Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2518

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
2200391118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling van (ex-)vriendin. Nadere overwegingen inzake betrouwbaarheid bewijs. Vordering benadeelde partij: verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor pas in hoger beroep voor het eerst gestelde schade. Binnen het wettelijk systeem is niet uitgesloten dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die (in eerste aanleg) niet is gevorderd dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij. Deze mogelijkheid heeft echter niet tot doel om – zoals in dit geval - de wettelijke beperking dat een benadeelde partij zich niet pas in hoger beroep kan voegen met een (aanvullende) vordering tot schadevergoeding te omzeilen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0098
NJFS 2021/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003911-18

Parketnummer: 10-228281-16

Datum uitspraak: 23 december 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 april 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2014 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]

- met kracht bij de keel en/of de arm vastgepakt en/of

- tegen een muur aangedrukt en/of

- in de nek gebeten;

2.
hij op of omstreeks 30 november 2014 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]

- met de tot vuist gebalde handen in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- met de geschoeide voeten in/op/tegen de buik en/of het lichaam geschopt en/of getrapt en/of

- aan het hoofdhaar getrokken en/of

- met haar lichaam over de grond gesleurd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Voorts is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 312,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2014 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2014 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]

- met kracht bij de keel en/of de arm vastgepakt en/of

- tegen een muur aangedrukt en/of

- in de nek gebeten;

2.
hij op of omstreeks 30 november 2014 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer]

- met de tot vuist gebalde handen in/op/tegen het gezicht en/of tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- met de geschoeide voeten in/op/tegen de buik en/of tegen het lichaam geschopt en/of getrapt en/of

- aan het hoofdhaar getrokken en/of

- met haar lichaam over de grond gesleurd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Namens de verdachte is een integrale vrijspraak bepleit. De verdachte ontkent beide aan hem verweten mishandelingen van zijn ex-vriendin. Haar belastende verklaringen zijn onbetrouwbaar en daarom niet bruikbaar in enige bewijsconstructie. Daarnaast is er onvoldoende (betrouwbaar) steunbewijs voorhanden, aldus de raadsman.

Het hof kan de verdediging hier niet in volgen. De belastende verklaringen afgelegd door [aangeefster] worden in sterke mate en op essentiële onderdelen bevestigd door toelaatbaar steunbewijs en zijn ook om die reden betrouwbaar te achten.

Ten aanzien van feit 1 wordt de aangifte ondersteund door de verklaring van [getuige], die verklaart de verdachte bij de woning alsook het letsel van aangeefster te hebben gezien, de foto’s van het letsel en de verklaring van de verdachte zelf dat hij daadwerkelijk in de hal van de woning is geweest en [aangeefster] - in elk geval - zou hebben geduwd (zie proces-verbaal van verhoor verdachte op p. 33 van het procesdossier). Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat [aangeefster] dit letsel, als gesteld, zichzelf zou hebben aangedaan.

De aangifte d.d. 3 december 2014 met betrekking tot feit 2 wordt allereerst gesteund door de inhoud van een medische verklaring d.d. 30 december 2014, waarin verslag wordt gedaan van het letsel dat tijdens een ziekenhuisbezoek d.d. 2 december 2014 bij [aangeefster] is vastgesteld. De dag erop doet zij aangifte en verstrekt zij aan de politie een aantal foto’s waarop fors letsel te zien is. Kort gezegd: zij is op verschillende plekken bont en blauw. [getuige] biedt een nadere uitleg. Zij maakte zich zorgen over [aangeefster], aangezien zij niet op maandag 1 december 2014 op school was verschenen; de volgende dag evenmin. Vervolgens belde zij aan bij haar woning alwaar zij [aangeefster] aantrof, die letsel had en zei dat de verdachte haar dat had aangedaan; [aangeefster] mocht van de verdachte na de mishandeling de woning niet verlaten, omdat het letsel in haar gezicht goed te zien was. [getuige] heeft vervolgens het aangiftemoment bij de politie geregeld en is met haar naar het ziekenhuis gegaan. Tot slot is van (doorslaggevend) belang de inhoud van (screenshots van) whatsapp-berichten die [aangeefster] aan de politie heeft verstrekt. Volgens haar betreft dat een “gesprek” tussen haar en de verdachte. De verdachte werd hiermee geconfronteerd tijdens zijn politieverhoor d.d. 17 maart 2015 (te 09.55 uur). Hij erkent dat het op die screenshots zichtbare telefoonnummer van hem is en dat zijn berichten gaan “over haar hele leven en alles wat daarin is gebeurd”. Hiermee staat in elk geval vast dat de verdachte de verzender is van deze berichten aan [aangeefster]. Zijn duiding van die berichten is echter volkomen ongeloofwaardig. Het “gesprek” vindt plaats op 3 december (2014) en begint om 06.24 uur en passen naar het oordeel van het hof naadloos bij het kort daarvoor door hem mishandelen van [aangeefster]. Het lijkt er sterk op dat de verdachte wanhopig is en vooral aan zichzelf denkt. Hij wil namelijk dat de buitenwacht, waaronder haar eigen moeder, het letsel niet te zien krijgt en om die reden moet zij (zoals aangeefster en overigens ook [getuige] heeft verklaard) thuis blijven en niet naar school gaan. Beloftes van geld en cadeaus zouden haar daartoe moeten verleiden. Een korte selectie: “baby ik zweer niemand mag dit zien”, “ik heb ook doekoe [het hof begrijpt: geld] voor je”, “plea[s]e ik ben alles kwijt na [w]at ik heb gedaan”, “Aub neem op schat dit wil ik echt niet … heb … spijt van alles…”, “Echt wat er gebeurd kan niet”, “De dagen dat jij mis loop werk ga ik vergoeden”, “Ga aub niet naar sco [het hof begrijpt: school]”, “ga niet naar buiten”, “Je ma mag niks weten”, “Ik ben zo fout schuldig”, “ik wil dit niet al ben ik te ver gegaan”, “ik zweer ik heb kk spijt en dit ga ik goed maken echt diep teleur gesteld spreek je straks ja en ik ga je echt geld geven sorry”, “Moet jij iets hebben van issi Parijs nu zeggen. Ik pak gwn een Dior geurtje”.

Ook ten aanzien van dit feit is aangevoerd dat [aangeefster] het bij haar geconstateerde letsel zichzelf zou hebben aangedaan. Dat is, zoals volgt uit het voorgaande, een aperte leugen.

De slotsom is dat beide aan de verdachte verweten mishandelingen van zijn ex-vriendin wettig en overtuigend bewezen zijn.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten, te weten mishandeling van zijn toenmalige vriendin op 7 oktober en 30 november 2014. Vooral die laatste mishandeling was buitengewoon heftig: hij heeft haar toen letterlijk bont en blauw geslagen. Verder is ook bijzonder laakbaar dat hij haar heeft getracht te bewegen zichzelf thuis op te sluiten totdat het zichtbare letsel zou zijn geheeld.

Het behoeft geen betoog dat de verdachte haar aldus nodeloos pijn en letsel heeft bezorgd, hetgeen een ernstige inbreuk is op haar lichamelijke integriteit.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 november 2020.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 712,60.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag. Voorts heeft [aangeefster] in het hoger beroep een aanvullend verzoek ingediend tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor gestelde nieuwe, pas in hoger beroep bekende, schade van € 581,80 voor het aanvragen van een urgentieverklaring en verhuiskosten. Deze schade is in eerste aanleg niet gevorderd. Door de benadeelde partij is aangevoerd dat de omstandigheid dat zij zich - gelet op artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering - niet voor een hoger bedrag tot schadevergoeding kan voegen, niet in de weg staat aan oplegging van de schadevergoedingsmaatregel inhoudende ook deze nieuwe schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 312,60, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, het overige niet-ontvankelijk te verklaren en het verzoek tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor de nieuwe, pas in hoger beroep aangevoerde, schade af te wijzen wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband met de tenlastegelegde feiten.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor integrale toewijzing, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot het aanvullend verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep overweegt het hof als volgt.

Binnen het wettelijk systeem is niet uitgesloten dat, onder omstandigheden, een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor schade die (in eerste aanleg) niet is gevorderd dan wel niet zonder meer toewijsbaar is als vordering benadeelde partij. Deze mogelijkheid heeft echter niet tot doel om de wettelijke beperking, inhoudende dat een benadeelde partij zich niet pas in hoger beroep kan voegen met een (aanvullende) vordering tot schadevergoeding, te omzeilen. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van dit laatste sprake.

Naar het oordeel van het hof staat derhalve reeds het wettelijk systeem in de weg aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel met betrekking tot de aanvullende verzochte schade, hetgeen betekent dat het hof niet zal overgaan tot oplegging hiervan.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 712,60 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 712,60 (zevenhonderdtwaalf euro en zestig cent) bestaande uit

€ 12,60 (twaalf euro en zestig cent) materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 712,60 (zevenhonderdtwaalf euro en zestig cent) bestaande uit

€ 12,60 (twaalf euro en zestig cent) materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 oktober 2014.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, mr. F.W. van Lottum en mr. J.A. van Dorp, in bijzijn van de griffier mr. L.E. Hollander.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2020.

Mr. B.P. de Boer en mr. J.A. van Dorp zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.