Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:235

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
19/00225 tm 19/00228
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:756, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft bij de pleitnota stukken gevoegd die hij veel eerder had kunnen overleggen. Het zou in strijd zijn met de goede procesorde om de stukken toch in het geding toe te laten. Het Hof betrekt de stukken daarom niet in de beoordeling van het geschil. Het is staand beleid van de Belastingdienst dat de inspecteur het initiatief neemt voor het horen van de belanghebbende en dat de inspecteur de belanghebbende hoort als er redelijkerwijs twijfel mogelijk is of het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is. Naar het oordeel van het Hof had de Inspecteur dit staand beleid ook in het onderhavige geval moeten toepassen

De Inspecteur kon zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat de bezwaren kennelijk ongegrond waren. Dit betekent dat de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord. Het Hof wijst de zaak terug naar de Inspecteur. Om verdere vertraging in de afdoening van de zaken te voorkomen bepaalt het Hof dat beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij het Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-02-2020
FutD 2020-0542
V-N Vandaag 2020/417
NTFR 2020/894 met annotatie van mr. R.W.J. Kerckhoffs
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00225, BK-19/00226, BK-19/00227 en BK-10/00228

Uitspraak van 21 januari 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigden: [A] en [B] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [C] en [D] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 januari 2019, nummers SGR 18/545, SGR 18/546, SGR 18/547 en SGR 18/548.

Procesverloop

1.1

De Inspecteur heeft aan belanghebbende opgelegd, onderscheidenlijk gegeven:

  • -

    een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2008 en beschikkingen waarbij voor dat jaar een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 500.000. De verzuimboete bedraagt € 226. Aan heffingsrente is € 26.284 in rekening gebracht. Het aanslagbiljet dat ertoe strekt de aanslag en de beschikkingen aan belanghebbende bekend te maken, heeft als dagtekening 5 oktober 2011 en is geadresseerd [Y] , België (zaaknr. BK-19/00255);

  • -

    een aanslag in de IB/PVV voor het jaar 2009 en beschikkingen waarbij voor dat jaar een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 500.000. De verzuimboete bedraagt € 226. Aan heffingsrente is € 15.578 in rekening gebracht. Het aanslagbiljet dat ertoe strekt de aanslag en de beschikkingen aan belanghebbende bekend te maken, heeft als dagtekening 30 november 2011 en is geadresseerd [Y] , België (zaaknr. BK-19/00256);

  • -

    een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2010 en beschikkingen waarbij voor dat jaar een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000. De verzuimboete bedraagt € 226. Aan heffingsrente is € 6.022 in rekening gebracht. Het aanslagbiljet dat ertoe strekt de aanslag en de beschikkingen aan belanghebbende bekend te maken, heeft als dagtekening 5 juni 2013 en is geadresseerd [E] , [F] (zaaknr. BK-19/00257);

  • -

    een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2010 en een beschikking waarbij voor dat jaar heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag is berekend naar het voor dat jaar geldende maximale bijdrage inkomen van € 33.189. Aan heffingsrente is € 105 in rekening gebracht. Het aanslagbiljet dat ertoe strekt de aanslag en de beschikkingen aan belanghebbende bekend te maken, heeft als dagtekening 5 juni 2013 en is geadresseerd [E] , [F] (zaaknr. BK-19/00257);

  • -

    een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2010 en beschikkingen waarbij voor dat jaar een verzuimboete is opgelegd en heffingsrente in rekening is gebracht. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000. De verzuimboete bedraagt € 226. Aan heffingsrente is € 6.022 in rekening gebracht. Het aanslagbiljet dat ertoe strekt de aanslag en de beschikkingen aan belanghebbende bekend te maken, heeft als dagtekening 5 juni 2013 en is geadresseerd [E] , [F] (zaaknr. BK-19/00257).

1.2

Bij brief van 6 juli 2017 heeft de ontvanger belanghebbende een overzicht gestuurd van alle op dat moment openstaande aanslagen, vervolgingskosten en rente.

1.3

Bij brief van 18 juli 2017, door de Belastingdienst ontvangen op 19 juli 2017, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen (onder meer) de onder 1.1. vermelde aanslagen en beschikkingen (hierna tezamen: de aanslagen en beschikkingen).

1.4

Bij in één geschrift van 20 december 2017 verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen (onder meer) de aanslagen en beschikkingen niet-ontvankelijk verklaard.

1.5

Bij brief van 16 januari 2018, op de griffie van de Rechtbank ontvangen op 16 januari 2018, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Ter zake is geen griffierecht geheven.

1.6

De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 11 januari 2019 ongegrond verklaard.

1.7

Bij brief van 25 februari 2018, op de griffie van het Hof ontvangen op 26 februari 2019, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 128 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8

Belanghebbende heeft op 22 november 2019 een nader stuk ingediend.

1.9

Het Hof heeft het hoger beroep ter zitting behandeld op 3 december 2019. Partijen zijn daar verschenen.

1.10

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. Bij de pleitnota van de Inspecteur waren niet eerder in het geding gebrachte stukken gevoegd.

Uitspraak van de Rechtbank

2 De uitspraak van de Rechtbank luidt, voor zover hier van belang:

“Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken (artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht)
9. [Belanghebbende] stelt dat [de Inspecteur] het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat [de Inspecteur] de onder punt 2.3 van de pleitnota van 30 november 2018 genoemde stukken (waaronder het FIOD-dossier en de rapporten van het woonplaatsonderzoek) ten onrechte niet heeft ingebracht.

10. De rechtbank overweegt dat onder op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden begrepen alle stukken die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming door het bestuursorgaan. In de onderhavige procedures is echter uitsluitend de ontvankelijkheid van de door [belanghebbende] tegen de aanslagen ingediende bezwaren aan de orde. De door [belanghebbende] genoemde stukken hebben geen rol gespeeld bij de besluitvorming van [de Inspecteur] daaromtrent noch zijn deze voor de rechter relevant om tot een oordeel te komen. De door [belanghebbende] onder 2.3 van de pleitnota genoemde stukken zijn dan ook geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Nu gesteld noch gebleken is dat er andere stukken zijn die niet zijn overgelegd, is er dan ook geen grond voor het oordeel dat [de Inspecteur] niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

11. Ter zitting heeft [belanghebbende] bezwaar gemaakt tegen de inbreng van de bijlagen bij de pleitnota van [de Inspecteur] en heeft aangevoerd dat deze stukken niet tijdig zijn ingebracht. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om stukken waarvan [belanghebbende] op een eerder moment in het geding de inbreng heeft geëist en waarvan [de Inspecteur] onweersproken heeft gesteld dat deze stukken bij [belanghebbende] al bekend waren. De rechtbank ziet dan ook geen reden om inbreng te weigeren en heeft deze stukken daarom toegelaten.

Vaststelling aanslagen

12. De rechtbank stelt voorop dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen het vaststellen van een aanslag en het bekendmaken van een aanslag. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt een aanslag opgelegd door het opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur en geldt de dagtekening van het aanslagbiljet als de datum waarop de aanslag is vastgesteld. Op grond van artikel 11, derde lid, van de Awr vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

13. Naar aanleiding van de stelling van [belanghebbende] dat de aanslagen niet zijn vastgesteld, overweegt de rechtbank dat het vaststellen van een aanslag plaatsvindt zonder dat de belastingplichtige daar op enigerlei wijze bij betrokken is. Dat de belastingplichtige op het moment dat hem een aanslag wordt opgelegd daarvan nog geen weet heeft, doet aan de rechtsgeldigheid van de aanslag niets af. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het opmaken van de aanslagbiljetten heeft plaatsgevonden op een tijdstip dat ligt na de dagtekening van de aanslagbiljetten. Gelet op het bepaalde in artikel 11, vierde lid, van de Awr is de belastingschuld, bestaande in de verschuldigde IB/PVV over het jaar 2008, ontstaan op 31 december 2008 en is de belastingschuld over het jaar 2009 ontstaan op 31 december 2009. De aanslagen voor 2008 en 2009 zijn gedagtekend 5 oktober 2011 respectievelijk 30 november 2011 en zijn dus tijdig vastgesteld. De belastingschulden over de jaren 2010 en 2011 zijn ontstaan op 31 december 2010 en 31 december 2011. De aanslag voor 2010 is gedagtekend 5 juni 2013 en de aanslag voor 2014 is gedagtekend 1 oktober 2014. Ook deze aanslagen zijn dus tijdig vastgesteld. Van vaststelling van de aanslagen buiten de wettelijke termijn van drie jaar is dus geen sprake.


Verzending aanslagen

14. [Belanghebbende] heeft voorts aangevoerd dat niet is gebleken dat de aanslagen zijn verzonden. In geding heeft [de Inspecteur] voor elke aanslag een Rapport Datum Verzending ingediend met daarin de rapportage van het raadplegen van de bestanden van de Centrale administratieve processen, Unit centrale functies, van de Belastingdienst te Apeldoorn. Namens [belanghebbende] is ter zitting betoogd dat de kopieën van de hiervóór genoemde rapporten die door de rechtbank aan de gemachtigde zijn verzonden niet leesbaar zijn. De rechtbank heeft de kwaliteit van de stukken ter zitting beoordeeld en komt tot de conclusie dat de kopieën weliswaar van mindere kwaliteit zijn dan de stukken in het rechtbankdossier, maar dat van onleesbaarheid daarvan geenszins sprake is.

15. Met betrekking tot de inhoud van de rapporten oordeelt de rechtbank dat daaruit voldoende duidelijk naar voren komt dat de aanslagen zijn verzonden. Dat de aanslagen inderdaad naar de hiervóór onder 1 vermelde adressen zijn verzonden, volgt uit de vermelding van die adressen op de aanslagbiljetten welke, naar [de Inspecteur] onweersproken heeft verklaard, in zogenoemde vensterenveloppen zijn verzonden. Ten slotte is er geen reden om aan te nemen dat de aanslagen pas geruime tijd na de dagtekening zijn verzonden.

Adressering aanslagen

16. [Belanghebbende] heeft aangevoerd dat hij de aanslagen nooit heeft ontvangen omdat die niet naar de juiste adressen zijn verzonden. De rechtbank stelt voorop dat uit de gedingstukken naar voren komt dat [de Inspecteur] meermaals heeft getracht [belanghebbende]s woon- dan wel postadres vast te stellen, maar dat [belanghebbende] steeds heeft geweigerd enig adres op te geven. Dat betekent dat [de Inspecteur] voor de vaststelling van het adres waarnaar hij de aanslagen diende te verzenden was aangewezen op de informatie die hem uit andere bronnen bekend was. Aldus heeft [de Inspecteur] er naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede grond voor gekozen de aanslagen voor 2008 en 2009 te versturen naar het onder 1 vermelde adres in [Y] . Uit de gedingstukken volgt immers dat dit het adres was waarop [belanghebbende] ten tijde van de verzending van die aanslagen in de (destijds) GBA stond ingeschreven. Voorts wordt dit adres door [belanghebbende] gebruikt in de aangifte vennootschapsbelasting van [H] BV, een vennootschap waarvan [belanghebbende] enig aandeelhouder was en heeft [belanghebbende] dit adres doen vermelden in de akte van oprichting van de door hem op te richten vennootschap [G] BV. [De Inspecteur] heeft er eveneens op goede grond voor gekozen de aanslagen voor 2010 en 2011 te verzenden naar het adres [E] in [F] . Dit adres was immers, naar [de Inspecteur] onweersproken heeft verklaard, met ingang van 17 april 2013 het postadres van [belanghebbende] zoals dat bij [de Inspecteur] bekend was. Tot op heden heeft [belanghebbende] nooit een ander adres opgegeven.

Bezwaarschrift niet tijdig ingediend

17. Ingevolge artikel 6:7 van Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j, letter a, van de Awr - in afwijking van artikel 6:8 van de Awb - aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

18. De bezwaartermijn van de aanslag voor het jaar 2008 eindigde daarmee op
17 november 2011, die voor de aanslag voor het jaar 2009 op 10 januari 2012, die voor de aanslagen voor het jaar 2010 op 10 juli 2013 en die voor de aanslagen voor het jaar 2011 op 12 november 2014. Het bezwaarschrift is door [de Inspecteur] ontvangen op 19 juli 2017 en is, gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb, voor alle aanslagen dus niet binnen de wettelijke bezwaartermijn ingediend.

19. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [Belanghebbende] heeft betoogd dat in het onderhavige geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding nu de aanslagen naar onjuiste adressen zijn verzonden. Zoals de rechtbank hiervóór onder 14 heeft overwogen heeft [de Inspecteur] de aanslagen echter naar de juiste adressen verzonden.

Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

20. Gelet op hetgeen hiervóór is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat [de Inspecteur] de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de beroepen daarom ongegrond zijn.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond”

Geschil in hoger beroep

4.1

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.2

Het geschil spitst zich toe op de vragen of:

4.2.1

de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aanslagen en beschikkingen terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;

4.2.2

de Inspecteur de aanslagen en beschikkingen op rechtmatige wijze aan belanghebbende bekend heeft gemaakt;

4.2.3

indien het Hof oordeelt dat de bezwaren tegen de aanslagen en beschikkingen zijn ingediend na afloop van de daarvoor geldende bezwaartermijn: de Inspecteur niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege had moeten laten omdat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van de bezwaren in verzuim is geweest (verschoonbare termijnoverschrijding);

4.2.4

de antwoorden op de voorgaande vragen meebrengen dat de Inspecteur artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de politieke vrijheden (EP-EVRM) heeft geschonden alsmede of aan deze schending een rechtsgevolg en zo ja, welk rechtsgevolg, dient te worden verbonden;

4.2.5

de Inspecteur in de aanslagregelende fase het unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden alsmede of aan deze schending een rechtsgevolg en zo ja, welk rechtsgevolg, dient te worden verbonden.

4.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hij niet langer betwist dat de aanslagen en beschikkingen tijdig zijn vastgesteld, onderscheidenlijk gegeven.

4.4

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende voorts verklaard dat hij niet langer de verzending van de aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2010 en de voor dat jaar gegeven beschikkingen betwist.

4.5.

Belanghebbende beantwoordt de onder 4.2 vermelde vragen bevestigend, de Inspecteur daarentegen ontkennend.

4.6

Voor de (onderbouwing van de) standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

4.7.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar. Vervolgens dient het Hof ofwel de aanslagen en beschikkingen te vernietigen ofwel de Inspecteur op te dragen om - nadat hij belanghebbende alsnog op zijn bezwaren zal hebben gehoord - opnieuw op de bezwaren van belanghebbende te beslissen.

4.8

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1

De bij de pleitnota van de Inspecteur gevoegde stukken

5.1.1

Bij de ter zitting van het Hof door de Inspecteur voorgedragen pleitnota zijn niet eerder in het geding gebrachte stukken gevoegd. Belanghebbende heeft tegen de overlegging van die stukken bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft ter verklaring van de late overlegging van de stukken aangevoerd dat het om op de zaak betrekking hebben stukken gaat, dat de stukken aan belanghebbende bekend zijn en dat de stukken in reactie op het nadere stuk van belanghebbende van 21 november 2019 worden overgelegd. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

5.1.2

De Inspecteur had de bij de pleitnota gevoegde stukken al veel eerder kunnen overleggen. Nu de Inspecteur niettemin met het overleggen van de stukken heeft gewacht tot de zitting in hoger beroep met als enige reden een in een door belanghebbende (tijdig) ingediend nader stuk gesteld feit, zou het naar het oordeel van het Hof in strijd zijn met de goede procesorde om de stukken in het geding toe te laten. Een schorsing van het onderzoek om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen de stukken te bestuderen en daarop, nadat hij de stukken met belanghebbende zou hebben besproken, te reageren, zou leiden tot een vertraging van de procesgang die de Inspecteur had kunnen voorkomen door de stukken veel eerder in te brengen. Een en ander afwegende zal het Hof de stukken niet in de beoordeling van het geschil betrekken.

5.1.3

Aangezien het Hof hierna de Inspecteur opdraagt om opnieuw uitspraak op de bezwaren van belanghebbende te doen, merkt het Hof ter informatie van partijen op dat de Inspecteur de bij de pleitnota gevoegde stukken voorafgaande aan het horen van belanghebbende voor hem ter inzage dient te leggen en, ingeval tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar beroep wordt ingesteld, alsnog op de voet van artikel 8:42 van de Awb in de procedure dient te brengen.

5.2

Met betrekking tot het geschilpunt onder 4.2.1

5.2.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert daartoe aan dat een bezwaar slechts dan kennelijk niet-ontvankelijk is, wanneer de niet-ontvankelijkheid aanstonds blijkt en daarover in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Ter zitting heeft het Hof belanghebbende gevraagd wat hij met dit standpunt beoogt te bereiken. Hierop heeft belanghebbende geantwoord dat de Inspecteur de kwalificatie “kennelijk niet-ontvankelijk” heeft gebruikt als reden voor het achterwege laten van een hoorgesprek. Omdat er van “kennelijke niet-ontvankelijkheid” geen sprake is, heeft de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet op zijn bezwaren gehoord. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar dienen te worden vernietigd. Hij verzoekt het Hof de Inspecteur op te dragen om, na belanghebbende alsnog op voorgeschreven wijze te hebben gehoord - opnieuw op de bezwaren van belanghebbende te beslissen. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

5.2.2

In artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is bepaald dat een belanghebbende in afwijking van het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb wordt gehoord op zijn verzoek (hoorverzoek). In dit geval heeft belanghebbende geen hoorverzoek gedaan, althans niet voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar deed.

5.2.3

Het is staand beleid van de Belastingdienst dat de inspecteur, ongeacht of belanghebbende een hoorverzoek heeft gedaan, overeenkomstig artikel 7:2 van de Awb en in afwijking van artikel 25 lid 1 van de Awr, het initiatief voor het horen van de belanghebbende neemt (§ 9 lid 1 van het Besluit fiscaal bestuursprocesrecht (Bpb)) alsmede dat de inspecteur de belanghebbende hoort als er redelijkerwijs twijfel mogelijk is of het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is (§ 9 lid 4 van het Bpb). Het Hof begrijpt het standpunt van belanghebbende (zie onder 5.2.1) aldus dat hij zich op dit beleid beroept. Gelet hierop alsmede op het bepaalde in § 2 lid 1 van het Bpb, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur het beleid ook in het onderhavige geval had moeten toepassen.

5.2.4

Uitgaande van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, is het standpunt van belanghebbende dat de Inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, op zijn minst pleitbaar. Derhalve kon de Inspecteur zich naar het oordeel van het Hof in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Dit betekent dat de Inspecteur belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen te worden gehoord. Nu hij dit niet heeft gedaan, kunnen de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar niet in stand blijven. Ter zitting van het Hof hebben beide partijen het Hof verzocht om, ingeval het Hof zou oordelen zoals het hiervoor heeft geoordeeld, de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur. Het Hof willigt dit gezamenlijk verzoek van partijen in.

5.3

Met betrekking tot de overige geschilpunten

5.3.1

Gelet op het vorenoverwogene komt het Hof niet toe aan de geschilpunten 4.2.2 tot en met 4.2.5.

5.4.

Slotsom

5.4.1

Het hoger beroep is gegrond. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, de beroepen gegrond verklaren, de uitspraken op bezwaar vernietigen en de Inspecteur opdragen om, na belanghebbende op de voorgeschreven wijze op zijn bezwaren te hebben gehoord, opnieuw uitspraak op de bezwaren van belanghebbende te doen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Het Hof zal, om verdere vertraging in de afdoening van de onderhavige zaken te voorkomen, met toepassing van artikel 8:113 lid 2 van de Awb bepalen dat beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij het Hof.

Proceskosten en griffierecht

6.1

Het Hof zal de Inspecteur veroordelen in de kosten die belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de te vergoeden kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.935 (1 punt voor het bezwaarschrift, een bedrag per punt van € 261, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een wegingsfactor voor 4 of meer samenhangende zaken van 1,5; 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de Rechtbank, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van de Rechtbank, een bedrag per punt van € 525, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een wegingsfactor voor 4 of meer samenhangende zaken van 1,5; 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 525, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en een wegingsfactor voor 4 of meer samenhangende zaken van 1,5).

6.2

Voorts dient de Inspecteur de door belanghebbende betaalde griffierechten ten bedrage van € 128 te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

  • -

    verklaart de beroepen gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar,

  • -

    draagt de Inspecteur om, na belanghebbende in de gelegenheid te hebben gesteld op zijn bezwaren te worden gehoord, opnieuw uitspraak op de bezwaren te doen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat beroep tegen de nieuwe uitspraken op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij het Hof;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft moeten maken ten bedrage van € 3.935,

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur de door belanghebbende betaalde griffierechten ten bedrage van € 128 dient te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 21 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

Bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier is de uitspraak ondertekend door E.M. Vrouwenvelder

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.