Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2713

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
2200358118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak - Toepassing van bewijsuitsluiting acht het hof noodzakelijk als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Het hof sluit het gevonden materiaal daarom uit van het bewijs. Nu er na bewijsuitsluiting wettig en overtuigend bewijs in het dossier ontbreekt om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003581-18

Parketnummer: 09-827298-18

Datum uitspraak: 30 januari 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

adres volgens BRP: thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

door raadsman ter terechtzitting opgegeven adres: [adres] te [woonplaats]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 16 januari 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig haar overgelegde aantekeningen - gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 66 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en voorts dat de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte worden terug gegeven.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde en is een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen voorwerpen als in het vonnis vermeld.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 05 juni 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 822,4 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een onrechtmatige doorzoeking in de woning van de verdachte. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte geen toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking van haar woning. Evenmin heeft de doorzoeking plaatsgevonden onder leiding van of met machtiging van de rechter-commissaris. De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Zoals nader is onderbouwd in zijn pleitnota, concludeert de raadsman dat het om een dermate ernstig vormverzuim gaat dat bewijsuitsluiting dient plaats te vinden.

Het openbaar ministerie heeft zich –kort samengevat- op het standpunt gesteld dat de verdachte toestemming heeft gegeven voor de doorzoeking in haar woning zodat er geen sprake is van een vormverzuim.

Gelet op het gevoerde verweer heeft het hof het volgende vastgesteld.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen [PV-nummer], proces-verbaal p. 132 e.v., heeft het volgende plaatsgevonden. Op 5 juni 2018 hebben de politiefunctionarissen [verbalisant] en [verbalisant 2] de woning van de verdachte betreden. Zij deden dit ter ondersteuning van twee inspecteurs van de Haagse Pandenbrigade. De woning werd betreden in het kader van een controle gebaseerd op de Woningwet.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het betreden van de woning rechtmatig was.

Op basis van hetgeen de politieagenten in de woning aantroffen, ontstond bij hen de verdenking dat de verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet. Verbalisant [verbalisant 2] heeft vervolgens contact opgenomen met de officier van justitie. Deze deelde mede dat wanneer iemand die woonachtig was op het adres toestemming gaf voor een doorzoeking, dit voldoende was voor een zoeking.

Vervolgens hebben de verbalisanten de in de woning aanwezige getuige [getuige], die de Nederlandse taal goed machtig was, ingelicht dat zij de woning gingen doorzoeken. Uit het dossier blijkt niet dat zij toen de verdachte om toestemming hebben gevraagd haar woning te doorzoeken. [getuige] heeft vervolgens in de Roemeense taal (p.134) de verdachte ingelicht, waarop de verdachte met haar hoofd zou hebben geschud en “oke, oke” gezegd zou hebben. De verdachte heeft vervolgens een toestemmingsverklaring ondertekend. Deze verklaring is opgesteld in de Nederlandse taal, een taal die de verdachte niet dan wel onvoldoende beheerst. Uit het dossier blijkt niet dat deze verklaring voor of na de ondertekening voor de verdachte is vertaald.

Voor wat betreft het verkrijgen van toestemming geldt dat deze verbaal of non-verbaal gegeven kan worden, maar in elk geval ondubbelzinnig moet blijken. Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat in de onderhavige zaak niet blijkt van een ondubbelzinnige toestemming voor de doorzoeking van de woning. Evenmin heeft de doorzoeking plaatsgevonden onder leiding van of met machtiging van de rechter-commissaris. De doorzoeking was daarom onrechtmatig.

Dat woningen door opsporingsambtenaren niet mogen worden doorzocht anders dan met toestemming van een bewoner of met machtiging van een bevoegde autoriteit, moet als een belangrijk strafvorderlijk voorschrift worden beschouwd. Het dient immers rechtstreeks ter bescherming van het grondwettelijk gewaarborgde huisrecht. Dit voorschrift strekt daarmee ook ter bescherming van de rechten van de verdachte. Door zonder toestemming van de bewoner en zonder machtiging van een bevoegde autoriteit haar woning te doorzoeken, is derhalve zowel in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift, als op de door dat voorschrift gewaarborgde belangen van de verdachte. Deze inbreuk is ook verwijtbaar.

Door het gewraakte doorzoeken van verdachtes woning is bewijsmateriaal gevonden. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat dit bewijsmateriaal onder zodanige omstandigheden is verkregen dat het niet mag worden aangewend om een strafrechtelijke veroordeling van de verdachte te verkrijgen. Toepassing van bewijsuitsluiting acht het hof noodzakelijk als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Het hof sluit het gevonden materiaal daarom uit van het bewijs. Nu er na bewijsuitsluiting wettig en overtuigend bewijs in het dossier ontbreekt om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zoals die onder 1 tot en met 10 staan vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. STK bankpas ING NL43INGB0655606629

2. 1 STK tas kl: blauw, Adidas heuptas

3. 1 STK aansteker kl: paars

4. 1 STK make-up kl: geel, Maybelline smoke eyes

5. 1 STK parfum, Bruno Banani

6. 1 STK sleutelbos (2 sleutels en 2 labels)

7. 1 STK make-up, lipbalm

8. 1 STK manicureset; pincet

9. 1 STK cosmetica, Sun Spot

10. 1 STK cosmetica, kl: zwart, Ergoline.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. G. Knobbout en mr. R.F. de Knoop, in bijzijn van de griffier mr. K. Kiela.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 januari 2020.