Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2779

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
23-02-2021
Zaaknummer
BK-19/00665
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:13501, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:289
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk; de uitspraak op bezwaar is door het Ministerie van Buitenlandse Zaken doorgestuurd naar de diplomatieke vertegenwoordiging in Lagos (Nigeria) waar belanghebbende op enig moment gestationeerd is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00665

Uitspraak van 27 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Buitenland (Heerlen), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2019, nr. SGR 19/1316.

Overwegingen

1. Met dagtekening 16 december 2017 is belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.007 opgelegd en is bij beschikking € 1.069 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de navorderingaanslag en de rentebeschikking wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en heeft hij, het bezwaarschrift ook aanmerkend als een verzoek om ambtshalve vermindering, bij beschikking de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.898 en de belastingrente tot € 787.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld (zie ook punt 14 van de uitspraak van de Rechtbank). Griffierecht is niet geheven. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Griffierecht is niet geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 13 maart 2020. Op de zitting is ook het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-19/00664 behandeld. Belanghebbende is verschenen, de Inspecteur niet. Op 12 maart 2020 heeft de Inspecteur telefonisch en per e-mail verzocht om uitstel van de zitting en is hem telefonisch meegedeeld dat het verzoek wordt afgewezen en dat conform zijn voor dat geval geopperde mogelijkheid de zitting zonder zijn aanwezigheid doorgaat en op basis van de gedingstukken uitspraak wordt gedaan.

5. Belanghebbende is werkzaam voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Vanaf juli 2015 is hij gestationeerd in Lagos, Nigeria. In 2018 is hij naar Nederland teruggekeerd. Sinds 7 augustus 2018 is hij in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] . Bij de Inspecteur is als postadres van belanghebbende het adres van diens werkgever, het Ministerie van Buitenlandse Zaken te Den Haag (post Lagos), bekend. De Inspecteur heeft de uitspraak op bezwaar, gedagtekend 21 december 2018, verzonden naar dat postadres. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende met dagtekening 20 februari 2019 beroep ingesteld. Het beroepschrift is op die dag door de Rechtbank ontvangen.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

6. Een beroepschrift is tijdig ingediend wanneer het vóór het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Als het beroepschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het vóór afloop van de termijn op de post is gedaan en door de rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7. Indien het beroepschrift te laat wordt ingediend, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift betrokkene niet kan worden toegerekend. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

8. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 21 december 2018 is. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 1 februari 2019. Gelet op artikel 6:9, tweede lid, van de Awb moet het beroepschrift in ieder geval vóór 8 februari 2019 door de rechtbank ontvangen zijn. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 20 februari 2019 en is dus te laat ingediend.

9. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest.

10. [ Belanghebbende] heeft gesteld dat hij de uitspraak op bezwaar pas veel later heeft ontvangen, omdat de voor hem bestemde post door het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd doorgestuurd naar de diplomatieke vertegenwoordiging in Lagos (Nigeria) waar [belanghebbende] op enig moment gestationeerd is geweest. Ten tijde van de verzending van de uitspraak op bezwaar was [belanghebbende] daar echter niet meer werkzaam.

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de uitspraak op bezwaar met dagtekening 21 december 2018 aan [belanghebbende] is toegezonden op het postadres en dat deze niet onbestelbaar is teruggezonden. Het gebruikte adres was het bij [de Inspecteur] laatst bekende postadres van [belanghebbende]. Aan [de Inspecteur] kan derhalve niet worden tegengeworpen dat hij de uitspraak op bezwaar naar dit adres heeft verzonden. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de uitspraak op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2013:3181) en dat de beroepstermijn op de dag na dagtekening van de uitspraak op bezwaar is gaan lopen.

12. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. De gevolgen van het feit dat [belanghebbende], eenmaal teruggekeerd in Nederland, zijn postadres niet heeft aangepast (als gevolg waarvan de voor hem bestemde post ook na zijn terugkeer naar Nederland nog werd doorgestuurd naar Nigeria), komen voor zijn risico. Het had op [belanghebbendes] weg gelegen om, eenmaal teruggekeerd in Nederland, zijn postadres aan te passen opdat eventuele post van [de Inspecteur] hem tijdig zou bereiken.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

14. Het beroepschrift kan tevens worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag. Nu het verzoek om ambtshalve vermindering echter buiten de in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bedoelde termijn van vijf jaar is ingediend als gevolg waarvan (verdere) ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslag niet mogelijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding [de Inspecteur] op te dragen het beroepschrift als bezwaarschrift tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling te nemen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

7. In hoger beroep is in het bijzonder aan de orde, net als bij de Rechtbank, of het beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. De beschikbare gegevens brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee dan dat de Rechtbank in het licht van de aan de orde zijnde regelingen terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is en dat - voor zover al door belanghebbende bestreden - de Inspecteur het beroepschrift niet ook als bezwaar tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering in behandeling hoeft te nemen. Belanghebbende heeft, ook met wat hij op de zitting heeft gesteld, niets dan wel te weinig aangevoerd, tegenover de betwisting door de Inspecteur, dat een andere conclusie rechtvaardigt.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.