Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2244

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
200.257.056/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervoersovereenkomt en overeenkomst van bruikleen m.b.t trailer. Beschadiging trailer. Aansprakelijkheid bruiklener. Uitleg verzekeringsovereenkomst. Regres door casco-verzekeraar trailer mogelijk op rechtmatig houder?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 1, p. 51
RAV 2021/26
S&S 2021/74
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.257.056/01

Zaaknummer rechtbank : 6683704 CV EXPL 18-7216

arrest van 8 december 2020

inzake

1 [naam ] Transport B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [naam B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

3. [naam ] Beheer B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

4. ASR Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellanten,

hierna te noemen: [naam ] Transport, [naam B.V.] , [naam ] Beheer, ASR, Nationale-Nederlanden, en gezamenlijk ook: [naam ] c.s.;

advocaat: mr. N.R. Huiskamp te Moerdijk,

tegen

1 [naam VOF] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 3] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [vestigingsplaats 4] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

wonende te [vestigingsplaats 4] ,

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [vestigingsplaats 5] ,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [naam VOF] c.s. (geïntimeerden sub 1 t/m 3) en [geïntimeerde 4] (geïntimeerde 4),

advocaat: mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam.

Waar gaat deze zaak over?

Deze zaak gaat over schade aan een trailer van [naam ] Beheer, die ontstond door een eenzijdig ongeval. De trailer van [naam ] Beheer werd ten tijde van dit voorval getrokken door een trekker met chauffeur van [naam VOF] c.s. Volgens [naam ] c.s. zijn [naam VOF] c.s. aansprakelijk voor de schade. De trailer was door [naam ] Beheer via [naam B.V.] casco verzekerd. [naam VOF] c.s. stellen zich onder meer op het standpunt dat zij gelden als verzekerden onder deze casco-polis.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

Bij het hof zijn tot aan de datum van het pleidooi de volgende stukken ingediend:

- de appeldagvaardingen van 25 en 27 februari 2019, waarmee [naam ] c.s. hoger beroep hebben ingesteld van de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Rotterdam, team kanton, van 17 augustus 2018 en 30 november 2018;

- de memorie van grieven van de zijde van [naam ] c.s., met producties;

- de memorie van antwoord in de hoofdzaak tevens houdende een incidentele grief van de zijde van [naam VOF] c.s., met productie;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel van de zijde van [naam ] c.s.

Bij arrest van 7 mei 2019 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie is niet doorgegaan.

Op 7 september 2020 heeft een pleidooi plaatsgevonden. De advocaten van beide partijen hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Na afloop van het pleidooi is een datum voor arrest bepaald.

Enkele feiten en de procedure in eerste aanleg

1. De kantonrechter heeft enige feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof zal daarvan uitgaan. Het hof zal hieronder daarnaast enkele aanvullende feiten vermelden die door de ene partij zijn gesteld en door de andere niet gemotiveerd zijn tegengesproken.

2.1

[naam ] Transport is een transportbedrijf. [naam ] Beheer is bestuurder en aandeelhouder van [naam ] Transport. [naam ] Transport huurt het door haar ingezette materieel van [naam ] Beheer, waaronder een trailer met kenteken [kenteken] .

2.2

Ook [naam VOF] c.s. drijven een transportbedrijf. [geïntimeerde 4] is een werknemer van [naam VOF] c.s. [naam ] Transport gaf regelmatig opdrachten aan [naam VOF] c.s. tot het vervoeren van goederen. Op 1 augustus 2016 reed [geïntimeerde 4] met een combinatie, die bestond uit een trekker van [naam VOF] c.s. en de in de vorige alinea genoemde trailer van [naam ] Beheer (hierna: de trailer). [geïntimeerde 4] heeft toen met de combinatie een boom(tak) geraakt waardoor schade is ontstaan aan de trailer.

2.3

[naam VOF] c.s. hebben op 29 augustus 2016 een factuur gestuurd aan [naam ] Transport ten bedrag van € 2.947,73 exclusief BTW terzake van “In uw opdracht verrichte transportwerkzaamheden in week 31”.

2.4

[naam B.V.] is gevolmachtigd verzekeringsagent. [naam ] Beheer heeft door tussenkomst van [naam B.V.] een cascoverzekering gesloten voor de trailer. Risicodragers op de polis zijn ASR en Nationale-Nederlanden, ieder voor 50%.

2.5

De polisvoorwaarden (Algemene Polisvoorwaarden VR 1-11 vrachtauto’s, aanhangers en opleggers) behorende bij deze verzekeringsovereenkomst bestaan uit een algemeen gedeelte, waaronder een aantal definities, en verschillende rubrieken, waaronder “Rubriek C Cascoverzekering”. Artikel 3 van het deel “definities” luidt als volgt:

“3. Verzekerden

3.1

De verzekeringnemer, de bezitter te goeder trouw, de eigenaar, de houder en de gemachtigde bestuurder van het object, alsmede de personen die zich met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van een daartoe bevoegd persoon in of op het object bevinden, dan wel in, uit of van het object stappen.

3.2

De werkgever, die krachtens artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door één van de in 3.1 vermelde personen, mits deze personen zelf rechten aan deze verzekering kunnen ontlenen en niet een andere verzekering de werkgever tegen het risico van aansprakelijkheid dekking verleent of zou hebben verleend, indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan.”

2.6

[naam B.V.] heeft aan [naam ] Beheer vanwege de schade aan de trailer na aftrek van het eigen risico van € 1.000,= een bedrag van € 7.851,19 uitgekeerd.

2.7

[naam VOF] c.s. hebben bij Reaal een container-/trailerverzekering afgesloten, die dekking biedt voor de aansprakelijkheid voor schade aan objecten als omschreven in de bijlage, voor zover deze bij verzekeringnemer in gebruik zijn op basis van een “Interchange Agreement” of soortgelijke overeenkomst. Artikel 2.5 van de bijbehorende polisvoorwaarden bepaalt:

“Secundaire karakter van de dekking

Indien schade, welk onder dit artikel is gedekt, tevens is gedekt onder één of meer andere polissen al dan niet van oudere datum, of gedekt zou zijn indien deze verkering [verzekering, hof] niet zou hebben bestaan[d], dan loopt de dekking slechts als excedent boven de dekking die onder de andere polis(en) is of wordt verleend, ongeacht of in de andere polis(sen) een samenloopartikel is opgenomen. In geen geval komt het eventuele eigen risico van een andere verzekering onder deze verzekering voor vergoeding in aanmerking.”

2.8

[naam B.V.] heeft [naam VOF] c.s. bij brief van 21 februari 2017 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het op 1 augustus 2016. Deze brief bevat de volgende passages:

“(…) Als tussenpersoon vorderen wij de geleden schade € 8.851,19. De schade werd reeds door een door uw verzekeraar benoemde expert opgenomen. Uit e‑mailcorrespondentie hebben wij vernomen dat het bedrag overeenkomt met het expertiserapport. Tevens vordering [vorderen, hof] wij de schade voor de stilstand van het object. Deze schade bedrag € 1.820,--. (…).”

2.9

Op 22 februari 2017 stuurden [naam VOF] c.s. een email aan [naam B.V.] . Deze email houdt onder andere in:

“Ten tijde van de schade is er een schadeformulier ingevuld met onze verzekeringsgegevens. Tot 2 weken geleden dachten wij dat deze schade al lang betaald was, omdat dat altijd door de verzekeringsmaatschappijen onderling geregeld wordt. Wij verzoeken u de claim neer te leggen bij onze verzekeringsmaatschappij”.

2.10

[naam VOF] c.s. hebben niet voldaan aan het verzoek van [naam ] c.s. om de schade te vergoeden. Hun verzekeraar (Reaal) heeft dat ook niet gedaan. Op 29 mei 2017 schreef de advocaat van [naam VOF] c.s., mr. Van Rossenberg, het volgende aan [naam B.V.] :

“(…) [naam ] Beheer B.V. heeft bij u voor verzekering van opgemelde trailer zorggedragen (…) Blijkens artikel 3 [van de polisvoorwaarden] zijn als verzekerden aan te merken de verzekeringnemer, de bezitter te goeder trouw, de eigenaar, de houder en de gemachtigde bestuurder. Duidelijk is dan ook, dat [naam VOF] mede als verzekerde onder de casco-polis is aan te merken. (…) De onderhavige schade is dan ook naar mijn mening onder de polis gedekt. [naam VOF] doet dan ook, voor zoveel nodig, een beroep op de bij u gesloten polis (…).”

3. [naam ] c.s. hebben vervolgens de onderhavige procedure aanhangig gemaakt en de hoofdelijke veroordeling van [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] gevorderd tot betaling van een (i) bedrag van € 8.851,19, met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2016, (ii) een bedrag van € 1.820,= met de wettelijke rente daarover vanaf 28 oktober 2016, althans 28 november 2016 en (iii) een bedrag van € 908,56 aan buitengerechtelijke kosten.

4. ASR en Nationale-Nederlanden, die aanvankelijk niet in de procedure betrokken waren, hebben zich gevoegd aan de zijde van [naam ] c.s. op de wijze als bedoeld in artikel 217 Rv.

5. De kantonrechter heeft de vorderingen van [naam ] c.s. afgewezen. Hij overwoog dat onduidelijk is gebleven wat de overeenkomst tussen [naam ] Transport en [naam VOF] c.s. (ten tijde van het voorval) precies inhield. Daarom kan ook niet vastgesteld worden of [naam VOF] c.s. in de nakoming van die overeenkomst tekort zijn geschoten. De enkele stelling dat schade is ontstaan aan de trailer door toedoen van [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] is onvoldoende om te oordelen dat [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] onrechtmatig hebben gehandeld. Op deze grond is ook niet duidelijk welke rechten van [naam ] Transport of [naam ] Beheer zijn overgegaan op [naam B.V.] .

De beoordeling van de vorderingen in hoger beroep

6. In hoger beroep vorderen [naam ] c.s. dat de vonnissen van de kantonrechter worden vernietigd en dat hun vorderingen alsnog worden toegewezen. [naam VOF] c.s. concluderen dat de vorderingen van [naam ] c.s. moeten worden afgewezen en dat de vonnissen worden bekrachtigd. [naam VOF] c.s. hebben incidenteel appel ingesteld en daarbij bezwaar gemaakt tegen een aantal overwegingen in het vonnis van 30 november 2018 van de kantonrechter. [naam ] c.s. hebben geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de incidentele grief. Omdat de incidentele grieven niet tot conclusie hebben dat de vonnissen van de kantonrechter vernietigd moeten worden, zullen de incidentele grieven worden betrokken bij de bespreking van het door [naam ] c.s. ingestelde hoger beroep.

De vorderingen en de ontvankelijkheid in hoger beroep

7. [naam ] c.s. hebben gevorderd dat [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling “aan eiseressen” van de hierboven genoemde bedragen. [naam ] c.s. hebben niet verduidelijkt welke bedragen aan welk van de eiseressen verschuldigd zijn. Uit de toelichting van [naam ] c.s. op haar vorderingen volgt echter dat het gaat om verschillende vorderingen, ingesteld door verschillende partijen (zie onder meer inleidende dagvaarding sub 5 onder het kopje “vorderingsrechten” en de memorie van grieven onder IV “De vorderingen & de vorderingsrechten”):

 Een vordering van € 7.851,19, het bedrag dat door de verzekeraar van [naam ] c.s. in verband met de (casco)schade aan de trailer is vergoed aan [naam ] Beheer B.V.

Het hof begrijpt dat het standpunt van [naam ] c.s. is dat de verzekeraars van [naam ] c.s. (ASR en Nationale-Nederlanden) voor dit bedrag zijn gesubrogeerd in de rechten van [naam ] Beheer B.V., en dat [naam B.V.] een last/volmacht van verzekeraars heeft om op eigen naam in rechte de betaling van deze bedragen te vorderen. Het hof gaat er van uit dat betaling van dit bedrag aan [naam B.V.] wordt gevorderd. Hetzelfde geldt voor het gevorderde bedrag van € 908,56 aan buitengerechtelijke kosten.

 Een vordering van € 1.000,- betrekking hebbend op de (casco)schade aan de trailer die niet is vergoed door verzekeraars in verband met het overeengekomen eigen risico.

Het hof gaat er van uit dat betaling van dit bedrag aan [naam ] Beheer (eigenaar van de trailer) wordt gevorderd.

 Een vordering van € 1.820,- bestaande uit de kosten van het inhuren van vervangend materieel.

Het hof begrijpt uit de toelichting door [naam ] c.s. (waaronder de aan [naam ] Transport gerichte factuur voor de huur van dit materieel) dat betaling van dit bedrag aan [naam ] Transport wordt gevorderd.

Ontvankelijkheid in hoger beroep

8. Gezien het voorgaande is sprake van subjectieve cumulatie van vorderingen. Per vordering moet het hof (ambtshalve) beoordelen of is voldaan aan de appelgrens van € 1.750,= (artikel 332 Rv.). Voor wat betreft de vordering van € 1.000,= van [naam ] Beheer is niet aan deze grens voldaan, ook niet als bij dat bedrag wordt opgeteld de gevorderde wettelijke rente van 1 augustus 2016 tot de datum van inleidende dagvaarding in eerste aanleg. [naam ] Beheer zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.

De omvang van het hoger beroep

9. [naam ] c.s. hebben in hoger beroep in de memorie van grieven:

- een toelichting gegeven op de grondslagen voor hun vorderingen,

- de door [naam VOF] c.s. in eerste aanleg gevoerde verweren besproken en

- grieven geformuleerd tegen het vonnis van de kantonrechter.

10. [naam ] c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat het aan de rechter is om de stellingen van partijen juridisch te kwalificeren. De strekking van de grieven is dat de vorderingen van [naam ] c.s. door het hof integraal opnieuw beoordeeld worden. De grieven lenen zich daarmee voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal daarbij uitgaan van de door [naam ] c.s. in hoger beroep gestelde feiten en grondslagen, daarbij de door [naam VOF] c.s. in eerste aanleg en in hoger beroep gevoerde verweren behandelen en daarbij ook de door [naam VOF] c.s. ingenomen stellingen in het incidentele appel betrekken. Hierbij wordt nog aangetekend dat vaststellingen of beoordelingen van de kantonrechter die door [naam ] c.s. niet in de memorie van grieven zijn bestreden, door het hof tot uitgangspunt zullen worden genomen.

11. [naam ] c.s. hebben het volgende aangevoerd als grondslag voor hun vorderingen:

- [naam VOF] c.s. en [naam ] Transport hebben een (onder)vervoersovereenkomst gesloten. Dit blijkt ook uit de hiervoor door [naam VOF] c.s. verzonden factuur. Ter uitvoering van die overeenkomst mocht [naam VOF] c.s. gebruik maken van een trailer van [naam ] Beheer en daarmee is sprake van een overeenkomst van bruikleen als bedoeld in artikel 7A:1777 BW. De bruiklener dient de in bruikleen ontvangen zaak bij het einde van de bruikleen terug te geven in de staat waarin hij deze ontvangen heeft. [naam VOF] c.s. zijn te kort geschoten in deze verplichting door de trailer beschadigd weer in te leveren.

- Subsidiair, indien geen aansprakelijkheid bestaat op grond van de bruikleenovereenkomst, stellen [naam ] c.s. zich op het standpunt dat [naam VOF] c.s. op grond van de vervoersovereenkomst gehouden waren de trailer onbeschadigd te retourneren, waarbij de trailer als het te vervoeren goed moet worden aangemerkt.

- Meer subsidiair geldt dat [geïntimeerde 4] onrechtmatig heeft gehandeld door de trailer te beschadigen en dat [naam VOF] c.s. daarvoor medeaansprakelijk zijn op grond van artikel 6:170 BW.

De aard van de overeenkomst

12. Het hof stelt vast dat [naam VOF] c.s. na een mondeling gesloten overeenkomst aan [naam ] Transport een trekker met chauffeur ter beschikking heeft gesteld ter uitvoering van door [naam ] Transport aangegeven ritten, waarvoor [naam VOF] c.s. een vergoeding aan [naam ] Transport in rekening bracht. Het hof kwalificeert deze overeenkomst als een overeenkomst van (tijd/reis)bevrachting als bedoeld in artikel 8:1093 BW en daarmee als een overeenkomst van goederenvervoer oftewel vervoersovereenkomst (artikel 8:1090 BW). Door [naam VOF] c.s. is niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat de door [naam ] c.s. als productie 7 bij de memorie van grieven in het geding gebrachte factuur van [naam VOF] c.s., die vermeldt “in uw opdracht verrichte transportwerkzaamheden in week 31” (mede) betrekking heeft op het vervoer op 1 augustus 2016, de datum van de schade. De omschrijving op deze factuur sluit aan bij de kwalificatie als vervoersovereenkomst. Het hof volgt niet de stelling van [naam VOF] c.s. dat sprake is van een situatie van huur/inlener van een trailer met chauffeur. Artikel 8:1094 BW bepaalt immers dat de wetsbepalingen omtrent huur niet van toepassing zijn op de terbeschikkingstelling van een voertuig met bestuurder.

13. [naam ] Transport heeft ter uitvoering van de overeenkomst van (reis)bevrachting aan [naam VOF] c.s. een trailer ter beschikking gesteld. Daarmee is – naast de hiervoor genoemde overeenkomst van (tijd/reis)bevrachting – sprake van een overeenkomst van bruikleen, waarbij [naam ] Transport (als bruikleengever) om niet een trailer ter beschikking heeft gesteld aan [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] (als bruiklener). Artikel 8:1094 BW staat daaraan niet in de weg, omdat de terbeschikkingstelling van de trailer zelf niet ook als (tijd/reis)bevrachting kan worden aangemerkt. Uit niets blijkt bovendien dat [naam VOF] c.s. hebben betaald voor het gebruik van de trailer, zodat van huur van de trailer evenmin sprake is. Op de contractuele verhouding tussen [naam ] Transport en [naam VOF] c.s zijn gezien het voorgaande zowel de wetsbepalingen van de vervoersovereenkomst als – voor zover het gaat om het kosteloos ter beschikking stellen van de trailer – die van bruikleen van toepassing. Van onverenigbaarheid van deze bepalingen is geen sprake.

14. [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] waren als bruiklener volgens artikel 7A:1777 jo 7A:1781 BW gehouden om “als een goed huisvader” voor het behoud van de geleende zaak te zorgen en dat maakt dat zij de trailer in beginsel in dezelfde – onbeschadigde – staat moesten teruggeven als waarin deze werd ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de trailer tijdens de bruikleen beschadigd is door toedoen van [naam VOF] c.s, althans hun werknemer [geïntimeerde 4] . Dit brengt mee dat [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] aansprakelijk zijn voor de daardoor veroorzaakte schade. In het midden kan blijven of in de email van 22 februari 2017 (nummer 2.9 hierboven) een erkenning van aansprakelijkheid besloten ligt. De door [naam VOF] c.s. ingenomen stelling dat de vordering jegens [geïntimeerde 4] is verjaard op grond van bepalingen uit het vervoersrecht gaat gezien het voorgaande ook niet op. De aansprakelijkheid van [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] vloeit immers niet voort uit de vervoersovereenkomst.

De door [naam B.V.] gevorderde vergoeding van (casco)schade

15. Als meest verstrekkend verweer met betrekking tot de door [naam B.V.] gevorderde vergoeding van (casco)schade hebben [naam VOF] c.s. aangevoerd dat niet gebleken is dat [naam B.V.] van de verzekeraars ASR en Nationale-Nederlanden (die op grond van subrogatie in de rechten van [naam ] c.s. zijn getreden) een last heeft ontvangen om deze procedure op eigen naam te voeren. Dit verweer wordt verworpen. Uit het feit dat de verzekeraars zich aan de zijde van [naam B.V.] hebben gevoegd, volgt naar het oordeel van het hof dat de verzekeraars het bestaan van de desbetreffende last erkennen. Het is daarom niet nodig dat een schriftelijke last wordt overgelegd.

16. [naam VOF] c.s. hebben zich verder op het standpunt gesteld dat zij de cascoschade niet hoeven te vergoeden, omdat zij op grond van artikel 3 van de polisvoorwaarden als mede-verzekerden gelden op de polis van [naam ] c.s. [naam VOF] c.s., althans [geïntimeerde 4] , waren tijdens het schade-evenement immers houder van de trailer als bedoeld in artikel 3.1 van de polisvoorwaarden. Op grond van artikel 7:962 lid 3 BW is regres op een mede-verzekerde uitgesloten, aldus [naam VOF] c.s.

17. Het is juist dat laatstgenoemd artikel regres op grond van subrogatie op mede-verzekerden uitsluit. Dit artikel is bovendien op grond van artikel 7:963 lid 1 BW van dwingend recht. Voor zover de polisbepalingen over de mogelijkheid van regres op mede-verzekerden iets anders bepalen dan besloten ligt in artikel 7:962 lid 3 BW, dient het hof die bepalingen terzijde te laten.

18. Het hof moet daarom beoordelen of [naam VOF] c.s. mede-verzekerden zijn op de polis van [naam ] c.s. De vraag of in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Daarbij komt het aan op uitleg van de polisvoorwaarden. Bij polisvoorwaarden waarover niet is onderhandeld, en waarbij bovendien de belangen van derden als mogelijke medeverzekerden zijn betrokken, zoals in dit geval, komt het bij die uitleg met name aan op objectieve factoren, waaronder de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.

19. Het hof is, uitgaande van de hiervoor genoemde maatstaf, van oordeel dat [naam VOF] c.s. op grond van artikel 3.1 van de polisvoorwaarden (zie nummer 2.5 hierboven) als mede-verzekerden op de polis moeten worden aangemerkt. Het hof licht dit hieronder toe.

20. Ten tijde van het ongeval waren [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] houder van het object (de trailer) in de zin van de polis, waarbij [geïntimeerde 4] gold als onmiddellijk houder voor middellijk houder [naam VOF] c.s. Volgens artikel 3.1 van de polisvoorwaarden geldt de houder als verzekerde. Dat in artikel 3.1 ook van de “gemachtigde bestuurder” wordt gesproken maakt niet, anders dan [naam ] c.s. aanvoeren, dat de houder van een trailer die niet bestuurd kan worden, niet ook onder de definitie van artikel 3.1 valt. Er worden immers in artikel 3.1 verschillende categorieën van verzekerden genoemd, waaronder de houder en de gemachtigde bestuurder.

21. Ook de stelling van [naam ] c.s. dat het karakter van een zuivere objectverzekering zich verzet tegen de gedachte dat [naam VOF] c.s. meeverzekerd zijn, is onjuist. [naam VOF] c.s. hebben terecht naar voren gebracht dat het vaste rechtspraak is dat ook anderen dan de eigenaar belang kunnen hebben bij het behoud van de zaak en daarmee verzekerbaar belang hebben bij een objectverzekering, bijvoorbeeld omdat zij aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schade aan de zaak.

22. [naam ] c.s. hebben verder aangevoerd dat het karakter van de polis meebrengt dat per rubriek moet worden bepaald wie dekking heeft onder de polis. Uit de bepalingen van rubriek C volgt volgens [naam ] c.s. niet dat ook een houder als [naam VOF] c.s. als verzekerde moet worden aangemerkt. Het hof verwerpt deze stelling. De in artikel 3 opgenomen definities zijn van belang voor alle op deze algemene bepalingen volgende rubrieken waarover specifieke bepalingen zijn opgenomen, voor zover daarvan in die rubrieken niet wordt afgeweken. In rubriek C zijn geen bepalingen opgenomen waaruit volgt dat voor die rubriek van een andere definitie van verzekerde moet worden uitgegaan. Het ligt bovendien juist wat betreft de rubriek C (casco) voor de hand dat geen regres wordt genomen op medeverzekerden. Een andere opvatting zou meebrengen dat door verzekeraars aan [naam ] Beheer (als eigenaar/verzekeringnemer) vergoede schade aan een trailer of trekker op [naam ] Transport zou kunnen worden verhaald.

23. [naam ] c.s. hebben ook een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 3.2 van de polisvoorwaarden, dat bepaalt dat als verzekerde geldt de werkgever die krachtens artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door één van de in artikel 3.1 vermelde personen, mits niet een andere verzekering de werkgever tegen het risico van aansprakelijkheid dekking verleent of zou hebben verleend, indien deze verzekering niet zou hebben bestaan. [naam ] c.s. voeren aan dat in dit geval de schade door een andere verzekering is gedekt, te weten de CTA-polis van [naam VOF] c.s. (zie nummer 2.7 hierboven). Het hof verwerpt dit beroep, omdat [naam VOF] c.s middellijk houder van de trailer zijn (via [geïntimeerde 4] ) en daarom op grond van artikel 3.1 van de polisvoorwaarden als verzekerde onder de polis geldt. De aansprakelijkheid van [naam VOF] c.s. vloeit naar het oordeel van het hof voort uit de tussen [naam VOF] c.s. en [naam ] Transport geldende overeenkomst van bruikleen, niet uit artikel 6:170 BW. Dit betekent dat aan het bepaalde in artikel 3.2 van de polisvoorwaarden niet wordt toegekomen.

24 Het voorgaande brengt mee dat de door verzekeraars (via [naam B.V.] ) uitgekeerde cascoschade niet op [naam VOF] c.s. kan worden verhaald.

De vordering van [naam ] Transport betreffende de kosten van het inhuren van vervangend materieel

25. In nummer 14 hierboven is al geoordeeld dat [naam VOF] c.s. als bruiklener gehouden waren om de trailer onbeschadigd te retourneren. In die verplichting zijn zij toerekenbaar te kort geschoten. Dit brengt mee dat [naam ] Transport aanspraak kan maken op de daardoor veroorzaakte schade, op de voet van artikel 6:74 BW ook de gevolgschade, doordat zij een andere trailer heeft moeten huren gedurende de herstelperiode.

26. [naam ] c.s. hebben in de memorie van grieven het gevorderde bedrag van € 1.820,- aan vervangend materieel nader toegelicht. Zo hebben zij uitgelegd dat de reparatieduur (veel) langer is geweest dan de door de expert geraamde tien dagen, onder andere omdat onderdelen moesten worden besteld. Deze stellingen zijn door [naam VOF] c.s. niet gemotiveerd betwist. Het gevorderde schadebedrag komt het hof ook niet onredelijk voor en het zal dus worden toegewezen.

27. [naam ] c.s. hebben de wettelijke rente gevorderd over het door hen gevorderde totaalbedrag vanaf 1 augustus 2016, en hebben daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende schadeposten. [naam VOF] c.s. hebben in eerste aanleg aangevoerd dat daarmee de ingangsdatum van de wettelijke rente per schadepost onvoldoende is toegelicht en dat de wettelijke rente hooguit vanaf de datum van de dagvaarding toegewezen kan worden. Van de zijde van [naam ] c.s. is de ingangsdatum van de wettelijke rente ten aanzien van de transportkosten niet nader toegelicht. Zij hebben niet vermeld wanneer de kosten voor de huur van de vervangende trailer daadwerkelijk zijn gemaakt. Het hof zal daarom de wettelijke rente over het bedrag van € 1.820,- toewijzen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding, 1 februari 2018.

De buitengerechtelijke kosten

28. Het hof begrijpt uit de toelichting op de vorderingen, dat vergoeding van de buitengerechtelijke kosten door [naam B.V.] gevorderd wordt, die daartoe een last heeft gekregen van de verzekeraars. Omdat de vordering van [naam B.V.] / de verzekeraars niet wordt toegewezen, ziet het hof ook geen aanleiding vergoeding van de buitengerechtelijke kosten toe te wijzen. Door [naam ] c.s. is niet toegelicht dat deze kosten mede zijn gemaakt ten behoeve van het innen van de vordering van [naam ] Transport.

Slotsom ten aanzien van de verschillende vorderingen

29. Het voorgaande leidt tot de volgende conclusies:

- [naam ] Beheer wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep;

- de bestreden vonnissen worden bekrachtigd voor zover het [naam B.V.] aangaat;

- de bestreden vonnissen worden vernietigd voor zover het [naam ] Transport aangaat en aan [naam ] Transport zal een bedrag van € 1.820,- worden toegewezen, met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2018.

30. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep compenseren, zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

- verklaart [naam ] Beheer niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep;

- vernietigt de tussen partijen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 30 november 2018, voor zover gewezen tussen [naam VOF] c.s. en [naam ] Transport,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [naam VOF] c.s. en [geïntimeerde 4] hoofdelijk, zodat betaling door de een de ander bevrijdt, tot betaling aan [naam VOF] Transport van een bedrag van € 1.820,- met de wettelijke rente daarover vanaf 1 februari 2018;

  • -

    compenseert de proceskosten in eerste aanleg, zodat elke partij de eigen kosten draagt;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep, zodat elke partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, H.J. van Kooten en F. Smeele en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020 door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.