Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2421

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
200.282.649/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:7416, Meerdere afhandelingswijzen
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:2420
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Artikel 810a lid 2 Rv – verzoek in eerste aanleg gedaan als subsidiair verzoek in het kader van een verzoek gebaseerd op het bepaalde in artikel 1:262b BW (geschillenregeling);

In hoger beroep wordt ouder niet-ontvankelijk verklaard in zelfstandig verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv; Aan het hof ligt niet de behandeling voor van een verzoek betreffende ondertoezichtstelling, en/of uithuisplaatsing of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij,

waarin het hof een beslissing moet nemen en waarbij verzochte onderzoek zou kunnen bijdragen aan de beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.282.649/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 20-1598

zaaknummer rechtbank : C/09/595645

beschikking van de meervoudige kamer van 2 december 2020

inzake

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R.F.P. Scheele te Rotterdam.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

- de Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

regio Midden-Nederland,

te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

- [naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

locatie Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 2 september 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De gecertificeerde instelling heeft op 2 november 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 3 november 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

De raad heeft bij brief van 27 oktober 2020 aan het hof medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.4

De mondelinge behandeling heeft, samen met de zaak 200.283.794/01, op 4 november 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. Scheele;

- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3]

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

De vader is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Uit de (inmiddels verbroken) relatie tussen de moeder en de vader is uit de moeder geboren:

- [naam minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna ook: [voornaam minderjarige] of de minderjarige.

De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder en de vader hebben gezamenlijk gezag over de minderjarige. De minderjarige verblijft sinds 23 maart 2020 in een pleeggezin.

3.3

Bij beschikking van 30 maart 2020 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag is, uitvoerbaar bij voorraad, de minderjarige onder toezicht gesteld van 30 maart 2020 tot 30 maart 2021 en is machtiging verleend aan de gecertificeerde instelling om de minderjarige met ingang van 6 april 2020 tot 30 september 2020 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder heeft op de voet van het bepaalde in artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een geschil aan de kinderrechter voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling, dat – kort gezegd - ziet op de omgangscontacten tussen [voornaam minderjarige] en de moeder en de wenselijkheid van een nieuw onderzoek naar de mogelijkheid tot terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder. De moeder heeft verder verzocht, indien de rechtbank het deel-verzoek niet passend acht in het kader van artikel 1:262b BW het verzoek onder "d." van het petitum van de moeder te bezien in het kader van een artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzoek. De kinderrechter in de rechtbank heeft bij de bestreden beschikking het verzoek van de moeder ex artikel 1:262b BW afgewezen. Het meer of anders verzochte, het verzoek in het kader van artikel 810a lid 2 Rv, is afgewezen.

4.2

De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen specifiek op de beslissing omtrent het gedane verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv en opnieuw te beslissen over deze zaak en verzoek, en een deskundige aan te stellen op Rijks kas (NIFP of Psy Drechtsteden), waarbij de door haar geformuleerde onderzoeksvragen worden beantwoord door de deskundige.

4.3

De gecertificeerde instelling heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De moeder stelt, samengevat, dat niets wordt ingezet aan hulpverlening in het kader van artikel (het hof begrijpt:) 1:262 lid 1 in samenhang met lid 3 BW om te werken dan wel te onderzoeken of [voornaam minderjarige] thuis geplaatst kan worden bij de moeder. Direct na de geboorte en de uithuisplaatsing is overduidelijk dat de jeugdzorgketen [voornaam minderjarige] niet wil terugplaatsen.

De moeder betoogt in haar grief dat afwijzen van het artikel 810a lid 2 Rv verzoek in strijd is met de belangen van [voornaam minderjarige] en in strijd met de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad.

Volgens de moeder staat alleen nog de weg van artikel 810a lid 2 Rv open, nu zij te maken heeft met een weigerachtige gecertificeerde instelling. Op grond van de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:961) moeten de moeder en de zeer jonge [voornaam minderjarige] nu de kans krijgen om een onderzoek te hebben, anders is de aanvaardbare termijn verstreken en heeft de overheid in strijd met haar positieve inspanningsverplichting de kans willens en wetens voorbij laten gaan om aan haar onderzoeksplicht naar de mogelijkheid tot terugplaatsing te voldoen.

5.2

De gecertificeerde instelling betoogt dat bij de moeder sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie. Dit zorgt ervoor dat de moeder onvoldoende leerbaar is, waardoor interventies op pedagogische vaardigheden, zoals in het verleden gebleken is, onvoldoende effectief zijn. De gecertificeerde instelling is van mening dat er geen dusdanige veranderingen bij de moeder hebben plaatsgevonden, die maken dat zij, in tegenstelling tot met de vijf andere kinderen, nu wél in staat zou zijn om de zorg en opvoeding van [voornaam minderjarige] op zich te nemen. De moeder heeft geen inzichten getoond in de zorgen die door de gecertificeerde instelling zijn vastgesteld. Zij bagatelliseert de problematiek en legt zaken buiten zichzelf. Ook laat zij tijdens de bezoeken met de andere kinderen zien dat zij niet in staat is te handelen in het belang van de minderjarigen.

Gelet op al het bovenstaande is de gecertificeerde instelling van mening dat er geen nader uitgebreid onderzoek aangewezen is met betrekking tot de opvoedvaardigheden van de moeder nu dit niet kan leiden tot beslissing van de zaak en ook het belang van [voornaam minderjarige] bij een goede hechting aan volwassenen zich hiertegen verzet.

5.3

Het hof overweegt het volgende. Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Dit houdt in dat het onderzoek een vraag moet betreffen die relevant is voor het oordeel van de rechter in de desbetreffende zaak. Nu aan het hof thans niet de behandeling van een verzoek betreffende de ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij voorligt waarin het hof een beslissing moet nemen, en waarbij een onderzoek zoals door de moeder verzocht zou kunnen bijdragen aan een beslissing in een dergelijke zaak, zal het hof de moeder in haar zelfstandige verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

5.4

Ten overvloede overweegt het hof dat de rechtbank in haar beschikking van 30 maart 2020 aan de gecertificeerde instelling de opdracht heeft gegeven om in een verlengingsverzoek van de uithuisplaatsing een aantal vragen te beantwoorden over het toekomstperspectief van de minderjarige. In lijn met de uitspraak van de Hoge Raad van 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:961) dient de gecertificeerde instelling de gelegenheid te krijgen om de door de rechtbank gestelde vragen te beantwoorden alvorens kan worden beoordeeld of het verzoek van de moeder om een onderzoek uit het oogpunt van equality of arms is aangewezen.. Het ligt dan ook op de weg van de moeder om in de procedure bij de rechtbank in het kader van een jeugdbeschermingsmaatregel of gezagsbeëindiging om een onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 Rv te vragen.

5.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 810a Rv.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.A. van Kempen, C.M. Warnaar en M.Th. Linsen-Penning de Vries, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en is op 2 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.