Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2756

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
2200537419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben vuurwapen (art. 26 WWM). Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bij de politie afgelegde verklaringen van de verdachte en is van oordeel dat zij aan die verklaringen kan worden gehouden. Vrijspraak m.b.t ander vuurwapen en munitie. In verband met bijzondere omstandigheden legt het hof een taakstraf op, met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005374-19

Parketnummer: 10-960065-14

Datum uitspraak: 23 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

adres: [woonadres] te [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 november 2012 tot en met 10 november 2014 te Uitgeest, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad

(een) (vuur)wapens van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten

-een semi automatisch pistool met opdruk "Aut. Pistole Z r6.35 mm made in Czechoslovakia", kaliber 6.35 (.25 auto) met op de greep een logo van CZ met een daarbij passend patroonmagazijn en/of

munitie (patronen) van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten

-6 scherpe kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 6.35 Browning en/of

-21 scherpe kogelpatronen van diverse merken, kaliber .38 Special en/of

-22 scherpe kogelpatronen van diverse merken, kaliber 6.35 Browning en/of

-13 scherpe kogelpatronen van Dynamite Nobel AG en/of

-2 gaspatronen in diverse kalibers en/of

een (vuur)wapen van categorie II van de Wet Wapens en Munitie, te weten:

-1 schietpen, merk Erma, model SG67E, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp, te weten een pen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de beslissing inzake het voorhanden hebben van de schietpen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte van dat gedeelte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Partiële vrijspraak

Nu niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het patroonmagazijn, de munitie en de schietpen genoemd in de tenlastelegging, kan het voorhanden hebben van deze voorwerpen niet worden bewezen. Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het eerste in de tenlastelegging genoemde vuurwapen voorhanden heeft gehad.

De verdachte dient gelet op het voorgaande gedeeltelijk te worden vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 november 2012 tot en met 10 november 2014 te Uitgeest, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad

(een) (vuur)wapens van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten

-een semi automatisch pistool met opdruk "Aut. Pistole Z r6.35 mm made in Czechoslovakia", kaliber 6.35 (.25 auto) met op de greep een logo van CZ met een daarbij passend patroonmagazijn en/of

munitie (patronen) van categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten

-6 scherpe kogelpatronen van het merk Sellier & Bellot, kaliber 6.35 Browning en/of

-21 scherpe kogelpatronen van diverse merken, kaliber .38 Special en/of

-22 scherpe kogelpatronen van diverse merken, kaliber 6.35 Browning en/of

-13 scherpe kogelpatronen van Dynamite Nobel AG en/of

-2 gaspatronen in diverse kalibers en/of

een (vuur)wapen van categorie II van de Wet Wapens en Munitie, te weten: -1 schietpen, merk Erma, model SG67E, kaliber .22LR, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp, te weten een pen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De verdachte en haar raadsman hebben ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het aannemelijk is dat de verdachte zich in de verklaringen die zij op 10 november 2014 bij de politie heeft afgelegd, heeft vergist.

Anders dan de verdachte toen heeft verklaard wist zij niet van het aangetroffen pistool. Zij heeft het pistool waarover werd gesproken mogelijk verward met een ander wapen, dat zij eerder had gezien.

De verdachte dient gelet hierop te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan.

De enige sleutel waarmee de kluis waarin het pistool in de woning in Uitgeest is aangetroffen kon worden geopend, was bevestigd aan een sleutelbos in het bezit van de verdachte. De verdachte heeft die sleutel tijdens de doorzoeking zelf aan de politie overhandigd. De verdachte is daarna - met name over haar wetenschap van het in de kluis aangetroffen pistool - uitgebreid verhoord en zij heeft toen meerdere vragen op gedetailleerde wijze beantwoord. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat zij die op schrift gestelde verklaring na het verhoor ook heeft nagelezen en ondertekend.

Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bij de politie op

10 november 2014 afgelegde verklaringen van de verdachte en is van oordeel dat zij aan die verklaringen kan worden gehouden. Dat zij zich heeft vergist in het wapen waarover zij sprak acht het hof niet aannemelijk geworden.

Uit de verklaring van de verdachte van 10 november 2014 volgt dat zij op de hoogte was van het in de kluis aangetroffen pistool, dat zij toegang had tot dit wapen met de sleutel die aan een sleutelbos hing die in haar bezit was en dat zij het wapen (waarschijnlijk) heeft aangeraakt om bij sieraden te komen, die ook in de kluis werden bewaard.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in haar woning een vuurwapen voorhanden gehad. Het wapen is aangetroffen in de woning waar zij niet alleen met haar toenmalige echtgenoot, maar ook met haar kinderen, verbleef.

Dergelijk vuurwapenbezit verdient bestraffing, nu dat in de samenleving gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt, temeer nu vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten.

In dat verband rekent het hof de verdachte aan dat zij wist dat haar toenmalige echtgenoot het vuurwapen had aangeschaft omdat hij werd bedreigd, waarmee de kans dat dit wapen ook ooit een keer echt zou worden gebruikt aanwezig was. Die wetenschap heeft de verdachte er niet toe gebracht er voor te zorgen dat het wapen uit de woning zou verdwijnen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

31 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voor dit soort feiten is het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt.

Het hof houdt bij de op te leggen straf echter – in matigende zin - rekening met het feit dat de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid en het voorhanden hebben van het wapen in de woning een minder vergaande rol heeft gehad dan haar ex-echtgenoot, die het wapen heeft aangeschaft en in de woning heeft gebracht.

Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan en de relatief geringe betrokkenheid van de verdachte daarbij, alsmede gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) passend. Het hof is van oordeel dat gelet op al het voorgaande een taakstraf voor de duur van honderdveertig uren een passende en geboden reactie vormt.

Het hof is echter van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanzienlijke mate is overschreden, gelet op de tijd die is verstreken tussen het verhoor van verdachte bij de politie op 10 november 2014 en het vonnis van de rechtbank op 13 november 2019.

Het hof zal de geconstateerde overschrijding verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de overwogen taakstraf voor de duur van honderdveertig uren een taakstraf voor de duur van honderd uren aan de verdachte opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2020.

Mr. M.J. de Haan-Boerdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.