Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2367

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
2200185119
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor onder meer belediging van een arrestantenverzorger door hem in het gezicht te spugen (art. 266 jo. 267 Sr).

De verdachte heeft een arrestantenverzorger in het gezicht gespuugd, waarbij het spuug onder meer in het rechteroog van de arrestantenverzorger terecht is gekomen. De arrestantenverzorger kreeg na enkele dagen jeuk aan zijn rechteroog en is later met een gezwollen oog naar het ziekenhuis gegaan. Vervolgens bleek van de aanwezigheid van de bacterie Neisseria gonorrhoeae, ook wel gonorroe genoemd. Het hof overweegt – in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677 en de aangiften – dat spugen in het gezicht in onderhavige zaak niet kan worden aangemerkt als het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn als bedoeld in art. 300 Sr. Voorts biedt de aangifte evenmin voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het in het gezicht bespuugd worden in dit geval aangemerkt dient te worden als een min of meer hevig onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, welke onder omstandigheden, mishandeling als bedoeld is art. 300 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001851-19

Parketnummer: 09-210465-16

Datum uitspraak: 3 december 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partij [benadeelde partij] naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 meer subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 29 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Daarnaast is ten aanzien van feit 3 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden opgelegd, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Leiden, aan [aangever] (eerste senior arrestantenverzorger voor politie Eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende oogschade (een vermindering van het zicht/visus van circa 70%) aan het (rechter)oog, heeft toegebracht, door hem in/tegen het oog, in elk geval het gezicht te spuwen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Leiden, roekeloos althans grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig toen aldaar [aangever] (eerste senior arrestantenverzorger voor politie Eenheid Den Haag) in/tegen het oog, in elk geval het gezicht, heeft gespuwd, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat voornoemde [aangever] zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende oogschade (een vermindering van het zicht/visus van circa 70%) aan het (rechter)oog, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Leiden, [aangever] (eerste senior arrestantenverzorger voor politie Eenheid Den Haag) heeft mishandeld door hem in/tegen het oog, in elk geval het gezicht te spuwen; terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten blijvende oogschade (een vermindering van het zicht/visus van circa 70%) aan het (rechter)oog, ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Leiden opzettelijk een ambtenaar, [aangever] (eerste senior arrestantenverzorger voor politie Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [aangever] in het gezicht te spuwen, althans een of meer feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

2.
hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Alphen aan den Rijn [aangever 2] (agent van politie Eenheid Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "wie denk je dat je bent. Als ik vrij ben en ik zie je, dan ben je van mij. Ik ga je opwachten. Ik maak je helemaal kapot kankerlijer. Je denkt zeker dat je wat bent. Ik ga je opwachten, jij bent echt van mij als ik je weer tegenkom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij en dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag wordt opgelegd, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte ten aanzien van feit 3 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd of ingehouden is geweest, wordt opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de tenlastelegging

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het navolgende vast.

De verdachte heeft op zondag 16 oktober 2016 in het gezicht van een arrestantenverzorger (hierna: aangever) gespuugd, waarbij het spuug onder meer in het rechteroog van de aangever terecht is gekomen. De aangever kreeg op woensdag 19 oktober 2016 jeuk aan zijn rechteroog en is op zondag 23 oktober 2016 met een gezwollen oog naar de huisartsenpost gegaan. Vervolgens bleek - bij een in het ziekenhuis genomen kweek van het ontstekingsvocht uit het oog - van de aanwezigheid van de bacterie Neisseria gonorrhoeae, een veroorzaker van geslachtsziekten, ook wel gonorroe genoemd.

Het spuugincident is tenlastegelegd onder 1 primair als het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, subsidiair als het door schuld veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, meer subsidiair als eenvoudige mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend en meest subsidiair als belediging.

Vooropgesteld moet worden dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde, vastgesteld moet worden dat een causaal verband bestaat tussen het spugen van de verdachte en het optreden van de gonorroebesmetting bij de aangever. Dat is naar het oordeel van het hof op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet mogelijk.

Het hof kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte - al dan niet bewust - drager was van de gonorroe bacterie ten tijde van het spuugincident en dat deze bacterie door het spugen is overgedragen op de aangever. Het enkele feit dat de gonorroe besmetting een aantal dagen na het spuugincident bij de aangever is vastgesteld, is daarvoor onvoldoende.

Het hof ziet geen aanleiding nader onderzoek naar de aanwezigheid van het vereiste causale verband te gelasten, nu er geen aanwijzingen zijn dat nader onderzoek thans nog uitsluitsel daarover zou kunnen bieden. Daarbij speelt een rol dat destijds, op 16 oktober 2016, geen bemonstering van het spuug van de verdachte heeft plaatsgevonden, waardoor nader onderzoek naar dit spuug niet meer mogelijk is.

Een en ander brengt het hof tot het oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.

Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of het spugen in het gezicht op zichzelf ‘eenvoudige’ mishandeling oplevert als bedoeld in art. 300 lid 1 Sr, zoals dat meer subsidiair is tenlastegelegd.
Voor die beoordeling is van belang hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, ter zake van mishandeling als bedoeld in art. 300 Sr heeft overwogen:
“Blijkens de wetsgeschiedenis, die is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 en 10, is de aanvankelijke strafbedreiging van art. 300 Sr tegen hem "die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt" in de loop van het wetgevingsproces vervangen door de strafbaarstelling van "mishandeling" teneinde - kort gezegd - twijfels weg te nemen in verband met de taalkundige juistheid van de uitdrukking 'ligchamelijk leed' en de niet-strafbaarheid van bepaalde vormen van toebrengen van lichamelijk leed. Niet blijkt echter van een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid. Gelet op dit een en ander moet onder 'mishandeling' in de zin van genoemde bepaling niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn - zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466) - maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam (vgl. HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503 en HR 12 december 1967, NJ 1970, 314).”

De aangever in de onderhavige zaak heeft over het spuugincident, voor zover hier relevant, in eerste instantie, op 16 oktober 2016, bij aangifte van belediging, het volgende verklaard:
“Opeens spoog hij (hof: de verdachte) in mijn gezicht. Ik kon de roggel niet ontwijken omdat de afstand hiervoor te kort was. Het ging ook erg snel. De roggel van de arrestant kwam tegen mijn rechteroog. Ik vond dit erg vies. Uit reactie heb ik de arrestant samen met mijn collega naar de grond gebracht. Hierna heb ik mijn gezicht en haren afgespoeld met water en heb de ruimte verlaten. Ik voel mij erg beledigd als persoon maar ook in mijn functie door het spugen van de arrestant in mijn gezicht. Er is niks viezer èn minner dan iemand zo in zijn gezicht spugen.”

Voorts heeft de aangever op 3 november 2016, nadat bij hem een gonorroebesmetting was vastgesteld, in een aangifte van zware mishandeling aanvullend verklaard:
“Ik zei dat hij (hof: de verdachte) door moest lopen naar de fouilleringsruimte. Ik gaf de man daarbij

een klein duwtje tegen zijn schouder om hem in beweging te krijgen. Ik zei daarna tegen hem dat hij zijn jas uit moest doen en dat hij moest stoppen met schreeuwen. Op dat moment draaide de verdachte zich om naar mij en spuwde hij mij vol in het gezicht.

De spuug kwam in mijn haar en in mijn rechteroog. Het was zoveel spuug dat het van mijn haar en gezicht naar beneden droop. Ik zag dat het gele spuug was. Ik had nog

nooit zoiets gezien en ook niet de hoeveelheid die iemand in 1 keer kan spugen. De collega's hebben de verdachte overgenomen en ik ben meteen mijn gezicht, oog en

haar uit gaan wassen.”

Het hof overweegt, in het licht van genoemd arrest van de Hoge Raad en de aangiften, allereerst dat het spugen in het gezicht in de onderhavige zaak niet kan worden aangemerkt als het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn als bedoeld in art. 300 Sr, met verwijzing naar hetgeen het hof hier eerder heeft overwogen, kort gezegd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte – al dan niet bewust - gonorroe had toen hij spuugde en het bewijs voor het causaal verband met de besmetting bij aangever – en dus ook met de als gevolg daarvan ondervonden pijn en het letsel - ontbreekt.


Voorts is het hof van oordeel dat de aangifte evenmin voldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het in het gezicht bespuugd worden in dit geval aangemerkt dient te worden als een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam welke, onder omstandigheden, mishandeling als bedoeld in art. 300 Sr kan opleveren.


Het hof komt op grond hiervan tot een vrijspraak van de onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde ‘eenvoudige’ mishandeling.

Het hof acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever door een feitelijkheid opzettelijk heeft beledigd door hem in het gezicht te spugen, zoals onder 1 meest subsidiair is tenlastegelegd. De verdachte heeft de aangever respectloos bejegend en hem in zijn eer en goede naam aangerand.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. meest subsidiair
hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Leiden opzettelijk een ambtenaar, [aangever] (eerste senior arrestantenverzorger voor politie Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door voornoemde [aangever] in het gezicht te spuwen, althans een of meer feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking;.

2.
hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Alphen aan den Rijn [aangever 2] (agent van politie Eenheid Den Haag) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd: "wie denk je dat je bent. Als ik vrij ben en ik zie je, dan ben je van mij. Ik ga je opwachten. Ik maak je helemaal kapot kankerlijer. Je denkt zeker dat je wat bent. Ik ga je opwachten, jij bent echt van mij als ik je weer tegenkom", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.
hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Alphen aan den Rijn, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 16 oktober 2016 – onder invloed van alcohol - schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten. De verdachte heeft zich eerst schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling van een agent, [aangever 2] en heeft bovendien geweigerd medewerking te verlenen aan een ademonderzoek en aldus verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, sprake was geweest van alcoholgebruik en in welke mate hij (eventueel) de verkeersveiligheid in gevaar had gebracht.

Vervolgens heeft de verdachte op het politiebureau arrestantenverzorger [aangever] beledigd door hem in zijn gezicht te spugen. Zodoende heeft de verdachte hem in zijn eer en goede naam aangetast en er bovendien blijk van gegeven geen respect te hebben voor het openbaar gezag. Ambtenaren met een publieke taak moeten – in het belang van de openbare orde – kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met beledigingen als de onderhavige.

Het hof heeft voorts acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden reeds onherroepelijk is veroordeeld voor wederspannigheid, mishandeling en strafbare feiten in het kader van de Wegenverkeerswet 1994. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep ter sprake zijn gekomen, welke in het voordeel van verdachte strekken. De verdachte heeft spijt betuigd van zijn handelen. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn leven nu op orde heeft. Hij wil het verleden achter zich laten en is bezig een positieve wending aan zijn leven te geven. De verdachte woont nog steeds samen met zijn broer, beschikt over een inkomen en is sinds 8 maanden werkzaam in de zorg, waar hij zich ontfermd over een groep van 10 verstandelijk gehandicapten. Daarnaast heeft de verdachte naar eigen zeggen zijn alcoholgebruik onder controle en is hij voor zover bekend en afgezien van de onherroepelijke veroordeling ter zake van overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet, gepleegd op 9 november 2016, niet meer met politie en justitie in aanraking geweest in verband met het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Voorts neemt het hof in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Immers, de redelijke termijn van de berechting in eerste aanleg is overschreden met bijna 4 maanden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu de overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, de overschrijding gecompenseerd dient te worden door een vermindering van de op te leggen straf.

Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat die het hof, alles afwegende, passend en geboden acht, in die zin, dat in plaats van de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, met aftrek van voorarrest, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 57 uren, subsidiair 28 dagen hechtenis zal worden opgelegd. Daarnaast zal het hof een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur opleggen.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 22.187,87, te vermeerderen met wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, in die zin dat de raadsman van de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotities – primair op het standpunt heeft gesteld dat de causaliteit dermate complex is dat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 meest subsidiair bewezenverklaarde. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat - gelet op de onderbouwing van vordering van de benadeelde partij – het verzoek tot schadevergoeding geheel geënt is op het fysieke letsel dat de benadeelde stelt te hebben opgelopen aan zijn oog – de gonorroebesmetting -, waarvoor hij de verdachte aansprakelijk acht. Deze schade is echter niet als rechtstreeks gevolg van de belediging aan te merken. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.


Verklaart het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 57 (zevenenvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.


Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. T.J. Sleeswijk Visser, mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. N. van Burgsteden.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 december 2020.