Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2605

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
200.239.036/01 en 200.246.295/02
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:252a BW, artt. 8, 36 + 40 Wbp en AVG; onrechtmatige daad Staat (Inspecteur Belastingdienst) door verstrekking van inkomensverklaringen aan verhuurders? Ontvankelijkheidsvragen. Moesten huurders naar bestuursrechter? En o.d. verhuurders?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/171
Viditax (FutD), 26-01-2021
FutD 2021-0372
S&E HW 2021/2, UDH:S&E HW/50119 met annotatie van Gerard Scholten
JBP 2021/10
JHV 2021/11 met annotatie van Gardenbroek, T.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht

Zaaknummers : 200.246.295/02 en 200.239.036/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/517975/HA ZA 16-1060 (in beide zaken)

Arrest van 22 december 2020

inzake

in de zaak met nummer 200.246.295/02

De Nederlandse Woonbond,

gevestigd te Amsterdam,

appellant,

hierna te noemen: de Woonbond,

advocaat: mr. L.J. Böhmer te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag,

en

in de zaak met nummer 200.239.036/01

De Nederlandse Woonbond,

wonende te Amsterdam,

appellant in het principale appel,

tevens verweerder in het incidentele appel,

hierna te noemen: de Woonbond,

advocaat: mr. L.J. Böhmer te Utrecht,

tegen

Woningstichting Lieven de Key,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principale appel,

tevens verzoekster in het incidentele appel,

hierna te noemen: Lieven de Key,

advocaat: R.M. Goeman te Rotterdam.

Het geding

In zaak 200.246.295:

Bij exploot van 5 april 2018 is de Woonbond in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 januari 2018 van de rechtbank Den Haag, team handel, voor zover dat vonnis tussen haar en de Staat is gewezen. Bij memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis, heeft de Woonbond zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. De Staat heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Partijen hebben hun zaak laten bepleiten op 26 september 2019, de Woonbond door mr. Böhmer voornoemd en zijn kantoorgenote mr. L.E. Lupgens en de Staat door mr. Langbroek voornoemd en diens kantoorgenoot mr. J. Bootsma. Daarbij is gebruik gemaakt van pleitnota’s. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. In overleg is de zaak aangehouden, in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een relevante andere zaak. Deze uitspraak is op 10 juni 2020 gedaan (zie hierna onder 1.11). Vervolgens hebben beide partijen op 29 september 2020 bij akte op deze uitspraak (en tevens op elkaars (concept)akte) gereageerd. Hierna is arrest bepaald.

In zaak 239.036/01:

Bij exploot van 4 april 2018 is de Woonbond in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 januari 2018 van de rechtbank Den Haag, team handel, voor zover dat vonnis tussen haar en Lieven de Key is gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft de Woonbond drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Lieven de Key heeft de grieven bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) bestreden en één incidentele grief tegen het bestreden vonnis geformuleerd. Deze incidentele grief heeft de Woonbond op zijn beurt bestreden bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Hierna is arrest bepaald. De arrestdatum is meermalen uitgesteld om de zaak in de pas te laten lopen met de zaak tegen de Staat.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

In beide zaken

1. In dit geding gaat het kort samengevat om de vraag of de Staat (de Inspecteur van de Belastingdienst) zogeheten inkomensverklaringen (zie hierna 1.5.) ten aanzien van huurders heeft mogen verstrekken aan verhuurders zoals Lieven de Key en of Lieven de Key deze verklaringen vervolgens heeft mogen gebruiken om inkomensafhankelijke huurverhogingen voor te stellen. Partijen zijn niet opgekomen tegen de vaststelling van de feiten in paragraaf 2. van het bestreden vonnis, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan. Met inachtneming daarvan en van hetgeen overigens in appel is gesteld en niet (voldoende) gemotiveerd is weersproken, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1.

De Woonbond is een belangenorganisatie voor huurders die opkomt voor betaalbare huren en goede woningen in leefbare wijken. Hij behartigt de belangen van huurders en woningzoekenden in het algemeen en van zijn leden in het bijzonder.

1.2.

De maximaal toegestane huur voor gereguleerd verhuurde woningen wordt op basis van het woningwaarderingsstelsel bepaald. Ten aanzien van gereguleerd verhuurde woningen geldt dat een eenmaal overeengekomen huurprijs op grond van de wet- en regelgeving jaarlijks met niet meer dan een vastgesteld percentage mag worden verhoogd.

1.3.

Op 16 maart 2013 zijn de Wet huurverhoging op grond van inkomen (Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw), Stb. 2013, 89) en de Wet huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens (Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, Stb. 2013, 90), samen aangeduid als de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging (Wet iah), in werking getreden.

1.4.

De Wet iah heeft (onder meer) tot doel de doorstroming van huishoudens met hogere inkomens te bewerkstelligen en 'scheefwonen' (het fenomeen dat huishoudens met een te hoog geacht inkomen van een sociale huurwoning gebruik maken) tegen te gaan. De Wet iah geeft daartoe verhuurders van sociale huurwoningen de mogelijkheid om de huurprijs jaarlijks extra te verhogen ten opzichte van het reguliere basishuurverhogingspercentage. Daarbij werden tot 1 januari 2017 drie inkomenscategorieën gehanteerd:

  • -

    i) De categorie met lage inkomens waarvoor géén extra huurverhoging mag worden doorgevoerd bovenop het basishuurverhogingspercentage;

  • -

    ii) De categorie met middeninkomens, waarvoor een beperkte extra huurverhoging mag worden doorgevoerd, en

  • -

    iii) De categorie met hogere inkomens waarvoor een iets ruimere extra huurverhoging kan worden doorgevoerd.

Sinds 1 januari 2017 is sprake van twee categorieën: de categorie van middeninkomens is geschrapt, zodat alleen de hierboven bedoelde categorieën (i) en (iii) resteren.

1.5.

In de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 bepaalde artikel 7:252a, derde lid, BW: “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 [een voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging] wordt gedaan, wordt bij het voorstel een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring gevoegd”.

Deze verklaring wordt hierna ook aangeduid als: de inkomensverklaring.

1.6.

Een verhuurder kan via het Portaal voor Inkomensafhankelijke Huurverhoging van de Belastingdienst zo’n inkomensverklaring opvragen. De inkomensverklaring bevat geen exacte inkomensgegevens van (ieder van) de bewoners. In de verklaring staat in welke inkomenscategorie het huishoudinkomen van de huurder van het desbetreffende adres valt. Het gaat daarbij om het gezamenlijke inkomen van het huishouden. Als het huishouden uit meer personen bestaat, wordt geen informatie over de onderlinge inbreng per lid van het huishouden verschaft. Evenmin wordt de hoogte van het inkomen genoemd. De verhuurder ontvangt een bestand met de door hem opgegeven adressen en (indien het huishoudinkomen bekend is) een vermelding van de categorie waarin het desbetreffende adres valt.

1.7.

De huurder ontvangt een kennisgeving dat de inkomensverklaring aan zijn verhuurder is verstrekt.

1.8.

Op 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG1) van toepassing geworden. Op dezelfde datum is de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingetrokken. Verwerkingen van inkomensverklaringen tot die datum dienen echter nog te worden getoetst aan de bepalingen uit de Wbp. Meer in het bijzonder zijn de volgende bepalingen van de Wbp van belang.

- Artikel 8, eerste lid, Wbp: “Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien:

  1. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;

  2. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst;

  3. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is;

  4. e gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;

  5. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of

  6. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.”

- Artikel 36, eerste lid, Wbp: “Degene aan wie overeenkomstig artikel 35 kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, kan de verantwoordelijke verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.” De verzoeker moet binnen vier weken een reactie krijgen (tweede lid) en een beslissing tot verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming moet zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd (derde lid).

- Artikel 40, eerste lid, Wbp: “Indien gegevens het voorwerp zijn van verwerking op grond van artikel 8, onder e en f, kan de betrokkene daartegen bij de verantwoordelijke te allen tijde verzet aantekenen in verband met zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden.”

De verantwoordelijke beoordeelt binnen vier weken na ontvangst van het verzet of het verzet gerechtvaardigd is en indien dit het geval is beëindigt hij terstond de verwerking (tweede lid).

1.9.

Naar aanleiding van een door een huurder op de voet van artikel 40 Wbp ingesteld verzet tegen verstrekking van een inkomensverklaring, heeft de Afdeling op 3 februari 20162 kort samengevat overwogen dat het bij de verstrekking van een inkomensverklaring als bedoeld in artikel 7:252a BW gaat om verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Wbp. De Afdeling heeft voorts geoordeeld dat artikel 7:252a BW en artikel 19b Uhw onvoldoende precies waren geformuleerd, omdat uit die artikelen wel blijkt dat de verhuurder huishoudverklaringen (inkomensverklaringen) bij de inspecteur kan opvragen, maar de artikelen niet bepaalden dat de inspecteur ook verplicht was deze af te geven. De artikelen boden daarom volgens de Afdeling geen wettelijke grondslag om de in artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) neergelegde geheimhoudingsplicht te doorbreken, zodat de verstrekking van de inkomensgegevens had plaatsgevonden in strijd met laatstgenoemd artikel.

1.10.

Hangende de procedure bij de Afdeling is het Wetsvoorstel “Gegevensverstrekking Belastingdienst” (Kamerstuk 34 374) ingediend. Dat heeft geleid tot een wijziging met ingang van 1 april 2016 van artikel 7:252a, derde lid, BW. Deze bepaling luidde sindsdien als volgt: “Indien een voorstel als bedoeld in lid 1 wordt gedaan, wordt bij het voorstel een verklaring gevoegd omtrent het huishoudinkomen. De inspecteur verstrekt op verzoek van een verhuurder een verklaring omtrent het huishoudinkomen aan de verhuurder.” Met ingang van 1 januari 2017 is die tweede volzin “De inspecteur verstrekt op verzoek……aan de verhuurder” verplaatst naar het vierde lid.

1.11.

Op 10 juni 20203 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in een zaak waarin een huurder verzet op grond van artikel 40 Wbp had aangetekend tegen de verstrekking van inkomensverklaringen aan zijn verhuurder over de jaren 2013 tot en met 2015. Volgens de huurder was deze gegevensverwerking onrechtmatig omdat ten tijde van het aantekenen van het verzet, op 12 februari 2016, in artikel 7:252a, derde lid, BW nog geen wettelijke verplichting tot het verstrekken van de inkomensverklaring opgenomen was, zodat de in artikel 67, tweede lid, aanhef onder a, van de Awr neergelegde uitzondering op de in dat artikel neergelegde geheimhoudingsplicht niet van toepassing was. De Minister van Financiën (hierna: de Minister) heeft het verzet ongegrond verklaard en deze beslissing na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep voor zover het betrekking had op het besluit over het door hem ingediende verzet ongegrond verklaard, maar het beroep voor zover dit betrekking had op het ingediende verzoek om schadevergoeding gegrond verklaard en de Minister veroordeeld tot vergoeding van de schade die de huurder had geleden als gevolg van de onrechtmatige verstrekking van de inkomensgegevens over de jaren 2013, 2014 en 2015. Beide partijen zijn vervolgens in hoger beroep gekomen. Samengevat heeft de Afdeling overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of een verzet als bedoeld in artikel 40 Wbp gerechtvaardigd is, beoordeeld dient te worden of degene die verzet doet zodanige bijzondere persoonlijke omstandigheden aan zijn verzet ten grondslag heeft gelegd dat een rechtmatige gegevensverwerking daarom beëindigd moet worden. Het beroep op de onrechtmatigheid van de gegevensverwerking wegens strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr leverde naar het oordeel van de Afdeling geen zodanige bijzondere persoonlijke omstandigheden op, zodat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar tegen het verzet terecht ongegrond had verklaard, zij het om andere redenen. De Afdeling zag voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de Minister gehouden was om de brief van appellant op te vatten als een verzoek op grond van artikel 36 Wbp. Over het verzoek tot schadevergoeding heeft de Afdeling het volgende overwogen. Dit geval dient beoordeeld te worden naar het recht van vóór 1 juli 2013, aangezien de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns, Stb. 2013, 50), waarmee titel 8.4. in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is gekomen, niet van toepassing is op besluiten van de Belastingdienst (artikelen IV en V Wns). De Afdeling heeft geconcludeerd dat de rechtbank de Minister ten onrechte op grond van het niet toepasselijke artikel 8:88 Awb tot schadevergoeding heeft veroordeeld, dat het wel toepasselijke artikel 8:73 (oud) Awb de bestuursrechter in een geval als dit niet de mogelijkheid biedt de minister tot schadevergoeding te veroordelen en dat appellant dus uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan instellen teneinde een uitspraak van een rechter te krijgen over vergoeding van de door hem gestelde schade.

De eerste aanleg

2.1.

De Woonbond heeft in eerste aanleg gevorderd, na wijziging van eis, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank bij uitvoerbaar te verklaren vonnis:

In zaak 200.246.295/02:

I. voor recht verklaart dat de door de Staat vanaf 1 maart 2013, althans in de periode 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2016, in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen afgegeven inkomensverklaringen nietig althans vernietigbaar zijn;

II. voor recht verklaart dat de Staat vanaf 1 maart 2013, althans in de periode 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2016, onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders door, in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen, in strijd met de wet (nietige althans vernietigbare) inkomensverklaringen met betrekking tot die huurders op te stellen en te verstrekken;

III. voor recht verklaart dat de schade, die als gevolg van het onrechtmatige handelen van de Staat is geleden door individuele huurders die een inkomensafhankelijke huurverhoging hebben gekregen en voldaan, bestaat uit een bedrag ter hoogte van het inkomensafhankelijke deel van de door hen na 1 maart 2013, althans tussen 1 maart 2013 en 1 juli 2016, betaalde huursommen, althans uit een door de rechtbank te bepalen bedrag;

IV. de Staat beveelt het gebruik van inkomensgegeven van huurders in de zin van artikel 21 aanhef en onder e Awr ten behoeve van het opstellen van verklaringen in de zin van artikel 7:252a lid 3 BW, onmiddellijk na het vonnis te staken en gestaakt te houden, althans te staken en gestaakt te houden, zo lang hij niet beschikt over een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid in de zin van artikel 21f, eerste lid, Awr, op straffe van een dwangsom;

V. de Staat beveelt met de Woonbond te goeder trouw te onderhandelen, en gedurende een periode van tenminste zes maanden na het vonnis te blijven onderhandelen, over een passende regeling waarmee de door de rechtbank op grond van de vorderingen vast te stellen rechtsgevolgen en de op grond daarvan door de huurders ondervonden nadelen zullen worden gecompenseerd;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

in de zaak 200.239.036/01

I. voor recht verklaart dat de door Lieven de Key vanaf 1 maart 2013, althans in de periode van 1 maart 2013 tot en met 30 april 2016 gedane voorstellen strekkend tot inkomensafhankelijke verhoging van de huurprijs in de zin van artikel 7:252a. eerste lid, BW, nietig althans vernietigbaar zijn;

II. voor recht verklaart dat Lieven de Key onrechtmatig heeft gehandeld jegens huurders door de (nietige althans vernietigbare) inkomensverklaringen die zij vanaf 1 maart 2013, althans tussen 1 maart 2013 en 30 april 2016, van de Inspecteur heeft ontvangen, in strijd met de wet te verwerken en te gebruiken;

III. voor recht verklaart dat de huurders aan wie Lieven de Key vanaf 1 maart 2013, althans tussen 1 maart 2013 en 30 april 2016, inkomensafhankelijke huurverhogingen heeft opgelegd, het inkomensafhankelijke deel van de door hen voldane huursommen onverschuldigd hebben betaald;

IV. Lieven de Key beveelt met de Woonbond te goeder trouw te onderhandelen, en gedurende een periode van tenminste zes maanden na het vonnis te blijven onderhandelen, over een passende regeling waarmee de door de rechtbank op grond van de vorderingen vast te stellen rechtsgevolgen en de op grond daarvan door de huurders ondervonden nadelen zullen worden gecompenseerd;

V. Lieven de Key veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

De rechtbank heeft de Woonbond niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen I tot en met III tegen de Staat voor zover deze betrekking hebben op vóór 1 april 2016 afgegeven inkomensverklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank stond in dat tijdvak voor de huurders van wie de Woonbond de belangen behartigt, een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open waarmee een vergelijkbaar resultaat kon worden behaald als door de Woonbond voor die periode is beoogd met vorderingen I en II. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 (zie hierboven onder 1.9.) heeft de rechtbank daartoe overwogen dat een huurder op grond van artikel 40 jo. 8 aanhef en onder f, Wbp verzet kon aantekenen tegen de afgifte van een inkomensverklaring. Als het verzet ongegrond werd verklaard kon de huurder tegen dat besluit bezwaar aantekenen en vervolgens in beroep gaan bij de bestuursrechter. Ook de verklaring voor recht over de hoogte van de door de huurders geleden schade achtte de rechtbank niet-ontvankelijk voor zover deze zag op de periode vóór de wetswijziging van 1 april 2016. Volgens de rechtbank is in zoverre alleen een rol voor de burgerlijke rechter weggelegd ten aanzien van personen die op de voet van artikel 40 Wbp verzet hebben aangetekend tegen de verstrekking van een inkomensverklaring welk verzet vervolgens gegrond is verklaard of tot een gegrond beroep in de bestuursrechtelijke procedure heeft geleid. Gesteld noch gebleken is dat het gebundeld belang waarvoor de Woonbond in deze procedure opkomt, ziet op dergelijke personen, aldus de rechtbank. De rechtbank achtte de vorderingen I tot en met III wel ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op de verstrekking van inkomensverklaringen vanaf 1 april 2016. Volgens de rechtbank valt de verstrekking vanaf die datum onder artikel 8, aanhef en onder c, Wbp en kan daartegen niet (inhoudelijk) worden opgekomen bij de bestuursrechter. Omdat artikel 7:252a BW vanaf 1 april 2016 een duidelijke wettelijke grondslag bevat voor de inkomensgegevensverstrekking, is naar het oordeel van de rechtbank sinds die datum geen sprake meer van onrechtmatig handelen door de Staat. Dit heeft geleid tot afwijzing van vorderingen I tot en met III ten aanzien dat tweede tijdvak. Van nietigheid of vernietigbaarheid kon volgens de rechtbank hoe dan ook geen sprake zijn omdat de inkomensverklaringen feitelijke handelingen zijn en geen rechtshandelingen. Voor de overige overwegingen verwijst het hof kortheidshalve naar het bestreden vonnis (ECLI:NL:RBDHA:2018:171).

2.3.

Bij hetzelfde bestreden vonnis heeft de rechtbank in de zaak van de Woonbond tegen Lieven de Key een aantal ontvankelijkheidsverweren verworpen. Wel heeft de rechtbank het verweer gehonoreerd dat het wettelijk systeem van de artikelen 7:253 en 7:262 BW in de weg staat aan toewijzing van vordering I (verklaring voor recht dat de voorstellen tot huurverhoging nietig zijn althans de overeenkomsten tot huurverhoging vernietigbaar). Op grond van deze artikelen kan een huurder de Huurcommissie verzoeken zich uit te spreken over de redelijkheid van een huurverhogingsvoorstel en staat hierna nog de gang naar de kantonrechter open. Als een huurder niet tijdig bezwaar maakt tegen een huurverhogingsvoorstel of zich niet tijdig tot de Huurcommissie wendt, wordt hij geacht de door de verhuurder voorgestelde huurverhoging te zijn overeengekomen. Daarom is er volgens de rechtbank ook geen plaats voor toewijzing van vordering III (onverschuldigde betaling). Ook vordering II (verklaring voor recht dat er onrechtmatig is gehandeld) is niet toewijsbaar. Nu het verstrekken door de Inspecteur van inkomensverklaringen na 1 april 2016 niet langer in strijd is met artikel 67 Awr en evenmin in strijd is met de andere door de Woonbond ingeroepen bepalingen valt niet in te zien waarom het opvragen en gebruiken door Lieven de Key van die verklaringen na 1 april 2016 onrechtmatig zou zijn. Vóór 1 april 2016 was het handelen van de Inspecteur wel in strijd met artikel 67 Awr, maar dat betekent niet dat Lieven de Key onrechtmatig heeft gehandeld door van die verklaringen gebruik te maken. De Woonbond heeft niet gesteld dat en waarom Lieven de Key wist of moest weten dat de Inspecteur tot 1 april 2016 in strijd met artikel 67 Awr handelde door de inkomensverklaringen te verstrekken.

2.4.

De Woonbond is in de proceskosten van de Staat en Lieven de Key veroordeeld.

Vorderingen in appel

In de zaak tegen de Staat

3.1.

In appel vordert de Woonbond vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van de – in appel gewijzigde – vorderingen. Woonbond vordert thans dat het hof, bij – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren – arrest:

I. voor recht verklaart dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over huurders af te geven aan verhuurders;

II. voor recht verklaart dat de Staat vanaf 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over die huurders af te geven aan verhuurders;

III. de Staat veroordeelt om aan (ieder van die) huurders de schade te vergoeden, op te maken bij staat;

IV. de Staat veroordeelt tot (terug)betaling van al hetgeen de Woonbond uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente;

met veroordeling van de Staat in de proceskosten, inclusief de nakosten en te vermeerderen met rente.

3.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in appel heeft de Woonbond de vordering tot schadevergoeding (vordering III) ingetrokken. Het hof komt hieronder op deze kwestie terug (onder 5.3.).

3.3.

Grieven 1 tot en met 3 van de Woonbond zien op de ontvankelijkheid van de vorderingen. Grief 1 luidt dat de bestuursrechtelijke procedure in dit geval niet met voldoende waarborgen omkleed is, omdat artikel 8 aanhef en onder f, Wbp en het recht van verzet op grond van artikel 40 Wbp niet van toepassing zijn en verzet in elk geval zinloos zou zijn geweest. Bovendien zouden volgens de Woonbond de huurders bij de bestuursrechter geen schadevergoeding (hebben) kunnen krijgen. Grieven 4 tot en met 6 houden in dat de gegevensverstrekking door de Inspecteur ook na de wetswijziging met ingang van 1 april 2016 onrechtmatig is gebleven. De Woonbond stelt dat de verstrekking nog steeds in strijd is met de Awr (artikelen 67 en 21f) en ook een schending oplevert van artikel 8 EVRM en artikel 6 van de Privacyrichtlijn4.

In de zaak tegen Lieven de Key

3.4.

De Woonbond vordert in appel vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van de vorderingen (met uitzondering van vordering IV, het bevel tot onderhandelen), (terug)betaling van al hetgeen de Woonbond uit hoofde van het bestreden vonnis heeft voldaan en veroordeling van Lieven de Key in de proceskosten in beide instanties.

3.5.

Grief 1 van de Woonbond houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het wettelijk systeem van 7:253 en 7:262 BW, op grond waarvan de huurder de mogelijkheid heeft om een aangezegde huurverhoging ter discussie te stellen en voor te (laten) leggen aan achtereenvolgens de Huurcommissie en, bij een onwelgevallig oordeel van de Huurcommissie, de kantonrechter, eraan in de weg staat dat in een ander geding alsnog wordt beoordeeld of een (voorstel tot) inkomensafhankelijke huurverhoging nietig of vernietigbaar is. De Woonbond voert onder meer aan dat de Huurcommissie niet bevoegd is om huurverhogingen te toetsen aan wet- en regelgeving met betrekking tot de privacy. Grief 2 luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van onverschuldigde betaling aangezien de inkomensafhankelijke huurverhogingen geacht worden te zijn overeengekomen als niet binnen de daarvoor geldende vervaltermijnen de weg naar de Huurcommissie en eventueel de kantonrechter is gevolgd. Met grief 3 klaagt de Woonbond dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van onrechtmatig handelen door Lieven de Key geen sprake is.

De beoordeling in appel

In beide zaken

5.1.

Zoals hierboven al opgemerkt gaat het in dit geding om de vraag of de Staat (de Inspecteur van de Belastingdienst) inkomensverklaringen ten aanzien van huurders heeft mogen verstrekken aan verhuurders zoals Lieven de Key, en of Lieven de Key deze verklaringen heeft mogen gebruiken om inkomensafhankelijke huurverhogingen voor te stellen. Partijen zijn het er terecht over eens dat de in de inkomensverklaringen persoonsgegevens in de zin van de Wbp (oud) zijn opgenomen.

5.2.

De Woonbond heeft geen eigen belang aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Zij komt in deze procedure alleen op voor het gebundeld belang van huurders van sociale huurwoningen die op basis van door de Inspecteur aan verhuurders afgegeven inkomensverklaringen een huurverhoging hebben gekregen. Niet in geschil is dat dit belang zich in beginsel leent voor bundeling in de zin van artikel 3:305a BW.

In de zaak tegen de Staat

Vordering III (schadevergoeding) - ingetrokken

5.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben de advocaten van de Woonbond expliciet verklaard de vordering tot schadevergoeding in te trekken. Dit is vastgelegd in het proces-verbaal. Bij de laatste akte heeft de Woonbond aangevoerd dat ondanks deze mededeling geen sprake is van een formele intrekking. Het hof volgt de Woonbond hierin niet. Op zich is juist dat een intrekking moet plaatsvinden bij conclusie of akte ter rolle (artikel 30 Rv), maar ook ter zitting kan akte worden verleend van een intrekking. De rechter moet zich er dan van vergewissen dat de betrokken partij inderdaad de bedoeling heeft om in zoverre afstand van recht te doen, aan welke voorwaarde in dit geval evident was voldaan. De advocaten hebben de intrekking immers toegelicht met de stelling dat zij ten tijde van het instellen van deze schadevergoedingsvordering nog hoopten dat de wijziging van artikel 3:305a BW al zou zijn doorgevoerd. Dit is een begrijpelijke reden: tot aan 1 januari 2020 bepaalde lid 3 van artikel 3:305a BW dat een door een belangenorganisatie als de Woonbond in te stellen vordering níet kon strekken tot schadevergoeding. Dit is pas per 1 januari 2020 gewijzigd, te laat voor de Woonbond om daarvan in deze zaak nog te kunnen profiteren. Als de Woonbond de vordering zou hebben gehandhaafd, zou deze dus hoe dan ook niet toewijsbaar zijn geweest. Voor zover de Woonbond daar na de zitting anders over is gaan denken en voor zover hij daarom van de intrekking wil terugkomen, had het op zijn weg gelegen dit toe te lichten, maar dat heeft de Woonbond niet gedaan. Ten overvloede en voor de volledigheid merkt het hof op dat het antwoord op de vraag of de vordering nu wel of niet is ingetrokken, niet van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van vordering I (zie hierna).

Vordering I – tijdvak vóór 1 april 2016 – ontvankelijkheid (grieven 1-3)

5.4.

Uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele bundeling van belangen door een belangenorganisatie er niet toe kan leiden dat de weg naar de civiele rechter voor die organisatie open komt te staan. De Woonbond is alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan5. Daarbij is niet van belang dat niet exact dezelfde vorderingen ingesteld zouden kunnen worden in die andere procedure. Het feit dat de huurders die de achterban vormen van de Woonbond (hierna kortweg: de huurders) geen verklaring voor recht zouden (hebben) kunnen vorderen in een bestuursrechtelijke procedure levert bijvoorbeeld geen rechtstekort op dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter.6 Kern is of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald.7

5.5.

Volgens de Staat is dat laatste het geval en is de Woonbond daarom niet-ontvankelijk voor zover de vorderingen betrekking hebben op het tijdvak vóór 1 april 2016 (zie de korte weergave van grieven 1-3 hierboven onder 3.3.).

5.6.

Uitgangspunt is dat op grond van vaste rechtspraak gegevensverstrekkingen feitelijke handelingen8 zijn, waartegen als zodanig dus niet kan worden opgekomen in de bestuursrechtelijke kolom.

5.7.

Op zich is juist dat op grond van artikel 36 Wbp (thans artikel 17/18 AVG) huurders de Belastingdienst (hadden) kunnen verzoeken om hun gegevens te verwijderen of af te schermen voor de verhuurders en dat het besluit op zo’n verzoek een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is waartegen bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter openstond. Zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020 (zie r.o. 3.3. van die uitspraak) kan een individuele huurder in zo’n procedure aanvoeren dat zijn persoonsgegevens in strijd met de wet worden verwerkt, zodat in zoverre langs de weg van artikel 36 Wbp een oordeel van de bestuursrechter uitgelokt kan worden over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking. Van belang is echter dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een verzoek tot verwijdering of afscherming, maar op onrechtmatig feitelijk handelen.

5.8.

Hetzelfde geldt voor een beroep op het recht van verzet in de zin van artikel 40 Wbp (thans artikel 21 AVG). De vordering van de Woonbond is namelijk ook niet gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een beroep op het recht van verzet. Bovendien is het recht van verzet alleen van toepassing als de gegevens het voorwerp zijn van een verwerking op grond van artikel 8, onder e of f, Wbp en de betrokkene een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden. Die situatie doet zich niet voor in deze zaak. Geen van partijen voert aan dat de verstrekking van de inkomensverklaringen door de Inspecteur van de Belastingdienst kan worden gegrond op artikel 8, onder e of f, Wbp en de Woonbond doet ook geen beroep op bijzondere persoonlijke omstandigheden van huurders. De (veronder)stelling van de Staat dat wel sprake zou zijn geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden als de huurders kort na de verstrekking van de inkomensgegevens, althans vóór 3 februari 2016, verzet hadden ingesteld in plaats van “mee te liften” op de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, vindt geen steun in het recht, ook niet in één van de uitspraken van de Afdeling.

5.9.

Daar komt bij dat dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan krijgen in een geval als het onderhavige. Dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) te doen is om schadevergoeding voor de huurders blijkt afdoende uit de stukken en uit het feit dat de Woonbond de vordering tot schadevergoeding alleen heeft ingetrokken in het besef dat de per 1 januari 2020 in werking getreden wijziging van artikel 3:305a BW voor deze zaak te laat is gekomen (zie hierboven onder 5.3.).

5.10.

Het oordeel dat de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen is gebaseerd op het volgende. Op een verzoek tot vergoeding van schade als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig verstrekken door de Inspecteur van de Belastingdienst van inkomensverklaringen is het recht van toepassing (gebleven) zoals dat gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wns per 1 juli 2013. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 juni 2020 (vgl. r.o. 4.2. van die uitspraak) betekent dit dat de bestuursrechter bevoegd is een oordeel te geven over een verzoek om schadevergoeding indien (i) dat verzoek gedurende een bij hem aanhangige beroepsprocedure is gedaan (in welk geval artikel 8:73, eerste lid, Awb nog moet worden toegepast en dus onder meer de eis geldt dat het beroep gegrond wordt verklaard, zie r.o. 4.4. van de uitspraak van 10 juni 2020) of (ii) indien een dergelijk verzoek bij het bestuursorgaan is gedaan en dat bestuursorgaan daarop een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb heeft genomen. In de uitspraak van 10 juni 2020 heeft de Afdeling geoordeeld dat de beslissing van de Minister op een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het beweerdelijk onrechtmatig verstrekken door de Inspecteur van de Belastingdienst van inkomensverklaringen geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb (vgl. r.o. 4.3, tweede alinea, van die uitspraak). Dit betekent dat tegen een dergelijke beslissing, na bezwaar, geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld. Omdat in de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020 geen beroep tegen een besluit op grond van artikel 36 van de Wbp voorlag, heeft de Afdeling zich in die uitspraak niet, althans niet rechtstreeks, uitgelaten over de vraag of bij een gegrond beroep tegen een dergelijk besluit vervolgens met toepassing van artikel 8:73, eerste lid, Awb veroordeling tot vergoeding van schade (ook) als gevolg van het onderliggende feitelijke handelen (het verstrekken van de inkomensverklaringen) kan plaatsvinden. Het hof ziet echter in het oordeel van de Afdeling dat tegen de beslissing van de Minister op een verzoek om schadevergoeding niet de bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat en dus langs die weg geen schadevergoeding kan worden verkregen, een overtuigende grond om aan te nemen dat de Afdeling - bij gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit op grond van artikel 36 Wbp - bij de toepassing van artikel 8:73, eerste lid, Awb niet anders zou oordelen. Aldus wordt immers voorkomen dat ten aanzien van hetzelfde beweerdelijk schade veroorzakende (feitelijke) handelen in het ene geval de burgerlijke rechter zou moeten oordelen en in het andere geval de bestuursrechter. Het hof vindt voor dit oordeel ook steun in r.o 4.5 van de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020.

5.11.

De conclusie luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in de vordering over het eerste tijdvak (vordering I), zodat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. De Staat heeft niet aangevoerd dat de Woonbond niet-ontvankelijk is in de vordering over het tweede tijdvak (vordering II). Voor zover het hof ambtshalve moet vaststellen of die vordering ontvankelijk is, overweegt het hof dat de voorgaande oordelen over de ontvankelijkheid van vordering I ook gelden voor vordering II.

Vordering I - tijdvak vóór 1 april 2016 - inhoudelijk

5.12.

De Staat heeft er terecht op gewezen dat de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016 formeel geen gelding heeft voor partijen in deze zaak. Het hof sluit zich echter aan bij de in die uitspraak neergelegde overwegingen en conclusie van de Afdeling over de strijdigheid met artikel 67 Awr en neemt die over. Het hof is met de Afdeling van oordeel dat artikel 7:252a, derde lid, BW zoals dat artikel vóór 1 april 2016 luidde, geen duidelijke wettelijke verplichting voor de Inspecteur van de Belastingdienst bevatte tot verstrekking van de inkomensgegevens aan verhuurders, zodat de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr onverkort gold. Het hof verwijst kortheidshalve naar de overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 3 februari 2016 (zie 1.9. hierboven voor het ECLI-nummer). Dit betekent dat de gegevensverstrekking vóór 1 april 2016 in strijd was met artikel 67 Awr en daarmee onrechtmatig jegens de huurders, ter bescherming van wie de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr strekt. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden gegeven. Het hof hecht eraan op te merken dat dit niet zonder meer meebrengt dat de huurders ook recht hebben op schadevergoeding over dit eerste tijdvak, nu niet is uitgesloten dat één van de overige verweren van de Staat (o.a. causaal verband, artikel 7:252a, vijfde lid, BW, relativiteit) doel treft.

Vordering II - tijdvak na 1 april 2016: inhoudelijk (grieven 4-6)

5.13.

Op grond van artikel 67, tweede lid, onder a, Awr geldt de geheimhoudingsplicht van het eerste lid niet als de wet tot bekendmaking verplicht. Sinds de wetswijziging van 1 april 2016 (zie 1.10) bevat artikel 7:252a BW een naar het oordeel van het hof wel duidelijke verplichting voor de Inspecteur van de Belastingdienst om de inkomensgegevens te verstrekken aan een verhuurder als deze daarom verzoekt. Met de Staat is het hof van oordeel dat daarom vanaf 1 april 2016 niet meer in strijd wordt gehandeld met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 Awr en wordt voldaan aan de in de Wbp (en sinds 25 mei 2018: de AVG) genoemde voorwaarden voor rechtmatige gegevensverstrekking.

5.14.

Hetgeen de Woonbond daartegen in brengt, leidt niet tot een ander oordeel. De Woonbond stelt allereerst dat de informatieverstrekking door de Inspecteur ook na 1 april 2016 in strijd met artikel 67 Awr is gebleven, omdat het begrip “afnemers” als bedoeld in artikel 21 onder f, Awr alleen op bestuursorganen ziet en niet op verhuurders (grief 4). Volgens de Woonbond heeft de wijziging van artikel 7:252a BW daarin geen verandering gebracht, zodat doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht nog steeds niet geoorloofd is. Ook uit artikel 43c van de Uitvoeringsregeling Awr, in welke bepaling specifiek is uitgewerkt in welke gevallen de fiscale geheimhoudingsplicht niet geldt, volgt dat de inkomensgegevens niet aan private partijen verstrekt mogen worden, aldus nog steeds de Woonbond. Deze redenering houdt geen stand. De Staat wijst er terecht op dat artikel 43c Uitvoeringsregeling Awr de invulling vormt van de in artikel 67, tweede lid, onder b, Awr opgenomen uitzondering, terwijl ten aanzien van de inkomensverklaringen de uitzondering van artikel 67, tweede lid, onder a, Awr van toepassing is. Voorts voert de Staat terecht aan dat de regeling rond de Basisregistratie inkomen (BRI), waar de artikelen 21a tot en met f Awr op zien, evenmin relevant is voor deze zaak. Het feit dat die regeling het verstrekken van inkomensgegevens onder voorwaarden toestaat aan bepaalde bestuursorganen, sluit niet uit dat de wetgever de Inspecteur van de Belastingdienst kan toestaan en verplichten inkomensverklaringen ook te verstrekken aan private organisaties zoals verhuurders. Artikel 21f Awr is evenmin van toepassing, nu in dit geval de inkomensgegevens door de Inspecteur rechtstreeks aan de verhuurder worden verstrekt, zodat de bescherming van inkomensgegevens via (de systematiek van) artikel 67 Awr verloopt.

5.15.

De Woonbond heeft ook nog aangevoerd dat de verstrekking van de inkomensverklaringen in strijd is met artikel 8 EVRM, omdat niet is voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit (grief 5). De Woonbond stelt in dit verband dat uit in 2016 uitgevoerd onderzoek (in opdracht van het Directoraat-General Bestuur en Wonen en de Directie Woningmarkt van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is gebleken dat “geen doorstroomverhogend effect van de inkomensafhankelijke huurverhoging in de periode 2013-2015 kan worden aangetoond”. Ook dit betoog slaagt niet. Zoals de Staat terecht opmerkt staat voorop dat het EVRM overheden een “margin of appreciation” laat waar het gaat om de beoordeling van de vraag wat noodzakelijk is en gerechtvaardigd ter bescherming van een bepaald belang. Met de Afdeling (uitspraak van 3 oktober 20189) is het hof van oordeel dat de wetgever bij de weging van het belang van bescherming van het recht op privéleven van de huurders enerzijds en de belangen van de huurwoningmarkt anderzijds, in redelijkheid tot de gemaakte keuzes heeft kunnen komen. De Staat wijst er ook terecht op dat de Wet iah meer doelstellingen heeft. De wet heeft niet alleen als doel het bevorderen van de doorstroming van huishoudens die niet (meer) tot de doelgroep van het gereguleerde huursegment behoren, maar beoogt ook te bereiken dat de huurder, als hij er niet (direct) voor kiest om naar een andere woning te verhuizen, in elk geval een huurprijs gaat betalen die meer marktconform is en meer in verhouding met de kwaliteit en gewildheid van de woning. Niet weersproken is dat die laatste doelstelling in elk geval wordt bereikt door een inkomensafhankelijke huurverhoging en dat de verstrekking van inkomenscategorieën aan de verhuurder daarvoor noodzakelijk is. Ook acht het hof van belang dat de Inspecteur niet het precieze inkomen van de huurder bekend maakt, maar alleen doorgeeft in welke categorie het inkomen valt. Bovendien zijn er waarborgen ingebouwd tegen misbruik.

5.16.

Tot slot heeft de Woonbond een beroep gedaan op de Privacyrichtlijn (grief 6). Op zich is juist dat beoordeeld moet worden of de regeling van artikel 7:252a BW, zoals deze sinds 1 april 2016 luidt, in de periode tot 25 mei 2018 conform de Privacyrichtlijn is geweest en voor de periode daarna conform de AVG. Van schending van de Privacyrichtlijn is geen sprake. De Woonbond doet een beroep op het doelbindingsbeginsel in de zin van artikel 6, eerste lid, sub b Privacyrichtlijn en betoogt dat de Inspecteur van de Belastingdienst met de verstrekking van de inkomensverklaringen persoonsgegevens voor een ander doel verwerkt dan die gegevens zijn verzameld. Dat betoog kan niet slagen. Met de invoering van artikel 7:252a BW staat vast dat inkomensgegevens mede worden verzameld om voor verhuurders inkomensverklaringen te kunnen opstellen. De gegevens die de Inspecteur van de Belastingdienst in dat kader verwerkt, worden dus niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verzameld. Daar komt bij dat die verstrekkingen ook niet onverenigbaar zijn met het in artikel 21b Awr genoemde doeleinde van de BRI, te weten afnemers voorzien van inkomensgegevens. Dat doel is breed en is voldoende verwant aan de hiervoor genoemde doeleinden van de verstrekking van inkomensverklaringen, mede gelet op de waarborgen die zijn getroffen, zoals de kennisgeving aan de huurders en de beperking van de inkomensverklaring tot een verklaring dat het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald gedrag. Ook de aard van de gegevens (uitsluitend het gegeven of het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald bedrag) en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene (uitsluitend een aanpassing van de huur aan de inkomenssituatie van de betrokkene) wijzen niet op een schending van het doelbindingsbeginsel. Zoals de Woonbond zelf heeft opgemerkt, brengt de AVG op dit punt geen significante wijziging mee. Voor zover de Woonbond heeft bedoeld te betogen dat de regeling met ingang van 25 mei 2018 in strijd is met de AVG, verwerpt het hof dat betoog dus op dezelfde gronden.

5.17.

De slotsom is dat sinds 1 april 2016 geen sprake meer is van onrechtmatige gegevensverwerking. De voor dat tijdvak gevraagde verklaring voor recht (vordering II tegen de Staat) kan dus niet worden gegeven.

Conclusie in de zaak tegen de Staat

5.18.

De conclusie luidt dat de grieven 1 tot en met 3 slagen. De Woonbond is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ten aanzien van het tijdvak vóór 1 april 2016 en de onder I gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. Grieven 4 tot en met 6 falen daarentegen. De onder II gevorderde verklaring voor recht voor het tijdvak na 1 april 2016 komt niet voor toewijzing in aanmerking. Vordering III is ingetrokken (maar zou overigens inhoudelijk ook niet toewijsbaar geweest). Bij deze uitkomst past dat de Woonbond als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van beide instanties zal worden veroordeeld, zodat zij geen recht heeft op de onder IV gevorderde terugbetaling van hetgeen uit hoofde van het bestreden vonnis is voldaan. Omdat de Woonbond zijn vorderingen in appel (deels) heeft gewijzigd zal het hof omwille van de duidelijkheid het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen de Woonbond en de Staat, vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor recht verklaren dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over huurders af te geven aan verhuurders. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. Conform de vordering van de Staat zal worden bepaald dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn, met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest en zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

In de zaak tegen Lieven de Key

Ontvankelijkheid (incidentele grief)

5.19.

Lieven de Key heeft op een aantal gronden de niet-ontvankelijkheid van de Woonbond bepleit. Volgens haar is niet aan het overlegvereiste van artikel 3:305a BW voldaan en handelt de Woonbond in strijd met zijn statutaire doelstellingen omdat de vorderingen de belangen dienen van slechts een klein deel van de achterban terwijl zij juist in strijd zijn met de belangen van het grootste deel van die achterban. De rechtbank heeft deze verweren verworpen en daartegen richt zich de incidentele grief van Lieven de Key.

5.20.

Naar het oordeel van het hof zijn de verweren ongegrond en faalt de incidentele grief. Omdat de vorderingen hoe dan ook niet toewijsbaar zijn, laat het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid verder onbesproken en gaat het over tot een inhoudelijke behandeling. Lieven de Key zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure in incidenteel appel. Vanwege de verwevenheid van de procedure in principaal appel en incidenteel appel begroot het hof de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van de Woonbond op nihil.

Vordering 1 primair en subsidiair: strijd met de wet? Nietigheid voorstellen tot huurverhoging respectievelijk vernietigbaarheid van de overeenkomsten tot huurverhoging

5.21.

Vordering I is gebaseerd op de stelling dat Lieven de Key in strijd met de wet heeft gehandeld door op grond van artikel 7:252a BW inkomensverklaringen bij de Inspecteur op te vragen en deze als bijlage te voegen bij voorstellen tot inkomensafhankelijke huurverhoging. De Woonbond stelt dat het gebruik van de inkomensverklaringen zowel voor als na de wijziging van artikel 7:252a BW per 1 april 2016 in strijd was met artikel 8 Wbp, omdat aan geen van de voorwaarden (a tot en met f) voor een rechtmatige verwerking werd voldaan. Daarnaast was de verwerking in strijd met de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6 Wbp, aldus de Woonbond. De Woonbond voert aan dat de voorstellen (en de daaraan voorafgaande verzoeken om verstrekking) daarom nietige rechtshandelingen zijn als bedoeld in artikel 3:40, tweede lid, BW, althans dat de overeenkomsten tot huurverhoging vernietigbaar zijn op grond van dwaling.

5.22.

De rechtbank heeft deze stellingen verworpen op grond van de overweging dat het wettelijke systeem van de artikelen 7:253 BW en 7:262 BW – op grond waarvan een huurder de redelijkheid van een voorstel tot huurverhoging aan achtereenvolgens de Huurcommissie en de kantonrechter kan voorleggen – eraan in de weg staat dat in deze civiele procedure alsnog wordt beoordeeld of een (voorstel tot) inkomensafhankelijke huurverhoging nietig of vernietigbaar is. De Woonbond heeft daar met haar grief 1 onder meer tegen ingebracht dat de Huurcommissie niet over eventuele schendingen van het recht op privacy kan oordelen. Wat daar ook van zij, dit geschilpunt kan verder in het midden blijven, omdat de vorderingen van de Woonbond in elk geval inhoudelijk niet toewijsbaar zijn. Daartoe overweegt het hof als volgt.

5.23.

Hiervoor (5.13 e.v.) is overwogen dat de verstrekking van inkomensverklaringen door de Inspecteur sinds 1 april 2016 niet in strijd is met de Awr noch met één van de andere bepalingen waarop de Woonbond zich heeft beroepen (artikel 8 EVRM en artikel 6 Privacyrichtlijn). Niet valt in te zien waarom het gebruik van die gegevens door verhuurders, waaronder Lieven de Key, in deze periode dan toch in strijd zou zijn geweest met de door de Woonbond aangehaalde bepalingen, dan wel met de zorgvuldigheidsnorm van artikel 6 Wbp. De Woonbond heeft dat niet toegelicht.

5.24.

Ook vóór 1 april 2016 heeft Lieven de Key echter niet in strijd met de wet of een van de genoemde bepalingen gehandeld. Het enkele feit dat de verstrekking van inkomensverklaringen door de Inspecteur voor die datum in strijd was met artikel 67 Awr betekent nog niet dat verhuurders die deze verklaringen opvroegen en gebruikten eveneens in strijd met de Awr of een andere bepaling handelden. Niet is onderbouwd dat Lieven de Key een zelfstandig verwijt te maken valt. De artikelen 21 en 67 Awr bevatten geen plichten voor de verhuurders en weliswaar stond er in artikel 7:252a BW vóór 1 april 2016 nog geen duidelijke wettelijke verplichting voor de Inspecteur om inkomensverklaringen af te geven aan verhuurders, maar deze bepaling heeft wel altijd al een niet voor misverstand vatbare verplichting voor verhuurders bevat om een inkomensverklaring bij een voorstel tot huurverhoging te voegen. Ook toen al bestond er voor de gegevensverwerking door verhuurders dus een wettelijke grondslag, te weten artikel 8 aanhef en onder c, Wbp. Daaraan doet niet af dat Lieven de Key niet verplicht was om een huurverhogingsvoorstel te doen, zoals de Woonbond heeft aangevoerd. Lieven de Key heeft gebruik gemaakt van een wettelijk recht en heeft bij de uitoefening van dat recht gehandeld conform de daarvoor geldende wettelijke regels. Niet onderbouwd is bovendien dat Lieven de Key wist of behoorde te weten dat de Inspecteur voor 1 april 2016 in strijd met artikel 67 Awr handelde door de inkomensverklaringen te verstrekken. Sterker, uit de wetsgeschiedenis en de snelle reparatiewetgeving per 1 april 2016 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever was om het afgeven van inkomensverklaringen door de Inspecteur mogelijk te maken.

5.25.

Het hof concludeert dat van nietigheid of vernietigbaarheid wegens strijd met de wet geen sprake kan zijn (nog daargelaten of de voorstellen respectievelijk de overeenkomsten tot huurverhoging rechtshandelingen zijn, hetgeen Lieven de Key betwist).

Vervolg vordering I subsidiair: vernietigbaarheid wegens dwaling?

5.26.

Het beroep op vernietiging van de overeenkomsten tot huurverhoging wegens dwaling moet eveneens worden verworpen, ook wat betreft de periode vóór 1 april 2016. Hierboven (onder 5.12.) is reeds overwogen dat het enkele feit dat de verstrekking van inkomensverklaringen door de Inspecteur vóór 1 april 2016 strikt genomen onrechtmatig – want in strijd met artikel 67 Awr – is, nog niet betekent dat de Staat schadeplichtig is jegens de huurders, aangezien het de vraag is of aan de overige, daarvoor geldende voorwaarden is voldaan (o.a. causaal verband, relativiteit). Evenzeer geldt dat de enkele omstandigheid dat de verstrekking van de verklaringen aan de verhuurders in strijd met artikel 67 Awr was, nog niet betekent dat de huurders zich met terugwerkende kracht kunnen bevrijden van op zichzelf (want dat is niet in geschil) juist berekende en in het systeem van de wet passende huurverhogingen. De Woonbond gaat ten onrechte van dit automatisme uit. Van een onjuiste of onvolledige informatieverstrekking (artikel 6:228, eerste lid, onder a en onder b, BW) door Lieven de Key is hoe dan ook geen sprake geweest. Niet onderbouwd is immers dat Lieven de Key wist of behoorde te weten dat de gegevensverstrekking door de Inspecteur in strijd was met artikel 67 Awr. Het beroep op vernietiging wegens wederzijdse dwaling (artikel 6:228, eerste lid, onder c BW) stuit reeds af op de door Lieven de Key terecht ingeroepen regel dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die voor rekening van de dwalende behoort te blijven (artikel 6:228, tweede lid, BW) en in elk geval op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid10, ook indien de daarbij vereiste terughoudendheid in acht worden genomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat Lieven de Key te goeder trouw heeft gehandeld, dat niet in geschil is dat de huurverhogingen op zichzelf juist zijn berekend en dat – zoals hierboven al is overwogen – uit de wetsgeschiedenis en de snelle reparatiewetgeving per 1 april 2016 blijkt dat het van meet af aan de bedoeling van de wetgever is geweest om inkomensafhankelijke huurverhogingen mogelijk te maken met gebruikmaking van door de Inspecteur af te geven inkomensverklaringen. Bij deze stand van zaken kunnen de overige verweren van Lieven de Key (waaronder het verweer dat geen sprake is van een op een wilsbesluit gebaseerde, voor vernietiging vatbare overeenkomst) onbesproken blijven.

Vordering II: onrechtmatig gebruik van de inkomensverklaringen? (grief 3)

5.27.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Lieven de Key voor en na 1 april 2016 niet onrechtmatig heeft gehandeld.

5.28.

Lieven de Key heeft evenmin misbruik gemaakt van haar bevoegdheid door inkomensafhankelijke huurverhogingen op te leggen met behulp van de inkomensverklaringen, zoals de Woonbond ook nog heeft aangevoerd. Volgens de Woonbond is sprake van een onevenredigheid tussen het belang van Lieven de Key bij de huurverhoging, te weten het tegengaan van scheefwonen, en het belang van de huurders, te weten bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op privacy. De Woonbond merkt in dat verband op dat uit onderzoek blijkt dat het doel van tegengaan van scheefwonen niet wordt bereikt door de inkomensafhankelijke huurverhogingen en dat dus aannemelijk is dat Lieven de Key andere doelen heeft, zoals het genereren van extra inkomsten.

5.29.

Ook dit betoog slaagt niet. Voorop staat dat Lieven de Key terecht opmerkt dat uitgangspunt is dat zij van haar bevoegdheden gebruik mag maken, dat de lat voor het aannemen van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW hoog ligt en dat het dus niet om een eenvoudige afweging van belangen gaat: er moet daadwerkelijk sprake zijn van een onevenredigheid. De Woonbond miskent met het betoog dat het tegengaan van scheefwonen slechts één van de doelstellingen van de Wet Iah is (zie ook 5.15 hierboven). Deze wet beoogt ook te bereiken dat een huurder, als hij er niet (direct) voor kiest om naar een andere woning te verhuizen, in elk geval een huurprijs gaat betalen die meer marktconform is en meer in verhouding met de kwaliteit en gewildheid van de woning. Het genereren van extra inkomsten met het oog op investeringen in de volkshuisvesting is daarnaast eveneens een doelstelling. Reeds daarom is het hof van oordeel dat hetgeen de Woonbond heeft aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van bevoegdheid.

5.30.

Mede gelet op het voorgaande valt ook niet in te zien in strijd met welke ongeschreven zorgvuldigheidsnorm Lieven de Key zou hebben gehandeld. Dit betekent dat ook grief 3 faalt en dat de rechtbank vordering II van de Woonbond eveneens terecht heeft afgewezen.

Vordering III - onverschuldigde betaling? (grief 2) Of ongerechtvaardigde verrijking?

5.31.

Uit het voorgaande vloeit voort dat geen sprake is van huurverhogingen zonder rechtsgrond. De huurders hebben niets onverschuldigd betaald. Ook grief 3 faalt. Hieruit volgt bovendien dat ongerechtvaardigde verrijking evenmin aan de orde is, nog daargelaten dat de Woonbond aan het beroep op dat leerstuk geen vordering heeft verbonden.

Conclusie in de zaak tegen Lieven de Key

5.32.

De conclusie luidt dat de Woonbond ook met het appel in de zaak tegen Lieven de Key geen succes heeft. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover gewezen tegen Lieven de Key, bekrachtigen. Bij deze uitkomst past dat de Woonbond in de kosten van Lieven de Key in principaal appel wordt veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

In de zaak tegen de Staat met nummer 200.246.295/02

- vernietigt het bestreden vonnis,

en opnieuw rechtdoende,

- verklaart voor recht dat de Staat vanaf 1 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van huurders door in het kader van inkomensafhankelijke huurverhogingen inkomensverklaringen over huurders af te geven aan verhuurders;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- veroordeelt de Woonbond in de kosten van de Staat in beide instanties, in eerste aanleg tot aan 10 januari 2018 begroot op € 619,- aan griffierecht en € 904,- aan salaris advocaat en in appel tot op heden begroot op € 726,- aan griffierecht en op € 3.759,- aan salaris advocaat, bij niet-betaling te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak tegen Lieven de Key met nummer 200.239.036/01

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt Woonbond in de proceskosten van het principaal appel, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op € 726,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt Lieven de Key in de kosten van het incidenteel appel, tot op heden aan de zijde van de Woonbond begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, P.H. Blok en T.G.M. Simons en ondertekend en op 22 december 2020 in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.

1 Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG

2 ECLI:NL:RVS:2016:253

3 ECLI:NL:RVS:2020: 1375

4 Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.

5 HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 (Staat/Privacy First). Vgl ook HR 3 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049 (SCAU/Universiteiten) en HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58 (Alcoholslot).

6 Vgl. o.a. HR 21 april 2004 ECLI:NL:2004:AU4548

7 Vgl. o.a. HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527 (Changoe/Staat).

8 Zie o.a de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2751, r.o. 5, laatste alinea; zie voor gegevensverstrekkingen van de Belastingdienst o.a. de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2751.

9 ECLI:NL:RVS:2018:3215

10 Conclusie van antwoord onder 70 e.v.