Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2350

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
200.252.313/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia, waiver, verklaring voor recht, effectenlease, eega, 1:88 BW, vernietiging, bewijswaardering, buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente, misbruik van recht, verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.252.313/01

Zaaknummer rechtbank : 5399755 CV EXPL 16-39949

arrest van 15 december 2020

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Het geding

1.1.

Bij exploot van 26 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam, team kanton, locatie Rotterdam, (hierna de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnissen van 16 maart 2018 (hierna het tussenvonnis) en 31 augustus 2018 (hierna het eindvonnis). Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Dexia de grieven bestreden en tevens twee grieven in incidenteel appel aangevoerd. [appellant] heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel. Vervolgens heeft [appellant] bij akte uitlating één productie in het geding gebracht. Hierop heeft Dexia bij antwoordakte gereageerd.

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

De door de kantonrechter in het tussenvonnis onder 2. vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist kunnen in dit geschil de volgende feiten als vaststaand worden aangemerkt.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [appellant] is in 1994 gehuwd met [de echtgenote] (hierna: [de echtgenote]).

b. [appellant] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten 1-6 (hierna: ook wel de Overeenkomsten) in deze procedure betrokken. Deze heeft hij ondertekend en hierop staat hij als lessee vermeld, met als wederpartij de rechtsvoorganger van Dexia.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

Vooruit-betaling

Termijn-bedrag

1

[contractnr.1]

25-04-1997

WinstVerdubbelaar

60 mnd

€ 16.627,28

-

€ 113,63

2

[contractnr.2]

17-07-1997

Click-Leasen

84 mnd

€ 4.173,15

-

€ 24,50

3

[contractnr.3]

26-02-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 42.674,22

-

€ 229,43

4

[contractnr.4]

23-11-1998

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 2.557,49

€ 453,78

-

5

[contractnr.5]

16-03-1999

SpaArEXtra 180 maanden

180 mnd

€ 8.168,04

-

€ 45,38

6

[contractnr.6]

28-06-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 9.535,48

-

€ 45,94

c. [appellant] heeft met betrekking tot bovengenoemde overeenkomsten in totaal een bedrag van € 22.600,69 aan Dexia betaald en € 13.878,04 van Dexia ontvangen.

d. Daarnaast zijn de volgende effectenleaseovereenkomsten 7-10 tussen Dexia en [appellant] tot stand gekomen:

Naam overeenkomst

Contractnummer

7

Spaarleasen

[contractnr.7]

8

IndexPlus

[contractnr.8]

9

WinstVerdubbelaar

[contractnr.9]

10

WinstVerDriedubbelaar

[contractnr.10]

e. In een brief van 5 februari 2003 heeft [de echtgenote] onder andere het volgende geschreven aan Dexia:

“In de afgelopen jaren zijn tussen mijn echtgenoot en uw bank (c.q. uw rechtsvoorgangers) een aantal effectenleasecontracten tot stand gekomen. Het gaat daarbij – voor zover ik kan nagaan – om de volgende contracten:

[contractnr.10]

[contractnr.11].

De door mijn echtgenoot getekende contracten zijn zonder mijn toestemming gesloten, hoewel zij op grond van artikel 1: 88 BW mijn toestemming behoefden.

Nu mijn toestemming ontbreekt beroep ik mij op de vernietigingsgrond als opgenomen in artikel 1: 89 BW, hetgeen tot gevolg heeft dat alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten met terugwerkende kracht geacht moeten worden niet tot stand te zijn gekomen.

Op grond van het bovenstaande (…) sommeer ik u de door mijn echtgenoot betaalde termijnen (…) te storten op het u bekende rekeningnummer (…).

Mocht ik de desbetreffende betalingen niet binnen 14 dagen na heden van u ontvangen, dan zal ik juridische stappen ondernemen en houd ik uw bank aansprakelijk voor alle kosten die ik daarvoor moet maken.”

Het contract met nummer [contractnr.11] is een elfde contract, dat door [appellant] is afgesloten ten behoeve van zijn (toen nog minderjarige) zoon. Het contract [contractnr.10] is de hiervoor onder d. genoemde overeenkomst 10.

f. Bij brief van 28 februari 2007 heeft Leaseproces namens [appellant] een opt-out verklaring uitgebracht aan Dexia.

3.1.

In deze procedure vordert [appellant], voor zover in hoger beroep nog van belang, in conventie, een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en een veroordeling van Dexia om al hetgeen [appellant] krachtens de Overeenkomsten aan Dexia heeft betaald aan hem terug te betalen, met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van Dexia in de kosten van het geding.

Dexia vordert, in reconventie, een verklaring voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig tot stand zijn gekomen, niet zijn vernietigd en niet blootstaan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, met proceskosten.

3.2.

In eerste aanleg heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat de Overeenkomsten zijn vernietigd door de brief van 5 februari 2003. Dexia heeft dit betwist en als verweer gevoerd dat de bevoegdheid van [de echtgenote] om de Overeenkomsten te vernietigen op 5 februari 2003 reeds was verjaard. De kantonrechter heeft in conventie, na het horen van getuigen, het beroep van Dexia op verjaring gehonoreerd en de vordering in conventie afgewezen. De vordering in reconventie heeft de kantonrechter toegewezen.

3.3.

Het hof heeft geconstateerd dat geen afzonderlijke grief is gericht tegen het oordeel in reconventie, maar de conventie en reconventie zijn zodanig met elkaar verweven dat dit ook niet nodig was. Eventuele toewijzing van de vordering in conventie (voor zover inhoudend dat de Overeenkomsten zijn vernietigd) impliceert immers zonder meer afwijzing van de vordering in reconventie, voor zover inhoudend dat die overeenkomsten niet zijn vernietigd en niet aan vernietiging bloot staan. Ook Dexia moet dit hebben begrepen.

3.4.

Partijen zijn het erover eens dat [appellant] de Overeenkomsten heeft gesloten zonder toestemming van zijn echtgenote, [de echtgenote], en dat het ontbreken van de toestemming een grond oplevert voor vernietiging. Ook het hof zal hier in hoger beroep van uitgaan.

3.5.

Met grief 3 klaagt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] het bewijsvermoeden dat [de echtgenote] reeds vóór 5 februari 2000 bekends was met de Overeenkomsten, niet heeft ontzenuwd. Het hof zal deze grief als eerste bespreken, want indien deze grief slaagt behoeven de grieven 1 en 2 geen behandeling meer. Uit de toelichting op de grief begrijpt het hof dat [appellant] van mening is dat hij er wel in is geslaagd het door Dexia bijgebrachte bewijs te ontzenuwen.

3.6.

Dexia heeft dit gemotiveerd betwist.

3.7.

Als getuige – in het onder 3.2. bedoelde getuigenverhoor in eerste aanleg – heeft [de echtgenote] verklaard:

“Ik heb voor het eerst van mijn man van de contracten gehoord toen hij mij de vernietigingsbrief ter ondertekening voorlegde. Ik weet niet meer wanneer dat was. Ik denk dat mijn man mij niet eerder over de contracten heeft verteld omdat hij zich met de financiën bezig hield en het leuk vond om dingen uit te zoeken. Mij interesseert dat niet. (…) U houdt mij voor dat mijn man ook een contract op naam van onze zoon heeft gesloten. Dat wist ik toen niet. (…) U zegt mij dat mijn man in de periode vóór de vernietigingsbrief uitkeringen van LegioLease heeft ontvangen. Hij heeft daar niet met mij over gesproken. (…) Hij ontving van zijn werkgever ook twee keer per jaar een winstuitkering en daarmee bemoeide ik mij ook niet. Mijn man heeft ook niet over een restschuld in juni 2002 met mij gesproeken. Ik was meestal als eerst thuis en legde de post van mijn man dan apart. Bankafschriften, waarop ook mijn naam stond, maakte ik niet open, dat deed mijn man. Ook later keek ik niet in bankafschriften. Post van LegioLease of Dexia ben ik in de post wel tegen gekomen. Ik weet niet of het daarbij ging om reclame of wat anders. Ik heb hierover geen vragen gesteld. (…) De belastingaangifte regelde mijn man Ik moest die ook ondertekenen maar ik bekeek ze niet.

Van mijn man wist ik van zijn winstuitkeringen, die kwamen in mei en in december van ieder jaar. Daarvan konden wij dan de vakantie betalen of wat extra’s doen. Ik weet niet waarom mijn man mij niet vertelde over de uitkeringen die Legio Lease heeft gedaan.”

3.8.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiermee de stelling van Dexia dat [de echtgenote] vóór 5 februari 2000 kennis had gekregen van de Overeenkomsten, ontzenuwd. De getuigenis van [de echtgenote] komt het hof niet ongeloofwaardig voor. De door Dexia gestelde omstandigheden dat echtelieden in het algemeen het sluiten van overeenkomsten als de onderhavige met elkaar bespreken, dat niet aannemelijk is dat [appellant] de overeenkomst die hij heeft afgesloten voor hun zoon niet met [de echtgenote] heeft besproken, dat hij een winstuitkering heeft gekregen in maart 1999 en dat [de echtgenote] brieven c.q. enveloppen van LegioLease heeft zien binnenkomen, zijn als zodanig voor de aan– of afwezigheid van wetenschap van [de echtgenote] van de Overeenkomsten irrelevant. Het had op de weg van Dexia gelegen om tegenover de getuigenverklaring van [de echtgenote] (alsnog) bewijs te leveren van haar stelling, doch dit heeft zij nagelaten. Aangenomen moet worden dat [de echtgenote] rond 5 februari 2003 op de hoogte is geraakt van het bestaan van effectenleaseovereenkomsten gesloten tussen [appellant] en Dexia. Grief 3 in het principaal appel slaagt in zoverre. De grieven 1 en 2 behoeven daarmee geen behandeling.

3.9.

De vraag die het hof vervolgens moet beantwoorden (en die aan de orde is gesteld in de tweede grief in het incidenteel appel) is of [de echtgenote] met de brief van 5 februari 2003 alle Overeenkomsten heeft vernietigd. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de brief is redelijkerwijs op te maken dat [de echtgenote] alle overeenkomsten tussen [appellant] en Dexia wilde vernietigen, maar op dat moment met slechts twee van die overeenkomsten concreet bekend was (“voor zover ik kan nagaan”). Daarbij betrekt het hof dat de brief vermeldt dat met betrekking tot “alle zonder mijn toestemming gesloten overeenkomsten” een beroep wordt gedaan op de vernietigingsgrond van art. 1:89 BW en dat [de echtgenote] verder ongeclausuleerd schrijft dat haar echtgenoot zonder haar toestemming overeenkomsten (met Dexia) heeft gesloten. Dit is voldoende voor de conclusie dat alle overeenkomsten die in deze procedure zijn betrokken (de Overeenkomsten) zijn vernietigd. Grief 2 in het incidenteel appel faalt.

Wettelijke rente

3.10.

[appellant] vordert in hoger beroep wettelijke rente, primair telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia en subsidiair vanaf de vernietigingsbrief van 5 februari 2003 tot aan de uiteindelijke algehele voldoening. In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat Dexia te kwader trouw was omdat zij niet alleen wist dat de toestemming van de eega nodig was, maar ook dat de eega de overeenkomst kon vernietigen. Dexia heeft niet geïnformeerd of [appellant] was gehuwd en of [de echtgenote] de benodigde schriftelijke toestemming wilde geven. Kennelijk heeft Dexia bewust het risico genomen dat de overeenkomsten mogelijk zouden worden vernietigd, aldus [appellant]. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis (rov. 4.16.) geoordeeld dat Dexia met terugwerkende kracht als bezitter niet te goeder trouw moet worden aangemerkt. In grief I in het incidenteel appel voert Dexia aan dat dit oordeel van de kantonrechter onjuist is.

3.11.

Art. 6:119 BW bepaalt dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Als hoofdregel geldt op grond van art. 6:82 lid 1 BW dat verzuim eerst intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Op grond van art. 6:205 BW geldt echter dat degene die te kwader trouw is op het moment dat hij een onverschuldigde betaling ontvangt, zonder ingebrekestelling in verzuim verkeert.

3.12.

Het enkele feit dat Dexia willens en wetens het risico heeft genomen dat de eventuele echtgenoot van [appellant] de Overeenkomsten op een later tijdstip zou kunnen vernietigen, betekent nog niet dat Dexia ten tijde van de ontvangst van de betalingen van [appellant] te kwader trouw was. In die omstandigheid ligt niet besloten dat Dexia wist of vermoedde dat de Overeenkomsten zouden worden vernietigd. [appellant] heeft niets gesteld wat de conclusie rechtvaardigt dat Dexia ten tijde van het ontvangen van de betalingen onder de Overeenkomsten en voorafgaand aan de vernietiging daarvan, had moeten begrijpen dat [de echtgenote] de vernietiging van deze overeenkomsten zou willen inroepen. Dit betekent dat kwade trouw ten tijde van de ontvangst van de betalingen niet is komen vast te staan (HR april 2019, ECLI:NL:HR:2019:506). Hiermee slaagt in zoverre grief 1 in het incidenteel appel.

3.13.

Dat is anders voor de betalingen die na de datum van de vernietiging van de Overeenkomsten zijn ontvangen. De betalingen van nadien zijn aan weerszijden niet te goeder trouw ontvangen, zodat verzuim in zoverre intreedt zonder ingebrekestelling. De wettelijke rente over betalingen die na 5 februari 2003 zijn gedaan gaat onmiddellijk na de betaling in. Voor zover het hof kan nagaan op grond van de overgelegde stukken, betreft dit mogelijk betalingen uit hoofde van de overeenkomsten 5 en 2.

3.14.

Voor de betalingen die voor 5 februari 2003 zijn ontvangen geldt – als gezegd – dat de wettelijke rente gaat lopen als Dexia in verzuim is en daarvoor is in beginsel een ingebrekestelling noodzakelijk. De stelling van [appellant] dat [de echtgenote] Dexia in gebreke heeft gesteld bij haar brief van 5 februari 2003, is gegrond. Met het verstrijken van de in die brief genoemde termijn van veertien dagen is Dexia in verzuim komen te verkeren. De wettelijke rente over de betalingen die [appellant] voorafgaand aan de vernietiging van de Overeenkomsten heeft gedaan, is dus verschuldigd vanaf 19 februari 2003.

Buitengerechtelijke kosten

3.15.

[appellant] vordert in hoger beroep ook buitengerechtelijke incassokosten.

3.16.

De werkzaamheden waarvoor [appellant] vergoeding wenst betreffen naar hij heeft gesteld: het voeren van een intakegesprek, het samenstellen, completeren en verwerken van de voor het dossier benodigde stukken, het beoordelen van de juridische haalbaarheid van de aanspraken van [appellant], het berekenen van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, het opstellen en versturen van een sommatiebrief naar Dexia en het meerdere malen versturen van een brief ter stuiting van de verjaring naar Dexia. In hoger beroep heeft [appellant] deze omschrijving niet nader gepreciseerd. De door [appellant] genoemde kosten komen op grond van art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv in een procedure niet voor vergoeding in aanmerking. [appellant] heeft onvoldoende gesteld ter onderbouwing van zijn aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. (vgl. HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590).

3.17.

Daarnaast maakt [appellant] aanspraak op de aan Leaseproces betaalde vergoeding die hij ook rangschikt onder de buitengerechtelijke kosten.

3.18.

Redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op de voet van art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW als vermogensschade in aanmerking voor vergoeding door de aansprakelijke partij, behoudens voor zover de regels betreffende de proceskosten van toepassing zijn (art. 6:96 lid 3 BW). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben verkeerd. Uit de tekst, de toelichting en de strekking van art. 6:96 lid 2 BW valt niet af te leiden dat beoogd is om van vergoeding uit te sluiten de kosten die zijn gemaakt op basis van een overeenkomst tussen de benadeelde en een rechtsbijstandsverlener zoals Leaseproces. Zij komen voor vergoeding in aanmerking voor zover zij redelijk zijn, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking komen (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2797).

3.19.

In het onderhavige geval moet in het kader van de redelijkheidstoets worden meegewogen dat Leaseproces geen werkzaamheden heeft verricht waarvoor op grond van art. 6:96 lid 2 BW vergoeding moet worden betaald. Daarbij komt dat Leaseproces vrijwel identieke werkzaamheden verricht voor een groot aantal benadeelden. Dat betekent dat de aan Leaseproces betaalde vergoeding geen vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten jegens Dexia oplevert.

Misbruik van recht

3.20.

Dexia heeft zich in eerste aanleg op misbruik van recht beroepen. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het hof dit verweer nog dient te behandelen, Volgens Dexia heeft [de echtgenote] in nauwe samenspraak met [appellant] besloten uitsluitend een vernietigingsverklaring af te leggen ter zake van de verlieslatende overeenkomsten, maar niet ter zake van twee winstgevende overeenkomsten, de nrs 7 en 9 (zie hiervoor rov. 2.2. onder d). Zij verwijst ook naar art. 6:278 lid 2 BW. Dexia stelt daartoe dat deze bepaling specifiek is geschreven om tegen te gaan wat [appellant] en [de echtgenote] beogen, namelijk “dat met behulp van de figuur van ontbinding c.q. andere figuren die het mogelijk maken ongedaanmaking van het reeds gepresteerde af te dwingen, op onaanvaardbare wijze ten koste van de tegenpartij kan worden gespeculeerd”.

3.21.

In zijn arrest van 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de uitleg van art. 1:88, lid 1 aanhef en onder d BW moet worden vooropgesteld dat de ratio van deze bepaling is echtgenoten in hun onderlinge verhouding, dus ten opzichte van elkaar, te beschermen. De Hoge Raad heeft voorts overwogen dat het beroep van Dexia op art. 6:278 lid 2 BW faalt omdat het niet valt te rijmen met de strekking van art. 1:88 BW de andere echtgenoot te beschermen tegen het zonder zijn toestemming aangaan van de daarin bedoelde rechtshandelingen. Deze ratio geldt ook voor het geval meerdere overeenkomsten zijn aangegaan, waarvan de vernietiging alleen de overeenkomsten treft met een negatief resultaat. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering moet worden gemaakt, zijn door Dexia onvoldoende gesteld.

Verrekening

3.22.

Dexia stelt (in haar memorie van antwoord) dat voor zover het beroep op vernietiging van de Overeenkomsten gegrond is, Dexia op haar beurt ook recht heeft op restitutie van wat zijzelf onder de Overeenkomsten aan [appellant] heeft uitgekeerd (vermeerderd met rente). Zij beroept zich wat dit betreft op verrekening. Het is juist dat de vernietiging van de Overeenkomsten meebrengt dat op partijen over en weer de verplichting komt te rusten om de geleverde prestaties ongedaan te maken. Verder staat vast dat Dexia uit hoofde van de Overeenkomsten betalingen aan [appellant] heeft gedaan. [appellant] heeft ook niet weersproken (bij zijn akte uitlating) dat dit het geval is, zodat het beroep op verrekening opgaat. De verrekening dient in beginsel plaats te vinden volgens de regels van de artikelen 6:43 lid 2 BW en 6:44 lid 1 BW (art. 6:137 lid 1 BW).

Slotsom

3.23.

Grief 3 in het principaal appel slaagt, evenals grief I in het incidenteel appel. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd.

Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in de kosten van het principaal appel. Het hof zal een kostenveroordeling in het incidenteel appel achterwege laten, omdat dit appel overbodig was. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep had het hof de door Dexia in het incidenteel appel naar voren gebrachte stellingen ook onder ogen moeten zien als Dexia geen incidenteel appel had ingesteld. Het algemene bewijsaanbod van Dexia wordt gepasseerd omdat het niet voldoet aan de in hoger beroep aan een bewijsaanbod te stellen eisen.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de vonnissen van de kantonrechter Rotterdam van 16 maart 2018 en 31 augustus 2018;

opnieuw rechtdoende:

in conventie:

  • -

    verklaart voor recht dat de Overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd;

  • -

    veroordeelt Dexia om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder de Overeenkomsten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals omschreven in rov. 3.13. en 3.14. en te verminderen met al hetgeen [appellant] uit hoofde van de op hem rustende ongedaanmakingsverplichting aan Dexia dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals omschreven in rov 3.22.;

in conventie en in reconventie:

  • -

    wijst alle overige vorderingen af;

  • -

    veroordeelt Dexia als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg, begroot op € 94,08 voor de dagvaarding, € 79,-- voor het griffierecht en € 1.000,-- voor het salaris van de advocaat;

  • -

    veroordeelt Dexia als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 741,-- + € 81,-- aan verschotten en € 1.611,-- aan salaris advocaat en op € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

  • -

    verklaart de in dit arrest uitgesproken betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, C.A. Joustra en J.W. Frieling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.