Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2755

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
2200498319
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwijzing vordering tot herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004983-19

Parketnummers: 09-174589-19 en 99-000402-50 (v.i.)

Datum uitspraak: 23 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens is de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toegewezen. Daarbij is de tenuitvoerlegging gelast van zevendertig dagen gevangenisstraf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 18 juni 2019 te Waddinxveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, uit een bedrijf, te weten uit telefoonwinkel Mobile Expert (gevestigd Kanaaldijk 1) vijfentwintig, althans een aantal mobiele telefoons (merk Samsung), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of telefoonwinkel Mobile Expert, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen mobiele telefoons onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, door met een (straat)tegel en/of breekijzer een ruit in te slaan en/of (vervolgens) door de ontstane opening het bedrijf binnen te gaan;

2.

hij op of omstreeks 10 juni 2019 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld en/of (een) goed(eren) van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan eetgelegenheid Pronto en/of [slachtoffer 2], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, te weten door het verbreken van een ruit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is – ook met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Voor wat betreft die beslissing zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis, met dien verstande dat het hof daarin de hierna te vermelden verbetering en aanvulling aanbrengt.

Verbetering en aanvulling

Het hof brengt in het vonnis waarvan beroep de volgende verbetering en aanvulling aan:

Op bladzijde 4 van het vonnis onder ‘Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit’, neemt het hof de zin:

“De aangever heeft een leeg fooienpotje aangetroffen maar dit kan ook door het personeel zijn geleegd” niet over.

Aangezien de verdachte na de datum waarop de door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten gepleegd zijn opnieuw tot straf is veroordeeld, vult het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aan met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve - behoudens voor zover het wordt vernietigd - onder aanvulling en verbetering van gronden worden bevestigd.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij arrest van dit hof van 28 december 2015 met rolnummer 22-003328-15 en bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 januari 2017 met parketnummer 09-818941-16 is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraffen van respectievelijk zes en acht maanden.

De verdachte heeft een deel van voormelde gevangenis-straffen uitgezeten. Hij is met ingang van 17 oktober 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde van het niet plegen van een strafbaar feit in de op 365 dagen gestelde proeftijd.

Deze proeftijd loopt niet gedurende de periode dat de verdachte rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Blijkens de justitiële documentatie is hiervan veelvuldig sprake geweest in de jaren 2017, 2018 en 2019.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Het hof acht het nu echter niet meer opportuun om de in eerste aanleg door het openbaar ministerie ingediende vordering tot herroeping van de invrijheidstelling toe te wijzen.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 juli 2020 is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Het hof acht het niet wenselijk dat de verdachte na afloop van deze maatregel alsnog voor

37 dagen een gevangenisstraf zou moeten uitzitten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer,

mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 september 2020.

Mr. M.J. de Haan-Boerdijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.