Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2775

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
2200489418
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:722
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is wegens poging tot doodslag veroordeeld tot de maatregel van TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004894-18

Parketnummer: 10-711076-17

Datum uitspraak: 5 juni 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 22 mei 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het – primair - impliciet primair ten laste gelegde (poging moord) vrijgesproken en ter zake van het – primair - impliciet subsidiair ten laste gelegde (poging doodslag) ontslagen van alle rechtsvervolging en is gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 september 2017 te [plaatsnaam], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten (het hof begrijpt: rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (met) een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 25 september 2017 te [plaatsnaam], gemeente [gemeenteplaats], met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door na kalm beraad en rustig overleg (met) een mes in de rug van die [slachtoffer] te steken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ten aanzien van het – primair – impliciet primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat aan de verdachte ter zake van het - primair - impliciet subsidiair ten laste gelegde de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat overeenkomstig het vonnis van de rechtbank zal worden beslist.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte – primair - impliciet primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het – primair - impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 25 september 2017 te [plaats], gemeente [gemeente], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten (het hof begrijpt: rade) [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (met) een mes in de rug van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het

bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen

Tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

Waar wordt verwezen naar (een) paginanummer(s) betreft dit de doorgenummerde pagina(‘s) van het Proces-verbaal ZAAKSDOSSIER [zaaknaam] met proces-verbaalnummer [pv-nummer].

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 26 september 2017 van de politie eenheid Rotterdam met nr. [pv-nummer]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 12 e.v.):

als verklaring van de aangever [slachtoffer]:

Op 25 september 2017 omstreeks 18:11 uur liep ik op de [straat] te [plaats]. Op een gegeven moment voelde ik iets in mijn rug. Ik had het gevoel alsof er iemand mij een trap in mijn rug gaf. Dit deed behoorlijk pijn. Ik bleef wel op mijn benen staan, maar ik moest me wel even realiseren wat er gebeurd was. Op het moment dat ik weer een beetje bij mijn positieven was zag ik dat er een man op een fiets mij voorbij was gereden. Ik hoorde dat de man op de fiets die mij voorbij was gereden ‘fuck you’ riep.

Deze fietser reed behoorlijk hard. Ik kan u het volgende signalement van de fietser geven:

Niet zo oud persoon, droeg een zwart gewatteerde windjack en had zwart haar. Ik denk dat het een jeugdig iemand was. Vervolgens ben ik verder gelopen richting huis. Tijdens het verder lopen voelde ik dat ik stijve spieren had. Vanaf de [straat] ben ik verder gelopen (…) en hoorde ik iets vallen. Ik keek achter me en zag dat er een mes op de grond lag. Kennelijk had ik geen trap in mijn rug gehad maar was ik gestoken met een mes. Ik zag dat dit mes onder het bloed zat. Het leek op een keukenmes uit een messenblok. Ik heb dit mes met een zakdoek opgepakt.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 september 2017 van de politie eenheid Rotterdam met nr. [pv-nummer]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 23):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:

Op maandag 25 september 2017, omstreeks 18:31 uur, werden wij gestuurd naar de [straat] te [plaats]. Aldaar zou zich een slachtoffer bevinden, welke zojuist gestoken zou zijn op de [straat] te [plaats]. Ter plaatse werden wij aangesproken door een persoon welke achteraf het slachtoffer bleek te zijn. Het slachtoffer gaf op te zijn genaamd: [slachtoffer].

Wij hoorden dat [slachtoffer] zei: “Dit is het mes waarmee ik gestoken ben”. Wij verbalisanten, zagen een mes liggen op een zakdoek. Wij zagen dat het lemmet van het mes één snijkant had. Wij zagen dat het lemmet volledig besmeurd was met bloed. Wij verbalisanten, hebben het mes inbeslaggenomen ter waarheidsvinding.

3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 van de politie eenheid Rotterdam met nr. [pv-nummer]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 40):

als relaas van de betreffende buitengewoon opsporingsambtenaar:

Op maandag 25 september 2017 vond er een steekpartij plaats op de [straat] in [plaats].

Op de plaats delict, de [straat] in [plaats], is het volgende inbeslaggenomen.

Sporendrager

Goednummer : [nummer]

SIN : [nummer]

Object : Mes (Vleesmes)

Kleur : Zwart

Land : Nederland

Bijzonderheden : Bloed op lemmet

4. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut nr. [nummer] (aanvraag 001), d.d. 5 oktober 2017, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. J.L.W. Dieltjes. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

[nummer]#01 Bemonstering (met bloed) van het heft

van het mes

[nummer]#02 Bemonsteringen van bloedsporen op het

tot en met #05 mes

[referentienr] Referentiemonster wangslijmvlies van

het slachtoffer [slachtoffer] (geboren op[geboortedatum])

DNA-databank

Het afgeleide DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [nummer]#01 voldoet niet aan de criteria voor opname in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en is daarom niet opgenomen. Wel is dit afgeleide DNA-profiel op 5 oktober 2017 eenmalig vergeleken met de in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken aanwezige DNA-profielen van personen. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van onderstaande persoon:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Identiteitszegel [nummer]

5. Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut nr. [nummer] (aanvraag 002), d.d. 18 januari 2018, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. J.L.W. Dieltjes. Dit rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van steekincident gepleegd in [plaats] op

25 september 2017.

Verzocht is om het DNA in de bemonstering (met bloed) [nummer] van het heft van het mes te onderwerpen aan een aanvullend DNA-onderzoek en hierna de bewijskracht van de gevonden match (zie het deskundigenrapport van aanvraag 001 in deze zaak) met het DNA-profiel van [verdachte] [DNA-profiel] (geboren op [geboortedatum]) te berekenen.

Resultaten, interpretatie en conclusie2

De DNA-profielen van [slachtoffer] [DNA-profiel] (geboren op [geboortedatum]) en [verdachte] [DNA-profiel] (geboren op [geboortedatum]) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA onderzoek.

Van het DNA in de bemonstering [nummer]#0l is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen.

De DNA-profielen van [slachtoffer] [DNA-profiel] en [verdachte] [DNA-profiel] matchen met dit DNA-mengprofiel.

Dit betekent dat deze bemonstering bloed/celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer], [verdachte] en minimaal één andere persoon.

Vanwege de matches tussen het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] [DNA-profiel] en de DNA-profielen van het bloed in de bemonsteringen [nummer]#02 tot en met #05 en omdat het slachtoffer met het mes is gestoken, is aangenomen (aanvraag 002) dat een deel van het bloed/celmateriaal in de bemonstering [nummer]#O1 van het slachtoffer afkomstig is.

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van [verdachte] [DNA-profiel] en het DNA-mengprofiel van het bloed/celmateriaal in de bemonstering [nummer]#01 is aangenomen dat de bemonstering bloed/celmateriaal bevat van drie, niet aan elkaar verwante personen, en dat het slachtoffer [slachtoffer] er daar één van is.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het

DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

hypothese 1:

De bemonstering [nummer]#01 bevat celmateriaal van [slachtoffer], [verdachte] en één willekeurig onbekende persoon.

hypothese 2:

De bemonstering [nummer]#01 bevat celmateriaal van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen.

De verkregen resultaten zijn circa 500 miljoen keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 oktober 2017 van de politie eenheid Rotterdam met documentcode [code]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 183):

als verklaring van de getuige [getuige]:

V: Wat is het telefoonnummer van [verdachte]?

A: [telefoonnummer1].

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 oktober 2017 van de politie eenheid Rotterdam met proces-verbaal nr. [pv-nummer] en documentcode [code]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 170 e.v.):

als relaas van de betreffende verbalisant:

Op last van een afgegeven bevel door de Officier van Justitie van het arrondissementsparket te Rotterdam, Mr M.L.M. KUIPER, geregistreerd onder documentcode [code], werden door het Telecombedrijf Tele2, de historische telefoonverkeersgegevens verstrekt van het telefoonnummer [telefoonnummer1], in gebruik bij verdachte [verdachte].

Op donderdag 19 oktober 2017, omstreeks 09:11 uur heb ik een onderzoek ingesteld aan deze verstrekte historische telefoonverkeersgegevens. Uit dit onderzoek bleek dat het telefoonnummer [telefoonnummer1], op maandag

25 september 2017 contact had gemaakt met de hier onder genoemde telefoonnummers en zendmasten.

Datum

Tijd

Gesprek

Telefoon [verdachte]

Telefoon

Zendmast locatie

25-09-2017

17:58:23

Uitgaand

[telefoon-

Nummer1]

[telefoon-

Nummer2]

[locatie]

25-09-2017

17:59:25

Uitgaand

[telefoon-

Nummer1]

[telefoon-

Nummer2]

[locatie]

Onderzoek historische telefoonverkeersgegevens plaats bepaling

Naar aanleiding van deze gegevens heb ik, via het internet medium Google maps, een onderzoek ingesteld naar de afstand hemelsbreed en de fietsafstand in minuten, tussen de plaats delict aan de [straat] te [plaats] en de zendmastlocaties [locatie] te [straat] te [plaats]. Deze onderzoeksresultaten zijn verwerkt in onderstaande tabel.

Locatie

Zendmast locatie

Afstand

Fiets minuten

[straat] te [plaats]

[locatie]

1,74 kilometer

7 minuten

[straat] te [plaats]

[straat] te ]plaats]

1,32 kilometer

6 minuten

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 oktober 2017 van de politie eenheid Rotterdam met documentcode [code]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 193):

als verklaring van de getuige [getuige]:

De laatste jaren is [verdachte] een beetje ontspoord. Ik heb hem vaker gezegd dat hij professionele hulp moet hebben. Hij is al een tijd bezig met messen en zo. Hij heeft een tijd geleden gezegd, rond september, dat hij paranoïde schizofreen is. Dat stemmen tegen hem zeggen dat hij iemand moet neersteken. De stemmen in zijn hoofd zeiden dat hij iemand moest neersteken. Het was niet dat hij niet kon wachten, maar zijn stemmen konden niet wachten tot hij iemand neerstak.

9. Een geschrift, zijnde een forensisch medische beschrijving d.d. 14 mei 2020, opgemaakt en ondertekend door forensisch arts J.R. van Leeuwen. Deze forensisch medische beschrijving houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:

als relaas van deze arts:

De fotobijlage (1) toont twee zwart-wit foto's van

het letsel van de aangever. Met name de tweede foto

is van belang voor ondergetekende aangezien hier

het postuur van aangever zichtbaar is, alsmede de

locatie van de verwonding. Het betreft een foto

waarop de rug van een man zichtbaar is met normaal

tot naar licht overgewicht neigend postuur.

De verwonding bevindt zich op de linkerzijde van

rug, in lengterichting ongeveer halverwege de rug.

Het NFI rapport (2) toont onder andere twee zwart-

wit foto's van een mes ([documentcode]), wat een

mogelijk steekwapen in onderhavige zaak betreft.

Het betreft een mes met een lemmet van ongeveer

8 centimeter lengte. Het lemmet is puntig en heeft

één gladde snijkant.

De beschrijving van de kleding (3) luidt als volgt:

'Ik zelf was gekleed in een groen/beige kleurige

zomerbroek, beige overhemd met korte mouwen, beige

zomer bodywarmer en witte gympen'

De locatie van de verwonding zoals afgebeeld kan

afhankelijk van de steekrichting en diepte leiden

tot schade aan de longen, de milt, de linker nier,

de darmen en de lever, alsmede diverse slagaders.

Met name schade aan long, milt en slagaders kan een

dodelijk verloop hebben. Met het postuur van de

aangever zijn deze structuren niet op een

aanmerkelijk grotere diepte dan gemiddeld gelegen.

Bij een normaal gebouwde volwassene kunnen de

volgende richtwaarden worden aangehouden: longvlies

en lever 2 centimeter, milt 2,5 centimeter, nier

4 centimeter (Forensische Geneeskunde derde editie

2016, W. van de Voorde).

De foto's van het mes tonen dat het lemmet een

scherpe punt heeft, wat penetratie van de huid

vergemakkelijkt. De lengte van het lemmet is

ongeveer 8 centimeter, maar indien veel kracht

wordt gebruikt kan een mes door indrukken van de

huid en onderhuids weefsel dieper komen dan het

lemmet lang is (Knight's Forensic Pathology

fourth edition 2016, P. Saukko en B. Knight).

De beschreven lichaamsbedekking lijkt niet dermate

dik en/of stevig om van invloed te zijn op de

maximale diepte van een steekverwonding met het mes

uit het NFI rapport.

Het postuur van de aangever in combinatie met de

karakteristieken van het mes leiden tot de

conclusie dat dodelijk letsel het gevolg zou

kunnen zijn van een steekwond op de aangegeven

locatie.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze

slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere

bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking

hebben.

Verweer raadsman

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde poging doodslag, nu het gebruikte mes qua omvang veel wegheeft van een aardappelschilmesje waarmee de verdachte bovendien, gelet op het zeer beperkte letsel bij de aangever, niet met kracht kan hebben gestoken en om die reden geen dodelijk letsel kan hebben veroorzaakt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt, en stelt daarbij de volgende feiten vast.

Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij, al lopende op de [straat] in [plaats] op

25 september 2017, iets in zijn rug voelde waarbij hij het gevoel had alsof iemand hem een trap in zijn rug gaf. Het deed behoorlijk pijn. Hij bleef naar eigen zeggen wel op zijn benen staan, maar moest zich even realiseren wat er was gebeurd. Op het moment dat hij weer een beetje bij zijn positieven was, zag hij dat een man op een fiets hem voorbij was gereden en dat deze ‘fuck you’ riep.

Deze fietser reed behoorlijk hard, aldus de aangever.

Uit de verklaring van aangever volgt voorts dat het mes na het steken aanvankelijk in zijn rug is blijven zitten. Hij bemerkte pas enige tijd later dat hij was gestoken toen hij tijdens het lopen iets hoorde vallen en zag dat er een bebloed mes op de grond lag.

Het rapport van de FARR-arts, J.R. van Leeuwen, d.d.

14 mei 2020, houdt voorzover van belang het volgende in:

De locatie van de verwonding zoals afgebeeld kan afhankelijk van de steekrichting en diepte leiden tot schade aan de longen, de milt, de linker nier, de darmen en de lever, alsmede diverse slagaders. Met name schade aan long, milt en slagaders kan een dodelijk verloop hebben. Met het postuur van de aangever zijn deze structuren niet op een aanmerkelijk grotere diepte dan gemiddeld gelegen. Bij een normaal gebouwde volwassene kunnen de volgende richtwaarden worden aangehouden: longvlies en lever 2 centimeter, milt 2,5 centimeter,

nier 4 centimeter (…)

De foto’s van het mes tonen dat het lemmet een scherpe punt heeft, wat penetratie van de huid vergemakkelijkt. De lengte van het lemmet is ongeveer 8 centimeter, maar indien veel kracht wordt gebruikt kan een mes door indrukken van de huid en onderhuids weefsel dieper komen dan het lemmet lang is (…)

De conclusie van de FARR-arts luidt vervolgens dat in casu dodelijk letsel het gevolg zou kunnen zijn van een steekwond op de aangegeven locatie.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, waaronder met name de verklaring van de aangever dat hij het gevoel had alsof hij in zijn rug getrapt werd en behoorlijke pijn ervaarde en dat het mes pas na enige tijd uit zijn rug op de grond viel, stelt het hof vast dat – anders dan de raadsman heeft betoogd - de verdachte aangever met kracht heeft gestoken. Gezien de bevindingen van de FARR-arts zoals hierboven weergegeven, in het bijzonder ten aanzien van de afmeting van het mes en de precieze locatie van de verwonding, stelt het hof voorts vast dat de verdachte potentieel dodelijk letsel heeft toegebracht bij het slachtoffer.

Het hof verwerpt daarom het gevoerde verweer.

Voor zover de raadsman nog heeft willen betogen dat de verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, overweegt het hof als volgt.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in het bijzonder het met kracht steken met een mes op een plek in het lichaam waar vitale delen konden worden geraakt met potentieel dodelijk letsel tot gevolg, is het hof van oordeel dat de verdachte daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen de dood van de aangever tot gevolg zouden hebben en derhalve minstgenomen sprake is van voorwaardelijk opzet. Het – primair - (impliciet) subsidiair tenlastegelegde acht het hof wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte heeft om hem moverende redenen niets prijs willen of kunnen geven over zijn beweegredenen om tot zijn daad te komen. Hij heeft voorts alle medewerking geweigerd aan de totstandkoming van Pro Justitia-rapportages. Bij deze stand van zaken kan het hof niet vaststellen dat er een causaal verband is tussen de bij de verdachte vastgestelde ziekelijke stoornissen en het bewezenverklaarde. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, alsmede op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten en de gevolgen daarvan

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft een nietsvermoedende voorbijganger, die met zijn boodschappentas naar huis liep, vanaf zijn fiets met een mes in de rug gestoken.

Er is geen enkele rechtvaardiging voor deze ernstige geweldshandeling naar voren gebracht of anderszins gebleken.

Dat het slachtoffer ten gevolge van het handelen van verdachte niet het leven heeft gelaten, is een zeer gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is.

Het feit heeft bij het slachtoffer letsel, pijn en ongemak veroorzaakt. Zo heeft de verdachte na het incident een nacht ter observatie in het ziekenhuis verbleven omdat men er niet helemaal zeker van was dat er geen vitale delen waren geraakt en is hij daarna nog een aantal maal voor controle naar het ziekenhuis geweest.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict (in een ziekenhuis) en voor diverse vernielingen, onder meer in de huiselijke sfeer. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Rapportage ten aanzien van de verdachte

Het hof heeft acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte Pro Justitia rapportage d.d.

10 augustus 2018, opgemaakt en ondertekend door psychiater M. Fluit en GZ-psycholoog T. van den Hazel.

Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De psycholoog komt, ondanks de hiervoor al gememoreerde weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek, op grond van alle beschikbare informatie tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van problematiek op het gebied van middelengebruik, met name cannabis, alcohol en cocaïne, in combinatie met psychotische symptomatologie.

De psychiater concludeert op basis van diens onderzoek dat differentiaal diagnostisch een waanstoornis, een schizo-affectieve en/of een schizofrene ontwikkelingsgang of een paranoïde persoonlijkheidsstoornis valt te overwegen. Vooralsnog worden, gezien de onderzoeks-beperkingen en de frequente realiteitstoetsingsproblemen van de verdachte minimaal als een ongespecificeerde psychotische stoornis (ongespecificeerde schizofrenie-spectrumstoornis of andere psychotische stoornis) geclassificeerd. Dat sprake is van ernstige psychopathologie blijkt voor de psychiater uit de beschikbare collaterale informatie en, zij het in mindere mate, de observaties van de groepsleiding.

De genoemde ziekelijke stoornissen zijn al langere tijd, in ieder geval vanaf 2009, bij de verdachte aanwezig.

Ook ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde waren deze stoornissen aanwezig. Bij de verdachte is sprake van een chronisch psychotisch proces.

Met betrekking tot de toerekenbaarheid van de verdachte stellen de deskundigen dat een precieze kwalificatie van de toerekenbaarheid niet is aan te geven, vanwege het ontbreken van nadere informatie over het tenlastegelegde vanuit verdachte’s oogpunt. Zij zien echter reden om de verdachte als ten minste verminderd tot sterk verminderd toerekenbaar te achten. Zijn psychotische stoornissen beïnvloeden zijn functioneren immers al over langere tijd en leidden tot een verval in zijn functioneren.

Op basis van de inhoud van de rapportage kan naar ’s hofs oordeel worden vastgesteld dat er bij de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof neemt de conclusie van de deskundigen dat de verdachte als tenminste verminderd tot sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd over en maakt die tot de zijne.

Op te leggen maatregel

Volgens de genoemde deskundigen wijst de risicotaxatie van gewelddadig gedrag op een matige tot hoge kans op geweld op de korte termijn indien de verdachte zonder behandeling zou terugkeren in de situatie van voor zijn aanhouding. Het risico op recidive van het gebruik van geweld door de verdachte zal volgens hen ook voor langere termijn blijven bestaan bij gelijk blijvende omstandigheden. Het hof merkt in dit kader op dat in de genoemde Pro Justitia rapportage melding wordt gemaakt dat de verdachte tijdens zijn detentie vier gedetineerden heeft aangevallen en heeft geprobeerd een medegedeti-neerde met een scherp voorwerp te steken, waarbij de aanleiding volkomen onduidelijk was en de verdachte daarbij een onberekenbare indruk maakte.

Volgens de genoemde psycholoog en psychiater dient een langer durend behandeltraject ingezet te worden, waarin psycho-educatie (gericht op ziektebesef en -inzicht), het vergroten van behandelmotivatie, het accepteren van medicamenteuze behandeling en abstinentie van middelen moeten plaatsvinden. Binnen een klinische omgeving zal voldoende structuur en beveiliging aanwezig moeten zijn, gezien betrokkenes eerdere gericht gewelddadige gedragingen.

Een behandeling in het kader van artikel 37 (oud) Wetboek van Strafrecht, hoewel met ingang van 1 januari 2020 niet meer mogelijk gelet op de Wet verplichte ggz (Wvggz), zou voor de verdachte ook te kort schieten, zo is de visie van de onderzoekers. De ernst en combinatie van de ziekelijke stoornissen vergt een langer durende behandeling.

De maatregel van een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt niet als haalbaar beschouwd, omdat tijdens eerdere behandelpogingen is gebleken dat de verdachte daarvoor onvoldoende behandelmotivatie heeft. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden wordt om diezelfde reden als niet haalbaar beschouwd.

De deskundigen adviseren aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.

Het hof overweegt dat aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de door de gedragsdeskundigen geadviseerde maatregel is voldaan. Immers heeft het hof, zoals hierboven vermeld, vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voorts staat vast dat het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Gelet op de ziekelijke stoornis in de geestvermogens van de verdachte, de aard en ernst van het door hem gepleegde strafbare feit en de matige tot hoge kans op recidive die het hof met de deskundigen vaststelt, is het hof voorts van oordeel dat de algemene veiligheid van personen vereist dat de verdachte ven overheidswege wordt verpleegd.

Het hof zal de TBS-maatregel dan ook opleggen.

Nu het bewezenverklaarde misdrijf is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, volgt dat de op te leggen maatregel in duur niet zal zijn gemaximeerd.

Beslag

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, zoals dit onder nummer 1 vermeld is op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, waarvan de eigendom aan de verdachte zal toebehoren, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze onder de nummers

2 tot en met 5 vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 37a en 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het – primair – impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het – primair - impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het – primair - impliciet subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, het vleesmes zoals dit onder nummer 1 is vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze onder de nummers 2 tot en met 5 zijn vermeld op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. H.M.D. de Jong en mr. K. Versteeg, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 juni 2020.