Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2239

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-10-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
BK-20/00008
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:12158, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende wenst verrekening van afgedragen loonheffing op een door hem ontvangen uitkering “om niet” op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). De Inspecteur heeft de uitkering niet tot het belastbare inkomen gerekend. De omstandigheid dat belanghebbende de Inspecteur in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, brengt niet mee dat de Inspecteur van het horen mocht afzien. De hoorplicht is geschonden. Het Hof oordeelt dat belanghebbende door het niet-horen is benadeeld, omdat er verschil van mening bestond over de feiten en de waardering daarvan. De Rechtbank had de zaak daarom moeten terugwijzen. Belanghebbende heeft in hoger beroep ingestemd met afdoening van het materiële geschil door het Hof. Ten aanzien van de door de gemeente ingehouden en afgedragen loonheffing is geen sprake van een te verrekenen voorheffing in de zin van artikel 9.2 van de Wet IB 2001 nu de uitkering niet in de belastingheffing van belanghebbende is betrokken. De belastingrente is juist berekend. Verder heeft belanghebbende geen recht op integrale proceskostenvergoeding aangezien geen sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen van de inspecteur of handelen tegen beter weten in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/3016
Viditax (FutD), 03-12-2020
FutD 2020-3629
NTFR 2021/331 met annotatie van mr. J.W. Bosman
V-N 2021/7.25.18
NLF 2020/2690 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00008

Uitspraak van 20 oktober 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 25 november 2019, nr. SGR 19/4430.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.837 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 280 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.278;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 47 aan [belanghebbende] te vergoeden."

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Ter zake is een griffierecht van € 131 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij afzonderlijk geschrift tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend. Bij brief van 28 augustus 2020 heeft belanghebbende een pleitnota, tevens aangeduid als aanvullend beroepschrift, met bijlagen aan het Hof doen toekomen.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 september 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Aan belanghebbende is in het jaar 2015 op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) bijstand toegekend in de vorm van een renteloze lening van € 11.540,76. Bij besluit van 12 juli 2016 is deze lening omgezet in een bedrag om niet (de Bbz-uitkering). De gemeente heeft de Bbz-uitkering van (afgerond) € 11.540 gebruteerd en hierover een bedrag van € 6.648 aan loonheffing afgedragen aan de Belastingdienst. De bruto Bbz-uitkering bedraagt € 18.188. Het besluit vermeldt dat belanghebbende een jaaropgave zal ontvangen en de Bbz-uitkering wordt aangemerkt als een deel van het inkomen van belanghebbende over het jaar 2016. Tot de stukken van het geding behoort de jaaropgave 2016 ter zake van de Bbz-uitkering.

2.2.

Volgens de ontvangen loongegevens van de Belastingdienst zijn het brutoloon en de voorheffing voor het jaar 2016 als volgt:

Omschrijving

Bruto loon

Voorheffing

Loon (tegenwoordige dienstbetrekking)

[A] B.V.

[B] B.V.

€ 436 € 7.387

€ 43

€ 632

Loon (vroegere dienstbetrekking)

Gemeente [C] (Bbz)

Gemeente [C] (Participatiewet)

€ 18.188 € 7.014

€ 6.648 € 1.755

Totaal

€ 33.025

€ 9.078

2.3.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2016 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 14.837. Hij heeft daarbij een Bbz-uitkering van nihil opgenomen en onder de ingehouden loonheffing wel het over de Bbz-uitkering afgedragen bedrag aan loonheffing van € 6.648 vermeld (de voorheffing).

2.4.

De Inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB/PVV 2016 opgelegd conform de aangifte.

2.5.

Bij het opleggen van de definitieve aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd dat hij ter zake van de loongegevens zal afwijken van de aangifte en heeft hij belanghebbende in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. Belanghebbende heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

2.6.

Vervolgens is met dagtekening 8 juni 2018 de aanslag opgelegd, conform het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning ad € 14.837, derhalve exclusief de Bbz-uitkering. Daarbij is geen rekening gehouden met de voorheffing van € 6.648. Voorts is bij gelijktijdig gegeven beschikking een bedrag van € 280 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.7.

Belanghebbende is tegen de aanslag pro forma in bezwaar gekomen en heeft in zijn aanvulling op het bezwaarschrift verzocht te worden gehoord alvorens uitspraak op het bezwaarschrift wordt gedaan. Op 1 augustus 2018 heeft de Inspecteur de ontvangst van het bezwaarschrift aan belanghebbende bevestigd en daarbij medegedeeld te streven naar afdoening van het bezwaarschrift binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

2.8.

Wegens het uitblijven van een uitspraak op het bezwaarschrift heeft belanghebbende de Inspecteur bij brief van 16 oktober 2018 in gebreke gesteld en daarbij aanspraak gemaakt op toekenning van een dwangsom.

2.9.1.

De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening 30 oktober 2018 uitspraak op het bezwaar gedaan. De uitspraak vermeldt:

“Nu de inspecteur van mening is dat de bijstandsuitkering van de gemeente […] niet tot het belastbaar inkomen behoort, kan de daarbij horende ingehouden loonheffing ook niet meer verrekend worden. Gezien het bovenstaande wijs ik uw bezwaar op dit punt af.”

2.9.2.

Ter zake van het verzoek te worden gehoord, vermeldt de uitspraak op bezwaar het volgende:

“U hebt mij in gebreke gesteld wegens het niet (tijdig) doen van uitspraak op uw bezwaarschrift. Hierdoor ben ik wettelijk verplicht om binnen 2 weken nadat de ingebrekestelling is ontvangen uitspraak op uw bezwaarschrift te doen. Ik heb telefonisch contact met u gehad met het verzoek om uw ingebrekestelling in te trekken. Dit hebt u tot op heden niet gedaan. Gezien de gestelde wettelijke termijn heb ik besloten om nu uitspraak te doen op uw bezwaarschrift. Hierbij heb ik u niet in de gelegenheid kunnen stellen om uw bezwaar mondeling toe te lichten. Indien u alsnog uw bezwaarschrift mondeling wenst toe te lichten stel ik u in de gelegenheid om een afspraak met mij daarvoor te maken. (…) In dat geval kunnen wij een gesprek inplannen. Dit gesprek zal formeelrechtelijk echter niet de status van hoorgesprek hebben. Mocht dit gesprek daartoe aanleiding gegeven, heb ik de mogelijkheid om de aanslag ambtshalve te verminderen.”

2.10.

Bij beschikking van 1 november 2018 heeft de Inspecteur het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen:

"(…)

Beoordeling van het geschil

Schending hoorplicht

7. De rechtbank stelt vast dat [de Inspecteur] [belanghebbende] ondanks zijn verzoek daartoe niet heeft gehoord. Dat [belanghebbende] [de Inspecteur] ingebreke heeft gesteld, maakt niet dat [de Inspecteur] in het onderhavige geval van horen kon afzien. Aangezien [de Inspecteur] geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van eiser, is de hoorplicht geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding aan dat gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij te gaan. Gelet hierop zal het beroep in zoverre gegrond worden verklaard. Nu [belanghebbende] in beroep voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt zowel schriftelijk als mondeling naar voren te brengen, ziet de rechtbank aanleiding de zaak zelf af te doen.

Aanslag

8. Bij de aanslagregeling is de [bruto] Bbz-uitkering niet tot het belastbare inkomen van [belanghebbende] gerekend. De over de onbelaste uitkering ingehouden loonheffing kan daarom niet worden verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

Belastingrente

9. De hoogte van verschuldigde belastingrente vloeit rechtstreeks voort uit de wet, onder meer de artikelen 30fc en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

10. Op grond van artikel 30fc, tweede lid, van de Awr wordt de belastingrente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 invorderbaar is, te weten zes weken na de dagtekening van de aanslag. De belastingrentebeschikking heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting.

11. In het onderhavige geval is belastingrente berekend over de periode 1 juli 2017 tot en met 20 juli 2018. De belastingrente (voor de inkomstenbelasting) bedraagt 4% per jaar (artikel 30hb, tweede lid, van de Awr).

12. [De Inspecteur] heeft aannemelijk gemaakt dat hij de in rekening gebrachte belastingrente conform de wettelijke bepalingen en niet te hoog heeft vastgesteld. Het gaat hier om een regeling die uitsluitend wordt bepaald door tijdsverloop en niet wordt beïnvloed door mogelijke verwijten aan hetzij eiser, hetzij [de Inspecteur]. Gelet hierop en op de feiten en omstandigheden van dit geval, zijn geen termen aanwezig om de regeling van de belastingrente geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.

Dwangsom niet tijdig beslissen

13. Ten aanzien van het standpunt van [belanghebbende] dat [de Inspecteur] een dwangsom is verschuldigd, overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. [Belanghebbende] heeft op 20 juli 2018 bezwaar gemaakt tegen de in geschil zijnde aanslag. [Belanghebbende]heeft [de Inspecteur] bij email van 16 oktober 2018, in gebreke gesteld. [De Inspecteur] heeft op 30 oktober 2016 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, in dit geval is geen sprake van een situatie waarin [de Inspecteur] niet tijdig heeft beslist. Hij is derhalve geen dwangsom verschuldigd.

14. Gelet op hetgeen hiervoor onder 8, 12 en 13 is overwogen, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Proceskosten

15. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.278 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

16. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen [belanghebbende] heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat [de Inspecteur] zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit is dan ook niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding daarom af.

(…)"

Omschrijving geschil in (incidenteel) hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of sprake is van schending van de hoorplicht, en meer in het bijzonder of sprake is van benadeling van belanghebbende en, zo daarvan sprake, is of de Rechtbank de zaak had moeten terugwijzen naar de Inspecteur. Verder is in geschil of een bedrag van € 6.648 aan loonheffing als voorheffing kan worden verrekend, of terecht en tot een juist bedrag belastingrente in rekening is gebracht en of belanghebbende recht heeft op een (integrale) proceskostenvergoeding voor de kosten van het bezwaar, beroep en hoger beroep.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van € 14.837 rekening houdend met een bedrag aan voorheffing van in totaal € 9.078, tot veroordeling van de Inspecteur in de (integrale) proceskosten van het bezwaar, beroep en hoger beroep en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskosten in bezwaar en beroep vanaf 24 december 2019.

In het incidentele hoger beroep concludeert belanghebbende tot ongegrondverklaring van dat beroep en tot veroordeling van de Inspecteur in de (integrale) proceskosten van het incidentele hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende. In het incidentele hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de Inspecteur daarbij is veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.278 en de Inspecteur is opgedragen het betaalde griffierecht van € 47 aan belanghebbende te vergoeden.

Beoordeling van het hoger beroep

Is de hoorplicht geschonden en is belanghebbende hierdoor benadeeld?

5.1.1.

Belanghebbende heeft in zijn (aanvullende) bezwaarschrift van 24 juli 2018 verzocht om te worden gehoord. Niet in geschil is dat de Inspecteur aan dat verzoek voorbijgegaan is. De Inspecteur heeft op 30 oktober 2018 uitspraak op bezwaar gedaan zonder belanghebbende te hebben gehoord. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de omstandigheid dat belanghebbende de Inspecteur bij brief van 16 oktober 2018 in gebreke had gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, niet meebrengt dat de Inspecteur van het horen mocht afzien. Dit brengt mee dat de hoorplicht is geschonden.

5.1.2.

Indien een belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, kan aan dat gebrek in de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbij worden gegaan als de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld (zie o.a. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267). De rechter moet dan wel motiveren waarom de belastingplichtige niet is benadeeld, waarbij niet kan worden volstaan met de enkele redengeving dat het gebrek reeds is hersteld doordat de belastingplichtige zijn bezwaren in (hoger) beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten. Die omstandigheid zal echter in de regel wel voldoende zijn, indien de rechter tevens vaststelt dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de Inspecteur en de belastingplichtige (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt.

5.1.3.

Het Hof is van oordeel dat in het onderhavige geval verschil van mening bestond over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. In 2014 is aan belanghebbende namelijk eveneens op grond van de Bbz bijstand in de vorm van een renteloze lening toegekend, die in 2015 is omgezet in een bedrag om niet. De omzetting van die lening is in 2015 aangemerkt als een periodieke uitkering die tot het belastbare inkomen behoort. Bij de aanslagregeling van het onderhavige jaar is de Bbz-uitkering niet tot het belastbare inkomen gerekend en in de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur eveneens het standpunt ingenomen dat de Bbz-uitkering niet tot het belastbare inkomen behoort. In de beroepsfase heeft de Inspecteur zich primair op het standpunt gesteld dat de Bbz-uitkering wel tot het belastbare inkomen behoort omdat de omzetting van de lening in een bedrag om niet, die in 2016 heeft plaatsgevonden, kwalificeert als een belaste periodieke uitkering en dat aan het vereiste van periodiciteit is voldaan nu de omzetting is voorafgegaan door een uitkering uit dezelfde oorzaak. Hieruit blijkt dat er geen duidelijkheid bestond over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. Het was belanghebbende niet duidelijk waarom de Bbz-uitkering in 2015 en 2016 fiscaal verschillend werd behandeld. Het had dus op de weg van de Inspecteur gelegen een hoorgesprek met belanghebbende te voeren. Gelet op het verschil van mening over de feiten en de waardering daarvan is belanghebbende door het niet-horen benadeeld. Aan deze schending kan niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden voorbijgegaan.

5.1.4.

Dit brengt mee dat de uitspraak op het bezwaarschrift zal moeten worden vernietigd. De rechter heeft vervolgens de keuze de zaak terug te wijzen naar de inspecteur, met opdracht de belastingplichtige alsnog volgens de regels te horen, dan wel zelf in de zaak te voorzien. Dit laatste zal aangewezen zijn, indien de rechter tot het oordeel komt dat de belastingplichtige ook zonder dat hij opnieuw in de bezwaarfase wordt gehoord, in het gelijk moet worden gesteld, dan wel indien de belastingplichtige de rechter heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien (zie o.a. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495, BNB 2003/267, r.o. 3.5.4).

5.1.5.

Nu belanghebbende heeft verzocht om terugwijzing en belanghebbende niet in het gelijk is gesteld, had de Rechtbank de zaak dienen terug te wijzen naar de Inspecteur met de opdracht belanghebbende alsnog te horen. De enkele omstandigheid dat belanghebbende zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten is onvoldoende om aan het uitdrukkelijke verzoek om terugwijzing voorbij te gaan. Het hoger beroep is in zoverre gegrond. Het Hof ziet hierin aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in het hoger beroep heeft gemaakt.

5.1.6.

Het andersluidende betoog van de Inspecteur in zijn incidentele hoger beroep dat geen sprake is van benadeling door het niet-horen, faalt derhalve. Ook de stelling van de Inspecteur dat hij daardoor ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep en dat hem ten onrechte is opgedragen het griffierecht te vergoeden, faalt. Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

5.1.7.

Belanghebbende heeft in hoger beroep ter zitting van het Hof verklaard niet langer prijs te stellen op terugwijzing en heeft het Hof verzocht zelf in de zaak te voorzien. Het Hof zal hierna ingaan op het materiële geschil.

Aanslag; te verrekenen voorheffing

5.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat verrekening van de over de Bbz-uitkering ingehouden en afgedragen loonheffing met de verschuldigde inkomstenbelasting dient plaats te vinden. Aangezien de Bbz-uitkering niet tot het belastbare inkomen is gerekend, is ten aanzien van de door de gemeente afgedragen loonheffing geen sprake van een te verrekenen voorheffing in de zin van artikel 9.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. De door de gemeente ingehouden en afgedragen loonheffing van € 6.648 is derhalve terecht niet verrekend met de door belanghebbende verschuldigde inkomstenbelasting.

Belastingrente

5.3.

Ingevolge artikel 30fc, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), wordt, voor zover thans van belang, indien met betrekking tot de inkomstenbelasting na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, een aanslag met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, met betrekking tot die aanslag aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. Aangezien de aanslag is vastgesteld naar een te betalen bedrag is belastingrente verschuldigd. De belastingrente is terecht en, gelet op de tekst van artikel 30fc, lid 2, en artikel 30hb van de AWR, tot het juiste bedrag in rekening gebracht. De wet biedt geen ruimte voor de door belanghebbende in zijn pleitnota weergegeven berekening van de belastingrente. Voorts is de berekening van belastingrente, anders dan belanghebbende betoogt, niet afhankelijk van (niet) verwijtbaar handelen. Evenmin doet het feit dat de belasting feitelijk al voor 1 juni 2018 is betaald aan de termijn waarover de belastingrente wordt berekend, af.

Proceskosten bezwaar en beroep

5.4.1.

Aangezien belanghebbende door het niet-horen is benadeeld, heeft de Rechtbank belanghebbende terecht een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar en beroep toegekend.

5.4.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het Hof tot het oordeel leiden dat belanghebbende aanspraak kan maken op een integrale proceskostenvergoeding voor de door hem in bezwaar en beroep gemaakte kosten. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is grond indien het bestuursorgaan (in casu de Inspecteur) het verwijt treft dat het een aanslag, beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die aanslag, beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (vgl. onder andere HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802, BNB 2007/260). Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Evenmin is sprake van in verregaande mate onzorgvuldig handelen van de Inspecteur. Er is mitsdien geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit.

Wettelijke rente

5.5.

Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de wettelijke rente over de hem toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep van € 1.278 en over het door hem in eerste aanleg betaalde griffierecht van € 47 dat de Inspecteur aan belanghebbende dient te vergoeden, wegens vertraging in de betaling van deze bedragen. Het Hof zal dit verzoek toekennen en beslissen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan.

Slotsom

5.6.

Gelet op het vorenoverwogene is het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond. Het Hof doet de zaak zelf af.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.575 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (3 punten à € 525 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Zoals hiervoor onder 5.4.2 is geoordeeld, is geen sprake van de situatie dat de Inspecteur het verwijt treft dat hij de aanslag, beschikking en de uitspraak op bezwaar heeft gegeven respectievelijk heeft gedaan of heeft gehandhaafd, terwijl op dat moment duidelijk was dat die aanslag, beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden, noch is gebleken dat sprake is van in verregaande mate onzorgvuldig handelen van de Inspecteur. Anders dan belanghebbende meent, heeft de Inspecteur ook niet tegen beter weten in incidenteel hoger beroep ingesteld.

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het in hoger beroep gestorte griffierecht van € 131 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

  • -

    verklaart het principaal hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank behoudens de beslissing omtrent de proceskosten en het griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    beslist dat, indien de proceskosten voor bezwaar en beroep ad € 1.278 en het voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ad € 47 niet tijdig zijn vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten voor het hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.575, en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 131 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door I. Obbink-Reijngoud, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 20 oktober 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.