Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2469

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
200.253.864/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Hof oordeelt anders dan de kantonrechter dat vordering eega tot vernietiging niet is verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.253.864/01

Zaaknummer rechtbank : 6252726 CV EXPL 17-29666

arrest van 22 december2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding

1.1.

Bij exploot van 26 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van twee door de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter), tussen partijen gewezen vonnissen van 16 maart 2018 hierna (het tussenvonnis) en 7 september 2018 (hierna: het eindvonnis). Bij memorie van grieven, met één productie, heeft [appellant] drie genummerde grieven (genummerd 3 tot en met 5) aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grieven bestreden en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. Daarna heeft [appellant] nog een akte genomen, met één productie, waarop Dexia bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

De door de kantonrechter in het tussenvonnis onder 2. vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan.

2.2.

[appellant] was in de voor deze zaak relevante periode gehuwd met [echtgenote] (hierna: [echtgenote]). Hij heeft, volgens het door Dexia als productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegde financieel overzicht, dat in zoverre tussen partijen niet in geschil is, onder andere de volgende effectenleaseovereenkomsten gesloten met (rechtsvoorgangers van) Dexia (die hierna ook met Dexia worden aangeduid) (hierna ook: de overeenkomsten):

Nr.

Contract

datum

Naam

1

31839725

26 oktober 1994

Spaarleasen

2

50500786

31 maart 1995

Legio-Jubileumplan

3

71601361

23 november 1995

WinstVerdubbelaar

4

72004128

14 november 1996

WinstVerdubbelaar

5

57014872

9 oktober 1997

Feestplan

6

74043798

13 maart 1998

WinstVerDriedubbelaar

7

59183966

29 december 1999

Korting Kado

8

59183967

29 december 1999

Korting Kado

9

57103105

8 november 2000

Legio Feestplan

10

77100492

30 november 2001

No-Risk

2.3.

Overeenkomsten 5-10 (in geschil in dit geding) kwalificeren als huurkoop. Een dergelijke overeenkomst die – in de voor deze zaak relevante periode – is aangegaan door een gehuwd persoon zonder schriftelijke toestemming van zijn/haar echtgeno(o)t(e), kan door die echtgeno(o)t(e) worden vernietigd (artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837). [appellant] is de overeenkomsten 5-10 zonder toestemming van [echtgenote] aangegaan.

2.4.

[echtgenote] heeft bij brief van 19 februari 2003 het volgende aan Dexia geschreven, voor zover van belang:

“In de afgelopen jaren zijn tussen mijn echtgenoot/echtgenote/geregistreerd partner (doorhalen wat niet van toepassing is) en uw bank (c.q. uw rechtsvoorgangers) een aantal effectenleasecontracten tot stand gekomen. Het gaat daarbij – voor zover ik kan nagaan – om de volgende contracten:

76085701………….

…………………….

…………………….

De door mijn echtgenoot getekende contracten zijn zonder mijn toestemming gesloten, hoewel zij op grond van artikel 1:88 BW mijn toestemming behoefden.

Nu mijn toestemming ontbreekt beroep ik mij op de vernietigingsgrond als opgenomen in artikel 1:89 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten met terugwerkende kracht geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen.”

2.5.

[appellant] is niet gebonden aan de zogenaamde WCAM- of Duisenberg-regeling (Hof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) (die de afwikkeling van geschillen als deze collectief regelt).

vorderingen en eindvonnis in eerste aanleg

2.6.

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd, samengevat: verklaring voor recht dat overeenkomsten 5-10 zijn vernietigd en veroordeling van Dexia tot terugbetaling aan hem van wat hij onder deze overeenkomsten aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betaaldata en buitengerechtelijke kosten, en veroordeling van Dexia om te bewerkstelligen dat de registratie van [appellant] bij het BKR en de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan worden gemaakt, op straffe van dwangsommen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten. Dexia heeft verweer gevoerd en tegenvorderingen ingesteld, die ertoe strekken dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging door [appellant], dat [appellant] met betrekking tot deze overeenkomsten niet is blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, dat met betrekking tot de overeenkomsten geen sprake is van onrechtmatige advisering waarvan Dexia wist of behoorde te weten, en dat [appellant] ter zake van de overeenkomsten niets (meer) van haar te vorderen heeft.

2.7.

De kantonrechter heeft met het eindvonnis:

  • -

    ten aanzien van overeenkomsten 9 en 10 de door [appellant] gevraagde verklaring voor recht afgegeven en Dexia veroordeeld tot betaling van € 9.724,91 (na verrekening van de door Dexia aan [appellant] uit hoofde van deze overeenkomsten betaalde bedragen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betaaldata en buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 833,--;

  • -

    de tegenvorderingen met betrekking tot overeenkomsten 1-8 toegewezen, behoudens de gevraagde verklaring voor recht dat [appellant] niets meer van Dexia te vorderen heeft;

  • -

    het meer of anders gevorderde afgewezen, met compensatie van kosten.

vorderingen en grieven in het hoger beroep

2.8.

[appellant] vordert in het hoger beroep vernietiging van het eindvonnis, behoudens de daarin vastgestelde vernietiging van overeenkomsten 9 en 10 en de daaraan gegeven gevolgen, alsnog toewijzing van zijn vorderingen ten aanzien van overeenkomsten 5-8, en alsnog afwijzing van de vorderingen van Dexia, met veroordeling van Dexia in de kosten van beide instanties. Dexia vordert in het hoger beroep vernietiging van het eindvonnis voor zover met betrekking tot haar terugbetalingsverplichting onder de overeenkomsten 9 en 10 de wettelijke rente is toegewezen vanaf de betaaldata in plaats van de door haar bepleite datum 20 juni 2006 (voor zover betalingen eerder hebben plaatsgevonden), en voor zover de door haar gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] niets meer van haar te vorderen heeft is afgewezen met betrekking tot (ook) de overeenkomsten 1-8, en voor het overige bekrachtiging, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

2.9.

De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de bevoegdheid van [echtgenote] om de overeenkomsten 5-8 te vernietigen was verjaard toen zij de vernietiging inriep. De grieven van Dexia in het incidenteel hoger beroep richten zich tegen de door de kantonrechter aangenomen ingangsdata van de wettelijke rente, de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten, zijn oordeel dat [echtgenote] met haar brief van 19 februari 2003 de vernietiging van de overeenkomsten 5 tot en met 10 heeft ingeroepen, en de afwijzing van haar tegenvordering tot verklaring voor recht dat [appellant] niets meer van haar te vorderen heeft voor zover het de overeenkomsten 1-8 betreft.

beoordeling van de vorderingen in het hoger beroep

2.10.

Vernietigingsbrief 19 februari 2003. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis, 4.2, overwogen dat [echtgenote] in haar brief van 19 februari 2003 (hiervoor, 2.4) weliswaar niet expliciet de naam en het nummer van de onderhavige overeenkomst heeft genoemd, waarbij de kantonrechter klaarblijkelijk doelde op de overeenkomsten 5-10, maar dat [echtgenote] wel schreef dat de vernietiging tot gevolg heeft dat alle zonder haar toestemming gesloten overeenkomsten met terugwerkende kracht geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen. [echtgenote] schreef bovendien, aldus de kantonrechter, dat het – voor zover zij kan nagaan – om het in de brief genoemde contract gaat. Daaruit diende Dexia naar het oordeel van de kantonrechter af te leiden dat [echtgenote] ook eventuele niet bij haar bekende overeenkomsten wenste te vernietigen. Het hof onderschrijft dit oordeel van de kantonrechter en maakt dit tot het zijne. De door Dexia tegen dit oordeel aangevoerde grief faalt. Dexia heeft geen argumenten aangedragen tot betoog dat uitgaande van deze reikwijdte van de brief van 19 februari 2003 van een andere datum dan 19 februari 2003 als vernietigingsdatum (inroepen van de vernietiging) moet worden uitgegaan.

2.11.

Verjaring vernietigingsbevoegdheid. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] ten aanzien van de overeenkomsten 5-8 afgewezen op grond van het oordeel dat de bevoegdheid van [echtgenote] om deze overeenkomsten te vernietigen was verjaard toen zij de vernietiging inriep. De kantonrechter overwoog hiertoe (eindvonnis, 2.4) dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat [echtgenote] vóór 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomsten. [appellant] heeft verklaard dat hij het met zijn echtgenote besprak indien er grote uitgaven gedaan moesten worden. Gelet daarop oordeelde de kantonrechter niet aannemelijk dat [appellant] in het geheel niet met [echtgenote] had gesproken over de overeenkomsten, temeer nu er aan Dexia aanzienlijke bedragen waren betaald en er tevens aanzienlijke uitkeringen waren gedaan, en [appellant] heeft verklaard [echtgenote] wel te hebben verteld over de (en/of-) spaarrekening bij Ohra waarop hij uitkeringen van Dexia stortte, onder andere in december 1999.

2.12.

Ter onderbouwing van haar standpunt dat de vernietigingsbevoegdheid van [echtgenote] (inderdaad) was verjaard toen zij de vernietiging inriep, heeft Dexia verder nog samengevat het volgende aangevoerd.

En/of-rekening. Betalingen onder de overeenkomsten werden afgeschreven ten laste van een en/of-rekening van [appellant] en [echtgenote] gezamenlijk, waarop onder meer beider inkomens werden gestort. Dit wettigt volgens Dexia reeds het vermoeden dat [echtgenote] van deze betalingen destijds op de hoogte was, en (daarmee) ook van de overeenkomsten.

Telefoongesprekken. Dexia wijst op een telefoongesprek van een van haar medewerkers met [echtgenote] op 8 november 2002, waarin [echtgenote] spreekt over (een aantal van) de overeenkomsten op een wijze die er volgens Dexia op duidt dat zij zichzelf als mede-eigenaar van de contracten zag en waaruit volgens Dexia blijkt dat zij haar inhoudelijke kennis over de overeenkomsten niet onder stoelen of banken steekt. Dexia wijst verder op een telefoongesprek tussen een van haar medewerkers met [appellant] op 29 oktober 2004, waarin [appellant] op zeker moment zegt “Ja dat nogal een tijdje en ik moest daar nogal wat premie aan betalen. Daar komt dan nog bij dat mijn vrouw het daar nooit mee eens is geweest.” Volgens Dexia blijkt hieruit dat [echtgenote] al van aanvang af van de overeenkomsten op de hoogte was.

Betalingen en ontvangsten. Dexia stelt dat financiering van de overeenkomsten mede uit het salaris van [echtgenote] afkomstig moet zijn geweest, en dat er substantiële ontvangsten zijn geweest, met name in december 1999, en dat dat allemaal aannemelijk maakt dat [echtgenote] ook toentertijd van de overeenkomsten wist.

Aanvraag duplicaat. [appellant] heeft op 19 juni 2006 een duplicaat van overeenkomst 6 bij Dexia opgevraagd. Volgens Dexia wilde [appellant] controleren of [echtgenote] die overeenkomst mede had ondertekend. Voor een dergelijke verificatie zou echter geen aanleiding bestaan indien [echtgenote] van die overeenkomst destijds helemaal niet op de hoogte was geweest. Ook dit maakt volgens Dexia dus aannemelijk dat [echtgenote] destijds wél van d(i)e overeenkomst(en) wist.

Inkomende post. A4-enveloppen met daarop duidelijk het logo van Legio-Lease (de rechtsvoorganger van Dexia waarmee [appellant] zaken deed) werden destijds bezorgd aan het huisadres van [appellant] en [echtgenote]; onaannemelijk is dat [echtgenote] deze niet heeft opgemerkt.

Belastingaangiften. De onder de overeenkomsten betaalde rente was aftrekbaar voor de inkomstenbelasting; volgens Dexia moet [echtgenote] dit destijds in de gezamenlijke belastingaangifte van [appellant] en haarzelf hebben opgenomen en/of hebben gezien. Ook dit duidt er volgens Dexia op dat [echtgenote] destijds bekend was met de overeenkomsten.

2.13.

[appellant] stelt dat [echtgenote] vóór 19 februari 2000 geen wetenschap had van de overeenkomsten. Als getuige heeft hij onder meer verklaard, samengevat:

  • -

    dat hij niet met [echtgenote] over de overeenkomsten had gesproken tot het moment dat zij naar aanleiding van een televisieprogramma over aandelenleaseproducten, na november 2001, aan hem de vraag had gesteld of hij ook dergelijke producten had, en dat zij op zijn bevestigende beantwoording daarvan, toen, boos en teleurgesteld reageerde;

  • -

    dat hij wel (eerder) met [echtgenote] had gesproken over sparen, om eerder te kunnen stoppen met werken, en dat zij dat OK vond als daarvoor maar niet een te groot budget werd gebruikt;

  • -

    dat hij destijds niet met [echtgenote] had gesproken over concrete uitgaven voor of ontvangsten uit de overeenkomsten, en dat hij ontvangsten uit overeenkomsten ook wel weer investeerde in nieuwe overeenkomsten;

  • -

    dat [echtgenote] nooit de enveloppen van de bankafschriften openmaakte en post voor hem apart legde;

  • -

    dat hijzelf de financiële administratie verzorgde en de digitale belastingaangiften van hemzelf en [echtgenote], en dat zij daarnaar niet keek.

2.14.

[zoon], zoon van [appellant] en [echtgenote], heeft als getuige onder meer verklaard, samengevat:

  • -

    dat hij tot 2002 thuis had gewoond (het hof begrijpt: bij [appellant] en [echtgenote]);

  • -

    dat bij hen thuis zijn vader de financiën deed, ook de belastingaangiften (met de computer);

  • -

    dat zijn moeder geen interesse had in financiën;

  • -

    dat zijn vader in zijn bijzijn thuis nooit over Legio Lease had gesproken, en dat hij van zijn moeder had begrepen dat hij daarover pas met haar had gesproken toen de bom gebarsten was en dat er toen spanningen en ruzies waren.

2.15.

Het hof oordeelt hierover als volgt. De bevoegdheid tot vernietiging op grond van artikel 1:89 BW, waarom het in deze zaak gaat, kent een verjaringstermijn van drie jaar vanaf het moment dat de bevoegdheid hiertoe aan degene die deze kon uitoefenen, ten dienste kwam te staan (artikel 3:52 lid 1 aanhef en sub d BW). Dit betekent, in dit geval, dat de verjaring ten aanzien van elk van de overeenkomsten 5-8 eerst heeft kunnen aanvangen vanaf het moment dat [echtgenote] met deze overeenkomsten daadwerkelijk bekend was geworden (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866). Nu ten aanzien van elk van de overeenkomsten 5-8 de vernietigingsdatum 19 februari 2003 is (hiervoor, 2.10), is voor de verjaring ten aanzien van elk van de overeenkomsten maatgevend de vraag of [echtgenote] vóór 19 februari 2000 reeds met de desbetreffende overeenkomst bekend was. Dexia draagt de bewijslast van haar stelling dat dit het geval is, ten aanzien van elk van de overeenkomsten.

2.16.

Het hof verwerpt het verjaringsverweer van Dexia. Het hof acht de getuigenissen van [appellant] en [zoon] wat betreft het ontbreken van bemoeienis van [echtgenote], destijds, met financiën, de pensioenvoorziening voor [appellant], en belastingaangiften, niet ongeloofwaardig. Het telefoongesprek tussen Dexia en [echtgenote] van 8 november 2002 duidt erop dat [echtgenote] zich op dát moment tot op zekere hoogte had geïnformeerd (en nader wilde laten informeren) over de financiële lasten die enkele van de overeenkomsten (indirect) voor de financiën van haar gezin zouden kunnen meebrengen, maar het enkele feit dat zij in dat gesprek spreekt over wij, ons en ik in relatie tot die overeenkomsten betekent nog niet dat zij van meet af aan of althans vóór 19 februari 2000 van die overeenkomsten kennis had. Het hof acht de verklaring van [appellant] dat [echtgenote] zich hiermee pas is gaan bemoeien na en naar aanleiding van een kritisch televisieprogramma over aandelenleaseproducten na november 2001, en het toen opbiechten door [appellant] dat ook hij in deze producten belegde, niet onaannemelijk. Het telefoongesprek tussen [appellant] en Dexia van 29 oktober 2004 werpt hierop geen ander licht. Het hof acht niet onaannemelijk de verklaring van [appellant] dat zijn mededeling dat zijn vrouw het er “nooit” mee eens is geweest, slechts erop duidt dat zij toen zij ermee bekend raakte, het er niet mee eens was. Voor zijn aanvraag van een duplicaat van overeenkomst 6 heeft [appellant] als verklaring gegeven dat hij dit op verzoek van Leaseproces heeft gedaan (en niet om te verifiëren of [echtgenote] deze overeenkomst had ondertekend). Ook deze stelling acht het hof niet onaannemelijk.

2.17.

Aan Dexia moet worden toegegeven dat [appellant] in december 1999 een relatief grote uitkering heeft ontvangen op overeenkomst 1 (€ 33.147,88) en dat hij toen op korte termijn slechts een beperkt deel daarvan heeft herbelegd in vooruitbetalingen op overeenkomsten 7 en 8 (datum 29 december 1999, betaling 18 februari 2000) (€ 5.137,92 en € 4.437,36). Zelfs echter indien, zoals Dexia stelt, [appellant] destijds met [echtgenote] heeft gesproken over de beschikbaarheid van dit grote geldbedrag, het storten (van een deel) ervan op een spaarrekening, en/of de aanschaf ermee van een nieuwe auto voor [echtgenote], is nog niet per se aannemelijk dat [echtgenote] daardoor of in verband daarmee op de hoogte raakte van de overeenkomsten 5-10, of anderszins überhaupt de bron van dit vermogen. De enkele omstandigheid dat [appellant] in zijn getuigenverhoor de omvang van de destijds ontvangen en herbelegde bedragen niet (meer) goed wist te noemen, maakt zij getuigenis voor het overige niet ongeloofwaardig.

2.18.

Het voorgaande betekent dat [appellant] is geslaagd in het hem opgedragen tegenbewijs en de grieven in het principaal hoger beroep slagen. Op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep dient het hof daarom alsnog een oordeel te geven over de door Dexia in eerste aanleg gevoerde en in hoger beroep niet prijsgegeven verweren waaraan in eerste aanleg niet is toegekomen of die in eerste aanleg (ten overvloede) zijn verworpen. Het hof zal deze verweren hierna bespreken, en daarna de grieven van Dexia in het incidenteel hoger beroep, voor zover niet reeds hiervoor besproken.

2.19.

Geen geldige machtiging. Dexia heeft in eerste aanleg betwist dat Leaseproces gemachtigd is om namens [appellant] te procederen. Dit verweer faalt reeds omdat in dit geding [appellant] in eigen naam optreedt, niet Leaseproces namens hem. Voor zover het verweer ertoe strekt dat [appellant] in dit geding anderszins niet rechtsgeldig is vertegenwoordigd, acht het hof dit onaannemelijk, alleen al vanwege het verschijnen van [appellant] zelf als getuige in de procedure in eerste aanleg.

2.20.

Procedure Stichting Eegalease. Dexia heeft aangevoerd dat de dagvaarding in de collectieve procedure van Stichting Eegalease tegen Dexia, voor de aanspraken van [appellant] geen stuitend effect heeft gehad. Dit verweer behoeft geen bespreking omdat in de verwerping van het verjaringsverweer van Dexia ten aanzien van de vernietigingsbevoegdheid van [echtgenote], die dagvaarding geen rol speelt.

2.21.

Misbruik van recht/artikel 6:278 BW. [appellant] heeft naast de verlieslatende overeenkomsten 5-10 ook overeenkomsten 1-4 met Dexia afgesloten, die voor hem winstgevend waren, maar [appellant] heeft in deze procedure slechts van de verlieslatende overeenkomsten de nietigheid ingeroepen. Volgens Dexia levert dit misbruik van recht aan de zijde van [appellant] op (artikel 3:13 BW), althans toepassing van artikel 6:278 BW, waarop de vorderingen van [appellant] volgens Dexia moeten afsluiten.

2.22.

Dit verweer faalt. De overeenkomsten dienen, voor de toepassing van beide bepalingen, elk voor zich te worden beschouwd. Dat de uitoefening van de vernietigingsbevoegdheid leidt tot ongedaanmaking door Dexia van alle door [appellant] verrichte betalingen uit hoofde van de desbetreffende overeenkomsten is een door de wetgever gewenst gevolg in het kader van het gezinsbeschermende karakter van artikel 1:88 BW en kan, anders dan Dexia stelt, niet als misbruik van recht worden gekwalificeerd omdat andere door [appellant] met Dexia gesloten leaseovereenkomsten winst voor hem hebben opgeleverd.

2.23.

Artikel 6:278 BW houdt kort gezegd in dat een partij die een reeds uitgevoerde overeenkomst ontbindt of anderszins de stoot tot ongedaanmaking daarvan geeft, verplicht is haar wederpartij te compenseren voor wijzigingen te haren gunste in de waardeverhouding tussen wat wederzijds bij ongedaanmaking zou moeten worden verricht, indien aannemelijk is dat zij zonder die wijzigingen niet voor ontbinding/ongedaanmaking zou hebben gekozen. Deze bepaling komt om de hiervoor in 2.22 gegeven reden evenmin voor (analoge) toepassing in aanmerking (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837). Dit wordt niet anders doordat in deze zaak de nietigheid is ingeroepen van zes verlieslatende overeenkomsten terwijl daarnaast ook vier overeenkomsten waren gesloten die winstgevend zijn gebleken. Gelet op het voorgaande ten overvloede overweegt het hof dat Dexia niet heeft gesteld, laat staan aannemelijk heeft gemaakt, dat wanneer [appellant] haar zou moeten compenseren voor de winst uit overeenkomsten 1-4 bij de gratie van haar vernietiging van de verlieslatende overeenkomsten 5-10 – dit is kennelijk de analoge toepassing van artikel 6:278 lid 2 BW die Dexia op het oog heeft –, hij niet voor het inroepen, in deze procedure, van de vernietiging van de overeenkomsten 5-10 zou hebben gekozen. Dat [appellant] per saldo winst heeft gemaakt op het totaal van de overeenkomsten stelt Dexia niet en het blijkt ook niet uit het door haar overgelegde financieel overzicht.

2.24.

Wettelijke rente. Volgens [appellant] is Dexia wettelijke rente verschuldigd over haar verplichting tot terugbetaling van de door haar van [appellant] onder de overeenkomsten 5-10 ontvangen betalingen, vanaf de data van die betalingen. Dexia verweert zich met de stelling dat zij slechts wettelijke rente verschuldigd is, voor zover rechtsgeldig is vernietigd, vanaf 20 juni 2006 of betaaldata nadien. De kantonrechter heeft ten aanzien van overeenkomsten 9-10, die hij rechtsgeldig vernietigd achtte, het standpunt van [appellant] gevolgd. Het verweer van Dexia richt zich mede tegen dit oordeel van de kantonrechter.

2.25.

Het hof oordeelt hierover als volgt. Op grond van artikel 6:119 BW bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Als hoofdregel geldt op grond van artikel 6:82 lid 1 BW dat verzuim eerst intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Op grond van artikel 6:205 BW in combinatie met artikel 203 lid 2 BW geldt dat degene die te kwader trouw is op het moment dat hij een onverschuldigde betaling ontvangt, zonder ingebrekestelling in verzuim verkeert.

2.26.

[appellant] stelt zich primair op het standpunt dat Dexia over de onverschuldigd ontvangen betalingen wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data van ontvangst van die betalingen door Dexia, omdat volgens hem Dexia geacht moet worden – omdat zij wist of moest weten dat de overeenkomsten door [echtgenote] konden worden vernietigd (wat ook is gebeurd) – de betalingen te kwader trouw te hebben ontvangen. Dit standpunt vindt geen steun in het recht. [appellant] heeft verder niets gesteld wat de conclusie rechtvaardigt dat Dexia ten tijde van het ontvangen van de betalingen onder de overeenkomsten 5-10, vóór de vernietiging daarvan, had moeten begrijpen dat [echtgenote] de vernietiging van deze overeenkomsten zou willen inroepen. Dit betekent dat kwade trouw ten tijde van de ontvangsten, vóór vernietiging, niet is komen vast te staan (HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:506).

2.27.

Subsidiair stelt [appellant] dat hij aanspraak heeft op wettelijke rente vanaf het moment van vernietiging, voor zover betalingen voordien zijn verricht. Ook dit standpunt vindt geen steun in het recht: enkele vernietiging doet het verzuim ten aanzien van de restitutieverplichting die daaruit voortvloeit nog niet intreden. [appellant] stelt verder niet dat [echtgenote] met haar vernietigingsbrief van 19 februari 2003 Dexia in gebreke heeft gesteld. Nu Dexia zelf als ingangsdatum voor de wettelijke rente 20 juni 2006 hanteert, zal ook het hof daarvan uitgaan, of van de betaaldata voor zover die na 20 juni 2006 liggen.

2.28.

Buitengerechtelijke kosten. [appellant] heeft geen grieven gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dexia heeft in haar memorie van antwoord in het principaal appel/grieven in het incidenteel appel (randnummer 52 t/m 54) betoogd dat de vordering van [appellant] ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar is. Deze grief is gegrond. De werkzaamheden waarvoor [appellant] vergoeding wenst betreffen naar hij heeft gesteld: het voeren van een intakegesprek, het samenstellen, completeren en verwerken van de voor het dossier benodigde stukken, het beoordelen van de juridische haalbaarheid van de aanspraken van [appellant], het berekenen van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, het opstellen en versturen van een sommatiebrief naar Dexia en het meerdere malen versturen van een brief ter stuiting van de verjaring naar Dexia. In hoger beroep heeft [appellant] deze omschrijving niet nader gepreciseerd. De door [appellant] genoemde kosten komen op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv in een procedure niet voor vergoeding in aanmerking. [appellant] heeft onvoldoende gesteld ter onderbouwing van zijn aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten (vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590).

2.29.

Daarnaast maakt [appellant] aanspraak op de aan Leaseproces betaalde vergoeding die hij ook rangschikt onder de buitengerechtelijke kosten. Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (artikel 6:96 lid 3 BW). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Uit de tekst, de toelichting en de strekking van artikel 6:96 lid 2 BW valt niet af te leiden dat beoogd is om van vergoeding uit te sluiten de kosten die zijn gemaakt op basis van een overeenkomst tussen de benadeelde en een rechtsbijstandsverlener zoals Leaseproces. Zij komen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking komen (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797).

2.30.

In het onderhavige geval moet in het kader van de redelijkheidstoets worden meegewogen dat Leaseproces geen werkzaamheden heeft verricht waarvoor op grond van artikel 6:96 lid 2 BW vergoeding moet worden betaald (hiervoor, 2.28). Daarbij komt dat Leaseproces vrijwel identieke werkzaamheden verricht voor een groot aantal benadeelden. Dat betekent dat de aan Leaseproces betaalde vergoeding geen vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten jegens Dexia oplevert.

2.31.

Verrekening uitkeringen. Dexia stelt dat voor zover de overeenkomsten nietig zouden moeten worden geoordeeld, [appellant] niet alleen aanspraak heeft op restitutie van de door hem onder die overeenkomsten betaalde bedragen (met rente), maar Dexia op haar beurt ook recht heeft op restitutie van wat zijzelf onder die overeenkomsten aan [appellant] heeft uitgekeerd (vermeerderd met rente). Zij beroept zich wat dit betreft op verrekening. Dit verweer heeft [appellant] niet weersproken. Het is juist dat de vernietiging van de overeenkomsten meebrengt dat op partijen over en weer de verplichting komt te rusten om de geleverde prestaties ongedaan te maken. Verder staat vast dat Dexia uit hoofde van de overeenkomsten betalingen aan [appellant] heeft gedaan. [appellant] heeft ook niet weersproken dat dit het geval is, zodat het beroep op verrekening opgaat. De verrekening dient, ten behoeve van de renteberekening, in beginsel plaats te vinden volgens de regels van de artikelen 6:43 lid 2 BW en 6:44 lid 1 BW (artikel 6:137 lid 1 BW).

2.32.

Tegenvorderingen. Het eindvonnis dient te worden bekrachtigd voor zover de tegenvorderingen van Dexia ten aanzien van overeenkomsten 1-4 zijn toegewezen, waaraan kan worden toegevoegd dat ter zake van deze overeenkomsten [appellant] niets meer van Dexia heeft te vorderen. In zoverre slagen de grieven van Dexia. Voor het overige dienen de tegenvorderingen (alsnog) te worden afgewezen.

2.33.

Slotsom, proceskosten. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. Partijen hebben geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het eindvonnis kan niet in stand blijven. Ten behoeve van het overzicht zal het hof het eindvonnis geheel vernietigen, en de veroordelingen en afwijzingen overeenkomstig het voorgaande (opnieuw) uitspreken. Het hof zal Dexia als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie en het principaal hoger beroep. De proceskosten van de eerste aanleg in reconventie en van het incidenteel hoger beroep zal het hof compenseren, omdat ieder van partijen hierin voor een voldoende belangrijk deel in het ongelijk is gesteld.

3 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het eindvonnis;

en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt Dexia om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder de overeenkomsten 5-10, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals omschreven in 2.27 en te verminderen met al hetgeen Dexia onder deze overeenkomsten aan [appellant] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals omschreven in 2.31;

  • -

    verklaart voor recht ten aanzien van de overeenkomsten 1-4:
    * dat deze rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan,
    * dat deze [appellant] niet hebben blootgesteld aan het risico op een onaanvaardbaar zware financiële last,
    * dat geen sprake is van onrechtmatige advisering waarvan Dexia wist of behoorde te weten,
    * dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [appellant];

  • -

    veroordeelt Dexia in de kosten van de eerste aanleg in conventie, begroot op € 97,31 voor de dagvaarding, € 78,-- voor het griffierecht en € 2.100,-- voor het salaris van de advocaat;

  • -

    veroordeelt Dexia in de kosten van het principaal hoger beroep, begroot op € 81,-- voor de dagvaarding, € 324,-- voor het griffierecht en € 2.938,50 voor het salaris van de advocaat tot op heden, en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening hiervan heeft plaatsgevonden;

  • -

    compenseert de kosten van de eerste aanleg in reconventie en van het incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

  • -

    verklaart dit arrest wat de hierin uitgesproken veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.C.M. van Dijk en A.J.M.E. Arpeau en is en is ondertekend en ter openbare terechtzitting van 22 december 2020 uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.