Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2252

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
200.283.867-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:10357, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Spoedappel. Onrechtmatige vrijheidsberoving? Lijfsdwang. Inmiddels wetgeving veranderd. Niet-ontvankelijk bij voorzieningenrechter. Met voldoende waarborgen omklede rechtsgang elders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0946
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.283.867/01

Zaak- / rolnummer rechtbank : C/09/594686 / KG ZA 20-552

Arrest in kort geding van 8 december 2020

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

[appellant],

verblijvende in [plaatsnaam],
appellant in het principaal appel,
verweerder in het voorwaardelijk incidenteel appel,

nader te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.M. Lintz te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelende te Den Haag,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Het geding

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen:

  • -

    het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:10357); (hierna: het bestreden vonnis);

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep (na verlof spoedappel) van 31 augustus 2020, met daarin opgenomen de grieven (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel.

Vervolgens is de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 20 november 2020 toegelicht aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Hierna is arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

1. De voorzieningenrechter is in het bestreden vonnis (in overwegingen 2.1 tot en met 2.7) van een aantal feiten uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat ook het hof hiervan uit.

2. Deze feiten en hetgeen verder in hoger beroep aannemelijk is geworden, komen samengevat op het volgende neer.
(2.1) Aan [appellant] is op 4 februari 2015 een (inmiddels onherroepelijke) ontnemingsmaatregel opgelegd, strekkende tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 639.286,62. Hierop is een bedrag van € 717,60 door [appellant] betaald. Op 8 mei 2019 heeft de advocaat-generaal wegens niet-betaling verlof tenuitvoerlegging lijfsdwang voor de duur van 1080 dagen gevorderd op grond van het toen geldende artikel 577c Sv. Deze vordering is door de (straf)raadkamer van dit hof toegewezen bij beschikking van 27 februari 2020 (hierna ook: de lijfsdwangbeschikking). [appellant] is sinds 20 mei 2020 in verband hiermee gedetineerd. De einddatum van de lijfsdwang is bepaald op 5 mei 2023.
(2.2) Op 27 mei 2020 heeft [appellant] op grond van artikel 577c lid 7 Sv (oud) een verzoek tot opheffing van de lijfsdwang ingediend bij het gerechtshof Den Haag, stellende dat hij niet in staat is om het ontnemingsbedrag te voldoen. Op 4 augustus 2020 heeft [appellant] nogmaals bij het hof een verzoek tot opheffing lijfsdwang ingediend. Daarin heeft hij gesteld dat per 1 januari 2020 de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de Wet USB) in werking is getreden, zodat sindsdien geen lijfsdwang meer toegepast kan worden, maar enkel het dwangmiddel gijzeling.
(2.3) De strafraadkamer van het hof heeft bij beschikking van 18 september 2020 (hierna ook: de 18 september-beschikking) beide in overweging (2.2) bedoelde verzoeken afgewezen, dit onder meer met verwijzing naar de inhoudelijke overwegingen in de lijfsdwangbeschikking van 27 februari 2020 en het ontbreken van andere feiten en omstandigheden. Voorts is in de 18 september-beschikking onder meer het volgende overwogen.
- Anders dan waar de wetgever volgens het overgangsrecht van de Invoeringswet USB vanuit lijkt tegaan, werd vóór 1 januari 2020 bij oplegging van de ontnemingsmaatregel niet reeds (de maximale duur van) de lijfsdwang bepaald. Pas als volledige betaling van de opgelegde ontnemingsmaatregel uitbleef, kon het openbaar ministerie ex artikel 577c, eerste lid, (oud) Sv verlof tot tenuitvoerlegging vorderen.
- Het overgangsrecht Wet USB moet daarom redelijkerwijs zo worden uitgelegd dat de regeling van artikel 577c (oud) Sv ook na 1 januari 2020 blijft gelden op ontnemingsmaatregelen die vóór 1 januari 2020 zijn opgelegd.
- Er is geen sprake van verandering van wetgeving in het sanctierecht die gunstiger luidt voor de veroordeelde ([appellant]) en die daarom met onmiddellijke ingang moet worden toegepast. Ook overigens is de hier aan de orde zijnde verandering van wetgeving niet gunstiger voor [appellant].
- De strafraadkamer is daarom in dit geval bevoegd om kennis te nemen van de beide verzoeken tot opheffing van de lijfsdwang.
- Er is sprake van betalingsonwil en niet van betalingsonmacht.
(2.4) Blijkens de Memorie van Toelichting op de Wet USB (Stb. 2017, 82) voorziet deze wet in een nieuwe regeling voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen in Sv, heeft de wet een technisch karakter en maakt de wet onderdeel uit van de modernisering van Sv. De meest in het oog springende wijziging, aldus deze toelichting, is de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van het openbaar ministerie naar de Minister van Justitie en Veiligheid.

De procedure bij de voorzieningenrechter

3. [appellant] heeft in eerste aanleg (samengevat) gevorderd om de Staat te gebieden hem per direct in vrijheid te stellen, omdat hij niet de financiële middelen heeft om tot betaling van de ontnemingsmaatregel over te kunnen gaan (en er dus sprake is van betalingsonmacht, niet van betalingsonwil). Volgens [appellant] handelt de Staat onrechtmatig en in strijd met de artikelen 5 en 18 EVRM door hem onder die omstandigheden langer vast te houden.

4. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. Daartoe heeft hij (kort weergegeven) als volgt overwogen:
(i) Het gerechtshof dat de lijfsdwang (op 27 februari 2020) heeft bevolen is in beginsel ook bevoegd om kennis te nemen van de door [appellant] gevorderde opheffing ervan. Dit is een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang (overweging 4.7 van het bestreden vonnis).
(ii) [appellant] kan toch in zijn vordering worden ontvangen, omdat niet te verwachten is dat [appellant] in die procedure op korte termijn een inhoudelijke beslissing kan krijgen op zijn verzoek tot opheffing van de lijfsdwang.
(iii) [appellant] herhaalt de stellingen die hij eerder heeft gebruikt in de procedure die heeft geleid tot de lijfsdwangbeschikking van 27 februari 2020. Deze argumenten heeft het hof toen verworpen. Daarom kan [appellant] nu niet volstaan met deze herhaling, zonder zijn stellingen nader te concretiseren en/of met stukken te onderbouwen. De verwijzing naar de faillissementsprocedure rechtvaardigt evenmin de conclusie dat hij betalingsonmachtig is (overwegingen 4.9 en 4.10 van het bestreden vonnis).
(iv) Van schending van de artikelen 5 en 18 EVRM is geen sprake, nu [appellant] van zijn vrijheid is beroofd door een beslissing van de daartoe bevoegde rechter.
De procedure in hoger beroep

5. [appellant] is het niet eens met het bestreden vonnis en concludeert tot alsnog toewijzing van zijn vorderingen met veroordeling van de Staat in de kosten van beide instanties.

6. Grief I bevat als klacht dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn stelling heeft gepasseerd dat de lijfsdwang moet worden beëindigd, nu de mogelijkheid tot het opleggen van lijfsdwang na invoering van de Wet USB (per 1 januari 2020) niet meer bestaat (en er dus op 27 februari 2020 geen lijfsdwang had mogen worden opgelegd). Met de grieven II, III en IV klaagt [appellant] over de inhoudelijke beoordeling van zijn zaak, zoals weergegeven in overwegingen 4.9 en 4.10. Grief V (abusievelijk ook genummerd IV) bevat een klacht over de verwerping van het beroep op de genoemde bepalingen in het EVRM.

7. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd en zich beroepen op zijn executieplicht. De Staat heeft primair, met een beroep op de 18 september-beschikking, in (voorwaardelijk incidenteel) hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. Subsidiair heeft de Staat geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis op inhoudelijke gronden.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

De ontvankelijkheid van [appellant]

8. De strafraadkamer van het hof heeft in de 18 september-beschikking na een uitvoerige motivering geoordeeld dat:
(i) lijfsdwang ook na 1 januari 2020 kan worden toegepast wanneer de ontnemingsmaatregel voordien is opgelegd, zoals bij [appellant]; en
(ii) de strafraadkamer bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken van [appellant] tot opheffing van de lijfsdwang.

9. Onder deze omstandigheden dient de voorzieningenrechter zich te richten naar het oordeel van de terzake gespecialiseerde (bodem)rechter. Overigens ziet het hof als voorzieningenrechter ook geen reden om deze kwestie op dit punt voorshands anders te beoordelen. In dit verband wijst het hof (als voorzieningenrechter) er ook nog op dat er geen enkele aanwijzing is dat het begrip lijfsdwang iets anders inhoudt dan het (nieuwe) begrip gijzeling. Dit is ook in lijn met de Memorie van Toelichting bij de Wet USB waaruit blijkt dat de wet enkel een technisch karakter heeft en onderdeel uitmaakt van de modernisering van Sv. Grief I wordt verworpen.

10. Nu een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de strafrechter open staat – de voorzieningenrechter heeft dit ook met juistheid en in hoger beroep onweersproken geoordeeld in overweging 4.7 van het bestreden vonnis – en nu [appellant] deze rechtsgang bovendien heeft gevolgd (zie de 18 september-beschikking), kan [appellant] niet in zijn vorderingen bij de voorzieningenrechter worden ontvangen.
De proceskostenveroordeling in eerste aanleg

11. Het hof dient (ambtshalve) te beoordelen of [appellant] in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld. In eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter [appellant] terecht wél ontvankelijk geacht, waarna de vordering op inhoudelijke gronden is afgewezen Gelet op de inhoudelijke overwegingen in de 18 september-beschikking is dat oordeel juist geweest. Uitgangspunt is immers de lijfsdwangbeschikking, opgelegd door een daartoe bevoegde rechter, die door de Staat geëxecuteerd moet worden. Dit betekent dat [appellant] terecht in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld.
Slotsom

12. De conclusie van het voorgaande is dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen in hoger beroep tot (samengevat) onmiddellijke invrijheidstelling. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

het hof:

- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen in hoger beroep;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot zover aan de zijde van de Staat begroot op € 760 aan griffierecht en € 2.148 ( 2 x tarief II, namelijk memorie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, en mondelinge behandeling) aan salaris advocaat, en bepaalt dat hij over deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na dit arrest;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.P.J. Ruijpers en H.J.M. Burg, waarna het is getekend en uitgesproken door J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 8 december 2020 in aanwezigheid van de griffier.