Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2712

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
2200285619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling in hoger beroep ter zake van een woninginbraak en een poging daartoe. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Geen consequenties verbonden aan overschrijding van de redelijke termijn. Toewijzing van de vordering benadeelde partij, ook voor wat betreft de materiele schade die de benadeelde partij heeft geleden door het opnemen van verlofuren in verband met de schadeopname en reparatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002856-19

Parketnummer: 10-057125-19

Datum uitspraak: 1 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

[geboorteplaats en – datum],

[adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

18 augustus 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 8 maart 2019 te Hardinxveld-Giessendam, in een woning gelegen aan de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen geld en/of een rijbewijs (op naam van

[aangever 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door een slaande beweging te maken in de richting van en/of met een tot vuist gebalde hand te slaan/stompen op de hand, althans op het lichaam van die [aangever 2] en/of die [aangever 2] meermalen, althans eenmaal te duwen;

2.


hij op of omstreeks 4 februari 2019 in een woning (gelegen aan de [adres 3]) te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 3], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een breekvoorwerp (het slot van) de tuindeur heeft verbroken en/of de ruit van de achterdeur heeft ingeslagen/verbroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Getuigenverzoek

De raadsman heeft bij brief van 8 juli 2019 verzocht om [aangever 2] als getuige te horen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 18 augustus 2020 heeft de raadsman dit verzoek herhaald. Nu het schriftelijke verzoek niet is gedaan binnen veertien nadat hoger beroep is ingesteld, moet het verzoek worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Gelet op de inhoud van het dossier en op hetgeen als onderbouwing aan het verzoek ten grondslag is gelegd, acht het hof het horen van de getuige niet noodzakelijk. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op 8 maart 2019 te Hardinxveld-Giessendam, in een woning gelegen aan de [adres 2], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door met een tot vuist gebalde hand te slaan op de hand van die [aangever 2] en die [aangever 2] te duwen;

2.


hij op 4 februari 2019 in een woning (gelegen aan de [adres 3]) te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om geld of goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 3], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, de ruit van de achterdeur heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak en een poging daartoe. Door aldus te handelen heeft de verdachte een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen. Dergelijke feiten brengen financiële schade, gevoelens van angst en onveiligheid, ergernis en overlast met zich mee. Bij de woninginbraak zag de aangeefster zich ter plaatse met de verdachte geconfronteerd en heeft zij met hulp van een collega de verdachte aan de politie weten over te dragen. Dit zijn nare ervaringen die op mensen diepe indruk kunnen achterlaten. De verdachte heeft kennelijk puur uit eigen financieel gewin gehandeld en deze nadelige gevolgen voor de slachtoffers voor lief genomen. De verdachte heeft bovendien geen verantwoordelijkheid genomen voor de diefstal die gepaard ging met braak en geweld.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke misdrijven en daarvoor meer dan eens voor langere tijd heeft vastgezeten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Redelijke termijn

Door de verdachte is op 13 juni 2019 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft geconstateerd dat de stukken van het geding op 14 februari 2020 – en derhalve niet binnen zes maanden na het instellen van het hoger beroep – ter griffie van het hof zijn binnengekomen, zodat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. Nu de overschrijding evenwel beperkt is gebleven (ongeveer twee maanden) en de procedure in hoger beroep voortvarend is verlopen, zal het hof geen gevolgen verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de inzending van het dossier door de rechtbank.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 3]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 497,92, vermeerderd met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering tot schadevergoeding valt uiteen in twee schadeposten: 1) de schade die is geleden door betaling van het eigen risico van de verzekering en 2) de schade die is geleden door het opnemen van verlofuren in verband met de schadeopname en reparatie. Schadepost 1 is onderbouwd met een brief van de reparateur en een bankrekeningafschrift. Met betrekking tot schadepost 2 heeft de benadeelde partij gedetailleerd aangegeven op welke dagen zij verlofuren heeft moeten opnemen en voor welk doel en daarbij melding gemaakt van haar salaris per uur. Deze verklaring wordt ondersteund door een brief van haar werkgever. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij hiermee beide schadeposten voldoende heeft onderbouwd. Het aantal verlofuren komt het hof ook niet onredelijk voor, nu de opgenomen verlofuren betrekking hebben zowel op schade-opnames van een deur en een poort door verzekering en de fabrikant, als op het herstel van de deur en poort.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 497,92 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 3] ter zake van het onder

2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 497,92 (vierhonderdzevenennegentig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 3], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 497,92 (vierhonderdzevenennegentig euro en tweeënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 4 februari 2019.

Dit arrest is gewezen door mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, mr. A.J.M. Kaptein en mr. C.H.M. Royakkers, in bijzijn van de griffier mr. N. Germeraad-van der Velden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 september 2020.