Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2418

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
200.274.013
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:781, Meerdere afhandelingswijzen
Herstelarrest: ECLI:NL:GHDHA:2020:710
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Herroeping
Inhoudsindicatie

Herroeping van een beschikking in een zaak op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. Art. 382 jo 390 Rv.

Verzoek is niet-ontvankelijk omdat het te laat is ingediend. Ten overvloede overweegt het hof dat geen sprake is van de ingeroepen herroepingsgrond: bedrog en/of het achterhouden van stukken door de raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2021/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

zaaknummer : 200.274.013/02

rekestnummer rechtbank : FA RK 19-8103

zaaknummer rechtbank : C/09/582888

beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2020

inzake

[appellant] ,

hierna te noemen: de vader, en

[appellante] ,

hierna te noemen: de stiefmoeder,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

beiden wonende in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS),

verzoekers in hoger beroep,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht,

tegen

de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

advocaat: mr. H.A. Schipper te Den Haag.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [naam 1] en [naam 2] ,

beiden wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen: de oom en tante,

advocaat mr. A.G. Hendriks te Amsterdam,

2. [naam 3] ,

kantoorhoudende te [plaats 2] ,

in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Verenigde Staten van Amerika,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden en de raad voor de kinderbescherming te Arnhem,

hierna te noemen: de raad Den Haag respectievelijk de raad Arnhem.

1 Het procesverloop in hoger beroep

1.1

De ouders hebben op 19 oktober 2020 een verzoekschrift ingediend bij het hof, strekkende tot herroeping van de beschikking van dit hof van 25 maart 2020, bekend onder zaaknummer 200.274.013/01.

1.2

De gecertificeerde instelling heeft op 13 november 2020 een verweerschrift ingediend.

1.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

  • -

    een journaalbericht van de zijde van de oom en tante van 27 oktober 2020 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een brief van de zijde van de bijzondere curator met bijlage, ingekomen op 17 november 2020;

  • -

    een e-mailbericht van de zijde van de ouders van 19 november 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • -

    een e-mailbericht van de zijde van de ouders van 20 november 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

1.4

De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2020 plaatsgevonden. Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaat en mr. H.P. Scheer. Voor de ouders is de [naam 4] opgetreden als tolk in de Engelse taal;

  • -

    de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam 4] , bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator, vergezeld door een stagiair;

  • -

    de raad Den Haag, vertegenwoordigd door [naam 5] .

De oom en tante zijn met bericht van verhindering niet verschenen. De raad Arnhem is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De ouders en de tolk hebben de zitting bijgewoond middels een Skype-verbinding.

1.5

Mr. Schipper heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen overlegging van het e-mailbericht van mr. Whiterod van 19 november 2020 met bijlagen, aangezien zij onvoldoende tijd heeft gehad om een goed gemotiveerde reactie voor te bereiden. Bij de mondelinge behandeling is gebleken dat het hof niet over alle overgelegde producties beschikt. Het hof heeft daarop beslist dat de producties I tot en met N van de zijde van de ouders, die pas direct voorafgaand aan de zitting zijn ingediend, als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten, nu het hof daarvan voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen kennis heeft kunnen nemen en mr. Schipper onvoldoende tijd heeft gehad om zich te kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Het komt voor het risico van de ouders dat het hof door de late indiening van deze producties geen kennis heeft kunnen nemen, terwijl door mr. Whiterod geen toelichting is gegeven waarom de stukken pas in een zo laat stadium zijn ingediend. Wel heeft het hof mr. Whiterod ter zitting in de gelegenheid gesteld om (de inhoud van) de producties I tot en met N mondeling toe te lichten.

2 Het procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten

2.1

Voor het procesverloop en de beslissingen in eerste aanleg en in hoger beroep verwijst het hof naar de beschikking van 30 januari 2020 van de rechtbank Den Haag en de beschikking van 25 maart 2020 van dit hof.

2.2

Bij de beschikking van 30 januari 2020 heeft de rechtbank het verzoek van de ouders tot teruggeleiding van de minderjarige naar de VS op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (hierna: het Verdrag of HKOV) afgewezen. Voorts heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het verzoek tot opheffing van de kinderbeschermingsmaatregelen.

2.3

Bij de beschikking van 25 maart 2020 heeft dit hof, voor zover thans van belang, de beschikking van 30 januari 2020 van de rechtbank Den Haag bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

3 De omvang van het geschil

3.1

De ouders verzoeken om herroeping van de beschikking van dit hof van 25 maart 2020 en (gedeeltelijke) heropening van de procedure teneinde de vraag of er sprake is van een weigeringsgrond in de zin van het Verdrag opnieuw te beoordelen.

3.2

De gecertificeerde instelling verzoekt het hof de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, dan wel hun verzoek af te wijzen, alsmede de ouders te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.3

De ouders leggen aan hun verzoek tot herroeping het volgende ten grondslag. De gecertificeerde instelling en de raad hebben onjuiste en onvolledige informatie aan het hof verstrekt en daarom berust de beschikking op bedrog. Beide instanties deden het voorkomen dat zij op actieve wijze informatie uit de VS probeerden te verkrijgen, terwijl zij in werkelijkheid niet of nauwelijks actie hebben ondernomen. De ouders stellen dat zij daarmee bekend zijn geworden op 9 september 2020, op welke datum zij het contactjournaal van de raad voor het eerst onder ogen kregen. De handelswijze van de gecertificeerde instelling en de raad heeft onder meer tot gevolg gehad dat de rapportage van de Amerikaanse autoriteiten niet eerder ter beschikking is gekomen. Uit het op aandringen van de ouders opgestelde rapport door het Florida Department of Children and Families blijkt, in tegenstelling tot de Nederlandse rapportages, op geen enkele wijze van fysieke of geestelijke mishandeling of verwaarlozing van de minderjarige door de ouders. Door geen stukken op te vragen in de VS hebben de raad en de gecertificeerde instelling bovendien stukken achtergehouden die van doorslaggevende aard zouden zijn geweest, aldus de ouders.

3.4

De gecertificeerde instelling stelt dat sprake is van misbruik van procesrecht. De ouders zetten de minderjarige op onaanvaardbare wijze onder druk door steeds opnieuw procedures te starten. Voorts betwist de gecertificeerde instelling dat de ouders pas op 9 september 2020 bekend zijn geworden met het contactjournaal. De ouders hebben al eerder gewezen op het gebrek aan contact met de Amerikaanse kinderbeschermingsinstanties en deze stelling is reeds onderwerp van debat geweest. Ook waren de ouders in ieder geval op 9 juli 2020 bekend met het rapport uit de VS. Het voorgaande betekent volgens de gecertificeerde instelling dat de ouders hun onderhavige verzoek niet tijdig hebben ingediend. Daar komt bij dat het hof zijn oordeel in beperkte mate heeft doen steunen op de afwezigheid van informatie van de Amerikaanse kinderbeschermingsinstanties. De ouders hebben niet aangetoond dat de gecertificeerde instelling opzettelijk onjuiste informatie in het geding heeft gebracht en/of dat het bedrog van dien aard was dat het de uitspraak van het hof heeft beïnvloed. Ook is niet gesteld en bewezen dat sprake is van een herroepingsgrond als bedoeld in artikel 382 sub b of sub c Rv.

4 De beoordeling van het verzoek

Het verzoek ex artikel 390 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

Juridisch kader

4.1

Uit artikel 382 Rv in verbinding met artikel 390 Rv volgt dat een beschikking op verzoek van een partij kan worden herroepen indien:

a. de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

b. de beschikking berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;

c. een van de partijen na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

4.2

Uit artikel 383, eerste lid, Rv in verbinding met artikel 391 Rv volgt dat het rechtsmiddel van herroeping moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de verzoeker daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat tegen de beschikking geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

Ontvankelijkheid

4.3

Het hof zal allereerst ingaan op de vraag of de ouders hun verzoek tot herroeping tijdig hebben ingediend. Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet allereerst worden vastgesteld op welke datum geen gewoon rechtsmiddel meer openstond tegen de beschikking van dit hof van 25 maart 2020. Daarvoor is het volgende van belang. In artikel 13, lid 8, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is bepaald dat tegen een op de voet van het HKOV gewezen beschikking van het hof geen gewoon rechtsmiddel openstaat. De uitsluiting van cassatieberoep kan volgens vaste rechtspraak echter worden doorbroken op grond van de in die rechtspraak aanvaarde doorbrekingsgronden (zie HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7476 en HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085). In gevallen waarin de wet voor het hoger beroep een kortere termijn heeft voorgeschreven, wordt de cassatietermijn ingevolge artikel 426, lid 2, Rv gesteld op het dubbele van de voorgeschreven appeltermijn. Aangezien de termijn van hoger beroep voor beslissingen inzake internationale kinderontvoering in artikel 13, lid 7, van de Uitvoeringswet op twee weken is gesteld, zal het hof rekening houden met een cassatietermijn van vier weken. Het voorgaande heeft tot gevolg dat tegen de beschikking van dit hof van 25 maart 2020 op 23 april 2020 geen gewoon rechtsmiddel meer kon worden aangewend. De termijn voor de indiening van het verzoek tot herroeping is daarom ingegaan op 23 april 2020.

4.4

De ouders stellen dat de termijn van drie maanden voor het indienen van een verzoek tot herroeping is aangevangen op 9 september 2020, aangezien zij op die datum bekend zijn geworden met het contactjournaal van de raad en daarmee met het door hen gestelde bedrog door de gecertificeerde instelling en de raad. Het hof volgt de ouders daar niet in en legt dat als volgt uit. Het bedrog zou er volgens de ouders (onder meer) in zijn gelegen dat de raad en de gecertificeerde instelling ten onrechte hebben gesuggereerd dat er geen enkele informatie uit de VS kon komen en dat echt is getracht om die informatie te achterhalen. Het door de ouders gestelde gebrek aan contact tussen de raad en de gecertificeerde instelling aan de ene kant en de Amerikaanse instanties aan de andere kant en de inspanningen van de raad en de gecertificeerde instelling in dat kader zijn in eerdere procedures echter steeds al een punt van aandacht geweest. Zo blijkt onder andere uit de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 26 februari 2020 dat de ouders zich in die procedure reeds op het standpunt hebben gesteld dat de gecertificeerde instelling onvoldoende inzicht zou geven in haar inspanningen om in contact te komen met de autoriteiten in de VS. De kinderrechter heeft vervolgens overwogen dat de gecertificeerde instelling genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat door de raad telkens inspanningen zijn geleverd om informatie vanuit de VS te verkrijgen. Uit de overige processtukken in het dossier blijkt naar het oordeel van het hof eveneens dat de contacten van de raad en de gecertificeerde instelling met de instanties in de VS steeds onderwerp van debat zijn geweest in de verschillende procedures. In de beschikking van dit hof van 25 maart 2020, waarvan de ouders de herroeping verzoeken, is door het hof in aanmerking genomen dat vanuit de Amerikaanse kinderbeschermingsinstanties geen inhoudelijke reactie is gekomen op de diverse verzoeken van de raad om informatie betreffende de thuissituatie van de minderjarige bij de ouders en geen concrete te nemen stappen in de bescherming van de minderjarige kenbaar zijn gemaakt. De ouders stellen weliswaar pas op 9 september 2020 bekend te zijn geworden met het contactjournaal, maar dat kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de ouders pas op die datum voor het eerst met de door hen gestelde grond voor herroeping bekend zijn geworden. Niet gebleken is dat het contactjournaal informatie bevat die niet al bij de ouders bekend was en het contactjournaal is door hen reeds eerder in voorgaande procedures aan de orde gesteld. Nu de ouders op grond van het voorgaande in ieder geval vóór 23 april 2020 - de datum waarop tegen de beschikking van dit hof van 25 maart 2020 geen gewoon rechtsmiddel meer open stond - bekend zijn geworden met de door hen gestelde grond voor herroeping, hadden zij uiterlijk op 23 juli 2020 het rechtsmiddel herroeping kunnen aanwenden. Aangezien zij pas op 19 oktober 2020 om herroeping hebben verzocht, geldt dat zij hun verzoek niet tijdig hebben ingediend.

4.5

Voor zover de ouders, naast het contactjournaal van de raad, de ontvangst van het rapport van het Florida Department of Children and Families als grond voor herroeping inroepen, overweegt het hof als volgt. Hoewel de ouders niet duidelijk hebben gemaakt op welk moment zij van voornoemd rapport kennis hebben genomen, volgt uit het door de gecertificeerde instelling als bijlage 4 bij het verweerschrift overgelegde e-mailbericht van de ouders dat zij het rapport in ieder geval op 9 juli 2020 in hun bezit hadden. Het hof is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat de ouders in ieder geval op 9 juli 2020 bekend zijn geworden met de door hen gestelde grond voor herroeping betreffende de rapportage uit de VS. De ouders hadden het rechtsmiddel herroeping op deze grond derhalve uiterlijk op 9 oktober 2020 moeten aanwenden. Doordat zij dit pas op 19 oktober 2020 hebben gedaan, hebben zij hun verzoek tot herroeping voor zover op dit rapport gegrond evenmin binnen de in artikel 383 Rv genoemde termijn van drie maanden ingediend.

4.6

Ten overvloede wijst het hof nog op het volgende. Zelfs al zouden de ouders in hun verzoek tot herroeping kunnen worden ontvangen, dan nog zouden de stellingen van de ouders niet tot een toewijzing van het verzoek kunnen leiden. Het is het hof niet gebleken van het bestaan van een grond voor herroeping. Het hof is van oordeel dat aan de enkele ontvangst van het contactjournaal door de ouders niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat sprake is van bedrog aan de zijde van de gecertificeerde instelling of de raad, nog daargelaten de vraag of de raad kan worden aangemerkt als ‘wederpartij’ in de zin van artikel 382 Rv. Dit geldt eveneens voor het rapport van het Florida Department of Children and Families, nu het enkel later vinden of ter beschikking komen van nader bewijs of nieuwe ondersteunende feiten onvoldoende grond vormt om een eenmaal afgesloten procedure te heropenen. Voorts overweegt het hof dat het contactjournaal van de raad niet kan worden aangemerkt als een stuk dat door de wederpartij is achtergehouden. Gebleken is dat de inhoud van het contactjournaal steeds in debat is geweest en dat partijen daar over en weer op hebben kunnen reageren. Ook is naar het oordeel van het hof geen sprake van stukken van beslissende aard, nu de beslissing van het hof om de verzochte teruggeleiding af te wijzen is gebaseerd op meerdere gronden. Uit hetgeen namens de raad ter zitting is verklaard kan bovendien worden afgeleid dat geen sprake is geweest van het bewust achterhouden van stukken. Het stond de ouders vrij om de door hen gewenste informatie bij de raad op te vragen en niet is gebleken dat de raad er bewust voor heeft gekozen om het contactjournaal niet in het geding te brengen, mede gelet op de omstandigheid dat het desbetreffende stuk bij de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel door de raad in het geding is gebracht.

Proceskosten

4.7

Het hof ziet geen aanleiding om de ouders te veroordelen in de proceskosten. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep dan ook compenseren, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep zal dragen.

4.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

Het hof:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek tot herroeping van de beschikking van het hof Den Haag van 25 maart 2020;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.M. Warnaar, F. Ibili en K.M. Braun, bijgestaan door mr. L.A.J. Brouwer als griffier, en is op 9 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.