in hoger beroep is aangegeven, dat ook hij niet op de zitting verschijnt en het Hof acht zich met de stukken van het geding voldoende geïnformeerd zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

3. In geschil is of het voertuig van [belanghebbende] die 13e augustus om 13:37 uur in de Stevinstraat geparkeerd stond, zoals [de Heffingsambtenaar] beweert, of dat het voertuig slechts stilstond voor het onmiddellijk laten instappen van een passagier, zoals [belanghebbende] stelt.

4. [ Belanghebbende] stelt dat hij voor het huis stil stond voor het onmiddellijk laten instappen van een passagier - zijn zuster die verbleef in het pand aan de Stevinstraat [nummer] - waarna hij zijn reis zou vervolgen. Het laten instappen duurde volgens [belanghebbende] nogal lang, omdat zijn zuster de beveiligingscode van het huis moest intypen. Van parkeren was volgens [belanghebbende] evenwel geen sprake, ook niet omdat het stilstaan aan de Stevinstraat niet het sluitstuk van zijn reis was. Verder is [belanghebbende] van mening dat de jurisprudentie waar [de Heffingsambtenaar] in diens verweerschrift naar verwijst niet van toepassing kan zijn, omdat in die zaak sprake is van het laten uitstappen, in plaats van het laten instappen, van een persoon.

5. [ De Heffingsambtenaar] stelt dat sprake was van parkeren. Volgens [de Heffingsambtenaar] is van parkeren sprake als een auto langer op een parkeerplaats staat dan nodig is om alleen personen te laten in- of uitstappen en weer weg te rijden. [De Heffingsambtenaar] voert aan dat onder het onmiddellijk laten instappen van een passagier niet de tijd wordt begrepen om naar een woning te lopen, aan te bellen en op de passagier te wachten.

Beoordeling van het geschil

6. Ingevolge de artikel 225, tweede lid van de Gemeentewet en artikel 1, onderdeel d van de Verordening parkeerbelastingen 2008 (de Verordening), wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

7. Het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier wordt, gelet op het voorgaande, niet aangemerkt als parkeren; daarvoor is dus geen parkeerbelasting verschuldigd. Onder het begrip ‘onmiddellijk in- of uitstappen’ kunnen volgens vaste jurisprudentie slechts handelingen worden verstaan, die een daadwerkelijk in- of uitstappen uit de auto vormen. Onder de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laten uitstappen van een passagier, wordt bijvoorbeeld niet de tijd begrepen die de passagier nodig heeft om na het uitstappen zijn bestemming te bereiken, zo volgt uit een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juli 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:6372). Ook het gedurende enkele minuten op de parkeerplaats achterlaten van de auto kan niet onder de tijd die nodig is voor het onmiddellijk laten in- of uitstappen van een passagier worden begrepen (Hof Arnhem 16 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI1627).

8. Uit hetgeen door [belanghebbende] is aangevoerd, maakt de rechtbank op dat in dit geval sprake is geweest van meer handelingen dan alleen het daadwerkelijk instappen in de auto, omdat de zus van [belanghebbende] eerst nog de alarmcode van het huis aan de Stevinstraat moest invoeren, hetgeen volgens [belanghebbende] bovendien nogal lang duurde. In dit licht merkt de rechtbank ook op dat uit hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd, en uit de foto’s die door de scanauto zijn gemaakt, blijkt dat [belanghebbende] op het moment van controle het voertuig had verlaten. Hieruit volgt dat geen sprake is geweest van het onmiddellijk instappen van personen, maar van parkeren waardoor [belanghebbende] parkeerbelasting verschuldigd is.

9. De rechtbank volgt [belanghebbende] niet in zijn stelling dat, nu het stilstaan aan de Stevinstraat niet het sluitstuk van diens rit was, van parkeren geen sprake kan zijn. Uit de definitie van parkeren zoals deze in de Gemeentewet en de Verordening wordt gehanteerd, volgt immers dat parkeren wordt gedefinieerd aan de hand van het doen of laten stilstaan van een voertuig. Het al dan niet bereikt hebben van een eindbestemming is daarbij niet relevant.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

6. Ook in hoger beroep is de naheffingsaanslag in geschil. Het geschil spitst zich toe, net als bij de Rechtbank, op de vraag of belanghebbende de auto heeft laten staan op de parkeerplaats gedurende de tijd die nodig is en ook is gebruikt voor het onmiddellijk instappen van zijn zuster. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

7. De rond het op de parkeerplaats laten staan van de auto beschikbare gegevens, waaronder de bij het verweerschrift in eerste aanleg gevoegde "deskforceprint met scanfoto’s", wijzen naar 's Hofs oordeel uit dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd of ingebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt. In het bijzonder neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren dan wel, tegenover de betwisting door de Heffingsambtenaar, aannemelijk te maken die in voldoende mate ondersteunen dat de in geding zijnde, voor de verschuldigdheid van parkeerbelasting geldende uitzondering, te weten de uitzondering die ziet op het "doen of laten staan van een voertuig (…) gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in(…)stappen van personen", van toepassing is. De bij het beroepschrift gevoegde (summiere) verklaring van de zuster van belanghebbende is geenszins als bewijs toereikend, al is het maar omdat het door haar genoemde tijdstip dat belanghebbende de auto op de parkeerplaats heeft "laten staan" ook het tijdstip is dat de naheffingsaanslag is opgelegd, te weten 13.37 uur, terwijl de Heffingsambtenaar in diens uitspraak op bezwaar heeft verklaard: "Tijdens het opleggen van de naheffingsaanslag worden er foto’s gemaakt door de scanauto. Hieruit is gebleken dat het voertuig stond geparkeerd aan de Stevinstraat en geen sprake was [van] het onmiddellijk in- en uitstappen van personen of het onmiddellijk laden of lossen van zaken." Dat laatste komt genoegzaam uit de tot de gedingstukken behorende foto’s naar voren. Tegen die achtergrond behoefde de verklaring voor het benodigde bewijs in elk geval meer specificatie. Het gelijk is aan de zijde van de Heffingsambtenaar.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 5 november 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad: www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Het gaat om natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het cassatieberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd.

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn.

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.