Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2242

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
2200441219
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling van vader, met zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

Geen straf of maatregel op grond van art. 9a Sr.

Benadeelde partij ontvankelijk in vordering. Vonnis kantonrechter maakt dat niet anders. Vorderingsrecht benadeelde partij niet teniet gegaan, doordat eerder op dezelfde gronden een vordering is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004412-19

Parketnummer: 09-827221-18

Datum uitspraak: 11 november 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 5 september 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, waarbij het hof de wijziging als onderstaand begrijpt - tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 21 april 2018 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met twee handen en met kracht zijn handen om de strot/nek van die [slachtoffer] heeft gehouden en met kracht in die strot/nek geknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of


hij op of omstreeks 21 april 2018 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten vijf gebroken ribben en/of een klaplong en/of vocht tussen hart en ribben en/of diverse kneuzingen over het lichaam, heeft toegebracht door opzettelijk die [slachtoffer] (met low-kicks) meerdere malen en met kracht tegen de benen en/of de borst, althans het lichaam te schoppen en/of te slaan;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 april 2018 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, [slachtoffer], heeft mishandeld door opzettelijk die [slachtoffer] (met low-kicks) meerdere malen en met kracht tegen de benen en/of de borst, althans het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of die [slachtoffer] van zich af te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten vijf gebroken ribben en/of een klaplong en/of vocht tussen hart en ribben en/of diverse kneuzingen over het lichaam ten gevolge heeft gehad;

meer meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 april 2018 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk die [slachtoffer] (met low-kicks) meerdere malen en met kracht tegen de benen en/of de borst, althans het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of die [slachtoffer] van zich af te gooien.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld ter zake van het meer subsidiair tenlastegelegde. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen als eerste cumulatief/alternatief en subsidiair aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op of omstreeks 21 april 2018 te 's-Gravenzande, gemeente Westland, [slachtoffer], heeft mishandeld door opzettelijk die [slachtoffer] (met low-kicks) meerdere malen en met kracht tegen de benen en/of de borst, althans het lichaam te schoppen en/of te slaan en/of die [slachtoffer] van zich af te gooien, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten vijf gebroken ribben en/of een klaplong en/of vocht tussen hart en ribben en/of diverse kneuzingen over het lichaam ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Verweten gedragingen

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich op de dag van het voorval zorgen maakte om zijn moeder omdat zij al langer kampte met gezondheidsproblemen en zij was niet thuis. Om die reden informeerde hij naar zijn moeder bij zijn vader, die daar niet op antwoordde. Vervolgens is hij achter zijn vader aangegaan en werd hij aansluitend door zijn vader bespuugd. Zijn vader heeft vervolgens naar hem uitgehaald, waarbij hij de eerste klap ontweken heeft. De tweede klap was raak. De verdachte verklaart vervolgens een waas voor zijn ogen te hebben gekregen, hetgeen hij ook heeft verklaard bij de politie, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg.

De aangever geeft ten aanzien van de aanloop naar het conflict een andersluidende verklaring. De verdachte zou begonnen zijn met het spugen en het slaan.

Hoewel de verdachte en de aangever tegenstrijdig verklaren, staat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte en zijn vader op enig moment in een flinke vechtpartij zijn beland, waarbij de verdachte behoorlijk heeft uitgehaald naar zijn vader. De aangever heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Reeds gelet op de zich in het dossier bevindende foto’s en medische informatie valt dit laatste naar oordeel van het hof niet te ontkennen.

Het hof acht derhalve bewezen dat de verdachte zijn vader met kracht geschopt en geslagen heeft, en dat hij hem vervolgens heeft beetgepakt en van zich af gegooid heeft, waarbij zijn vader op de tafel terecht is gekomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, nu zijn cliënt zich in een noodweer-situatie bevond omdat zijn vader hem ogenblikkelijk wedderechtelijk aanviel.

Het hof stelt het volgende voorop. Voor een geslaagd beroep op noodweer is ingevolge artikel 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gedraging moet voorts geboden zijn door de noodzakelijke verdediging. Daaraan is niet voldaan indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Daarnaast moet de gedraging in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding.

Zoals reeds vastgesteld heeft tussen de vader en de verdachte een flinke worsteling plaatsgevonden. Uit het dossier volgt genoegzaam dat er tussen de verdachte en zijn vader reeds jarenlang ernstige spanningen waren die mede voortvloeiden uit het ernstig verstoorde huwelijk van vader en moeder. Daarbij is de verdachte zich verantwoordelijk gaan voelen voor zijn moeder en is hij in het gezin tegenover zijn vader komen te staan. De verdachte zou daarbij of daardoor van jongs af aan door zijn vader zijn geminacht en gekleineerd. Het hof acht aannemelijk – gelijk de verdachte heeft verklaard - dat de vader op de hem onwelgevallige vraag van de verdachte ‘waar zijn moeder was’, de verdachte heeft bespuugd en naar hem heeft uitgehaald.

Het hof is van oordeel dat het door de vader uithalen richting zijn zoon, waarbij hij hem éénmaal heeft geraakt, aan te merken is als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Evenwel is het hof van oordeel dat, gegeven het verhandelde ter terechtzitting, niet is komen vast te staan dat de reactie van de verdachte geboden was ter noodzakelijke verdediging. Immers, de verdachte heeft niet verklaard dat hij vreesde dat zijn vader door zou gaan met slaan en daarenboven kon van de verdachte worden gevergd dat hij zijn vader de rug toekeerde nadat hij uithaalde, door bijvoorbeeld weer terug naar buiten te lopen (een reëel alternatief). De verdachte had zich aldus kunnen en moeten onttrekken aan de situatie. Van een noodweersituatie in de zin van 41 lid 1 Wetboek van Strafrecht is derhalve geen sprake. Het beroep op noodweer faalt om die reden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het meer subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces


De raadsman van de verdachte heeft zich in hoger beroep eveneens op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt en dat de verdachte dientengevolge dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Met verwijzing naar hetgeen het hof eerder heeft overwogen naar aanleiding van het beroep op noodweer, geldt dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen reeds omdat er geen sprake is geweest van een situatie waarin verdediging noodzakelijk geboden was.

Ook overigens kan het beroep op noodweerexces niet slagen. Het hof is van oordeel dat de ‘waas’ die de verdachte voor zijn ogen kreeg naar aanleiding van de klap van vader - zoals hij heeft verklaard - niet is aan te merken als ‘een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanranding’. Het handelen van de verdachte is – mede gelet op de explosie van geweld die in geen verhouding staat tot de ene rake klap van vader - in de kern uitsluitend gegrond in het dóórbreken van de jarenlange opgekropte emoties van woede, frustratie en sterkte gevoelens van vernedering, onveiligheid, kleinering en van geestelijke mishandeling door zijn vader (zie ECLI:NL:HR:2016:456).

Nu er ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, acht het hof de verdachte dus strafbaar.

Geen straf of maatregel

In verband met de bijzondere omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, zal het hof overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, in de onderhavige zaak bepalen dat – op grond van art. 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel wordt opgelegd. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Het handelen van de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde feit kent een lange voorgeschiedenis. De verdachte heeft meermalen verklaard dat hij een waas voor zijn ogen had ten tijde van de mishandeling van zijn vader. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaart de verdachte dat alle ellende en frustratie van vroeger eruit uit kwam. Wat hieronder begrepen dient te worden volgt voornamelijk uit de verklaringen van de verdachte, maar ook uit verklaringen van andere betrokkenen.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 25 april 2018 volgt dat reeds langdurig sprake is van een zeer slechte relatie tussen vader en zoon. Ook de moeder van de verdachte zou niet tegen haar man zijn opgewassen. De verdachte zou regelmatig door zijn vader zijn uitgescholden, gekleineerd en geslagen. Ook zijn zowel moeder als zoon door de vader bedreigd en is de vader alcoholist. De reclassering heeft, op grond van het verhaal van de verdachte, zijn justitiële documentatie en de emoties die hij liet zien tijdens het gesprek met de reclassering, de indruk dat er door hoogoplopende emoties en/of frustraties sprake is geweest van een impulsdoorbraak bij de verdachte.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de verdachte zich reeds jaren vernederd en onderdrukt heeft gevoeld door zijn vader, hetgeen door verschillende bronnen wordt bevestigd. De verdachte is reeds als kind klem en verloren geraakt in de zeer spanningsvolle en slechte huwelijkse relatie tussen zijn ouders. De verdachte heeft door het gedrag van zijn vader steeds meer en vaker de verantwoordelijkheid gevoeld om zijn moeder te beschermen. Hij verbleef op verzoek van zijn moeder dan ook veel thuis bij zijn ouders. De moeder lijkt onmachtig te zijn geweest haar kind - de verdachte – te beschermen tegen het gedrag van vader. Het hof constateert daarbij dat de vader van de verdachte onmachtig is geweest om in de belangrijkste behoeften van zijn kind te voorzien, in de vorm van liefde en aandacht. Een kind behoeft immers meer dan louter materiële ondersteuning terwijl de vader uitsluitend in staat lijkt te zijn geweest zich daarin tot zijn zoon te hebben (weten te) verhouden; vergaande materiële verwenning kan duiden op pedagogische verwaarlozing van een kind. Door opgebouwde frustratie en onmacht ten aanzien van de zeer slechte relatie met zijn vader is de verdachte – daar gaat het hof van uit - tot een (emotionele) agressieve impulsdoorbraak is gekomen.

Het hof heeft op grond van een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 november 2020, vastgesteld dat de verdachte niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit of anderszins met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 561,31 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Namens de benadeelde zijn in hoger beroep nadere stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van de gestelde geleden schade, bestaande uit foto’s van het toegebrachte letsel alsmede medische stukken ter zake de fysieke, psychische en cognitieve conditie van het slachtoffer.

De vordering is namens de verdachte betwist.

Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat over de thans gevorderde schade reeds tussen partijen is geprocedeerd bij de civiele rechter, waarbij de vordering is afgewezen.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman van de verdachte een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam met zaaknummer: 7916224 CV EXPL 19-30939 en met uitspraakdatum: 3 januari 2020, overgelegd.

Daaruit blijkt dat een procedure is gevoerd tussen de benadeelde partij als eiser ‘de vader’ en de verdachte als gedaagde ‘de zoon’. Het geschil betreft de gestelde zware mishandeling op 21 april 2018. Gevorderd wordt een verklaring voor recht dat de zoon onrechtmatig jegens de vader heeft gehandeld en de zoon te veroordelen tot betaling van de schade die de vader daardoor lijdt, nader op te maken bij staat, € 25.000,00 niet te boven gaand. De zoon heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Nu de vader als eisende partij noch zijn gemachtigde zijn verschenen op de mondelinge behandeling van 21 november 2019, teneinde ten overstaan van de kantonrechter hetgeen is voorgevallen op 21 april 2018 tot klaarheid te brengen, is dat in zijn nadeel uitgelegd en is de vordering als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Het vonnis is onherroepelijk.

Het hof stelt voorop dat artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt welke de gronden zijn waarop een benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Nu aan die voorwaarden is voldaan, is de vordering van de benadeelde partij in deze zaak ontvankelijk, in de zin dat het hof daarvan kennis zal nemen.

Het voormelde vonnis van de kantonrechter maakt dat niet anders. Inhoudelijk/materieel heeft de kantonrechter geen oordeel geveld over de gestelde schade zodat de benadeelde partij reeds daarom een gerechtvaardigd belang heeft bij het opnieuw instellen van de vordering tot schadevergoeding. Verder bestaat er civielrechtelijk geen absoluut procesrechtelijk beginsel inhoudende een algemeen geldend verbod op herhaling van proceshandelingen in die zin dat het recht om een bepaalde rechtsvordering in te stellen (het vorderingsrecht) teniet is gegaan, doordat een eiser al eerder op dezelfde gronden eenzelfde vordering heeft ingesteld (die al dan niet door de rechter inhoudelijk is berecht); een zo genaamd beginsel van ‘ne-bis-in-idem’.

Materiële schade € 561,31

Gevorderd zijn de volgende kosten:

- Eigen risico zorgverzekering: € 311,31

- Reis- en telefoonkosten als forfait bedrag: € 250,- ter zake van 20x naar fysiotherapeut, huisarts, en advocaat.

Het gevorderde eigen risico is voldoende onderbouwd en wordt toegewezen tot € 311,31.

Het hof acht aannemelijk dat de reis- en telefoonkosten redelijkerwijs zijn gemaakt en deze kosten zijn evenmin door de verdediging bestreden. Nu deze kosten niet bovenmatig voorkomen wordt dit bedrag eveneens toegewezen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat tot een bedrag van € 561,33 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Immateriële schade € 10.000,00

Gelet op het toegebrachte zwaar lichamelijk letsel, is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het meer subsidiair bewezenverklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.500,00 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard nu daarvan niet is vast te stellen of de gestelde (fysieke en cognitieve) beperkingen een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit zijn of te brengen zijn bij de eventuele beperkingen die de benadeelde partij reeds ondervond tegen het einde van zijn werkzame dienstverband. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Gelet op het beperkte deel dat wordt toegewezen alsmede de familierechtelijke betrekking van partijen zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat elk der partijen de eigen kosten draagt.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 3.061,31 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief en het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.061,31 (drieduizend eenenzestig euro en eenendertig cent) bestaande uit € 561,31 (vijfhonderdeenenzestig euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het meer subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.061,31 (drieduizend eenenzestig euro en eenendertig cent) bestaande uit

€ 561,31 (vijfhonderdeenenzestig euro en eenendertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 40 (veertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 april 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, mr. J.W. van den Hurk en mr. W.A.G.J.W. Ferenschild, in bijzijn van de griffier mr. F.A. Janse.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2020.

Mr. van den Hurk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.