Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2429

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
2200005820
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat zij in de periode van eind 2016 en de eerste helft van 2017 zes keer honderd euro heeft overgemaakt naar een rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten behoeve van haar partner, die in die periode op de terroristen afdeling van de penitentiaire inrichting te Vught op verdenking van een terroristisch misdrijf preventief gehecht was. Indertijd was haar partner bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

Het hof bepaalt allereerst het juridisch kader en stelt daarna de relevante feiten vast.

Het hof komt tot een beoordeling:

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat in beginsel handhaving geboden is van de in dit geval aan de orde zijnde wet- en regelgeving met betrekking tot de financiering van terrorisme.

Het hof stelt anderzijds vast dat de verdachte een zeker vertrouwen kon en mocht ontlenen aan een aantal in het feitenrelaas omschreven omstandigheden, dat de gewraakte betalingen legaal waren.

Het hof is van oordeel dat in casu sprake is van een overlap tussen het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke afweging. Het hof kan niet vaststellen in hoeverre een en ander aan het Openbaar Ministerie valt toe te rekenen in die mate dat het vertrouwensbeginsel als beginsel van goede procesorde daadwerkelijk is geschonden, maar oordeelt dat een redelijke en billijke afweging had moeten leiden tot de beslissing in dit geval niet (verder) te vervolgen.

Alles afwegende is het beeld dat uit het dossier en de behandeling ter zitting oprijst dat van een apert onredelijke vervolgingsbeslissing. Met andere woorden: geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie had kunnen oordelen dat met de (voortzetting van de) vervolging een redelijk belang gediend kon zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000058-20

Parketnummer: 10-996644-18

Datum uitspraak: 3 december 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboortedag] op [geboortedag] 1977,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de officier van justitie

niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 21 juni 2017 te Alphen aan den Rijn en/of Vught en/of elders in Nederland , meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk

in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van art. 2 Sanctieregeling terrorisme 2007-II heeft gehandeld doordat zij rechtstreeks dan wel middellijk middelen te weten:

- op of omstreeks 22 december 2016 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 30 januari 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 20 maart 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 02 mei 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 06 juni 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017) en/of

- op of omstreeks 21 juni 2017 een geldbedrag van 100 (zegge: honderd) euro (AMB-017)

aan [betrokkene 1] ter beschikking heeft gesteld

terwijl [betrokkene 1] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken was aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging en dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Het Openbaar Ministerie verzet zich niet tegen terugwijzing van de zaak naar de economische meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het hof neemt tot uitgangspunt dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, bijvoorbeeld op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het verbod van willekeur - dat in strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging -, om welke reden geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie zou kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen.

Het verbod van willekeur is een regel die aan andere beginselen van een goede procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging (subsidiariteit en proportionaliteit) ten grondslag ligt. Bij de toets aan het hierboven genoemde criterium van het verbod van willekeur kunnen andere beginselen derhalve (deels) in beeld komen. Een zekere overlap tussen de beginselen van een goede procesorde is mogelijk. Het beginsel van redelijke en billijke afweging kan bijvoorbeeld dienen als een vangnet voor die gevallen waarin het vertrouwensbeginsel niet is geschonden.

Feitenrelaas

In het onderhavige geval staan de volgende feiten en omstandigheden onbetwist vast.

De verdachte heeft erkend dat zij in de periode van eind 2016 en de eerste helft van 2017 zes keer honderd euro heeft overgemaakt naar een rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid ten behoeve van [betrokkene 1] (haar partner, hierna: [betrokkene 1]), die in die periode op de terroristen afdeling van de penitentiaire inrichting te Vught (hierna: de TA) op verdenking van een terroristisch misdrijf preventief gehecht was. Indertijd was [betrokkene 1] bij besluit van 11 november 2016 door de Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen als persoon jegens wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

De verdachte had, nadat ze een verzoek om geld voor [betrokkene 1] om extra’s binnen de inrichting (levensmiddelen, deodorant en dergelijke)te kunnen kopen had ontvangen, de website van de penitentiaire inrichting te Vught geraadpleegd. Overeenkomstig de op die website gepubliceerde werkwijze heeft ze vervolgens een keer per maand – soms per twee maanden – een bedrag van honderd euro gestort op het op die website genoemde rekeningnummer ten behoeve van [betrokkene 1].

Vast staat voorts dat in de betreffende periode noch door de verdachte noch door de raadsman van [betrokkene 1] noch door de TA of door de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) een ontheffing in de zin van de Sanctieregeling terrorisme 2007-II ten behoeve van [betrokkene 1] was aangevraagd, laat staan dat deze was verkregen.

De verdachte heeft verklaard dat ze er geen flauw idee van had dat het strafbaar was om geld op deze wijze aan [betrokkene 1] ter beschikking te stellen.

Uit het dossier blijkt dat zij niet de enige was die zich dit niet realiseerde.

De raadsman van [betrokkene 1] heeft op 30 april 2020 een verklaring afgelegd bij de raadsheer-commissaris in de zaak tegen de broer van [betrokkene 1] (een verklaring die door het hof ambtshalve in de onderhavige zaak als processtuk is aangemerkt en aan het dossier toegevoegd). Daarin valt te lezen dat deze raadsman hoogstwaarschijnlijk aan deze broer heeft gevraagd geld over te maken aan [betrokkene 1] toen deze gedetineerd zat in Vught en terwijl deze op de Sanctielijst stond. De raadsman had er volstrekt niet bij stilgestaan dat dit strafbaar zou kunnen zijn, blijkens zijn verklaring.

Ik heb mij eenvoudigweg niet gerealiseerd dat hier een pijnpunt zou kunnen zitten. Ik heb er denk ik niet eens aan gedacht om voor [betrokkene 1] een ontheffing aan te vragen; dat hij op die sanctielijst stond en dat dat een probleem zou kunnen zijn. Dat komt vermoedelijk omdat [betrokkene 1] gedetineerd was, het geld werd overgemaakt via het ministerie en hij er binnen alleen eten en rookwaar voor kon kopen. Hij kon het dus niet gebruiken voor terroristische misdrijven”, aldus de raadsman ten overstaan van de raadsheer-commissaris.

Ook de toenmalige directeur van de TA is gehoord door de raadsheer-commissaris in de zaak tegen de broer van [betrokkene 1]. Haar verklaring, afgelegd op 26 mei 2020, bevindt zich eveneens in het onderhavige strafdossier.

Zij verklaart onder andere:

Er is al een tijd sprake van het feit dat gedetineerden die op de terroristen afdeling zitten en op de sanctielijst staan, dat zij geld krijgen, onder andere loon en geldbedragen van familie, bijvoorbeeld (…) Hoe kan het nou dat ze geen gelden mogen ontvangen maar dat DJI het toeliet, was de vraag. Ik ben daar in 2019 mee geconfronteerd en ik ben in 2018 gebeld door een advocaat omdat we het idee hadden dat we het moeten kunnen veranderen (…) Ik weet dat we de laatste jaren meer mensen kregen die op de sanctielijst werden gezet omdat die uit Syrië terugkeerden (…) toen zijn wij erop geattendeerd dat wij iets deden dat niet mocht (…) Nu is het anders dan drie jaar geleden. Nu is er een ontheffing, een gedetineerde mag 200 euro (per maand, begrijpt het hof uit de bijgevoegde factsheet) van buiten ontvangen. Op dit moment moet een contactpersoon die geld wil overmaken een ontheffing vragen bij het Ministerie van Financiën (…)

Op een gegeven moment kwam aan de orde dat er geldstromen waren die niet konden. Ik ben toen niet spoorslags naar gedetineerden gegaan om te zeggen dat ze niets meer kregen, geen aankopen meer konden doen, en geen loon meer zouden ontvangen. Het proces heeft lang geduurd. Het waren vooral humanitaire overwegingen dat we niet alles direct stop hebben gezet. We vonden het wel redelijk dat gedetineerden in de winkel in de PI aankopen konden doen, anders zouden we ze wel erg achterstellen ten opzichte van andere gedetineerden. We zijn toen gaan zoeken naar een oplossing. Met ‘we’ bedoel ik diverse partijen binnen DJI, van De Schie, de programmamanager en het Ministerie van Financiën. Het is dus niet mijn persoonlijke besluit geweest op het door te laten lopen en ook niet om die ontheffing tot stand te brengen. Dat waren de beleidsmakers van DJI samen met het Ministerie van Financiën (…) In de periode januari tot en met juni 2017 (…) waren er nog geen afspraken over gemaakt, geldstromen kwamen van buiten naar binnen naar de gedetineerden.” Als haar een zinsnede uit een vonnis van de rechtbank Rotterdam wordt voorgehouden over de opvatting van DJI over het overmaken van geldbedragen, namelijk ‘dat het wenselijk is dat gedetineerden die op de sanctielijst staan kunnen beschikken over beperkte financiële middelen’, zegt de getuige dat zij het daarmee eens is en voegt ze eraan toe dat dat ook de huidige opvatting is, “anders zou DJI zich ook niet zo hard hebben gemaakt voor die ontheffing”.

Eveneens onweersproken is gebleven dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten een actief onderzoek liep naar de partner van de verdachte (de hierboven genoemde [betrokkene 1]) en dat gedurende de laatste drie maanden van de ten laste gelegde periode de verdachte zelf voorwerp was van strafrechtelijke onderzoek, en dat niet is gebleken dat iemand van de opsporende instanties de verdachte in die periode heeft geïnformeerd over de strafwaardigheid van haar handelen of heeft belet dat de stortingen doorgingen tot juni 2017. Het is de vraag of de opsporingsautoriteiten zich er op dat moment van bewust waren dat de door de verdachte gedane stortingen strafbaar waren; dat dat zo was blijkt in elk geval niet uit het dossier.

Het hof stelt tenslotte op basis van de hierboven genoemde verklaring van de directeur van de penitentiaire inrichting vast dat gedetineerden wel gelden aan derden buiten de inrichting konden (doen) overmaken, maar dat dat altijd gecontroleerd gebeurde. Uit de factsheet van 2019 blijkt dat men bij betalingen aan derden buiten de inrichting moet denken aan betalingen van openstaande schulden aan een zorgverzekeraar, boetes of gerechtelijke bevelen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft blijkens haar op schrift gestelde requisitoir onder meer naar voren gebracht dat het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie gerespecteerd dient te worden. Zij heeft Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van 28 september 2001 aangehaald en daaruit afgeleid – kort gezegd – dat internationale verplichtingen het Openbaar Ministerie nopen tot handhaving van de aan de orde zijnde regelgeving en dus tot het overgaan van vervolging. Het gaat om een ernstig feit waarvoor veroordeling kan volgen. Het enkele feit dat de verdachte geen idee had dat haar gedragingen strafbaar waren, disculpeert haar niet, nu “iedere burger nu eenmaal geacht wordt de wet te kennen (…) en verdachte een academisch gevormd persoon is, (…) zodat juist van haar verwacht mag worden dat zij zich op de hoogte stelt en houdt van maatschappelijke ontwikkelingen”.

Het Openbaar Ministerie is, aldus de advocaat-generaal, ontvankelijk in de vervolging.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat het vonnis van de rechtbank bevestigd kan worden met eventueel verbeterde motivering. De (verdere) vervolging van de verdachte dient geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang. De sanctiewetgeving dient om ervoor te zorgen dat terroristen geen middelen hebben om terroristische misdrijven te plegen; in dit geval maakte de verdachte geld over voor primaire levensbehoeften naar een gevangenisrekening, die door de Nederlandse staat wordt beheerd. Niemand ging er vanuit dat het strafbaar was geld aan een gedetineerde te geven, ook al stond hij op de Sanctielijst. In het algemeen werd en wordt het wenselijk geacht dat alle gedetineerden gelijkelijk over enig geld beschikken. Om die reden is inmiddels beleid ontwikkeld dat PI Vught standaard ontheffing aanvraagt en krijgt voor gedetineerden, die op de Sanctielijst staan.

Naar het oordeel van de raadsvrouw is het vertrouwensbeginsel geschonden. Voorts heeft de raadsvrouw nog gewezen op het zogenoemde ‘recht om fouten te maken’ voor de burger.

Tenslotte stelt de raadsvrouw dat proportionaliteit en subsidiariteit onvoldoende in acht zijn genomen. De geringe ernst van de feiten, het door de overheid opgewekte vertrouwen en de grote impact die de vervolging heeft op haar cliënte kunnen - en moeten - een rol spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Beoordeling door het hof

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat in beginsel handhaving geboden is van de in dit geval aan de orde zijnde wet- en regelgeving met betrekking tot de financiering van terrorisme.

Het hof stelt anderzijds vast dat de verdachte een zeker vertrouwen kon en mocht ontlenen aan een aantal hierboven omschreven omstandigheden, dat de gewraakte betalingen legaal waren. Zij maakte periodiek geld over naar een rekening van een gezaghebbende overheidsinstantie (het ministerie van Veiligheid en Justitie). Zij deed dat op de wijze als aangegeven door de penitentiaire inrichting (onder meer op de website), waar haar partner vastzat. Op deze door haar geraadpleegde website was niets bijzonders vermeld over stortingen ten behoeve van personen vermeld op de Sanctielijst, dus ook niet dat deze personen uitgezonderd waren van het ontvangen van gelden en dat degene die degelijke gelden overmaakte, zich schuldig maakte aan een strafbaar feit. In tegendeel, de PI stortte zelf loon ten behoeve van [betrokkene 1] op deze rekening.

Niet precies is komen vast te staan welke afzonderlijke (vertegenwoordigers van) overheidsinstanties zicht hadden op de gewraakte stortingen; in beginsel waren dat ambtenaren van DJI, de directeur van de TA alsmede de opsporingsambtenaren die onderzoek deden naar [betrokkene 1] en naar de verdachte. Of en in hoeverre een officier van justitie daarbij feitelijk betrokken was gedurende dit opsporingsonderzoek is niet vastgesteld, al is het in het algemeen zo dat het Openbaar Ministerie leiding geeft aan de opsporing en in elk geval mede verantwoordelijk kan worden gehouden voor het optreden van opsporingsambtenaren. Van belang is dat de hier genoemde vertegenwoordigers van overheidsorganen, voor zover ze daadwerkelijk kennis namen van de stortingen, kennelijk geen enkele bel hoorden rinkelen en dat, toen dat naderhand wél het geval was, ook geen groot alarm werd geslagen. Zoals blijkt uit de verklaring van de toenmalige directeur van de TA, duurde de situatie waarin geld werd gestort ten behoeve van gedetineerden die op de sanctielijst stonden voort en werd dat geld ook daadwerkelijk nog steeds ter beschikking gesteld aan die gedetineerden ‘vanuit humanitaire overwegingen’. Men vond dat ‘wel redelijk’. Het duurde nog enige tijd voordat ‘beleidsmakers’ het eens werden over een regeling terzake. Dat is ook geen wonder. Terecht heeft de verdediging aangevoerd dat het belang dat de Sanctiewetgeving beoogt te beschermen is dat middelen niet worden aangewend om ontwrichtende aanslagen te plegen. Dat staat wel ver af van de mogelijkheid voor een gedetineerde (die al geheel onder controle staat van de autoriteiten) om hagelslag en deodorant aan te schaffen in de winkel van de penitentiaire inrichting.

Met andere woorden: voor deze situatie is de aan de orde zijnde wet- en regelgeving niet gemaakt.

Hier is sprake van een overlap tussen het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke afweging. Het hof kan niet vaststellen in hoeverre een en ander aan het Openbaar Ministerie valt toe te rekenen in die mate dat het vertrouwensbeginsel als beginsel van goede procesorde daadwerkelijk is geschonden, maar oordeelt dat een redelijke en billijke afweging had moeten leiden tot de beslissing in dit geval niet (verder) te vervolgen.

Alles afwegende is het beeld dat uit het dossier en de behandeling ter zitting oprijst dat van een apert onredelijke vervolgingsbeslissing. Met andere woorden: geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie had kunnen oordelen dat met de (voortzetting van de) vervolging een redelijk belang gediend kon zijn.

Het hof verklaart dan ook het Openbaar Ministerie

niet-ontvankelijk in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. H.C. Wiersinga,

in bijzijn van de griffier mr. L.B. Schut.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 december 2020.