Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2327

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
200.273.775 en 200.274.979tb
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14776, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Prejudicieel verzoek
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

IPR: voornemen om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad der Nederlanden over de verenigbaarheid van Iraans huwelijksvermogensrecht met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG


Afdeling Civiel recht


Zaaknummers : 200.273.775/01 en 200.274.979/01

Rekestnummers rechtbank : FA RK 18-2561 en FA RK 19-1339

Zaaknummers rechtbank : C/09/551159 en C/09/568750

beschikking van de meervoudige kamer van 9 december 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. K. Mohasselzadeh te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Vijftigschild te Leidschendam.

Procesverloop in hoger beroep

De vrouw is op 7 februari 2020 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 november 2019 van de rechtbank Den Haag (verder: de bestreden beschikking).

De man heeft op 27 mei 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 19 maart 2020 een brief van 17 maart 2020 met bijlagen;

- op 8 april 2020 een brief van 7 april 2020 met bijlage.

De zaak is op 16 oktober 2020 mondeling behandeld. Ter zitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat (via een Skypeverbinding) en door [naam] , tolk in de Farsi taal;

- de advocaat van de man.

De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat haar op de zittingsdag per e-mail ingestuurde pleitnota als niet verzonden kan worden beschouwd.

Procesverloop in eerste aanleg

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald:

  • -

    dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de woning aan [adres 1] voort te zetten gedurende zes maanden na inschrijving van de beschikking, mits deze woning op het ogenblik van die inschrijving door de vrouw wordt bewoond en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;

  • -

    dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 6.000,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

  • -

    dat de auto van het merk [merknaam] op naam van de man, zonder verrekening van de waarde daarvan, toekomt aan de vrouw;

  • -

    dat de vrouw recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] en dat de man in dit kader nog een bedrag van
    € 113.722,90 aan de vrouw dient te voldoen;

  • -

    dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Het meer of anders verzochte is door de rechtbank afgewezen.

Vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- de man en de vrouw zijn, voor de tweede keer, met elkaar gehuwd op 3 oktober 1989 te [plaats 3] , Iran;

- ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen uitsluitend de Iraanse nationaliteit;

- inmiddels hebben beide partijen naast de Iraanse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling van het principale en het incidentele hoger beroep

1. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de echtscheiding tussen partijen uit te spreken en het op een later moment over te leggen convenant aan de beschikking te hechten;

  • -

    te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op haar bruidsschat (bedoeld is: bruidsgave, hof) en de man te gelasten aan de vrouw haar bruidsschat (bedoeld is: bruidsgave, hof) te betalen;

  • -

    te verklaren voor recht dat partijen ten tijde van de huwelijkssluiting de voorwaarden A en B van de huwelijksakte getekend hebben waardoor zij tevens rechtsgeldige huwelijkse voorwaarden hebben afgesproken;

  • -

    te verklaren voor recht dat de vrouw recht heeft op de helft van het door de man tijdens het huwelijk verworven vermogen;

  • -

    een tussenbeschikking te geven en te gelasten dat de man binnen een periode die het hof redelijk acht met bewijsstukken opgave doet van zijn tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen en de waarde daarvan;

  • -

    te bepalen welk bedrag vervolgens aan de vrouw toekomt;

  • -

    kosten rechtens.

2. De man bestrijdt het hoger beroep van de vrouw en verzoekt het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de verdeling te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden. In het incidentele appel verzoekt de man het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vastgestelde onderhoudsbijdrage te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de partneralimentatie, met ingang van de dag dat de beschikking zal worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op nihil wordt gesteld althans, subsidiair, op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en ingangsdatum. Voorts verzoekt de man het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de vaststelling dat de vrouw nog recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] , zijnde een bedrag van € 113.722,90 en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat aan de vrouw in het kader van de verkoopopbrengst van deze woning nog toekomt de somma van € 45.680,39.

Echtscheiding

3. Kort gezegd voert de vrouw aan dat de rechtbank de verzochte echtscheiding ten onrechte heeft uitgesproken zonder na ta gaan of de man van mening is dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Volgens de vrouw verzet de man zich tegen de echtscheiding. Zelfs als partijen zijn gescheiden naar Nederlands recht, zullen partijen naar Iraans recht gehuwd blijven en dat is wat telt voor de man omdat hij doorgaans in Iran verblijft. Indien het partijen niet lukt om afspraken te maken over de bruidsgave, zullen de Iraanse autoriteiten de echtscheiding niet uitspreken. Dat is alleen mogelijk wanneer de vrouw, kort gezegd, afziet van haar bruidsgave, maar de vrouw verzet zich daartegen.

4. De man stelt dat de vrouw zelf de echtscheiding heeft verzocht, nu ook in hoger beroep, zodat hij niet inziet waarom de vrouw grieft tegen de uitgesproken echtscheiding. Ten overvloede brengt de man naar voren dat ook hij van mening is dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

5. Het hof overweegt als volgt. De vrouw heeft in eerste aanleg om echtscheiding verzocht. Ook in hoger beroep strekt haar verzoek ertoe dat de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken. Het hof zal de vrouw in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren, omdat haar een rechtens te respecteren belang daarbij ontbreekt. Nu de vrouw in de bestreden beschikking toegewezen heeft gekregen hetgeen zij heeft verzocht, kan het hof in hoger beroep hetzelfde echtscheidingsverzoek niet nog een keer toewijzen.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

6. De vrouw voert het volgende aan. Iraans recht beheerst het huwelijksvermogensregime van partijen. Iran kent als wettelijke stelsel een algehele scheiding van goederen. In afwijking van het wettelijke stelsel zijn partijen huwelijkse voorwaarden overeengekomen in de huwelijksakte van partijen. De huwelijkse voorwaarden zijn volgens de vrouw in strijd met de Nederlandse openbare orde voor zover daarin is bepaald dat zij haar recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen van de man verliest wanneer zij degene is die om echtscheiding heeft verzocht. De vrouw is dan ook van mening dat zij recht heeft op de helft van het tijdens het huwelijk verworven vermogen van de man. De man dient opgave te doen van al zijn bezittingen, met name in het buitenland, en moet onderbouwen welke waarde deze vertegenwoordigen. Ook moet de echtelijke woning in Nederland worden getaxeerd, aldus de vrouw.

7. De man verweert zich daartegen als volgt. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat, wanneer de man degene is die de echtscheiding heeft verzocht, de vrouw recht heeft op de helft van het vermogen van de man dat hij tijdens het huwelijk heeft verworven. Nu het de vrouw is geweest die de echtscheiding heeft verzocht, kan zij volgens de man uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden geen aanspraak maken op het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen van de man. Voor zover deze bepaling in strijd moet worden geacht met de Nederlandse openbare orde, betoogt de man dat de gehele huwelijkse voorwaarden buiten toepassing dienen te blijven en teruggevallen moet worden op het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen naar Iraans recht. Ook in dat geval kan de vrouw geen aanspraak maken op het vermogen van de man.

8. Het hof overweegt als volgt. Om te beginnen stelt het hof vast dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, derde lid, Rv rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het huwelijksvermogensrechtelijke verzoek van de vrouw, nu de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is inzake de echtscheiding en het verzoek van de vrouw een met de echtscheiding samenhangende nevenvoorziening betreft in de zin van artikel 827, eerste lid, onder b, Rv. Aan deze huwelijksvermogensrechtelijke bevoegdheid van de Nederlandse rechter doet niet af de omstandigheid dat een deel van de vermogensbestanddelen waarop de vrouw aanspraak maakt in het buitenland is gelegen.

9. In hoger beroep is niet in geschil dat het huwelijksvermogensregime van partijen op grond van de conflictregels uit HR 10 december 1976, NJ 1977/275 (Chelouche/Van Leer) wordt beheerst door Iraans recht. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het Iraanse wettelijke stelsel een algehele scheiding van goederen inhoudt. Het staat partijen vrij bij huwelijkse voorwaarden – in beperkte mate – af te wijken van dit wettelijke stelsel. Hoewel tussen partijen aanvankelijk nog in discussie was of zij bij huwelijkse voorwaarden zijn afgeweken van het Iraanse wettelijke stelsel, is ter zitting van het hof gebleken dat partijen er inmiddels beiden van uit gaan dat zij in hun Iraanse huwelijksakte huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht zijn overeengekomen.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat deze huwelijkse voorwaarden wat de vorm betreft rechtsgeldig zijn opgesteld – ten overstaan van de daartoe bevoegde huwelijksambtenaar in Iran – alsmede gedagtekend en door beide echtgenoten ondertekend zijn. Uit de in het geding gebrachte beëdigde vertaling van deze huwelijksakte (zie productie 1 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel zijdens de man) volgt dat de huwelijkse voorwaarden van partijen onder andere het volgende inhouden:

Mededeling

Het hoofd van het huwelijkskantoor is verplicht alle huwelijksvoorwaarden die in dit
document vermeld zijn aan het echtpaar uit te leggen en dat alleen de voorwaarden geldig
zijn die door het echtpaar voor akkoord zijn getekend.

De huwelijksvoorwaarden

A – Met voltrekking van het huwelijk, stelde de vrouw als voorwaarde dat wanneer het
verzoek tot de scheiding niet door haar is ingediend, en volgens de overweging van de
rechtbank, de oorzaak van de scheiding niet door nakoming van de echtelijke verplichtingen
door de vrouw of haar immoreel gedrag is, in dit geval is de man verplicht de helft van zijn
aanwinst/bezittingen of van gelijke waarde die hij gedurende hun huwelijk met haar verdiend
heeft kosteloos aan haar over te dragen.

(…)’.

11. De huwelijkse voorwaarden zijn niet wederkerig, in die zin dat op basis van die voorwaarden alleen de vrouw aanspraak kan maken op het vermogen van de man en de man geen enkele aanspraak kan maken op het vermogen van de vrouw. Uitgaande van het wettelijke stelsel van algehele scheiding naar Iraans recht, beogen de huwelijkse voorwaarden de vrouw onder bepaalde voorwaarden in geval van echtscheiding recht te geven op de helft van het tijdens het huwelijk door de man opgebouwde vermogen.

12.
Partijen verschillen van mening over de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling naar Iraans recht van het vermogen dat de man tijdens het huwelijk van partijen heeft opgebouwd (verder: huwelijkse vermogen). De vrouw betoogt dat zij volgens de huwelijkse voorwaarden, als degene die de echtscheiding heeft verzocht, geen recht heeft op het huwelijkse vermogen van de man, maar dat deze bepaling van Iraans huwelijksvermogensrecht wegens strijd met de Nederlandse openbare orde buiten toepassing dient te blijven, waaruit volgens de vrouw volgt dat zij recht heeft op de helft van het huwelijkse vermogen van de man. De man verweert zich daartegen en voert onder meer aan dat, wanneer de huwelijkse voorwaarden in strijd worden verklaard met de Nederlandse openbare orde, dit tot gevolg heeft dat de huwelijkse voorwaarden in hun geheel buiten toepassing dienen te blijven, zodat teruggevallen wordt op het wettelijke stelsel van Iran van algehele scheiding van goederen.

13. Het hof overweegt als volgt. Het is het hof ambtshalve bekend dat de hiervoor genoemde huwelijkse voorwaarden in veel Iraanse huwelijksaktes voorkomen en dat de Nederlandse rechter met regelmaat gevraagd wordt om in het kader van de echtscheiding van echtgenoten met de Iraanse nationaliteit te oordelen over de rechtsgeldigheid en de rechtsgevolgen van deze huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht.1 In het kader van de beoordeling van deze huwelijkse voorwaarden naar Iraans recht rijzen twee rechtsvragen, namelijk:

( i) de vraag of de voorwaarde dat de vrouw slechts aanspraak kan maken op de helft van het huwelijkse vermogen van de man wanneer de echtscheiding niet door haar is verzocht, in strijd moet worden geacht met de Nederlandse openbare orde, zoals neergelegd in artikel 10:6 BW,

en, voor het geval het antwoord daarop bevestigend is,

(ii) welke gevolgen dat heeft voor het huwelijksvermogensregime van partijen: gelden in dat geval de huwelijkse voorwaarden met uitzondering van het gewraakte onderdeel (waardoor de vrouw recht heeft op de helft van het huwelijkse vermogen van de man, ongeacht wie om echtscheiding heeft verzocht) of blijven de huwelijkse voorwaarden zoals hiervoor weergegeven in hun geheel buiten toepassing (waardoor het wettelijke stelsel van algehele scheiding herleeft en de vrouw geen recht heeft op het huwelijkse vermogen van de man, ook als de echtscheiding door de man is verzocht)?

14. In de rechtspraak lopen de opvattingen over deze rechtsvragen uiteen.2 De vraag rijst of, in het licht van het wettelijke stelsel in Iran van algehele scheiding, de huwelijkse voorwaarde dat de vrouw alleen recht heeft op de helft van het huwelijkse vermogen van de man als zij niet degene is geweest die de echtscheiding heeft verzocht, in strijd moet worden geacht met de harde kern van de Nederlandse rechtsorde. Daarvoor pleit dat de vrouw door voornoemde beperkende voorwaarde in de huwelijkse voorwaarden – om financiële redenen – beperkt kan worden in haar mogelijkheid om echtscheiding te vragen. Dit kan tot gevolg hebben dat de vrouw – om financiële redenen – gevangen blijft in een huwelijk. Daartegen pleit echter dat de partijautonomie in het internationaal huwelijksvermogensrecht in verregaande mate is aanvaard. De vrouw heeft vrijwillig voor deze huwelijkse voorwaarden getekend nadat zij over de inhoud daarvan is voorgelicht door de huwelijksambtenaar. Bovendien staat het de vrouw vrij om – bij de Nederlandse rechter – echtscheiding te vragen wanneer zij dat wenst; de huwelijkse voorwaarden ontnemen haar dat recht op zich zelf genomen niet. Voorts is van belang dat deze huwelijkse voorwaarden de vrouw recht geven op een deel van het huwelijkse vermogen van de man, terwijl zij op grond van het wettelijke stelsel in Iran geen enkele aanspraak heeft op het huwelijkse vermogen van de man. De man kan op grond van de huwelijkse voorwaarden geen aanspraak maken op het huwelijkse vermogen van de vrouw.

15. Over het antwoord op voormelde rechtsvragen bestaat geen duidelijkheid. Een antwoord op deze vragen is nodig om op het onderhavige verzoek te beslissen en is voorts rechtstreeks van belang voor de beslechting van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen waarin dezelfde vraag zich voordoet (artikel 392, eerste lid, onder b, Rv). Gelet hierop is het hof voornemens om op de voet van artikel 392 Rv de Hoge Raad der Nederlanden voormelde rechtsvragen voor te leggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing.

16. Alvorens de genoemde rechtsvragen aan de Hoge Raad der Nederlanden voor te leggen, stelt het hof partijen in de gelegenheid om zich binnen veertien dagen na heden uit te laten over het voornemen om prejudiciële vragen te stellen alsmede over de inhoud van de te stellen vragen (artikel 392, tweede lid, Rv). Het hof zal in afwachting van de uitlating van partijen iedere verdere beslissing met betrekking tot de huwelijksvermogensrechtelijke afwikkeling aanhouden.

De woning aan de [adres 2]

17. In zijn incidenteel appel stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de vrouw de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] toekomt. Bovendien heeft de levering van de woning plaatsgevonden op 26 maart 2018, nog vóór de peildatum van het te verdelen vermogen. De vrouw heeft al een deel van de verkoopopbrengst ontvangen, te weten € 40.000,-, ten titel van verdeling van de overwaarde van de woning. Voorts hebben partijen nog een aantal betalingen aan de kinderen gedaan, waardoor volgens de man per saldo nog een bedrag van € 45.680,39 aan de vrouw toekomt.

18. De vrouw betwist dat de man haar € 40.000,- heeft betaald in het kader van de verdeling van de overwaarde van de woning. Zij stelt dat de man geen bewijs heeft geleverd van zijn stelling. Partijen zijn nog getrouwd en dienen elkaar het nodige te verschaffen. De man komt bijna dagelijks bij de vrouw over de vloer en eet mee. De vrouw ging ervan uit dat de betaling van € 40.000,- een bijdrage betrof voor het eten, de kinderen en het huis. Betalingen die de man eventueel rechtstreeks aan de kinderen van partijen heeft gedaan, zijn vrijwillige betalingen die voor zijn rekening komen.

19. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland acht het hof zich bevoegd om met toepassing van Nederlands recht te oordelen over de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning. Niet in geschil is dat de woning aan de [adres 2] gemeenschappelijk eigendom van partijen was en op 26 maart 2018 aan een derde is geleverd. Aan ieder van partijen komt dan ook de helft toe van de verkoopopbrengst, te weten € 227.445,81 / 2 = € 113.722,90. De man stelt op 31 maart 2019 € 40.000,- aan de vrouw te hebben betaald ten titel van verdeling van de overwaarde van de woning, maar de vrouw stelt dat deze betaling een bijdrage in het levensonderhoud betrof. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de man een bedrag van € 40.000,- heeft betaald aan de vrouw. Uit het door de man als productie 7 bij zijn verweerschrift overgelegde stuk blijkt dat hij dit bedrag heeft overgemaakt naar de vrouw als “part of the settlement for separation made on 30-3”. Uit productie 8 bij het verweerschrift blijkt voorts dat de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man bevestigt dat de vrouw het bedrag heeft ontvangen uit de verkoopopbrengst van de woning. Van afspraken met betrekking tot aftrek van eventuele giften aan de kinderen van partijen of andere betalingen op dit aan de vrouw toekomende bedrag, is het hof niet gebleken.

20. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw nog toekomt: verkoopopbrengst € 227.445,81 / 2 = € 113.722,90 minus € 40.000,- = € 73.722,90. Het hof zal aldus bepalen en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

De bruidsgave

21. Partijen twisten over de bruidsgave die de man op grond van de huwelijksakte verschuldigd is aan de vrouw. De vrouw stelt dat uit de huwelijksakte blijk dat partijen ter gelegenheid van de huwelijkssluiting een bruidsgave hebben afgesproken van 400.000 Iraanse Rials/Tomans, door de man te betalen aan de vrouw. Volgens de vrouw heeft de man tot op heden die bruidsgave niet aan haar voldaan. Zij vraagt een verklaring voor recht dat zij recht heeft op voormelde bruidsgave en verzoekt dat de man wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag na indexatie ervan.

22. De man verweert zich daartegen. De man erkent dat partijen de bruidsgave van 400.000 Iraanse Rials/Tomans hebben afgesproken in de huwelijksakte, maar stelt dat hij de volledige bruidsgave, zoals te doen gebruikelijk, voorafgaand aan de huwelijkssluiting aan de vrouw heeft voldaan. Volgens de man heeft de vrouw uit dien hoofde derhalve niets meer van hem te vorderen.

23. Het hof overweegt als volgt. Het hof acht zich op grond van artikel 4, derde lid jo. art. 827, eerste lid, onder f, Rv bevoegd om van het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave kennis te nemen. Onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak overweegt het hof dat de bruidsgave naar de regels van internationaal privaatrecht gekwalificeerd dient te worden als een rechtsverhouding sui generis.3 De bruidsgave maakt derhalve geen onderdeel uit van het huwelijksvermogensregime van partijen. Dat neemt niet weg dat het hof het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bruidsgave zal aanhouden in afwachting van de prejudiciële vraagstelling aan de Hoge Raad der Nederlanden. Het komt het hof opportuun voor op beide financiële kwesties tegelijkertijd te beslissen.

Partneralimentatie

24. De man stelt voorts in incidenteel appel geen draagkracht te hebben om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie van € 6.000,- per maand aan de vrouw te voldoen. Dat partijen in het verleden een grote mate van welstand kenden, ontkent de man niet, maar hij is thans [xx] jaar en van zijn vermogen is niet veel over. De man heeft alleen nog een woning aan [adres 1] . Hiervoor heeft hij een schuld bij zijn broer van € 632.000,- plus rente. Verder heeft de man twee oude auto’s. In zijn onderneming [A] B.V. worden nog nauwelijks activiteiten ontplooid. Het is een zogeheten kleine rechtspersoon, zodat er geen verplichting bestaat om jaarstukken door een accountant te laten opstellen. De door de man overgelegde aangiften en aanslagen inkomstenbelasting zijn leidend. De rechtbank heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de door de vrouw overgelegde voorlopige aanslag. De vrouw beschikt over een huis in [plaats 2] , Iran. Voorts stelt de man dat de vrouw haar behoefte niet heeft aangetoond. Al jaren is geen sprake van een grote mate van welstand.

25. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij is niet bekend met een schuld die de man bij zijn broer zou zijn aangegaan. De vrouw erkent dat de man thans onvoldoende inkomsten heeft in Nederland om het door de rechtbank vastgestelde bedrag te kunnen voldoen. Wel heeft de man veel vermogen in Iran, maar hij weigert daar inzicht in te geven. Volgens de vrouw bezit de man onroerende zaken in Iran, die hij verhuurt en daarmee inkomsten genereert. Derhalve heeft de man draagkracht om partneralimentatie te betalen, aldus de vrouw.

26. Het hof overweegt als volgt. Gelet op de gewone verblijfplaats van partijen in Nederland acht het hof zich bevoegd om met toepassing van Nederlands recht te oordelen over de partneralimentatie. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de door de vrouw verzochte bijdrage van de man niet onredelijk is gelet op de grote welstand van partijen gedurende het huwelijk, de lange duur van het huwelijk en het feit dat de vrouw voor het gezin zorgde terwijl de man fulltime werkte. De man heeft de posten op de door de vrouw overgelegde behoeftelijst als zodanig niet betwist; hij heeft slechts in algemene termen gesteld dat hij de laatste jaren over minder inkomen beschikt. Voorts is het hof van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om zijn stellingen ten aanzien van zijn inkomsten, pensioen en vermogen deugdelijk, met relevante en volledige stukken te onderbouwen. De man heeft dit ook in hoger beroep nagelaten; hij heeft slechts een aantal – Nederlandse – aangiften en aanslagen IB in het geding gebracht. In deze aangiften is niets opgenomen over het vermogen van de man in Iran, terwijl onweersproken is dat hij onroerende zaken in eigendom heeft in Iran. Ook overigens heeft de man in geen enkel opzicht een begin van inzicht gegeven in de omvang van en het rendement uit zijn vermogen in Iran. Het had op de weg van de man gelegen om inzicht te geven in het aantal woningen/panden dat hij in Iran bezit, de waarde daarvan en de inkomsten die hij daaruit genereert. Nu de man dit niet heeft gedaan, heeft hij zijn gestelde gebrek aan draagkracht onvoldoende onderbouwd. Dit komt voor zijn rekening en risico. Het hof kan bij deze stand van zaken het gestelde gebrek aan draagkracht van de man niet vaststellen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen voor zover het de vastgestelde partneralimentatie betreft.

27. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.


Beslissing op het principale en het incidentele hoger beroep

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het de vastgestelde partneralimentatie betreft;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw nog een bedrag van € 113.722,90 toekomt en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres 2] en dat de man uit dien hoofde een bedrag van € 73.722,90 aan de vrouw dient te voldoen;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

stelt partijen in de gelegenheid om zich binnen veertien dagen na heden schriftelijk uit te laten over het voornemen om aan de Hoge Raad der Nederlanden prejudiciële vragen te stellen en over de inhoud van de te stellen vragen;

houdt de verdere behandeling van de zaak te dien einde aan tot de zitting van zaterdag 26 december 2020 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, A.C. Olland en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. A.C. van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2020.

1 Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Gravenhage 11 mei 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ5061; Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 juli 2020, ECLI:NL: GHARL:2020:5397; Rb. ’s-Gravenhage 18 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9106; Rb. Midden-Nederland 13 juli 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3771; Rb. Amsterdam 8 januari 2020, ECLI:NL: RBAMS:2020:4; en HR 12 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2010 (81 RO) naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden van 6 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188.

2 Zie bijvoorbeeld enerzijds Hof Den Haag 2 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3968 en anderzijds Hof Amsterdam 26 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1687 en Rb. Rotterdam 24 maart 2020, ECLI: NL:RBROT:2020:3277.

3 Zie onder andere Hof Den Haag 19 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3206 en Hof Den Haag 26 februari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:486. Zie ook conclusie A-G voor HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2010.