Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2753

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
2200118418
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling ex-partner, bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001184-18

Parketnummer: 09-818727-17

Datum uitspraak: 3 november 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum] 1976,

adres: [adres] te [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden als nader in het vonnis vermeld, met bevel dat die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.


hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Delft zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- ( meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen/slaan en/of

- ( meermalen) (met kracht) tegen het lichaam te schoppen en/of

- ( meermalen) (met kracht) met een riem op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- ( meermalen) (met kracht) met een telefoonkabel op/tegen het lichaam te slaan,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2017 te Delft en/of 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2010, en/of [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 2008, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden als nader in de vordering vermeld en dat zal worden bevolen dat die bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 29 augustus 2017 tot en met 30 augustus 2017 te Delft zijn levensgezel, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- (meermalen) (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te stompen/slaan en/of

- (meermalen) (met kracht) tegen het lichaam te schoppen en/of

- (meermalen) (met kracht) met een riem op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- (meermalen) (met kracht) met een telefoonkabel op/tegen het lichaam te slaan,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2017 te Delft en/of

's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk een minderjarigen, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2010, en/of [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 2008, heeft onttrokken aan het wettig over hen gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert op:

1 mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

3: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn toenmalige levensgezel op 29 en 30 augustus 2017. Hij heeft haar toen behoorlijk toegetakeld door haar te slaan met zijn handen, met een telefoonkabel en met een riem en door haar te schoppen. Hij heeft dit gedaan in haar huis en in haar slaapkamer en ook dat maakt dat het gaat om een ernstig feit. Juist daar moet iedereen zich veilig kunnen voelen.

Door aldus te handelen heeft hij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dit blijkt onder meer uit de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring.

Hieruit blijkt dat het slachtoffer zich zó onveilig voelde dat zij nadien samen met de kinderen is ondergedoken op een geheim adres. Voor de kinderen betekent dat dat zij uit hun vertrouwde omgeving van huis, straat en school(vriendjes) zijn weggehaald en ook dat rekent het hof de verdachte aan.

Daarnaast heeft de verdachte zijn twee kinderen van destijds respectievelijk acht en zeven jaar oud weggehaald van school en buiten medeweten van hun moeder ondergebracht bij een zus waarmee hij tot dan toe nauwelijks contact had. De verdachte heeft de moeder van de kinderen enige uren in onzekerheid en angst gelaten over de verblijfplaats van haar kinderen. Zij was enorm bang dat hij de kinderen mee naar het buitenland had genomen, zoals hij had gedreigd te zullen doen. Het hof kan zich goed voorstellen dat dat bij haar een enorme onrust heeft veroorzaakt. Ook dit is een ernstig feit. Ouders hebben de plicht goed voor hun kinderen te zorgen en daarbij dient het belang en welzijn van de kinderen centraal te staan. De verdachte lijkt zich hier weinig rekenschap van te hebben gegeven.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

1 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte recentelijk niet voor soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 22 februari 2018. Dit houdt onder meer in dat er in 2016 aanwijzingen zijn waargenomen voor de aanwezigheid van trekken van persoonlijkheidsproblematiek cluster B. De kans op recidive wordt hoog ingeschat. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een contactverbod. De reclassering heeft geadviseerd om deze voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de begeleider van de Stichting Middin aangegeven dat verdachte op dit moment via de reclassering een stabiele huisvesting heeft en dat verdachte een goede dagbesteding heeft door het werk dat hij thans verricht.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof zal aan het voorwaardelijk gedeelte van de op te leggen straf na te noemen bijzondere voorwaarden verbinden. Daarmee beoogt het hof enerzijds de verdachte te steunen in zijn voornemen om zijn leven nog beter op de rails te krijgen en beoogt het hof anderzijds een bijdrage te leveren aan het voorkomen van recidive in het belang van de maatschappij.

Het hof is - gelet op het strafblad van de verdachte en hetgeen de reclassering heeft overwogen over het recidivegevaar - van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal het hof bevelen dat de hierna genoemde bijzondere voorwaarden dadelijke uitvoerbaar zijn.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.700,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 750,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijk-heid - voor toewijzing tot een bedrag van € 750,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 750,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen-verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 279, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

4 (vier) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

2 ( twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatie-plicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich binnen twee werkdagen na het arrest meldt bij het Leger des Heils, Conradkade 53 te Den Haag en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt onder behandeling stelt van forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem geeft;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, en zich houdt aan de huisregels en het (dag-)programma die deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer 1, 2 e 3] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste

15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 29 augustus 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. F.P. Geelhoed en mr. I.P.A. van Engelen, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2020.