Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2552

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
BK-20/00295
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14233, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil, in zoverre net als voor de Rechtbank, of de Inspecteur de bevoegdheid heeft over het in geding zijnde jaar na te vorderen en of, zo dat het geval is, belanghebbende voor het jaar 2014 recht heeft op aftrek van zorgkosten ter grootte van het door de Inspecteur niet aanvaarde bedrag en op de door belanghebbende voorgestane aftrek ter zake van uitgaven wegens levensonderhoud kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-01-2021
V-N Vandaag 2021/107
FutD 2021-0253
NTFR 2021/422
V-N 2021/11.23.11
NLF 2021/0216 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00295

Uitspraak van 10 september 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 december 2019, nr. SGR 19/1712.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft op 22 april 2015 voor het jaar 2014 een schriftelijke aangifte voor de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen (IB/PVV) ingediend. Voor dat jaar heeft hij op 11 november 2015 op digitale wijze een tweede (aanvullende) aangifte IB/PVV ingediend, met aftrekposten van bij wijze van forfait € 2.320 aan kosten levensonderhoud kinderen en, gespecificeerd, € 1.223 (na toepassing van de drempel van € 423) aan specifieke zorgkosten. Op 9 april 2016 is de definitieve aanslag, vastgesteld conform die aangifte, opgelegd.

2. Uit de ambtsedige verklaring van 21 december 2018 van de regiocoördinator systeemfraude van de Belastingdienst:

"(…) Begin 2015 is door de Belastingdienst een analyse uitgevoerd voor aangiften inkomstenbelasting die onder vermelding van een beconnummer werden ingestuurd. Hierbij viel beconnummer [X] van [kantoor van de gemachtigde van belanghebbende] op vanwege het hoge percentage aangiften met zorgkosten. Via dit beconnummer werden veel meer aangiften met een aftrek zorgkosten ingestuurd dan op basis van het landelijk gemiddelde zou mogen worden verwacht. Zoals bij dit soort signalen gebruikelijk is, zijn vervolgens voor een klein gedeelte van de aangiften vragenbrieven verstuurd teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre de door [kantoor van gemachtigde] opgevoerde aftrekposten terecht werden opgevoerd. Met dagtekening 30 juni 2015 zijn daartoe 173 vragenbrieven verstuurd voor aangiften IH 2014 van [kantoor van gemachtigde] waarin een aftrek zorgkosten was opgevoerd en waarvoor nog geen definitieve aanslag was vastgesteld. Het grootste deel van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 tot en met 2014 was op dat moment echter al geautomatiseerd vastgesteld. Naar aanleiding van de bevindingen bij de behandeling van deze aangiften, is begin 2016 vervolgens een signalering ingebracht, die er voor zorgde dat de aangiften die vanaf dat moment zouden worden ingediend onder het beconnummer van [kantoor van gemachtigde], zouden worden uitgeworpen voor inhoudelijke beoordeling van de aangifte. Op het moment van inbrengen van de signalering was nog niet duidelijk in hoeverre de bevindingen bij de behandeling van de 173 aangiften, representatief waren voor het aangiftegedrag van [kantoor van gemachtigde]. Ten tijde van het inbrengen van de signalering gold een algemene ondergrens van 8:29 AWB, die ook voor andere adviseurs gold waarvoor een signalering was ingebracht. Tijdens de behandeling van deze aangiften wordt duidelijk dat slechts een beperkt gedeelte van de in aftrek gebrachte bedragen in de aangiften van [kantoor van gemachtigde] aannemelijk kan worden gemaakt. Dit leidt tot het op 9 november 2016 indienen van de preweeg waarin [kantoor van gemachtigde] wordt voorgedragen voor een strafrechtelijk onderzoek. Op 17 november 2016 is besloten het strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Met dagtekening 14 maart 2017 zijn via een zogenaamde centrale mailing 1.853 verzoeken om informatie over de aangiften 2012 tot en met 2015 verstuurd aan de klanten van [kantoor van gemachtigde]. Het overgrote deel van deze vragenbrieven was naar aanleiding van aangiften die zijn ingediend onder vermelding van beconnummer [X]. Een klein deel van de vragenbrieven had betrekking op papieren aangiften die vermoedelijk ook door [kantoor van gemachtigde] zijn ingediend. Om de omvang van het fiscale nadeel te kunnen bepalen, is voor deze mailing een ondergrens gehanteerd van 8:29 AWB. Naar aanleiding van deze vragenbrieven zijn in veel gevallen navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de opgevoerde zorgkosten niet aannemelijk gemaakt konden worden. (…)"

3.1.

De Inspecteur heeft in het kader van de centrale mailing van 14 maart 2017 belanghebbende bij vragenbrief voorgelegd:

"Wij hebben onderzoek gedaan naar het aangifte gedrag van degene die uw aangifte inkomstenbelasting over 1 of meerdere van de jaren 2012 tot en met 2015 heeft ingediend. Daaruit is gebleken dat diegene voor meerdere personen aangiften met onjuiste aftrekposten heeft gedaan. Mogelijk geldt dat ook voor uw aangifte. Ik zal uw aangifte over 2014 nader beoordelen. Daarvoor heb ik meer informatie van u nodig. Daarom vraag ik u mij een aantal gegevens op te sturen. Welke informatie moet u opsturen? U hebt in uw aangifte bepaalde kosten afgetrokken. Op het formulier in de bijlage ziet u om welke kosten het gaat. Vul dit formulier in en stuur het samen met de gevraagde bewijsstukken aan mij op. Hebt u de aangegeven kosten niet gemaakt? Onderteken dan de bijgevoegde verklaring en stuur die aan mij op. Houd er rekening mee dat wij de bewijsstukken kunnen controleren bij anderen. Ook de onderdelen van uw aangifte waar geen vragen over worden gesteld zal ik beoordelen. Wat doe ik met uw informatie? Ik vergelijk de informatie die u mij stuurt met uw aangifte. Wijkt deze informatie af, dan corrigeer ik uw aangifte of leg ik een navorderingsaanslag op. Voordat ik dat doe, krijgt u hierover bericht. Als u niet op tijd reageert op deze brief corrigeer ik uw aangifte ook of leg een navorderingsaanslag op. Nadat wij uw reactie hebben ontvangen, kan het soms langere tijd duren voordat u bericht krijgt. (…)"

3.2.

In de vragenbrief is informatie verzocht (onder meer) over de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten (€ 1.223) en kosten levensonderhoud kinderen (€ 2.320), welke informatie belanghebbende op 17 september 2017 heeft verstrekt.

4. De Inspecteur heeft op 28 oktober 2017 belanghebbende voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV met bij beschikking berekende belastingrente van € 150 opgelegd. De aftrek van de specifieke zorgkosten van € 1.223 en de aftrek van de kosten levensonderhoud kinderen van € 2.320 (kind 1 en kind 2) heeft hij geschrapt. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur voor € 1.160 de aftrek kosten levensonderhoud kinderen geaccepteerd, welke kosten kind 1 betreffen, het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag kosten levensonderhoud voor kind 2 niet aanvaard, de door belanghebbende pas bij bezwaar ingebrachte aftrekpost van € 1.000 inzake aftrek levensonderhoud aangaande kind 3 evenmin geaccepteerd, omdat de op die twee kinderen betrekking hebbende kosten onvoldoende onderbouwd dan wel niet aannemelijk gemaakt worden geacht, en de beschikking belastingrente vernietigd en is een vergoeding van proceskosten van € 504 (2 x € 254) toegekend.

5. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.532, de Inspecteur veroordeeld tot het aan belanghebbende betalen van een vergoeding van € 500 voor immateriële schade en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

6. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en nog gereageerd bij aan de Inspecteur op 20 augustus 2020 doorgezonden brief van 18 augustus 2020 met diverse bijlagen ("Toezending nadere stukken").

7. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 3 september 2020. Partijen zijn verschenen.

8. Belanghebbende is vader van vier kinderen, geboren op [geboortedatum] 1998 (kind 1), op [geboortedatum] 2001 (kind 2), op [geboortedatum] 2005 (kind 3) en op [geboortedatum] 2014 (kind 4). Kind 1 is woonachtig in [woonplaats 1] . De kinderen 2 en 3 wonen in [woonplaats 2] bij hun moeder, mevrouw [A] .

9. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

8. In geschil is of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en of sprake is van ambtelijk verzuim. Voorts in geschil is of [belanghebbende] recht heeft op aftrek van de specifieke zorgkosten en een hoger bedrag aan de kosten levensonderhoud kinderen. Tot slot is in geschil of de redelijke termijn is overschreden.

9. [ Belanghebbende] stelt dat geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, aangezien [de Inspecteur] zich schuldig heeft gemaakt aan ambtelijk verzuim door de definitieve aanslag op te leggen in 2016 zonder verscherpt onderzoek. Volgens [belanghebbende] had de aangifte toen al aan verscherpt onderzoek onderworpen moeten zijn, aangezien rond april 2015 reeds onderzoek was ingesteld naar het aangiftegedrag van het kantoor van gemachtigde. Voorts stelt [belanghebbende] dat [de Inspecteur] geen geloof heeft gehecht aan de overlegde bewijzen met betrekking tot de zorgkosten en de berekening inzake de kosten levensonderhoud kinderen. Ter zitting heeft [belanghebbende] verzocht om vergoeding van immateriële schade die hij heeft geleden vanwege de duur van de behandeling van het geschil.

10. [ De Inspecteur] stelt dat navordering is gerechtvaardigd, aangezien het een nieuw feit vormt dat [belanghebbende] niet aan de bewijslast kon voldoen ten aanzien van de in aftrek gebrachte kosten. Volgens [de Inspecteur] is geen sprake van ambtelijk verzuim, aangezien de controle ingesteld in januari 2016 geen effect meer sorteerde ten aanzien van de aanslagregeling IB/PVV voor het jaar 2014. In het ‘Aanslag Belastingen Systeem’ van [de Inspecteur] was namelijk reeds op 14 december 2015 een beslissende fase in het aanslagproces afgesloten. Verder stelt [de Inspecteur] dat de aftrek van de specifieke zorgkosten en de kosten levensonderhoud kinderen terecht (gedeeltelijk) is geweigerd.

Beoordeling van het geschil

Is sprake van een nieuw feit?

11. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit kan geen grond voor navordering opleveren als dit feit de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op [de Inspecteur] rust de last aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

12. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit, dient beoordeeld te worden of sprake is van feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslag reeds bij [de Inspecteur] bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat [de Inspecteur] er in het algemeen op mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, [de Inspecteur] een nader onderzoek dient in te stellen (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

13. Gesteld nog gebleken is dat de aangifte gegevens bevatte waarvan de juistheid, na daarvan met normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen, in redelijkheid moest worden betwijfeld. De aangifte is niet zodanig ongebruikelijk dat onmiddellijk duidelijk moest zijn dat deze niet zonder onderzoek naar de juistheid ervan kon worden gevolgd. Nu de aangifte verder geen aanleiding tot vragen gaf, was er voor [de Inspecteur] dan ook geen beletsel de aangifte zonder verder onderzoek te volgen.

Is sprake van een ambtelijk verzuim?

14. De namens [belanghebbende] geschetste omstandigheid dat het kantoor van zijn gemachtigde vanaf april 2015 aan een verscherpt onderzoek werd onderworpen omdat gebleken zou zijn dat medewerkers van het kantoor in de door hen verzorgde aangiften gefingeerde aftrekposten zouden hebben opgevoerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat in die gevallen waarin een verscherpte controle achterwege is gebleven reeds daarom kan worden gesproken van een ambtelijk verzuim dat aan de bevoegdheid tot navordering in de weg staat. [De Inspecteur] stelt dat naar aanleiding van de gerezen verdenking in eerste instantie een beperkt onderzoek is ingesteld naar de juistheid van 173 door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften IB/PVV. Op basis van de beantwoording van de in die zaken met dagtekening 30 juni 2015 verzonden vragenbrieven en het onderzoek naar de juistheid daarvan is vervolgens geconcludeerd dat een uitgebreider onderzoek naar de juistheid gerechtvaardigd was. Vanaf begin 2016 werden dan ook de digitaal ingediende aangiften die zijn voorzien van het beconnummer van gemachtigde en waarvan de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen aan een onderzoek onderworpen. Nadat de papieren aangiften in het onderzoek van [de Inspecteur] werden betrokken werd in maart 2017 het bedrag vanaf welke een nadere controle zou plaatsvinden aangepast. In het kader van dit bredere onderzoek is ook de vragenbrief van 14 maart 2017 aan [belanghebbende] toegezonden. De rechtbank acht deze werkwijze van [de Inspecteur] zorgvuldig en voldoende voortvarend.

15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank in onderhavige zaak van oordeel dat pas voor het eerst sprake kan zijn van een ambtelijk verzuim ten aanzien van definitieve aanslagen die zijn opgelegd vanaf begin 2016.

16. De rechtbank is van oordeel dat de vermelde aftrekposten in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 als zodanig geen aanleiding gaven tot nader onderzoek. Echter hetgeen [de Inspecteur] wist omtrent het kantoor van gemachtigde maakte dat [de Inspecteur] op zeker moment is gaan twijfelen aan de juistheid van de opgevoerde aftrekposten. De vraag is dan of [de Inspecteur] ten tijde van het vaststellen van de definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 (9 april 2016) over zodanige informatie beschikte dat [de Inspecteur] de aangifte van [belanghebbende] aan een nader onderzoek had behoren te onderwerpen. [De Inspecteur] beschikte reeds in januari 2016 over zodanige informatie dat hij hierin aanleiding zag alle door het kantoor van gemachtigde digitaal ingediende aangiften inhoudelijk te beoordelen. Dat [de Inspecteur] daarbij de keuze heeft gemaakt om een bepaalde ondergrens te stellen met betrekking tot het financiële belang is een interne keuze. Hieraan ligt immers geen andere informatie ten grondslag. Omdat [de Inspecteur] de keuze heeft gemaakt de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 van [belanghebbende] niet nader te onderzoeken, terwijl [de Inspecteur] ten tijde van de vaststelling van de aanslag over zodanige informatie beschikte dat [de Inspecteur] redelijkerwijs aan de juistheid van de ingediende aangifte behoorde te twijfelen, is sprake van een ambtelijk verzuim. De navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2014 kan daarom niet in stand blijven.

17. De verklaring van [de Inspecteur] dat de ingestelde controle in januari 2016 geen effect meer sorteerde ten aanzien van de aanslagregeling IB/PVV voor het jaar 2014 omdat in het ‘Aanslag Belastingen Systeem’ van [de Inspecteur] reeds op 14 december 2015 een beslissende fase in het aanslagproces was afgesloten, doet aan voormeld oordeel niets af. De gevolgen van het op deze wijze inrichten van het proces van de aanslagregeling komen voor rekening en risico van [de Inspecteur].

Aftrek van specifieke zorgkosten en de kosten levensonderhoud kinderen

18. Aangezien de navorderingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank niet in stand kan blijven, behoeft de vraag of [belanghebbende] recht heeft op aftrek van de specifieke zorgkosten en de hogere kosten levensonderhoud kinderen geen behandeling.

Vergoeding van immateriële schade

19. [ Belanghebbende] heeft ter zitting verzocht om toekenning van een schadevergoeding in verband met de duur van de behandeling van het geschil. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat wanneer belastinggeschillen niet binnen een redelijke termijn worden beslecht, er reden kan zijn voor de vergoeding van immateriële schade vanwege de spanning en frustratie die bij een belastingplichtige ontstaat door de lange behandelduur.

20. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop [de Inspecteur] het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (vgl. HR 18 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

21. [ De Inspecteur] heeft het bezwaarschrift ontvangen op 6 december 2017. Tussen

6 december 2017 en heden, 23 december 2019, is een periode van twee jaar en afgerond naar boven een maand verstreken, zodat de redelijke termijn met afgerond naar boven een maand is overschreden. Deze termijnoverschrijding is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase, aangezien [de Inspecteur] op 29 januari 2019 uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

22. Ter zitting is door beide partijen verklaard dat [belanghebbende] heeft toegezegd [de Inspecteur] niet in gebreke te zullen stellen voor het niet-tijdig beslissen op het bezwaar. Door het achterwege blijven van deze ingebrekestelling is [de Inspecteur] geen dwangsom verschuldigd in de zin van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor zover [de Inspecteur] stelt dat [belanghebbende] met deze toezegging de redelijke termijn heeft verlengd, overweegt de rechtbank het volgende. Het opleggen van een dwangsom is een maatregel gericht op het verkrijgen van een beslissing en is niet bedoeld als vergoeding van mogelijke immateriële schade. Het feit of de belanghebbende een dwangsom heeft geëist vanwege het niet-tijdig beslissen door het bestuursorgaan is niet relevant voor de berekening van de (overschrijding van de) redelijke termijn. Naar oordeel van de rechtbank verschaft de toezegging van [belanghebbende] dan ook geen grond voor het verlengen van de redelijke termijn.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen veroordeelt de rechtbank [de Inspecteur] tot het betalen van een schadevergoeding van € 500.

Conclusie

24. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

(…)"

10. In hoger beroep is in geschil, in zoverre net als voor de Rechtbank, of de Inspecteur de bevoegdheid heeft over het in geding zijnde jaar na te vorderen en of, zo dat het geval is, belanghebbende voor het jaar 2014 recht heeft op aftrek van zorgkosten ter grootte van het door de Inspecteur niet aanvaarde bedrag en op de door belanghebbende voorgestane aftrek ter zake van uitgaven wegens levensonderhoud kinderen.

11. Naar 's Hofs oordeel heeft de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven. De Inspecteur heeft tegenover de betwisting door belanghebbende geen, althans onvoldoende gronden ingebracht en, voor zover ingebracht, van een voldoende of aanvaardbare onderbouwing voorzien, die moeten leiden tot een ander oordeel. Het Hof heeft in aanmerking genomen dat het geenszins is overtuigd van de juistheid van de door de Inspecteur in beroep en in hoger beroep ingenomen standpunten en aangevoerde stellingen, neerkomende op het in het licht van het bepaalde in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zoeken van een rechtvaardiging voor de navordering bij wijze van afpellende aanpak - het gestelde nieuwe feit, de afwezigheid van een ambtelijk verzuim, de pas in hoger beroep gestelde kwade trouw van de gemachtigde en/of belanghebbende en de aanwezigheid van een te pardonneren of te passeren fout van de Inspecteur. Wat dat aangaat acht het Hof de Inspecteur, op wie in dezen de bewijslast rust, met wat hij in de procedure ter onderbouwing van diens aanpak heeft aangegeven en gesteld - ook met het wijzen op het feit dat eerst de digitale (aanvullende) aangifte het beconnummer van het kantoor van belanghebbendes gemachtigde vermeldt - op geen enkele wijze geslaagd in het volbrengen van die last.

12. Het hoger beroep is ongegrond. De overige punten hoeven geen behandeling. Wel plaatst het Hof de kanttekening dat het de in de procedure door belanghebbende ter onderbouwing van de in geding zijnde aftrekposten aangevoerde stellingen en ingebrachte bewijsmiddelen, bijvoorbeeld de verklaringen, facturen en bankafschriften, zeker niet op voorhand als ongeloofwaardig of onvoldoende aannemelijk wil wegzetten.

13. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De kosten stelt het Hof, onder handhaving van de door de Rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling, vast op € 1.050 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 525 x 1 (gewicht). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

14. Omdat de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur wegens het instellen van hoger beroep een griffierecht geheven van € 532.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.050, en

- verstaat dat de griffier van de Inspecteur € 532 aan griffierecht heft.

De uitspraak is vastgesteld door J.T. Sanders, U.E. Tromp en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 10 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Tromp

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.