Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2782

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
200.275.234/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Straat- en contactverbod; vervolg op Hof Den Haag 19 mei 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1771.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.275.234/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/10/585540 / KG ZA 19-1142

arrest van 22 december 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.C. van ’t Hek te Dordrecht

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.W.M. Jansen te Rotterdam

Het geding

Bij exploot van 5 maart 2020 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam, gewezen op 12 februari 2020 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

De man heeft in de appeldagvaarding zijn grieven geformuleerd en bij wijze van incidentele vordering gevraagd een voorlopige voorziening te treffen althans de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bestreden vonnis te schorsen.

Bij memorie van antwoord in het incident heeft de vrouw de grieven weersproken en verweer gevoerd tegen de incidentele vorderingen van de man.

Vervolgens hebben partijen gefourneerd en is arrest gevraagd in het incident.

Bij arrest van 19 mei 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1771) heeft dit hof de incidentele vorderingen van de man afgewezen.

De vrouw heeft vervolgens een memorie van antwoord genomen in de hoofdzaak.

De man heeft daarop een akte genomen, gevolgd door een antwoordakte door de vrouw.

Partijen hebben gefourneerd en arrest gevraagd in de hoofdzaak.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Zij zijn de ouders van de minderjarige [volgt naam] , geboren op [in] 2013 te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de minderjarige).

Eerste aanleg

2. De vrouw heeft in eerste aanleg een straat- en contactverbod gevorderd jegens de man op straffe van een dwangsom. De man heeft verweer gevoerd.

3. Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter als volgt beslist:

5.1

verbiedt de man contact op te nemen met de vrouw in persoon, per post, per fax, per telefoon, per email, per whatsapp of op welke wijze dan ook,

5.2

verbiedt de man zich op te houden in de volgende straten rondom de woning van de vrouw, te weten [volgen straatnamen] ,

5.3

verbiedt de man zich op te houden in het gebied rondom de school van de minderjarige, dat begrensd wordt door de volgende straten: [volgen straatnamen] ,

5.4

bepaalt dat de hiervoor onder 5.1 t/m 5.3 vermelde verboden gelden voor de duur van twaalf maanden,

5.5

verbiedt de man contact op te nemen met de minderjarige in persoon, per post, per fax, per telefoon, per email, per whatsapp of op welke wijze dan ook,

5.6

bepaalt dat het hiervoor onder 5.5 vermelde verbod geldt voor de periode tot het traject bij het [plaatsnaam] Omgangshuis van start gaat,

5.7

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere keer dat hij niet aan de in 5.1 t/m 5.3 en de in 5.5 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet met een maximum van € 15.000,-,

5.8

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.9

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Vordering in hoger beroep

4. De man is tijdig in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis. Hij vordert in de hoofdzaak, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen (en – zo begrijpt het hof – de inleidende vordering van de vrouw alsnog af te wijzen), met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

5. De vrouw heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man in de hoofdzaak.

Bespreking van de grieven

Stanpunt van de man

6. De man voert aan dat het bestreden vonnis hem beperkt in zijn grondrecht om te gaan en staan waar hij wil, zonder dat daarvoor gerechtvaardigde redenen bestaan. De man voert verschillende grieven aan tegen het bestreden vonnis.

7. Allereerst komt de man op tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter, dat de man weliswaar heeft betwist de stelling van de vrouw dat hij op de parkeerplaats bij de woning van haar zus met de auto met behoorlijke snelheid op haar, de minderjarige en haar nichtje af kwam rijden, maar dat de man heeft erkend dat hij met de auto op de betreffende parkeerplaats is geweest en dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden tussen partijen. Volgens de man is in rechte niet vast komen te staan dat hij daadwerkelijk is ingereden op de vrouw. De man wijst erop dat hij voor dit incident is vrijgesproken bij vonnis van 16 maart 2020. Met deze vrijspraak is de dragende grond voor het opgelegde verbod komen te vervallen, aldus de man.

8. Voorts komt de man op tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter, dat de man eerder veroordeeld is wegens mishandeling van de vrouw en dat de man erkent contact te hebben opgenomen met de tandartspraktijk waar de vrouw werkt. Volgens de man zijn deze omstandigheden onvoldoende om de beslissing van de voorzieningenrechter te kunnen dragen dat in hoge mate aannemelijk is geworden dat de man de vrouw zodanig bedreigt en stalkt dat het opleggen van een straat- en contactverbod gerechtvaardigd is.

9. Ook voert de man aan dat de voorzieningenrechter onvoldoende acht zou hebben geslagen op de door hem in het geding gebrachte bewijsstukken, waaronder de stukken van JBBR waaruit zou blijken dat de vrouw moeilijk in gesprek gaat met het wijkteam en dat zij de omgang tussen de minderjarige en de man frustreert.

10. Ten slotte stelt de man dat het opgelegde verbod hem belemmert in zijn mogelijkheden om de omgang met de minderjarige op te starten.

Standpunt van de vrouw

11. De vrouw voert als volgt verweer. Er is sprake van een complexe echtscheiding waarbij verschillende gerechtelijke procedures zijn/worden gevoerd. Er is sprake geweest van huiselijk geweld jegens de vrouw waarvoor de man strafrechtelijk is veroordeeld. Het contact tussen de man en de minderjarige is na een incident stilgelegd, omdat de minderjarige bang is voor de man en niet meer naar hem toe wil. De conclusie van het KSCD onderzoek is, dat het niet in het belang van de minderjarige wordt geacht de omgang met de man opnieuw op te starten voordat de ouders hulpverlening hebben gehad. De vrouw ervaart doorlopend last van de man. Hij rijdt langs het huis van de vrouw, gaat boodschappen doen in de buurt van de vrouw en belt de tandartspraktijk waar de vrouw werkzaam is om daar voor zichzelf en zijn echtgenote een afspraak te maken. Nadat de man een straat- en contactverbod is opgelegd, hield hij zich aanvankelijk rustig maar nadien heeft hij de vrouw en de minderjarige meermalen opgewacht. De vrouw vreest dat wanneer het verbod komt te vervallen, de man zich vrij zal voelen haar en de minderjarige – nog meer – lastig te vallen.

Oordeel van het hof

Spoedeisend belang

12. Gezien de aard van de vordering van de vrouw en de beperkingen die het bestreden vonnis teweegbrengt in de bewegingsvrijheid van de man, acht het hof een spoedeisend belang aanwezig voor een beslissing in kort geding.

Straat- en contactverbod

13. Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt het hof het volgende voorop. Een straat- en contactverbod vormt een inbreuk op de grondrechten van – in dit geval – de man. Deze inbreuk is alleen gerechtvaardigd wanneer van de man een reële dreiging uitgaat van onrechtmatig handelen jegens de vrouw en/of de minderjarige. De vraag of in geval van een reële dreiging een straat- en contactverbod kan worden opgelegd, dient beantwoord te worden op grond van alle relevante omstandigheden van het geval en met inachtneming van de daarbij betrokken belangen van partijen.

14. Op basis van de gedingstukken is het hof van oordeel dat, alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, het gevorderde straat- en contactverbod terecht is verleend. Het hof motiveert dat als volgt. Voor het hof is duidelijk geworden dat de verstandhouding tussen partijen ernstig is verstoord. Vast staat dat tussen partijen verschillende incidenten hebben plaatsgehad. De man is eerder strafrechtelijk veroordeeld wegens mishandeling van de vrouw. Deze veroordeling is op zichzelf genomen niet voldoende om het gevorderde verbod te kunnen rechtvaardigen, maar zegt wel iets over de ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. De man is vrijgesproken voor het incident op de parkeerplaats bij de woning van de zus van de vrouw, maar dat neemt niet weg dat wel is vast komen te staan dat op de parkeerplaats – minstens – een woordenwisseling tussen partijen heeft plaatsgevonden. Verder heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de man de tandartspraktijk waar zij werkzaam is heeft gebeld om een afspraak te maken voor zichzelf en zijn echtgenote en dat hij het opgelegde verbod heeft overtreden door met zijn auto te rijden in een straat waar hij niet mag komen.

15. Het hof verwerpt het argument van de man dat het opgelegde verbod hem belemmert in het contactherstel met de minderjarige, aangezien het bestreden vonnis de man niet belet om het traject bij het [plaatsnaam] Omgangshuis te volgen wanneer tot contactherstel tussen hem en de minderjarige zou worden overgegaan. Daarbij komt nog dat volgens de onweersproken stelling van de vrouw het KSCD heeft geadviseerd vooralsnog geen contact tussen de man en de minderjarige plaats te laten vinden.

Conclusie

16. Alles afwegend is het hof van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor het aannemen van een reële dreiging van onrechtmatig handelen van de man jegens de vrouw. Het belang van de vrouw bij rust en stabiliteit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof het opleggen van een straat- en contactverbod.


Proceskosten

17. Gelet op de verhouding tussen partijen als voormalige echtgenoten, zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, J.M. van de Poll en A. Zonneveld en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 22 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.