Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2371

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
2200120320
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Spugen in het gezicht van directeur detentiecentrum. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin - was gericht op het bedreigen dan wel mishandelen van de aangever. Geen bedreiging (art. 285 Sr) of mishandeling (art. 300 Sr), maar wel belediging (art. 266/267 Sr). Het handelen van de verdachte des te kwalijker onder meer omdat dat is gepleegd in een tijd waarin de samenleving onder druk staat door een heersende corona-epidemie, die veel angst en onzekerheid met zich meebrengt. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 13 dagen, waarvan 7 dagen voorwaardelijk. Ook dient de verdachte het slachtoffer een schadevergoeding te betalen van € 400,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001203-20

Parketnummer: 10-113389-20

Datum uitspraak: 1 december 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van

28 april 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Tunesië) op [geboortedag] 1995,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, met aftrek van voorarrest. Voorts is omtrent de vordering van de benadeelde partij beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 22 april 2020 te Rotterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam te spugen, althans in de richting te spugen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 22 april 2020 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door hem in/op/tegen het gezicht en/of het lichaam te spugen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 april 2020 te Rotterdam opzettelijk [slachtoffer], in zijn

tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door te spugen in/op/tegen het gezicht

en/of het lichaam, althans in de richting te spugen;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, niet wettig en overtuigend bewezen dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin - was gericht op het bedreigen dan wel mishandelen van de aangever, zodat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 april 2020 te Rotterdam opzettelijk [slachtoffer], in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door te spugen in/op/tegen het gezicht.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een directeur van het Detentiecentrum Rotterdam tijdens een gesprek met hem in een spreekkamer in het gezicht gespuugd. Het bespugen van personen, zeker in het gezicht, is naar zijn aard een uiterst kwalijke en onhygiënische handeling die uiterst grievend is. Het handelen van de verdachte des te kwalijker omdat dat in een kleine ruimte heeft plaatsgevonden en het is gepleegd in een tijd waarin de samenleving onder druk staat door een heersende corona-epidemie, die veel angst en onzekerheid met zich meebrengt. Bovendien getuigt dergelijk gedrag van een groot gebrek aan respect voor het publieke belang dat door het slachtoffer wordt gediend.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van beledigingen en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles afwegende – en onder de gegeven omstandigheden van oordeel dat niet anders dan met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur kan worden gereageerd.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 430,00. In eerste aanleg heeft de politierechter van deze vordering een bedrag van € 400,- toegewezen en de vordering voor het overige afgewezen.

In hoger beroep is de vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte niet betwist.

Het hof acht aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden nu hij door het handelen van de verdachte in zijn eer of goede naam is aangetast en nu deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid en gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen - voor toewijzing tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 april 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 400,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], eveneens te vermeerderen met wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400,00 (vierhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 22 april 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer,

mr. A.J.M. Kaptein en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier Bongaerts.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 december 2020.