Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2197

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
18-01-2021
Zaaknummer
2200416017
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende bewijs voor vier opzettelijke brandstichtingen onder meer met bedreiging van levensgevaar en tweemaal stalking door de verdachte. Vast staat dat direct bewijs ten aanzien van het daderschap van de verdachte niet voorhanden is. Het hof is evenwel via de link tussen twee gebruikte “dreigtelefoons” met de andere bewijsmiddelen gekomen tot de bewijsconstructie dat deze twee “dreigtelefoons” aan de verdachte kunnen worden toegeschreven en aldus een link vormen met de tenlastegelegde brandstichtingen. Volgt een veroordeling voor 12 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004160-17

Parketnummer: 10-710247-16

Datum uitspraak: 2 november 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 september 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen, en omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander als nader omschreven in het vonnis en herstelvonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 28 april 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning en/of (een) goed(eren) in genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner van die woning, zijnde [slachtoffer 1], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 10 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur behorende bij een woning gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde schuur en/of (een) goed(eren) in genoemde schuur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de goederen in die schuur en/of de bijbehorende woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner van die woning, zijnde [slachtoffer 1], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

3. primair
hij in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 31 mei 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, en/of in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (meermalen)

- op 28 april 2016 brand te stichten in/aan de woning van die [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis en/of

- op 10 mei 2016 brand te stichten in/aan de schuur van die [slachtoffer 1], behorende bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis en/of

- in genoemde periode een/meerdere bedreigende en/of intimiderende sms-bericht(en) te versturen aan genoemde [slachtoffer 1] en/of

- in genoemde periode in te bellen op het/de telefoonnummer(s) van die [slachtoffer 1] en/of

- op 19 mei 2016 op de auto van die [slachtoffer 1] met purschuim aan te brengen;

3. subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 10 mei 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

– een sms-bericht gestuurd met de tekst "Geloof mij jullie gaan er aan als jij die rooie hoer niet los laat" en/of

- brand gesticht in/aan de woning van die [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis en/of

- brand gesticht in/aan de schuur van die [slachtoffer 1], behorende bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis;

4.
hij op of omstreeks 24 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan het [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemde woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

5.
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2016 tot en met 31 mei 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door in genoemde periode (meermalen)

- een/meerdere bedreigende en/of intimiderende sms-bericht(en) te versturen aan genoemde [slachtoffer 2] en/of

- in te bellen op het/de telefoonnummer(s) van die [slachtoffer 2] en/of

- zich (gedurende de nachtelijke uren) te begeven en/of op te houden nabij de woning van die [slachtoffer 2];

6.
hij op of omstreeks 28 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht aan/nabij een woning gelegen aan de [adres 3], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen) ((brand)gel en/of (brand)pasta), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning en/of (een) goed(eren) nabij genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning, zijnde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis vermelde opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren met aftrek van voorarrest alsmede tot de oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging, zonder dat deze gemaximeerd is.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Waardering van het bewijs

Inleiding

Het gaat in deze zaak om vier gevallen van brandstichting in Hellevoetsluis in de periode van 28 april 2016 tot en met 28 mei 2016 en om twee gevallen van belaging in vrijwel dezelfde periode. Van alle feiten is aangifte gedaan. Daarnaast zijn klachten ingediend ter zake van de ten laste gelegde belagingen.

Standpunten advocaat-generaal en de verdediging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde

feiten. Ter terechtzitting heeft zij aan de hand van haar schriftelijk requisitoir de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

De raadsvrouw heeft, in essentie samengevat, aangevoerd dat de feiten alle niet bewezen kunnen worden verklaard: de verdachte ontkent namelijk de branden te hebben gesticht en er is geen bewijs voor handen dat hem direct of indirect aan deze branden linkt. Evenmin staat vast dat hij degene is geweest die (een van) de twee dreigtelefoons heeft gebruikt. Die telefoons zijn ook niet bij hem aangetroffen.

Beoordeling door het hof

Het hof zal allereerst, evenals de rechtbank, de feiten die niet betwist zijn weergeven. Daarna zal het hof ingaan op het bewijs ten aanzien van de gebruikte dreigtelefoons, het voorval van de met purschuim besmeurde auto (dat is ten laste gelegd in het kader van belaging) en de verschillende branden. Het hof zal afsluiten met de beantwoording van de vraag of bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

Vaststaande feiten

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten kunnen dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de vragen rond het bewijs.

De verdachte heeft gedurende ongeveer een jaar een relatie gehad met [slachtoffer 2] (verder: [slachtoffer 2]). Begin maart 2016 heeft [slachtoffer 2] de relatie verbroken. De verdachte heeft in de periode daarna met grote regelmaat geprobeerd [slachtoffer 2] op andere gedachten te brengen en de relatie nog een kans te geven. [slachtoffer 2] heeft de verdachte herhaaldelijk te verstaan gegeven dat zij dat niet van zins was. Verdachte probeerde van [slachtoffer 2] te weten te komen of zij wellicht inmiddels een relatie met een andere man had. Tegenover [slachtoffer 2] suggereerde de verdachte op enig moment dat zij een ander had. De verdachte ging een paar keer op zaterdagavond naar een muziekcafé in Hellevoetsluis, waarvan hij wist dat [slachtoffer 2] daar een regelmatige bezoeker was. Hij heeft [slachtoffer 2] daar, onder andere in de nacht van 26 op 27 april 2016, in gezelschap gezien van [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1]).

In de nacht van 27 op 28 april 2016 is er brand gesticht in de woning van [slachtoffer 1] aan de [adres 1] in Hellevoetsluis: door zijn brievenbus is een ontbrandbare vloeistof gegoten die vervolgens is aangestoken. Doordat het brandalarm in de woning is afgegaan,

schrok [slachtoffer 1] wakker en kon hij de brand blussen voordat deze zich levensgevaarlijk over zijn woning heeft kunnen uitbreiden.1 Uit onderzoek blijkt dat voor de brandstichting vluchtige stoffen zijn gebruikt die verkrijgbaar zijn als bijvoorbeeld bio-ethanol en lampolie.2

Een paar dagen later, op 30 april 2016, krijgt [slachtoffer 2] een sms waarin haar onder bedreigingen te verstaan wordt gegeven dat zij niks met [slachtoffer 1] moet beginnen. Deze sms is afkomstig van een mobiele telefoon met een nummer dat eindigt op 417 (verder aan te duiden als: dreigtelefoon 1).3 Met dit nummer wordt later die dag ook ingebeld op de vaste lijn van [slachtoffer 1], maar omdat [slachtoffer 1] op dat moment niet thuis is, komt geen contact tot stand.4

In de nacht van 7 op 8 mei 2016 wordt [slachtoffer 1] een paar keer gebeld door een mobiele telefoon met een nummer dat eindigt op 249 (verder aan te duiden als: dreigtelefoon 2).5 Ook [slachtoffer 2] wordt met dit nummer gebeld.6

Op 10 mei 2016 rond 01.40 uur krijgt [slachtoffer 1] een sms van dreigtelefoon 2.7 Deze telefoon belt ook naar [slachtoffer 2].8 [slachtoffer 1] wordt in de sms bedreigd met de tekst “geloof me, jullie gaan eraan als jij die rooie hoer niet loslaat”. Even later staat de schuur in de tuin van [slachtoffer 1] in brand.9 De politie concludeert dat de brand vermoedelijk is aangestoken. Er kon geen technische oorzaak van de brand worden vastgesteld.10

Op 13 mei 2016 krijgen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] allebei een sms met bedreigingen van dreigtelefoon 2. De strekking van die berichten is dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geen relatie met

elkaar moeten beginnen.11

Ook op 14 en 15 mei 2016 krijgen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] smsjes van dreigtelefoon 2. Daarin komt de tekst “I’m watching you” in varianten voor.12

In de ochtend van 16 mei 2016 plaatsen onder andere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] een aantal foto’s op Facebook die van hen zijn gemaakt tijdens het feest de avond daarvoor in het hiervoor bedoelde café in Hellevoetsluis. Op een aantal van die foto’s is [slachtoffer 2] te zien in omhelzing met [slachtoffer 1]. Later die dag krijgt [slachtoffer 1] drie sms’jes van dreigtelefoon 2 met onder meer de tekst: “ik krijg net foto’s te zien en geloof mij, ik maak jou kapot”.13

In de nacht van 18 op 19 mei 2016 wordt de auto van [slachtoffer 1], die bij zijn woning staat, besmeurd met purschuim. In dezelfde nacht wordt met dreigtelefoon 2 gebeld naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].14

Op 24 mei 2016 wordt rond 9 uur ‘s ochtends vastgesteld dat brand is gesticht aan de gevelelementen (keukenraamkozijn en voordeur) van de woning van de zus van [slachtoffer 1] en haar man in Hellevoetsluis. Vastgesteld is dat ontbrandbare stoffen als bijvoorbeeld bio ethanol, brandgel en —pasta tegen de gevelelementen en in de brievenbus zijn gesprenkeld en aangestoken.15 Doordat de bewoners hun brievenbus aan de binnenkant van de voordeur hadden afgedicht met een plankje, is de brand beperkt gebleven.16

Eerder die nacht, op 24 mei rond 03.00 uur wordt op dreigtelefoon 2 een sms opgesteld, gericht aan [slachtoffer 1]. De tekst daarvan luidt: “jammer dat je zus alles heeft dicht gemaakt. Wie zullen we nu eens nemen? Die rooie hoer met haar kinderen of die geblondeerde hoer uit Spijkenisse of een broer?”. Voor [slachtoffer 2] wordt direct daarna een sms opgesteld met de volgende tekst: “hoi hoer, jij bent de volgende. Verbreek met [slachtoffer 1] of we pakken jou en je kinderen!”. Deze sms-sms’jes worden wegens tekort aan beltegoed niet daadwerkelijk verzonden. Korte tijd later die nacht wordt met dreigtelefoon 2 gebeld naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].17

Op 28 mei 2016 wordt tegen 01.30 uur brand gesticht bij de voordeur van de woning van [slachtoffer 2] in Hellevoetsluis. De voordeur en de buiten-deurmat hadden vlam gevat. De brand is tijdig ontdekt. De bewoners werden namelijk gealarmeerd door het geblaf van hun honden.18 Op de dorpel van de voordeur is brandgel of—pasta aangetroffen.19

Op 1 juni 2016 omstreeks 03.45 uur wordt de verdachte in de onmiddellijke omgeving van de woning van [slachtoffer 2] door de politie aangetroffen. Hij legt gegeven de processen-verbaal van politie wisselende verklaringen af over de reden van zijn nachtelijke aanwezigheid ter plekke.20 Later die dag vindt een doorzoeking plaats in zijn woning in Spijkenisse. Daarbij wordt een aantal goederen van de verdachte inbeslaggenomen, waaronder zijn mobiele telefoon (Huawei), tablet (Samsung), navigatiesysteem, briefjes met adressen en/of telefoonnummers, een kassabon en een lege fles bio-ethanol.21 Op een van de briefjes staan de namen, adressen en telefoonnummers van [slachtoffer 1] en zijn zus, op een ander briefje de 06-nummers van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].22 Uit onderzoek van de tablet is gebleken dat op internet en Facebook zoekvragen zijn gesteld betrekking hebbende op [slachtoffer 1] en diens familie.23 Ook is op de tablet een word-document aangetroffen waarin het adres van de zus van [slachtoffer 1] voorkomt (welk document voor het laatst is gewijzigd op 25 april 2016).24 Verder is een foto van Google Earth aangetroffen, waarop een plattegrond te zien is van de buurt rondom [adres 1] in Hellevoetsluis.25

Gebleken is voorts dat in de ochtend van 14 mei 2016 op de tablet is gezocht met de zoekterm “I will watch you”.26 Op de tablet is ook een aantal foto’s aangetroffen die op 16 mei 2016 door [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en anderen op Facebook zijn gezet.27 In het navigatiesysteem was de straatnaam van de zus van [slachtoffer 1] ingevoerd. Ook bleek uit gps-locaties van het systeem dat dit op enig moment in de directe omgeving van die straat was geweest.28

Uit de in de woning van de verdachte aangetroffen kassabon blijkt dat op 30 april 2016 bij de Action in Spijkenisse onder andere vier flessen bio-ethanol en twee flessen lampolie zijn gekocht.29

Gebruikte dreigtelefoons

Dreigtelefoon 1 [nummer eindigend op 417] [Imei-nummer] , Samsung GT-E1200i

Uit onderzoek van de politie is gebleken dat dreigtelefoon 1 op 22 januari 2015 om 17:22 uur is aangeschaft bij de Kijkshop Spijkenisse: het betrof een Prepaid Lebara Samsung E1200 blue voor € 11,-.30 Op 30 april 2016 in de middag is deze telefoon in gebruik genomen. Om 14:47 uur heeft [slachtoffer 2] het volgende bericht van deze telefoon ontvangen: “Hey rooie, als ik er achter kom dat jij ook maar iets met mijn [afkorting] [afkorting] begint of wilt zoek ik jou op en sloop alles wat jou lief is dus blijf uit zijn buurt en leven ik waarschuuw niet meer [afkorting] is van mij en blijft van mij”.31 Om 15:34 uur komt er op dreigtelefoon een inkomende oproep binnen van 27 seconden van het thuisnummer van [slachtoffer 2] en om 15:42 uur komt er een tweetal sms-berichten van het 06-nummer van [slachtoffer 2] bij dreigtelefoon 1 binnen. De Cell-ID waarmee de telefoon op die momenten in verbinding staat is KPN-GSM-[nummer] [adres zendmast 1].32 Het hof stelt vast dat dit 650 meter is van [adres 4] waar de hierna genoemde getuigen [getuige 1] en [getuige 2] wonen. De telefoon maakt die dag uitsluitend gebruik van een zendmast aan [adres zendmast 1]. Na 30 april 2016 wordt het nummer alleen nog in de avond van 3 mei 2016 gebruikt; dan wordt gebruik gemaakt van de zendmast aan [adres zendmast 2].33

Verschillende getuigen verklaren dat de verdachte een blauwe telefoon heeft gehad. Getuige [getuige 3] verklaart dat de verdachte een klein telefoontje wilde kopen bij de Kijkshop in Spijkenisse en dat hij de telefoon hierna heeft gezien. Het was een klein blauw prepaid telefoontje van Samsung.34 Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat de verdachte twee telefoons had, een goedkope blauwe telefoon, zo’n wegwerptelefoon zonder touchscreen en een smartphone.35 Bij de raadsheer-commissaris heeft getuige [getuige 4] nogmaals verklaard dat de verdachte een mobieltje had die iets rond en blauw van kleur was. De achterkant was zwart.36 Ook getuige [getuige 1] heeft het over een blauwe telefoon, zo’n model net als een Nokia of een Samsung.37 [getuige 2] noemt een kleine telefoon, donker van kleur.38 Bij de raadsheer-commissaris heeft zij het meer specifiek over een zwarte telefoon.39

[slachtoffer 2] en haar zoon [slachtoffer 3] hebben verklaard dat, nadat [slachtoffer 2] in de middag van 30 april 2016 een dreig-sms had gekregen van dreigtelefoon 1, [slachtoffer 3] heeft gebeld naar deze dreigtelefoon om te zeggen dat zijn moeder met rust moest worden gelaten. Er nam toen een vrouw op, die iets zei met de strekking van dat ze moesten ophouden.40

De verklaringen van de getuige [getuige 1] komen er op neer dat de verdachte op 30 april 2016 bij haar op bezoek was en dat hij toen werd gebeld. De verdachte had haar verteld dat hij telefonisch werd lastig gevallen en bedreigd. Toen de verdachte die dag op zijn telefoon

werd gebeld heeft hij volgens [getuige 1] daarom aan [getuige 1] gevraagd de telefoon op te nemen en de beller te woord te staan. Dat heeft [getuige 1] gedaan en zij heeft de beller toen te verstaan gegeven dat deze moest ophouden. [getuige 1] heeft verder verklaard dat zij de telefoon van de verdachte op diens verzoek bij zich heeft gehouden en heeft uitgezet, en dat de verdachte de bewuste telefoon enkele dagen later bij haar heeft opgehaald.41

De verklaringen van [getuige 1] worden bevestigd door de getuigen [getuige 4]42 en [getuige 2]43, de locatiegegevens van de dreigtelefoon en een schermafbeelding van een Facebook Messenger-bericht van de verdachte aan [getuige 1] op 3 mei 2016, waarin hij vraagt of hij dat mobieltje even kan komen ophalen.44 Kort daarna straalt dreigtelefoon 1 kortstondig een zendmast aan die bereikbaar is vanuit de woning van de verdachte. Dreigtelefoon 1 wordt na 3 mei 2016 niet meer geactiveerd.45 Bij de tweede doorzoeking d.d. 14 juni 2016 in de woning van verdachte zijn een Samsung oplaadkabel en Samsung batterij aangetroffen.

Conclusie dreigtelefoon 1

Het hof is, gelet op het voorgaande in onderling verband en in samenhang beschouwd, van oordeel dat vast staat dat de verdachte de gebruiker is geweest van dreigtelefoon 1.

Dreigtelefoon 2 ([nummer eindigend op 249] [Imei-nummer], Alcatel Onetouch 1016D, dual sim telefoon

Dreigtelefoon 2 betreft een mobiele telefoon van het merk Alcatel. Dit toestel is op 2 mei 2016 om 14:52 uur gekocht bij de Kijkshop in Hellevoetsluis. Een paar uur daarvoor, om 12:06 uur, is op de tablet van de verdachte op internet de zoekterm “Kijkshop” ingevoerd, de vervolgresultaten verwijzen naar Spijkenisse en Hellevoetsluis.46 Kort vóór het tijdstip van de aanschaf van de Alcatel-telefoon is de auto van de verdachte gesignaleerd op de provinciale weg (Groene Kruisweg) in de richting van Hellevoetsluis en kort na dat tijdstip in tegenovergestelde richting, te weten Spijkenisse. (Kanaalweg Westzijde Hellevoetsluis om 15:03 uur).47 Dreigtelefoon 2 is geactiveerd en voor het eerst gebruikt in de nacht van 7 op 8 mei 2016 om 01:17 uur; de telefoon straalde bij dat gebruik zendmasten aan in Hellevoetsluis.48 Uit verkeersgegevens blijkt dat de auto van de verdachte om 01:43 op de Kanaalweg Westzijde te Hellevoetsluis is gesignaleerd en om 01:47 uur op de N218 ter hoogte van Kanaaldijk West te Hellevoetsluis.49

Er is een link tussen het gebruik van de tablet van de verdachte op 14 mei 2016 (met het internetgebruik van de zoekterm “I will watch you”) en 16 mei 2016 (met het opslaan op verdachtes tablet van de die dag op Facebook geplaatste foto’s waarop een zoenende [slachtoffer 2] met [slachtoffer 1] te zien zijn) enerzijds, en de later op die respectievelijke dagen met dreigtelefoon 2 verstuurde sms’jes aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te weten: “ik krijg net foto’s te zien en geloof mij, ik maak jou kapot”.50

Het hof stelt verder vast dat steeds als dreigtelefoon 2 werd gebruikt, het toestel uitsluitend aanstraalde op zendmasten in Hellevoetsluis, in de omgeving van de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Zo werd op 14 mei 2016 om 13:20 uur de telefoon ingeschakeld en stond deze in verbinding met zendmast KPN-GSM-[nummer] [adres zendmast 2], in de buurt van de woning van [slachtoffer 2] [adres 3]. Om 14:08 stond de telefoon in verbinding met zendmast KPN-GSM-[nummer] [adres zendmast 3] in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] [adres]. Na 24 mei is dreigtelefoon 2 niet meer gebruikt.51 Op 25 mei 2016 werd de verdachte als getuige gehoord door de politie.

Bij zijn staandehouding door de politie in de nacht van 1 juni 2016 had de verdachte een Alcatel-oplader op zak. Hij verklaarde volgens de verbalisanten toen ter plekke dat dat de oplader was van zijn oude telefoon. Hij had op dat moment geen telefoon bij zich en verklaarde dat deze thuis aan de oplader lag.52 In zijn verhoor door de politie op 2 juni 2016 verklaarde de verdachte echter dat hij de oplader in de nacht van zijn staandehouding op de plek waar hij zijn fiets had neergezet, had gevonden.53 Bij de doorzoeking later op 1 juni 2016 is noch de Alcatel-oplader noch een Alcatel telefoon bij hem in huis aangetroffen. Het hof stelt vast dat verdachte over het bij zich hebben van de Alcatel oplader tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, en hiervoor minst genomen naar ’s hofs oordeel niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven.

Na de aanhouding van de verdachte zijn de dreigtelefoons niet meer in gebruik geweest. Tevens zijn er na zijn aanhouding geen bedreigingen meer geuit richting [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Conclusie dreigtelefoon 2

Het hof is gelet op het voorgaande in onderling verband en in samenhang beschouwd van oordeel dat vast staat dat de verdachte de gebruiker is geweest van dreigtelefoon 2.

In het vervolg van dit arrest zal het hof van deze vaststellingen uitgaan.

Purschuim op de auto van [slachtoffer 1]

In de nacht van 18 op 19 mei 2016 is de auto van [slachtoffer 1], een VW Golf, met purschuim besmeurd. Er zijn door [slachtoffer 1] ook restjes purschuim aangetroffen aan de achterzijde van de auto.54 Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat de verdachte hem had verteld dat hij boos was op de man die in de Koningsnacht met zijn ex had zitten flikflooien in het café, dat hij de uitlaat van de auto van die man, een VW Golf, wilde volspuiten met purschuim en dat hij wist waar die man woonde.55

Op 19 mei 2016 rond 02.30 uur is met dreigtelefoon 2 gebeld naar de telefoons van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De dreigtelefoon straalde toen zendmasten in Hellevoetsluis aan. De verdachte bevond zich die nacht dus in Hellevoetsluis.56

Verband tussen sms’jes en brandstichtingen

Met dreigtelefoon 2 zijn enkele sms’jes verstuurd waaruit naar ’s hofs oordeel valt af te leiden dat de gebruiker van deze dreigtelefoon ook degene is die de hierna genoemde brandstichtingen heeft gepleegd. Zo wordt op 14 mei 2016 op een door [slachtoffer 1] verstuurde sms aan dreigtelefoon 2 waarin hij vraagt waarom zijn huis en spullen in brand zijn gestoken door de gebruiker van dreigtelefoon 2, gereageerd met de sms met de volgende tekst: “jij gelooft toch niet dat ik dat zelf doe?“.57

De op dreigtelefoon 2 in de nacht van 24 mei 2016 opgestelde (maar niet verzonden) sms aan [slachtoffer 1]

— “jammer dat je zus alles heeft dicht gemaakt” — duidt er op dat de opsteller daderwetenschap heeft van de brandstichting bij de woning van [slachtoffer 6], de zus van [slachtoffer 1] (feit 4). Die sms is verstuurd nog vóórdat de brand de volgende ochtend werd ontdekt en verraadt bovendien wetenschap omtrent de door [slachtoffer 6] dichtgemaakte brievenbus. In een in diezelfde nacht opgestelde (en evenmin verzonden) sms aan [slachtoffer 2] wordt haar bericht: “jij bent de volgende! Verbreek met [slachtoffer 1] of we pakken jou en je kinderen”. Later die dag laat [slachtoffer 2] via WhatsApp (opnieuw) aan de verdachte weten dat zij door hem met rust gelaten wil worden. Enkele dagen later, op 28 mei 2016, vindt de brandstichting bij de voordeur van haar woning plaats (feit 6).58

Onderzoek tablet

Hiervoor zijn de bevindingen van het onderzoek naar gegevens op de tablet van de verdachte al kort beschreven: het googlen van en zoeken op Facebook naar de naam [slachtoffer 1], alsmede het op de tablet opgeslagen document waarin het adres van de zus van [slachtoffer 1] voorkomt. Verdachte heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij, nadat hij van [slachtoffer 2] had gehoord dat zij door middel van sms’jes werd bedreigd en hij had gehoord dat er brand was gesticht bij [slachtoffer 1], op internet is gaan zoeken naar mogelijke verbanden tussen de betrokken personen om op die manier wellicht de identiteit van de bedreiger/brandstichter te achterhalen.

Het hof acht dit gelet op de aard van de door verdachte overgenomen aantekeningen op de twee bij hem aangetroffen briefjes op zich zelf al een ongeloofwaardige verklaring. Daar komt bij dat de verdachte de zoekvragen “[slachtoffer 1]” op internet heeft ingevoerd op 21 april 2016 en het op zijn tablet aangetroffen document met het adres van de zus van [slachtoffer 1] op 25 april 2016 voor het laatst is gewijzigd, hetgeen aannemelijk maakt dat het die dag op de tablet van de verdachte is opgeslagen.59 Deze data liggen een aantal dagen vóór de eerste brandstichting (op 28 april 2016 in de woning van [slachtoffer 1], feit 1) en de eerste bedreiging (door middel van een op 30 april 2016 verstuurde sms aan [slachtoffer 2], feit 5). De verdachte heeft weliswaar ter zitting in hoger beroep bestreden dat hij vóór laatstgenoemde data al op internet zoekvragen heeft ingevoerd, maar het hof heeft geen enkele reden vraagtekens te plaatsen bij de processen-verbaal waarin de resultaten van het onderzoek van de tablet zijn beschreven, onder andere inhoudende de op grond van dat onderzoek verkregen data van de onderzoeksgegevens.

Briefjes met namen en adresgegevens van leden van familie [slachtoffer 1]

De verdachte heeft bij de politie en ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij de adresgegevens van leden van de familie [slachtoffer 1] die op briefjes in zijn woning zijn aangetroffen, heeft gekregen van getuige [getuige 6] en dat hij die gegevens toen op deze briefjes heeft op- dan wel overgeschreven. Hij heeft [getuige 6] in de nacht van 21 op 22 mei 2016 leren kennen.

Het hof acht deze verklaring van de verdachte ongeloofwaardig. [getuige 6] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris ten stelligste en consistent ontkend dat zij enig gegeven met betrekking tot de familie [slachtoffer 1] aan de verdachte heeft verstrekt.60 [getuige 6] heeft ter zake hiervan ook onder de tap gestaan en deze gesprekken ondersteunen de door haar afgelegde verklaringen. Bovendien valt niet in te zien waarom de verdachte eerst op 22 mei 2016 nog gegevens over de familie [slachtoffer 1] nodig zou kunnen hebben voor zijn pogingen om de identiteit van de

bedreiger/brandstichter te achterhalen. Zo beschikte hij bijvoorbeeld, zoals in het voorgaande aan de orde is gekomen, in elk geval al vanaf 25 april 2016 over het adres van [slachtoffer 6], de zus van [slachtoffer 1]. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld met betrekking tot het gebruik van de dreigtelefoons volgt verder dat de verdachte in elk geval al vanaf 8 mei 2016 beschikte over de telefoonnummers van [slachtoffer 1].

De gegevens m.b.t. de auto van de verdachte

Uit de door ARS verstrekte verkeersgegevens afkomstig van camera’s langs de provinciale weg naar Hellevoetsluis blijkt dat de auto van de verdachte op 28 april 2016 ruim een half uur vóór de brandstichting in de woning van [slachtoffer 1] naar Hellevoetsluis is gereden en ongeveer tien minuten na de brandstichting Hellevoetsluis weer heeft verlaten in de richting van Spijkenisse.61

Het namens verdachte gevoerde betrouwbaarheidsverweer ten aan zien van de ARS-gegevens van verdachtes voertuig op de grond dat dit systeem niet is bedoeld als opsporingssysteem maar als instrument van verkeersdoorstroom-informatie waardoor die gegevens onbetrouwbare resultaten op kunnen leveren, wordt door het hof verworpen. Het hof overweegt hiertoe dat het deze gegevens niet slechts op zichzelf beschouwd maar bezien in onderling verband en in samenhang met de overige bewijsmiddelen voor het bewijs zal bezigen. Nu deze ARS-gegevens bovendien steun vinden in de overige gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof deze gegevens voldoende betrouwbaar. Het door de raadsvrouw nog genoemde betrouwbaarheidspercentage van 81 procent van het totaal aan ARS-gegevens en haar daarop gebaseerde berekening doet hier dus niet aan af, nog daargelaten dat het hof deze berekening van de raadsvrouw niet tot de zijne maakt.

Verder zijn ten aanzien van de reisbewegingen van de auto van de verdachte de al vermelde gegevens afkomstig uit zijn navigatiesysteem van belang.

Bio-ethanol

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep erkend dat hij op 30 april 2016 vier flessen bio-ethanol en twee flessen lampolie heeft gekocht bij de Action in Spijkenisse, zoals ook uit de in zijn woning door de politie aangetroffen kassabon blijkt. Deze bio-ethanol gebruikte hij naar zijn zeggen als brandstof voor een brandertje dat hij van tijd tot tijd voor de gezelligheid in zijn woning aanstak. Het brandertje stond ten tijde van de doorzoeking in zijn woning op het aanrecht, zo heeft hij verklaard. De lampolie zou hij voor [betrokkene 1], een kennis van het Leger des Heils, hebben gekocht.

De politie heeft in de processen-verbaal van doorzoeking en inbeslagneming geen melding gemaakt dat een brandertje in de woning is aangetroffen. Een kennis van de verdachte die heeft meegeholpen zijn woning te ontruimen toen hij vast kwam te zitten, heeft expliciet verklaard toen in de woning geen brandertje te hebben gezien.62

Conclusies

Naar het oordeel van het hof wordt hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht, afdoende weerlegd door hetgeen in het voorgaande is beschreven en de in de

bijlage I bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen.

Het hof acht de onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 primair en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op of omstreeks 28 april 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning en/of (een) goed(eren) in genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner van die woning, zijnde [slachtoffer 1], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

2.
hij op of omstreeks 10 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een schuur behorende bij een woning gelegen aan de [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde schuur en/of (een) goed(eren) in genoemde schuur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of de goederen in die schuur en/of de bijbehorende woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner van die woning, zijnde [slachtoffer 1], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

3. primair
hij in of omstreeks de periode van 28 april 2016 tot en met 31 24 mei 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, en/of in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (meermalen)

- op 28 april 2016 brand te stichten in/aan de woning van die [slachtoffer 1], gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis en/of

- op 10 mei 2016 brand te stichten in/aan de schuur van die [slachtoffer 1], behorende bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis en/of

- in genoemde periode een/meerdere bedreigende en/of intimiderende sms-bericht(en) te versturen aan genoemde [slachtoffer 1] en/of

- in genoemde periode in te bellen op het/de telefoonnummer(s) van die [slachtoffer 1] en/of

- op 19 mei 2016 op de auto van die [slachtoffer 1] met purschuim aan te brengen;

4.
hij op of omstreeks 24 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan het [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemde woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

5.
hij in of omstreeks de periode van 30 april 24 mei 2016 tot en met 31 mei 2016 te Hellevoetsluis en/of Spijkenisse, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door in genoemde periode (meermalen)

- een/meerdere bedreigende en/of intimiderende sms-bericht(en) te versturen aan genoemde [slachtoffer 2] en/of

- in te bellen op het/de telefoonnummer(s) van die [slachtoffer 2] en/of

- zich (gedurende de nachtelijke uren) te begeven en/of op te houden nabij de woning van die [slachtoffer 2];

6.
hij op of omstreeks 28 mei 2016 te Hellevoetsluis opzettelijk brand heeft gesticht aan/nabij een woning gelegen aan de [adres 3], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare (vloei)stof(fen) ((brand)gel en/of (brand)pasta), ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of genoemde woning en/of (een) goed(eren) nabij genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning, zijnde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen feiten leveren op:

1.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is;

2.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

3. primair

belaging;

4.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

5.

belaging;

6.

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Ten aanzien van de eis tot oplegging van de maatregel TBS met dwangverpleging

Het hof zal de eis van de advocaat-generaal tot oplegging van de maatregel van TBS met dwangverpleging niet volgen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

In de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 5 april 2019 wordt bij de beantwoording van de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens onder meer weergegeven dat er geen persoonlijkheidsstoornis geclassificeerd kan worden vanwege de beperkingen van het onderzoek. De verdachte is een weigerachtige observandus. Tevens wordt vermeld dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor acute psychiatrische problemen en dat er sprake is van een intacte realiteitstoetsing. Wel is er sprake van een structurele kwetsbaarheid van de persoon. Met de deskundige van het Pieter Baan Centrum is het hof van oordeel dat, nu de verdachte een weigerende observandus is, de vraag of er bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens niet beantwoord kan worden.

Het hof is, bij gebrek aan andere objectieve informatie over de verdachte, van oordeel dat — ondanks het zorgwekkende beeld dat het gedrag van de verdachte in relatie tot de bewezenverklaarde feiten oproept — onvoldoende kan worden vastgesteld dat er ten tijde van de gepleegde feiten bij hem sprake was van een geestestoestand als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Ook het gedrag van de verdachte in detentie l[de verdachte] daartoe geen aanwijzingen op, nu de verdachte zich volgens de verslaglegging als een model-gedetineerde gedraagt.

De vordering van de advocaat-generaal tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt derhalve afgewezen.

Ten aanzien van de op te leggen straf

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich binnen een periode van een maand schuldig gemaakt aan zes strafbare feiten: viermaal brandstichting en tweemaal belaging. De verdachte heeft deze strafbare feiten klaarblijkelijk gepleegd omdat hij het niet kon verdragen dat [slachtoffer 2] haar relatie met hem had verbroken. Aanvankelijk heeft de verdachte op een wanhopige manier en zeer vasthoudend geprobeerd de liefde van [slachtoffer 2] terug te winnen. Hij heeft daarbij zelfs aan zijn destijds vijftienjarige zoon gevraagd om contact met [slachtoffer 2] te zoeken en te zeggen hoe erg hij (de zoon van de verdachte) de relatiebreuk vond. Dit had niet de uitkomst waar de verdachte op hoopte. De min of meer obsessieve pogingen van de verdachte om [slachtoffer 2] weer voor

zich te winnen sloegen om in klaarblijkelijk door jaloezie gedreven en controlerend gedrag van de verdachte en hebben uiteindelijk geresulteerd in de bewezen verklaarde strafbare feiten.

Met ingang van 30 april 2016 heeft de verdachte [slachtoffer 2] gedurende een periode van bijna een maand stelselmatig lastig gevallen door haar bedreigende en intimiderende sms-berichten te sturen en veelvuldig te bellen. Daarbij deed hij het voorkomen alsof de sms-berichten afkomstig waren van een vrouw die jaloers op haar was vanwege haar relatie met [slachtoffer 1]. Dit alles met het kennelijke doel dat zij het contact met [slachtoffer 1] zou verbreken en de relatie met de verdachte zou herstellen. Voorts heeft de verdachte eveneens [slachtoffer 1] gedurende (ongeveer) dezelfde periode stelselmatig lastig gevallen door ook hem — en ook anoniem — bedreigende en intimiderende sms-berichten te sturen, veelvuldig te bellen en zijn auto met purschuim te besmeuren.

De verdachte vond dit klaarblijkelijk niet genoeg. Hij heeft de belaging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gepaard doen gaan met heimelijke brandstichtingen. De verdachte heeft op 28 april 2016 en 10 mei 2016 in de nacht brand gesticht in de woning respectievelijk aan de schuur van [slachtoffer 1]. Op 20 mei 2016 zijn de 84-jarige ouders van (onder anderen) [slachtoffer 1] bij een brand in hun woning om het leven gekomen. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij, terwijl hij van deze fatale brand op de hoogte was, nog is doorgegaan met de belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij daarna opnieuw branden heeft gesticht. Met ijzingwekkende gewetenloosheid stichtte hij al een paar dagen later, terwijl de familie in diepe rouw verkeerde, op 24 mei 2016 brand aan de woning van [slachtoffer 6], de zus van [slachtoffer 1] en haar man. De gevolgen van deze brand zijn gelukkig beperkt gebleven, maar dat is niet aan de verdachte te danken. Naar aanleiding van de eerdere branden bij [slachtoffer 1] en de ouders van [slachtoffer 1] hadden de zus van [slachtoffer 1] en haar echtgenoot namelijk hun brievenbus dicht gemaakt met een plankje, waardoor de door de verdachte gestichte brand bij de brievenbus zich niet kon uitbreiden. Tenslotte heeft de verdachte weer enkele dagen later - op 28 mei 2016 - midden in de nacht brand gesticht aan de woning van [slachtoffer 2], waar zij op dat moment aanwezig was met haar drie kinderen.

Dit zijn schokkende feiten. De verdachte heeft ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en haar kinderen, en de zus van [slachtoffer 1] en haar echtgenoot, en heeft hen allen zeer grote angst aangejaagd. De betrokkenen hebben ter zitting in hun slachtofferverklaringen de enorme gevolgen van het handelen van de verdachte verwoord. Zij hebben door toedoen van de verdachte een dramatische periode achter de rug.

Het hof rekent het de verdachte zeer zwaar aan dat hij door zijn handelen welbewust levensgevaar heeft veroorzaakt voor de aanwezige personen in de woningen waar brand is gesticht. De door de verdachte gepleegde brandstichtingen hebben naast angst en materiële schade voor de direct betrokkenen, ook onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeenschap en gevoelens van angst en onveiligheid in deze gemeenschap opgeroepen.

Het hof neemt het de verdachte voorts kwalijk dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid voor zijn handelen heeft genomen. Tijdens de politieverhoren heeft de verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft de verdachte zijn betrokkenheid bij de feiten ontkend. Medewerking aan psychologisch en psychiatrisch

onderzoek heeft hij categorisch geweigerd.

Verdachte heeft door zijn proceshouding geen enkele blijk gegeven van inzicht in het uiterst kwalijke en verwerpelijke van zijn handelen. Weliswaar staat het de verdachte vrij voor een dergelijke proceshouding te kiezen, maar het feit dat hij zodoende geen enkele

verantwoordelijkheid neemt voor de heftige feiten die hij heeft gepleegd, brengt mee dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat hij in herhaling zal vallen.

Nu het hof door de houding van de verdachte onvoldoende zicht heeft kunnen krijgen op zijn problematiek en er daarom onvoldoende gronden zijn om een maatregel te

rechtvaardigen, zal het recidiverisico slechts kunnen worden beperkt door een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een en ander geeft het hof aanleiding een zwaarder accent te leggen op het met de straf beoogde preventieve effect, nog afgezien van het feit dat, gelet op de schokkende ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, een langdurige vrijheidsstraf zonder meer al op zijn plaats is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 oktober 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit, welke evenwel geen enkele relatie heeft met de bewezen verklaarde strafbare feiten. Het hof zal hiermee dan ook niet in strafverzwarende zin rekening houden.

Het hof stelt vast dat namens de verdachte op 28 september 2017 hoger beroep is ingesteld en dat het hof pas op 2 november 2020 arrest wijst. Niet ter discussie staat dat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden. Het staat het hof echter in dit geval vrij om na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het hof is van oordeel dat in deze zaak kan worden volstaan met deze constatering nu de duur van het geding in hoger beroep met name het gevolg is geweest van schorsen van het onderzoek ter terechtzitting op verzoek van de verdediging. De zaak is voor de eerste maal voor regie aangebracht ter zitting van het hof van 4 juni 2018 in verband met de onderzoekswensen van de verdediging. Op 21 juni 2019 heeft in verband met nieuwe onderzoekswensen van de verdediging een tweede regiezitting plaatsgevonden, ondanks het feit dat de verdediging op de regiezitting van 4 juni 2018 al had aangegeven dat de toen gedane onderzoekswensen volledig waren. Nu de overschrijding van de redelijke termijn om die reden voor een groot deel voor rekening van de verdediging moet komen, volstaat het hof met de constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vorderingen tot schadevergoeding benadeelde partijen

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 6] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 453,40 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich tevens in het geding gevoegd [slachtoffer 7] en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 861,71 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade.

In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot de in eerste aanleg volledig toegewezen bedragen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Mocht het hof tot een bewezenverklaring komen van het onder vier tenlastegelegde dan refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof

voor wat betreft de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schade. Met betrekking tot de materiële schade heeft de raadsvrouw het hof verzocht om kritisch te kijken naar welke kosten voor toewijzing in aanmerking kunnen komen.

Immateriële schade

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezenverklaarde. De vorderingen ter zake van geleden immateriële schade lenen zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot de gevorderde bedragen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf 24 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Materiële schade

De delen van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] die betrekking hebben op de materiële schade zullen eveneens worden toegewezen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

In beginsel acht het hof de door de benadeelde partij [slachtoffer 7] opgevoerde kosten van het aanbrengen van een camera- en alarmsysteem na de brandstichting in zijn

woning niet toewijsbaar, aangezien de schade niet in voldoende rechtstreeks verband staat met het strafbare feit. Het is immers geen herstelschade, omdat de kosten worden gemaakt ter voorkoming van een nieuwe brandstichting en de gevolgen daarvan. Hetzelfde geldt voor de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] opgevoerde kosten van de overnachtingen in een hotel na een brandstichting. In dit geval neemt het hof echter in aanmerking dat het gaat om een reeks nachtelijke brandstichtingen in de woonplaats van de benadeelde

partijen en binnen de familie- en vriendenkring van een familielid van de benadeelde partijen. De kosten zijn voorts gemaakt in de periode dat de dader nog vrij rond liep en de brandstichtingen nog niet ten einde waren gekomen. De brandstichtingen gingen voorts gepaard met allerlei bedreigende en intimiderende sms-berichten aan dat familielid van de benadeelde partijen. Gelet op het feit dat voldoende is vast komen te staan dat de benadeelde partijen hierdoor zijn getraumatiseerd, is het hof van oordeel dat in dit geval bij uitstek het psychisch herstel van de benadeelde partijen is gediend met de plaatsing van het camera- en alarmsysteem en het verblijven in een hotelkamer na de dag dat de brand in hun eigen woning werd gesticht.

De vorderingen van de benadeelde partijen zullen derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf 24 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenvergoeding

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen gezamenlijk tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. Het hof zal voor de rechtsbijstandskosten aansluiting zoeken bij het in civiele zaken geldende liquidatietarief voor kantonzaken. Het hof gaat uit van 4 punten (2 punten voor het indienen van de schriftelijke verzoeken om schadevergoeding, 1 punt voor de mondelinge toelichting ter terechtzitting in eerste aanleg en 1 punt voor de mondelinge toelichting ter terechtzitting in hoger beroep, met een waarde per punt van € 300,00).

De kosten worden conform genoemd liquidatietarief begroot op € 1.200,00.

Voorts zal het hof de verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte tot bedragen van

€ 2.953,40 en € 3.361,71 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7].

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen overeenkomstig het bestreden vonnis zal worden beslist.

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen (te weten: een Huawei gsm telefoon, een Samsung computer, een Navigon navigatiesysteem en een Anker Intern agenda) vermeld op de ‘lijst van inbeslaggenomen voorwerpen’, zal het hof een last geven tot teruggave aan de verdachte die als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 157 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. stuk Huawei gsm telefoon

1. stuk Samsung computer

1. stuk Navigon navigatiesysteem

1. stuk Anker Intern agenda

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 6] ter zake van het onder

4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.953,40 (tweeduizend negenhonderddrieënvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 453,40 (vierhonderddrieënvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 6], ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.953,40 (tweeduizend negenhonderddrieënvijftig euro en veertig cent) bestaande uit € 453,40 (vierhonderddrieënvijftig euro en veertig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 mei 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 7] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.361,71 (drieduizend driehonderdeenenzestig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 861,71 (achthonderdeenenzestig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 7], ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.361,71 (drieduizend driehonderdeenenzestig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 861,71 (achthonderdeenenzestig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 mei 2016.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.200,00 (duizend tweehonderd euro).

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. T.J. Sleeswijk Visser, in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 november 2020.

De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

Bijlage I, inhoudende de bewijsmiddelen in de zaak met rolnummer 22-004160-17 tegen de verdachte, genaamd:

[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

tenzij anders vermeld wordt bij gebruik voor het bewijs van processen-verbaal gedoeld op processen-verbaal in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafvordering.

BEWIJSMIDDELEN

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1604280116.A (pagina 5 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS2804), inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij plaats delict, op donderdag 28 april 2016 te 01:10 uur:

Ik had alles afgesloten in mijn woning, gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis, en was naar bed gegaan. Dit was om ongeveer 01.00 uur. Ik lag nog maar net op bed toen ik hoorde dat het brandalarm geactiveerd werd door middel van een hard geluid. Dit brandalarm bevindt zich op het plafond van de gang op de begane grond. Ik liep naar beneden en ik zag dat het gordijn welke normaal voor mijn voordeur hangt op de grond lag en dat dit brandde. Ik zag ook een hevige rookontwikkeling in de gang. Ik zag de paraplu’s in de hoek van de gang naast de voordeur ook smeulen.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605100156.A (pagina 17 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS1005), inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Op 10 mei 2016 om even voor 02.00 uur lag ik in mijn bed toen ik werd opgeschrikt door gebons op de buitendeur.

Ik zie door de voorkamer een meisje over straat lopen en ik herken het Turkse buurmeisje. Door het raam hoorde ik het Turkse meisje zeggen dat mijn schuur in brand stond. Snel keek ik door het slaapkamerraam de tuin in en zag rook onder het dak van de schuur uit komen.

Ik zag dat de brand was ontstaan aan de achterzijde van de schuur onder het dak. Daar bevindt zich een antitochtstrip van schuimrubber dat kennelijk opzettelijk in brand was gestoken. Door de droogte hebben diverse dozen, waar kunststof auto-onderdelen in zaten, vlam gevat dat verder is gaan woekeren. Ik zag dat de TL bakken waren verbrand, inclusief alle verlengsnoeren, mijn tuingereedschap, handgereedschap en de rest wat er stond, waaronder een huishoudtrap en losse spullen.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A (pagina 288 van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier bijlage 1), inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1]:

Ik doe bij deze aangifte van stalking, bedreiging en vernieling. In de nacht van woensdag 27 april 2016 op donderdag 28 april 2016 ben ik in het café het Barbiertje in Hellevoetsluis geweest. In dit café waren tevens meerdere bekenden van mij aanwezig waaronder [slachtoffer 2]. Ik zal haar verder [slachtoffer 2] noemen. Het was warm en [slachtoffer 2] had een glas bier in haar decolleté gestopt. Ik heb wat slokjes van dat glas bier genomen.

Ik benoem dit omdat de stalking, bedreiging en vernieling hierna heeft plaats gevonden. Het lijkt er ook naar te verwijzen.

Op 28 april 2016 omstreeks 01:10 uur is er brand gesticht door iets brandbaars via mijn brievenbus naar binnen te gooien/spuiten. Ik heb aangifte hiervan gedaan met proces-verbaalnummer 2016138631.

Op 30 april 2016 kreeg ik, via de whatsapp een bericht van [slachtoffer 2]. Ze vroeg mij of ik iemand kende met het telefoonnummer 06-82761417. Ik kende niemand met dit nummer. Ze appte mij dat ze van dit nummer een sms had gehad met een bedreiging, namelijk: hey rooie als ik erachter kom dat jij ook maar iets met mijn [afkorting] begint of wilt zoek ik jou op en sloop alles wat jou lief is dus blijf uit zijn buurt en leven ik waarschuw niet meer [afkorting] is van mij en blijft van mij.

In dit bericht wordt gesproken over [afkorting]. Ik ben [afkorting], zo word ik genoemd. [slachtoffer 2] heeft rood haar.

Toen ik op 30 april 2016 thuis kwam, rond 21:00 uur, zag ik dat mijn huistelefoon knipperde. Dat betekent dat ik een gemiste oproep had. Ik had zag dat het telefoonnummer

06-82761417 omstreeks 19:21 uur had gebeld. Ik heb dat telefoonnummer nog gebeld maar kreeg een voicemailbericht te horen.

Op zondag 8 mei 2016 (...) werd ik weer gebeld op mijn mobiele telefoon. Nu keek ik eerst welk telefoonnummer mij belde. Dit was [nummer eindigend op 249]. Ik nam op maar zei nu zelf niets. Er werd verder ook niets gezegd door de andere partij en er werd opgehangen. Ik heb toen het geluid van mijn mobiele telefoon uitgezet. Tot mijn verbazing ging vervolgens mijn huistelefoon. Dit was omstreeks 01:24 uur.

Het geluid staat altijd uit maar de huistelefoon staat ook boven dus zag ik het dat er gebeld werd. Ik keek op het venster van de huistelefoon en zag dat hetzelfde telefoonnummer, namelijk [nummer eindigend op 249], belde. Ik nam niet op en toen stopte het bellen ook.

Omstreeks 01:30 uur belde het nummer [nummer eindigend op 249] weer naar mijn mobiele telefoonnummer maar het geluid stond uit en ik had me al omgedraaid dus zag dit pas de volgende ochtend.

Op dinsdag 10 mei, omstreeks 02:00 uur, (...) riep mijn buurmeisje dat mijn schuur in de brand stond.

Ik startte mijn pc op en pakte mijn mobiele telefoon en toen zag ik dat ik om 01:40 uur een sms-bericht had ontvangen van weer het mobiele telefoonnummer: [nummer eindigend op 249]. In dit bericht stond:

GELOOF MIJ JULLIE GAAN ER AAN ALS JIJ DIE ROOIE HOER NIET LOS LAAT

Ik zag tevens dat ik om 01:22 uur op mijn huistelefoon was gebeld door [nummer eindigend op 249].

De volgende dag heeft de politie onderzoek gedaan en hieruit bleek het te gaan om brandstichting. Ik heb aangifte hiervan gedaan onder proces-verbaal nummer 2016151929.

Op vrijdag 13 mei 2016, omstreeks 11:00 uur, ontving ik op mijn telefoon de volgende sms van [nummer eindigend op 249]:

IK KAN JOU VERZEKEREN DAT WE NOG NIET KLAAR ZIJN MET JOU. DUMP

DIE ROOIE HOER!

Op zaterdag 14 mei 2016 sms’te het nummer [nummer eindigend op 249] mij met de volgende tekst:

JIJ GELOOFT TOCH NIET DAT IK DAT ZELF DOET? DAAR HEB IK HULP BIJ GEHAD. ALS JE ECHT ZOU WETEN, WEET JIJ DAT IK DAAR ZELF TE KLEIN VOOR BEN. I’M WATCHING YOU!

Op zondag 15 mei 2016 omstreeks 11:39 uur ontving ik weer een sms van het telefoonnummer 06-83100249 met de tekst:

JIJ WEET WIE IK BEN, JIJ KENT ME BETER DAN DAT JIJ DENKT. FIJNE DAG SCHAT XXX

Op zondag 15 mei 2016 ben ik naar het café het Barbiertje geweest. [slachtoffer 2] was er ook samen met wat andere dames die ik kende. Er zijn foto’s gemaakt, ook van mij en [slachtoffer 2].

Ik heb deze foto’s op mijn Facebooksite geplaatst. Dat was op maandag 16 mei 2016.

Op maandag 16 mei 2016 omstreeks 18.15 uur ontving ik een sms bericht van het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] met de volgende tekst: IK KRIJG NET FOTO’S TE ZIEN EN GELOOF MIJ, IK MAAK JOU KAPOT! NET ZOALS JE MIJ PIJN DOET, HOE KAN JE MET MIJN GEVOELENS SPELEN?

Omstreeks 18.18 uur ontving ik van hetzelfde nummer een sms bericht met de tekst: NEXT STEP, NEXT LEVEL SCHAT! VERGETEN ZAL JE MIJ NOOIT XX

Omstreeks 18.28 uur ontving ik een sms-bericht van hetzelfde nummer met de tekst: IK BEN DICHTERBIJ DAN JE ZELF WEET DUS KIJK GOED OVER JOD SCHOODERSSCHATJE XX

Omstreeks 18.31 uur ontving ik weer een sms bericht met de volgende tekst: I CAN SEE TOU.

Op donderdag 19 mei 2016 was ik al vroeg in de ochtend wakker toen mijn overbuurman aanbelde. Hij vertelde mij dat iemand mijn auto met purschuim had bespoten. Ik ben gaan kijken en zag dat er purschuim uit de linkerbuitenspiegel bulkte. Door de druk hiervan was het glas gescheurd. Er hingen klodders purschuim op mijn linker voorportier. Er zat een klodder gespoten om de linker ruitenwisser en in de voor grill aan de linkerkant. Ik heb dus schade aan mijn auto. Mijn auto betreft een Volkswagen Golf, kleur groen en voorzien van het kenteken [kenteken].

Ik heb met mijn telefoon wat foto’s gemaakt van de schade. Op dat moment zie ik pas dat het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] op donderdag 19 mei 2016 omstreeks 02:28 uur mij had gebeld.

Op 24 mei 2016 omstreeks 03:10 uur ben ik gebeld door het telefoonnummer [nummer eindigend op 249]. Ik heb niet opgenomen.

Door alles wat er gebeurd is voel ik me bedreigd. Ik voel me niet prettig in mijn vel. Ik werd ook gefrustreerd en geïrriteerd door elke keer die sms-berichten en telefoontjes te moeten ontvangen.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer

1609061000.AMB (pagina 401 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806), inhoudende als proces-verbaal van bevindingen verklaring [slachtoffer 1]:

Ik hoorde [slachtoffer 1] verklaren dat zijn auto voor de deur stond en hij liep met ons mee naar zijn auto, een grijze Volkswagen voorzien van kenteken 03TBJR. Hij verklaarde tevens dat bij zijn model auto de uitlaat achter de achterbumper zat en dat het twee kleine stukjes waren, die niet te zien waren als men achter zijn auto stond. Hij verklaarde tevens van het incident van het spuiten van purschuim in zijn rechterbuitenspiegel, dat hij bij het aantreffen van de vernieling, ook restjes purschuim had gevonden aan de achterzijde van zijn auto. Hij wist niet of dit kwam omdat de dader had geprobeerd de uitlaat vol te spuiten of dat het "gewoon" gemorst purschuim was.

5.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer

PL1700-2016188333-4 (pagina 294 van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier bijlage 1), inhoudende als proces-verbaal ontvangst klacht van klager [slachtoffer 1]:

Op woensdag 8 juni 2016 heb ik, R.G.M. Buis, als hulpofficier van justitie een mondelinge klacht ontvangen ter zake van belaging. De klacht werd gedaan door [slachtoffer 1], wonende [adres 1] te Hellevoetsluis.

De klager verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. De klager verklaarde tegenover mij het volgende:

Vanaf 28 april 2016 tot en met heden (8 juni 2016) ben ik in de nachtelijke uren lastig gevallen middels het ontvangen van sms berichten en telefoontjes waarbij niks werd gezegd.

In die periode zijn er bij mij tevens twee brandstichtingen gepleegd en mijn auto is vernield. Deze incidenten sloten aan op de sms-berichten die ik had ontvangen. De sms-berichten waren tevens bedreigingen.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605241104.A (pagina 9 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405), inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 7]:

Hierbij doe ik aangifte van poging brandstichting aan mijn woning, gelegen aan het [adres 2] te Hellevoetsluis.

Op dinsdag 24 mei 2016 omstreeks 06:00 uur werd ik wakker. Om 08:00 uur ben ik naar beneden gegaan en heb toen het plankje achter de brievenbus weggehaald. Toen was mij nog niets opgevallen. Ik ben toen weer even naar boven gegaan en toen ik rond 09:00 uur beneden kwam zag ik dat het glas onder in de voordeur gesprongen was. Ik heb vervolgens de voordeur geopend. Ik zag dat er veel beschadigingen en brandschade aan de voordeur zat. Hierna zag ik dat er brandplekken op het houten plankje zaten.

Mijn vrouw [slachtoffer 6] en ik zagen dat de keukenramen beschadigd waren. Wij zagen dat er in het vaste raam diverse scheuren zaten en dat ook in de draaikantelraam diverse scheuren zaten. Verder zagen wij brandschade aan het raamkozijn van de keuken.

V: Hoe laat hebben jullie de voordeur voor het laatst in goede staat afgesloten?

A: [slachtoffer 6] heeft afgelopen zondagavond de voordeur in goede staat afgesloten. Zij heeft toen geen zichtbare schade aan de buitenzijde van onze voordeur gezien. Wij gebruiken de voordeur eigenlijk nooit omdat deze grenst aan een fietspad. Wij gebruiken altijd de achteringang.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605240915.AMB (pagina 8 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405), inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

0p dinsdag 24 mei 2016, omstreeks 09:15 uur, kregen wij, verbalisanten, de melding van het operationeel centrum Rotterdam om te gaan naar het [adres 2] te Hellevoetsluis.

Op dinsdag 24 mei 2016, omstreeks 09:18 uur kwamen wij ter plaatse. Wij spraken met een vrouw die later op ons verzoek op gaf te zijn:

[slachtoffer 6]

Geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]

Wonende aan [adres 2] te Hellevoetsluis

Wij hoorden dat [slachtoffer 6] ons het volgende verklaarde:

Wij zijn gisteravond 23 mei 2016 om ongeveer 00:00 uur naar bed gegaan. Omdat vorige week mijn ouders zijn overleden en mijn broer wordt bedreigd, zijn we extra alert. Mijn man heeft ongeveer 20 minuten naar buiten gekeken maar zag niks verdachts. Toen mijn man vanmorgen naar buiten ging zag hij dat er sporen van brand zaten op het deurkozijn en het raamkozijn aan de voorzijde van de woning. Mijn man heeft gisteravond weer de brievenbus dichtgemaakt door een plankje tegen de deur aan te schroeven. Hierdoor is er niets door de brievenbus naar binnen gegooid.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605011447-A (pagina 62 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]:

Ik doe hierbij aangifte van bedreiging en verklaar het volgende. Op zaterdag 30 april 2016 ontving ik om 14.47 uur een sms met de volgende tekst: “Hey rooie, als ik er achter kom dat jij ook maar iets met mijn [afkorting] begint of wilt zoek ik jou op en sloop alles wat jou lief is dus blijf uit zijn buurt en leven ik waarschuuw niet meer [afkorting] is van mij en blijft van mij”.

De sms lijkt wel voor mij te zijn bedoeld, vanwege de opmerking ‘rooie’, mijn haar is vrijwel altijd rood gekleurd.

De sms was afkomstig van telefoonnummer [nummer eindigend op 417] en deze ontving ik via mijn telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 2].

“[afkorting]” die in het bericht wordt genoemd ken ik, dit betreft [slachtoffer 1], hij woont in Hellevoetsluis, aan de [adres 1].

Ik ben met hem bevriend, maar heb geen relatie met hem. We kennen elkaar via muziekcafé ‘t Barbiertje’ te Hellevoetsluis.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606090925.A (pagina 422 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]:

Ik doe hierbij aangifte van bedreiging, artikel 285 Sr. en belaging, artikel 285b Sr. en verklaar het volgende:

Ik heb al eerder aangifte gedaan van bedreiging (BVH 2016147933). Ik wil deze aangifte van bedreiging uitbreiden met stalking/belaging.

In de periode van 30 april 2016 tot en met 24 mei 2016 heb ik vijf keer een dreig-sms’je ontvangen.

De telefoonnummer van de dreig-sms’jes zijn de volgende nummers: [nummer eindigend op 417] en [nummer eindigend op 249], dit weet ik omdat deze nummers zichtbaar waren in mijn telefoon.

Het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] heeft mij ook een aantal keren gebeld. Dit was op 24 mei 2016 om 03:11 uur, 19 mei 2016 om 02:28 uur, 13 mei 2016 om 11:00 uur, 10 mei 2016 om 01:40 uur en op 8 mei 2016 om 01:23 uur.

De combinatie van de dreig-sms’jes die naar mijn telefoon zijn verzonden en de dreig-sms’jes, die naar de telefoon van [afkorting] zijn verzonden en de brandstichtingen aan de woning van [afkorting] en aan mijn woning, geeft mij een heel angstig gevoel. Het hele gebeuren bij elkaar heeft een grote impact op mijn leven.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer PL1700-2016147933-6 (pagina 425 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als proces-verbaal ontvangst klacht van [slachtoffer 2]:

Op donderdag 9 juni 2016, heb ik, R.G.M. Buis, als hulpofficier van justitie van Eenheid Rotterdam te Hellevoetsluis een mondelinge klacht ontvangen ter zake van stalking/belaging.

De klacht werd gedaan door:

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] in Nederland.

Adres: [adres 3], Hellevoetsluis.

De klaagster verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.

De klaagster verklaarde tegenover mij het volgende:

Vanaf 28 april 2016 tot en met heden word ik, [slachtoffer 2] belaagd door dreig-sms’jes en is er brand bij mijn woning in de nachtelijke uren gesticht.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605280950.A (pagina 6 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL2805), inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 2]:

Ik doe aangifte van brandstichting aan mijn woning gelegen aan de [adres 3] te Hellevoetsluis, gepleegd op zaterdag 28 mei 2016 omstreeks 01:25 uur.

Op zaterdag 28 mei 2016 omstreeks 00:50 uur hoorde ik knallen.

Ik ben naar de voorzijde van de woning gelopen en wilde via de ramen naar buiten kijken. Doordat de gordijnen dicht waren kon ik niet naar buiten kijken en heb ik de deur van de gang open gedaan. Op het moment dat ik deze deur opende zag ik door het onderste raam van mijn voordeur vlammen. Ik zag dat deze vlammen buiten, ter hoogte van de voordeur waren.

[slachtoffer 3] heeft vervolgens de voordeur geopend. Ik (zag) hierdoor dat de deurmat in brand stond. Dit is een deurmat van rubber welke altijd voor de voordeur ligt.

Ik ben eigenlijk gelijk gaan schreeuwen dat er brand was en ik heb 112 gebeld. Door mijn geschreeuw zijn [slachtoffer 5] (naar het hof begrijpt: [slachtoffer 5]) en [slachtoffer 4] (naar het hof begrijpt: [slachtoffer 4]) naar beneden gekomen en zijn wij via de achterzijde van onze woning naar buiten gegaan.

Door de brand is er brandschade aan de voordeur van mijn woning ontstaan.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607270903.G41 (pagina 133 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS2804), inhoudende als verklaring van getuige [getuige 5]:

Weet jij wie voor de reeks brandstichtingen in Hellevoetsluis is aangehouden?

Niet 100 procent zeker, maar ik heb zelf de link kunnen leggen. Hij was bij mij thuis geweest en had verteld dat hij was gehoord als getuige in de zaak.

Wie is hij?

[verdachte].

Had hij het met u wel eens over conflicten met vrouwen?

Nou wel over die [slachtoffer 2]. Dat was de laatste vriendin die hij had. Zij was boos op hem. Ik weet niet waarom. Het was uit in ieder geval. Hij probeerde zich in bochten te wringen om het goed te maken. Hij vroeg mij zelfs om dingen op Facebook te laten plaatsen. Ik moest hem eigenlijk een beetje ophemelen. Dat vroeg hij.

Kun je vertellen wat volgens u de belangrijke Informatie is?

Wat ik kan vertellen is dat verhaal van het purschuim. Dat heeft hij me laten zien. Tenminste, die bus purschuim.

Hoe ging dat?

[de verdachte] vertelde dat hij boos was op een man die met [slachtoffer 2] had zitten flikflooien in die kroeg die u net noemde, het Barbiertje (naar het hof begrijpt: een café in Hellevoetsluis). Die naam van die kroeg heeft [de verdachte] tegen mij genoemd. Dat flikflooien was gebeurd op Koningsdag. Ik weet niet hoe die man heette, waarop hij boos was. [de verdachte] zei toen ook dat hij niet wist wie die man was, maar dat hij wel

wist waar hij woonde. Tegen mij zei hij dat het een onbekende man was.

Wat heeft [de verdachte] over het flikflooien gezegd?

[de verdachte] had mij verteld dat hij [slachtoffer 2] wel over haar rug mocht wrijven en dat ze dat toestond, maar dat [slachtoffer 2] geen aandacht voor [de verdachte] had vanwege die andere man. Daar was [de verdachte]

boos over.

Had hij dat al gedaan, met dat purschuim? Of ging hij dat nog doen?

Dat ging hij doen. Hij vertelde dat hij de uitlaat van die man wilde volpurren. Hij had een lange riet gemaakt, volgens mij van drinkrietjes. Er zat volgens mij grijs duct-tape omheen.

Hij heeft hem niet helemaal uitgerold, maat volgens mij was die riet wel twee meter ongeveer.

Weet je het merk purschuim?

Nee, het zat in een plastic tas, ik weet niet van welke winkel. Hij heeft de tas geopend en de bus pur en de riet aan me laten zien. De riet was los van de bus. Die kon hij er zo op schuiven. [de verdachte] zei: “Kijk dit heb ik gemaakt.” Hij vertelde dat hij de uitlaat van de auto van die man wilde volspuiten met purschuim. We hebben er zelfs nog over zitten geinen, hoe die man zou reageren als hij zou zien dat zijn auto helemaal was dichtgepurt.

Heeft hij verteld waar die man woonde?

Ja in Hellevoetsluis.

[de verdachte] heeft wel verteld om wat voor auto het ging. Het was een Volkswagen Golf.

Je zei dat [de verdachte] van plan was om heel de uitlaat vol te stuiten met purschuim. Is dat gelukt?

Hij zei zelf dat hij de uitlaat ging volspuiten. Toen hadden we het over de spiegel en ook nog over de wielkast. De handgrepen. Kwetsbare dingen waardoor je niet kunt rijden.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1604280930.FO (pagina 8 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS2804), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op donderdag 28 april 2016, werd door mij verbalisant, in en rond de woning aan de [adres 1] te Hellevoetsluis een brand oorzaak onderzoek uitgevoerd. Op donderdag 28 april 2016 omstreeks 01:00 uur werd de bewoner gealarmeerd door het alarm van een brandmelder in de toegangshal op de begane grond.

FOTO’S

Aan de binnenzijde van de voordeur zag ik dat de in de brievenbus aanwezige kunststof tochtborstel was verbrand/gesmolten. Ik zag verbrande resten van een gordijn en vitrage op de grond liggen. Ik zag dat er twee paraplu’s welke in de hoek tegen de meterkast stonden waren verbrand. Ik zag dat een elektriciteitskabel in dezelfde hoek beschadigd was. Ik zag namelijk dat de isolatie verbrand en gesmolten was.

De binnenzijde van de voordeur was voornamelijk aan de onderzijde aangetast door de inwerking van hitte en vuur. Ik zag dat het kunststof van de deur hier gebrand had en beroet was. Ik zag dat de houten betimmering rondom de voordeur en de houten binnendeur van de meterkast waren aangetast door het vuur.

Op de vloer aan de binnenzijde van de voordeur, tussen de matten werd door mij met de Mini Rae een indicatie verkregen op de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof. Door mij werden repen vloerbedekking en gruis van de cementvloer in een brandpot veiliggesteld. De brandpot werd met een anti-fraude sticker verzegeld met het unieke nummer AA 59309 en voorzien van SIN AAJV6320NL.

NEDERLANDS FORENSISCH INSTITUUT

Het brandmonster met SIN AAJV6320NL werd op 3 mei 2016, gezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

CONCLUSIES

Bij de woning gelegen aan de [adres 1] te Hellevoetsluis is opzettelijk brand gesticht. Door de brievenbus werd vermoedelijk een ontbrandbare vloeistof de woning ingebracht en tot ontbranding gebracht. Door deze brandstichting is er gemeen gevaar voor personen en goederen ontstaan. De brand werd gesticht in de nachtelijke uren. Als deze brand door de

bewoner niet tijdig ontdekt en geblust was, had deze zich kunnen uitbreiden in opstal en inboedel van de woning. De vluchtroute, de trap en de voordeur, zouden door hitte en giftige rookgassen onbereikbaar zijn geworden.

Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 25 mei 2016, nummer 1605250903.NFI, opgemaakt door J.N. Hendrikse (pagina 39 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS28O4):

Conclusie

In het monster met SIN AAJV6320NL zijn vluchtige stoffen aangetoond:

Een deel van de aangetoonde vluchtige stoffen is afkomstig van een alcoholhoudend product; de aangetoonde samenstelling wijst op gedenatureerde ethanol.

NB. Gedenatureerde ethanol wordt als zodanig verkocht, bijvoorbeeld als bio-ethanol en brandspiritus, en wordt toegepast in bepaalde producten waaronder sommige brandgels en —pasta’s.

Een ander deel van de aangetoonde vluchtige stoffen - dat op relatief lager concentratieniveau is aangetoond - is afkomstig van een paraffinisch-isoparaffinisch product.

NB. De aangetoonde samenstelling wordt als zodanig verkocht, bijvoorbeeld als lampolie.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605101300.FO (pagina 3 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS1005), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op dinsdag 10 mei 2016 werd ons verzocht te gaan naar de [adres 1] in Hellevoetsluis. Hier had 's nachts brand gewoed in de schuur van pand 5.

FOTO’S

Foto 7

De schade door vuur en hitte bestond uit een gedeeltelijk aangetaste werkbank, materiaal dat op die plaats op die werkbank gelegen had, een deel van een legplank boven die werkbank en een houten regel op de bovenzijde van de achterste schuurmuur.

CONCLUSIES

Op grond van het door ons ingestelde onderzoek, concluderen wij;

• Dat de brand die op dinsdag 10 mei 2016 gewoed had in de schuur van pand 5 aan de [adres 1] in Hellevoetsluis beperkt was gebleven in omvang. (aantreffen van een brand in de schuur van pand 5 die beperkt was gebleven tot een boek van de schuur).

• Dat de brand waarschijnlijk was ontstaan als gevolg van stichten van brand en niet het gevolg was van een storing of verkeerd gebruik van een technische installatie. (Het ontbreken van een technische installatie op de plaats van ontstaan van de brand).

• Dat door de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was. (aantreffen van rook- en roetschade aan de schuur van pand 3 aan de Asmusstraat).

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605241050.FO (pagina 14 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Datum: Dinsdag 24 mei 2016, om 10.50 uur.

Betreffende: Ingesteld forensisch brandoorzaak onderzoek in
verband met een brandstichting in/aan een
woning.

Locatie: In en rond een woning, zijnde perceel [adres 2] te Hellevoetsluis.

Daar waar in dit proces-verbaal wordt vermeld dat sporen/sporendragers zijn veiliggesteld, wordt tevens bedoeld dat deze in beslag zijn genomen. De sporen/sporendragers zijn met de daarvoor bestemde (hulp)middelen en volgens de geldende richtlijnen veiliggesteld en gewaarmerkt en zijn ingevoerd in het bedrijfsprocessensysteem van de politie Eenheid Rotterdam. Op het moment van veiligstellen wordt aan deze sporen en sporendragers een S(poor) I(dentificatie) N(ummer) toegekend. In dit proces-verbaal en bij alle vervolgonderzoeken kan bij het noemen van het spoor/sporendrager naar dit unieke SIN nummer worden verwezen.

NEDERLANDS FORENSISCH INSTITUUT

De sporen AAJA7025NL tot en met AAJA7031NL zijn op woensdag 25 mei 2016 overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

CONCLUSIES

Op grond van de ingestelde forensische onderzoeken, concluderen wij:

• Er is met een ontbrandbare vloeistof tegen de gevelelementen en in de brievenbus aan de voorzijde van de woning gespoten c.q. gesprenkeld en tot ontbranding gebracht. (Op de voordeur, ramen en kozijnen waren druipsporen te zien die zwart beroet waren. In de gleuf van de brievenbus was een gelachtige vloeistof zichtbaar. Uit onderzoek van het NFI bleek dat dit brandgel of brandpasta betrof)

• Door de brand is gemeen gevaar voor goederen ontstaan.

(door de inwerking van de hitte van het vuur waren ramen gebarsten en de verf van de kozijnen in lichte mate verbrand.)

• Waarschijnlijk is doordat de brievenbus was afgedicht met het houten plankje, voortzetting van de brand voorkomen.

(De brand is gedoofd omdat de brandgel/brandpasta kennelijk was opgebrand en te weinig energie heeft gehad om het hout van de gevelelementen te doen ontbranden. Was de brandgel of brandpasta door de brievenbus de hal van de woning ingebracht en tot ontbranding gebracht, was er mogelijk meer brandbaar materiaal aanwezig in de vorm van onder andere een mat, houten vloeren houten binnendeuren, waardoor de brand zich mogelijk wel door had kunnen ontwikkelen in de woning.)

• Indien de brand zich door zou kunnen ontwikkelen in de woning, was er gemeen gevaar voor personen te duchten geweest.

(De bewoners waren tijdens het ontstaan van de brand thuis en lagen waarschijnlijk te slapen).

Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 mei 2016, zaaknummer 2016.05.25.097, opgemaakt door J.N. Hendrikse (pagina 50 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405):

De conclusie van het uitgevoerde onderzoek is samengevat in tabel 2.

Tabel 2 Conclusie onderzoek

SIN Conclusie

AAJA7031NL In het monster met gaasje zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een alcoholhoudend product (met ethanol en 2-propanol als hoofdcomponenten). Het gaasje bevat groen en bruin materiaal dat hoofdzakelijk

uit een gemodificeerde cellulose bestaat. De aangetoonde combinatie en samenstelling van cellulose en het alcoholhoudend product wijst op een restant brandgel of -pasta.

AAJA7029NL In het monster met grond zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een alcoholhoudend product (met ethanol en 2-propanol als hoofdcomponenten); de aangetoonde samenstelling komt voor in sommige

brandspiritus, bio-ethanol, en brandgel en - pasta producten.

AAJA7027NL In het monster met gaasje zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een alcoholhoudend product (met ethanol en 2-propanol als hoofdcomponenten); de aangetoonde samenstelling komt voor in sommige

brandspiritus, bio-ethanol, en brandgel en -pasta producten.

AAJA7026NL In het monster met grond zijn vluchtige stoffen aangetoond die afkomstig zijn van een alcoholhoudend product (met ethanol en 2-propanol als hoofdcomponenten); de aangetoonde samenstelling komt voor in sommige brandspiritus, bio-ethanol, en brandgel en -pasta producten.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605280900.FO (pagina 29 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL2805), inhoudende als relaas van de verbalisant:

AANVANG ONDERZOEK

Op zaterdag 28 mei 2016, omstreeks 01.27 uur, werd er brand ontdekt nabij de voordeur van de woning aan de [adres 3] te Hellevoetsluis. Door één van de bewoners werd deze brand geblust waardoor de schade beperkt is gebleven tot een beschadigde voordeur en een deels verbrande buiten-deurmat.

FOTO’S

Foto 8

Opname van het bordes voor de voordeur van de woning [adres 3]. Dit bordes was gemaakt van keramische tegeltjes van 5x5 centimeter. Op deze tegeltjes zagen wij roetafzetting. Aan de onderzijde van de kunststof voordeur zagen wij schade als gevolg van de inwerking van vuur en hitte. Wij hebben geen technische oorzaak aangetroffen die het ontstaan van brand zou kunnen verklaren. Het onderste vierkante ruitje van deze voordeur was als gevolg van de inwerking van hitte gebarsten. Daar de voordeur van kunststof was gemaakt was er brandbaar materiaal aanwezig waardoor deze brand zich verder had kunnen

ontwikkelen tot een grotere brand.

GOEDEREN- c.q. SPORENKAART

Tijdens ons onderzoek hebben wij de volgende bemonsteringen en goederen voor nader onderzoek veiliggesteld en met SIN gewaarmerkt:

NEDERLANDS FORENSISCH INSTITUUT

Alle bovenstaande sporen zijn op 30 mei 2016 overgedragen aan het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

CONCLUSIES

Op grond van de ingestelde onderzoeken concluderen wij als volgt:

Deze brand is ontstaan ais gevolg van opzettelijke brandstichting waarbij zeer waarschijnlijk gebruik is gemaakt van een ontbrandbare vloeistof.

- Er werd geen technische oorzaak aangetroffen;

- Er werd indicatie verkregen van de aanwezigheid van restanten van ontbrandbare vloeistoffen.

Door deze brand is er gevaar te duchten geweest voor goederen en personen.

- Deze brand is gesticht in de voor nachtrust bestemde tijd;

- Er was brandbaar materiaal aanwezig waardoor deze brand zich bij latere ontdekking had kunnen ontwikkelen tot een grotere brand;

- In de woning waren mensen aanwezig;

- In de belendende woningen waren mensen aanwezig.

Een deskundigenverslag van het Nederlands Forensisch Instituut van 27 oktober 2016, zaaknummer 2016.06.02.096, opgemaakt door J.N. Hendrikse (pagina 104 van de doorgenummerde bij lagen van zaaksdossier MOSSEL2805):

Te onderzoeken materiaal:

Conclusie

Op de wattenstaafbemonstering [AAJV6532NL] en [AAJV6533NL] zijn resten van een transparant gelige brandgel of -pasta aangetoond.

Op de wattenstaafbemonstering [AAJV6531NL] zijn geen resten van een brandgel of pasta aangetoond.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB (pagina 123 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS1005), inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Het opsporingsonderzoek RT5R016028 Grutto richt zich op de brand(stichting) aan de [adres 1] te Hellevoetsluis op 28 april 2016, aan de [adres 1] te Hellevoetsluis op

10 mei 2015, aan het [adres 2] te Hellevoetsluis op 24 mei 2016, aan de [adres 3] te Hellevoetsluis op 28 mei 2016, bedreiging en belaging. De [adres 1] betreft het

adres van een van de zoons van het omgekomen echtpaar van de [adres 5], namelijk [slachtoffer 1]. Het [adres 2] betreft het adres van een van de dochters van het omgekomen echtpaar, namelijk [slachtoffer 6]. [adres 3] betreft het adres van een vriendin van [slachtoffer 1], namelijk [slachtoffer 2].

Binnen het opsporingsonderzoek werd, op woensdag 1 juni 2016, aangemerkt als verdachte en aangehouden: [de verdachte], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], verblijvende [adres].

Binnen het opsporingsonderzoek werd onderzoek verricht naar een tweetal telefoons waarmee bedreigingen werden geuit jegens aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], namelijk [nummer eindigend op 417] en [nummer eindigend op 249].

In de bijlage die wordt gevoegd bij dit proces-verbaal van bevindingen wordt een overzicht gegeven van de bevindingen uit het onderzoek naar de voornoemde telefoons, gekoppeld aan overig voornoemd onderzoek. Deze bevindingen werden zoveel mogelijk chronologisch weergegeven over de periode van 27 april 2016 tot en met 01 juni 2016.

Een proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1812131726.AMB d.d. 13 december 2018, inhoudende beantwoording vragen aan ARS:

Binnen het onderzoek Grutto zijn meerdere malen gegevens gevorderd van het bedrijf ARS Traffic & Transport Technology B.V. Op verzoek van het gerechtshof Den Haag heb ik aan het bedrijf ARS een vragenlijst overgedragen. Ik heb daartoe contact gehad met dhr. W. Blom, financieel directeur van ARS.

In dit specifieke maar uitzonderlijke geval zijn er in eerste instantie helaas onjuiste gegevens geleverd als

gevolg van onjuiste configuratiegegevens en zijn later correcte resultaten geleverd. De laatst geleverde

resultaten zijn de correcte.

23. Op pagina 1439 van het hoofddossier wordt geverbaliseerd dat de richting van beide ARS-punten was omgedraaid. Op 1 augustus 2016 zijn toen door ARS gerectificeerde gegevens verstrekt. Hoe kan het dat de GPS coördinaten van ARS-punten a en b (PZH_102) dan andere GPS-coördinaten toegewezen krijgen na rectificatie en sterker nog, dezelfde coördinaten, terwijl ze op een andere positie opgesteld staan? Zijn de ARS-punten in de opgevraagde periode verplaatst? Welke GPS coördinaten moeten nu worden gehanteerd?

De bevraging op zich is uiterst nauwkeurig, maar de resultaten zijn uiteraard afhankelijk van de kwaliteit van de data die in de database wordt ingelezen, de uitgevoerde query en van de configuratiegegevens (zoals de posities en kijkrichtingen van de camera’s).

In dit specifieke maar uitzonderlijke geval zijn er in eerste instantie helaas onjuiste gegevens geleverd als gevolg van onjuiste configuratiegegevens en zijn later correcte resultaten geleverd. De laatst geleverde resultaten zijn de correcte. Menselijke of configuratiefout op het centrale systeem. Dit is hersteld waarna de gecorrigeerde gegevens door ARS zijn geleverd.

24. Na later onderzoek zou de rijrichting niet kloppen van diezelfde ARS punten. Op 1 augustus 2016 is toen door ARS een rectificatie verstrekt ten aanzien van de rijrichting. Vanaf wanneer geldt dan die wijziging? Geldt die gerectificeerde rijrichting voor alle gegevens verstrekt vanaf maart 2016?

De opgestelde apparatuur is niet aangepast of verplaatst. Ook de brondata is niet aangepast. Er is enkel sprake van een correctie van de administratieve verwerking van de geregistreerde brondata. Dit geldt voor alle data.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609021237.AMB (pagina 73 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806), inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Historische verkeersgegevens “dreigtelefoon” [nummer eindigend op 417]; 1606051203.AMB)

30 april 2016 - 14:08:51 tot 14:10:52 uur -

De telefoon wordt kennelijk in gebruik genomen.

  • -

    30 april 2016 - 14:46:58 en 14:47:01 uur - Er worden twee sms-berichten verzonden naar het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 2] van [slachtoffer 2].

  • -

    30 april 2016 - 15:34:14 uur - Er is een inkomende oproep van 27 seconden van het telefoonnummer [thuisnummer slachtoffer 2] , het thuisnummer [slachtoffer 2].

  • -

    30 april 2016 - 15:42:24 en 15:42:25 uur - Er worden twee sms-berichten ontvangen van het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 2] van [slachtoffer 2].

  • -

    Hierna wordt de telefoon niet meer gebruikt in het Nederlandse mobiele telefoonnetwerk tot 3 mei 2016. Een inkomende oproep van [slachtoffer 1] op 30 april 2016 om 16:43:43 wordt doorgeschakeld naar voicemail.

De Cell-ID waarmee de telefoon op alle bovengenoemde momenten in verbinding staat is KPN-GSM-52220 [zendmast 1], Spijkenisse). In het overzicht van de historische verkeersgegevens van [nummer eindigend op 417] zijn twee gesprekken niet meegenomen, die op een overzicht van [huisnummer slachtoffer 1] (Huisnummer [slachtoffer 1]) wel zijn meegenomen. Het gaat hierbij om twee contacten, om 19:00 uur en 19:21 uur op 30 april 2016, waarbij [nummer eindigend op 417] naar de huislijn van [slachtoffer 1] belt.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606241055.AMB (pagina 57 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL2805), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Binnen het opsporingsonderzoek RT5R016028 Grutto is besloten de telecommunicatie van een aantal telefoonnummers op te nemen, uit te luisteren en vast te leggen. Het betreft onder andere de volgende telefoonnummers:

[nummer eindigend op 249]; dit telefoonnummer wordt gebruikt door de bedreiger.

[nummer slachtoffer 1], dit telefoonnummer wordt gebruikt door [slachtoffer 1].

[nummer slachtoffer 2], dit telefoonnummer wordt gebruikt door [slachtoffer 2].

Op 24 mei 2016 gebeurde het volgende:

24/05/20 16 02:59.20 uur

Vanaf [nummer eindigend op 249] wordt een sms verstuurd naar [telefoonnummer slachtoffer 1] met als inhoud: JAMMER DAT JE ZUS ALLES HEEFT DICHT GEMAAKT. WIE ZULLEN WE NU EENS NEMEN? DIE ROOIE HOER MET HAAR KINDEREN OF DIE GEBLONDEERDE HOER UIT SPIJKENISSE OF EEN BROER

24/05/2016 03:03.21 uur

Vanaf [nummer eindigend op 249] wordt een sms verstuurd naar [telefoonnummer van slachtoffer 2] met als inhoud: HOI HOER JIJ BENT DE VOLGENDE! VERBREEK MET [slachtoffer 1] OF WE PAKKEN JOU EN JE KINDEREN!

De bovenstaande sms-berichten zijn verzonden vanaf het telefoonnummer [nummer eindigend op 249]. De vastgelegde telecommunicatie vanaf de telefoonnummers [telefoonnummer slachtoffer 1] en [telefoonnummer slachtoffer 2] is vervolgens bekeken, echter zijn de sms-berichten niet aangekomen bij deze telefoonnummers.

24/05/2016 03:05.30 uur. Er wordt vanaf [nummer eindigend op 249] gebeld naar het telefoonnummer 1244. Het telefoonnummer 1244 is een servicenummer van de provider Lebara. Het beltegoed blijkt opgevraagd te worden. Het beltegoed van het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] was 17 centen.

24/05/2016 03:11.16 uur. Er wordt vanaf [nummer eindigend op 249] gebeld naar het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 2]. Dit duurt tot 03:11.34 uur. Binnen de 18 seconden gaat de telefoon 3 maal over.

Daarna wordt de verbinding verbroken.

24/05/2016 03:48 uur.

Er wordt gebeld vanaf [nummer eindigend op 249] naar het telefoonnummer [telefoonnummer slachtoffer 1]. Dit duurt tot 03:11.59 uur. Binnen de 11 seconden gaat de telefoon 2 maal over. Daarna wordt de verbinding verbroken.

De hierboven genoemde telefoontjes naar de telefoonnummer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn wel te zien binnen de vastgelegde telecommunicatie.

Er was dus wel communicatie mogelijk met de telefoonnummers van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hieruit blijkt dat het kennelijk niet mogelijk was voor de gebruiker van het telefoonnummer

[nummer eindigend op 249] om sms-berichten te verzenden.

Een sms-bericht wordt verzonden naar een sms-centrale. Daar wordt het bericht opgeslagen en gepoogd te versturen naar de ontvangende partij. Het zou kunnen dat een sms-bericht niet bij de ontvangende partij terecht komt. Een oorzaak hiervan zou bijvoorbeeld te weinig beltegoed kunnen zien. In dit geval zou je de verzonden sms-berichten wel kunnen zien bij het telefoonnummer welke het sms-bericht verstuurt maar niet bij het telefoonnummer die het sms-berichten zou moeten ontvangen.

Het beltegoed van het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] bleek 17 cent te zijn. Volgens de internetsite van Lebara is het standaard tarief voor een sms-bericht 21 cent. Dit geldt als je een sms-bericht verzendt naar een gebruiker van een andere provider.

Het telefoonnummer van [slachtoffer 1] hoort bij de provider KPN. Het telefoonnummer van [slachtoffer 2] hoort bij de provider Vodafone.

De reden dat de sms-berichten niet verzonden zijn vanaf de sms-centrale naar de telefoonnummers van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is dus zeer waarschijnlijk omdat het beltegoed te laag was.

Er is contact gelegd met de provider Lebara en gevraagd of het tarief van 21 cent in de laatste maanden nog veranderd is. Dit is niet het geval. Dit tarief zou dus ook al gelden voor de maand mei in 2016.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605231522.AMB (pagina 798 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op vrijdag 20 mei 2016 werd onder leiding van officier van justitie mw. mr. N. Rose een opsporingsonderzoek gestart onder de naam RT5R016028 Grutto.

De historische verkeersgegevens werden gevorderd en verstrekt van het telefoonnummer [nummer eindigend op 417] en telefoonnummer [nummer eindigend op 249] over de periode 20/12/2016 - 20/05/2016.

Ik zag dat het telefoonnummer [nummer eindigend op 417] tijdens de opgevraagde periode in het Nederlandse mobiele telefoonnetwerk enkel werd gebruikt op 30 april 2016 en op 3 mei 2016, in combinatie met een telefoon met [IMEI-nummer]. Dit IMEI-nummer hoort bij een mobiele telefoon van het merk Samsung, type GT-E1200i.

Ik zag dat het telefoonnummer [nummer eindigend op 249] tijdens de opgevraagde periode enkel werd gebruikt tussen 9 mei 2016 en 19 mei 2016, in combinatie met een telefoon met [IMEI-nummer]. Dit IMEI-nummer hoort bij een mobiele telefoon van het merk Alcatel, type Onetouch 1016D.

De Alcatel Onetouch 1016D betreft een zogenaamde Dual SIM telefoon. Dat wil zeggen dat in het toestel ruimte is voor twee simkaarten. De telefoon beschikt derhalve ook over twee verschillende IMEI-nummers, SIMI en SIM2.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605300900.AMB (pagina 919 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Uit onderzoek is gebleken is dat de Alcatel One Touch, voorzien van het [IMEI-nummer], welke gebruikt is voor de bedreigingen met telefoonnummer [nummer eindigend op 249] onder andere wordt verkocht door de Media Markt en de Kijkshop.

Naar aanleiding van bovengenoemde gegevens heb ik een onderzoek ingesteld of er filialen van de Mediamarkt of de Kijkshop in Hellevoetsluis gevestigd zijn.

Uit dit onderzoek is gebleken dat er op de Struijtse Hoeck 57 te Hellevoetsluis een filiaal van de Kijkshop gevestigd is. Van de mediamarkt zijn geen filialen in Hellevoetsluis gevestigd.

Op vrijdag 27 mei 2016 heb ik telefonisch contact opgenomen met het hoofdkantoor van de Kijkshop en sprak ik met een medewerker van de afdeling Interne Controle.

Daarna gevraagd verklaarde de medewerker dat hij in hun bedrijfssysteem tot een jaar terug kon zien welke goederen er in hun filialen verkocht waren en hoe deze goederen afgerekend waren. Hierna heb ik aan deze medewerker, in het belang van het onderzoek middels mondelinge vordering, gevraagd de volgende historische gegevens aan mij te verstrekken, te weten:

-Beschikbare gegevens die betrekking hebben tot de aankoop van het telefoontoestel met het [IMEI-nummer], namelijk filiaal, dag en tijdstip van aankoop.

-Beschikbare betalingsgegevens die betrekking hebben op de aankoop van het telefoontoestel met het [IMEI-nummer].

-Beschikbare gegevens met de betrekking tot de verkoop van andere goederen aan dezelfde klant rondom de aankoop van het telefoontoestel met het [IMEI-nummer].

Op 27 mei 2016 om 09:00 uur werd door de medewerker Interne controle middels email een aankoop bon met daarop de volgende gegevens aan mij verstrekt.

  • -

    Kijkshop Hellevoetsluis, Struijtse Hoeck 57 3224 HA Hellevoetsluis.

  • -

    bon 8896.

  • -

    datum 02-052016

  • -

    tijdstip 15:03

  • -

    filiaal 1065/03

  • -

    omschrijving: 157132 Prepaid Lebara Alcatel 01 1016 Duo WT [IMEI-nummer].

  • -

    prijs 9,99

  • -

    kontant 10,-

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607111251.AMB (pagina 930 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op vrijdag 20 mei 2016 werd onder leiding van officier van justitie mw. mr. N. Rose een opsporingsonderzoek gestart onder de naam RT5R016028 Grutto.

Uit onderzoek naar historische verkeersgegevens bleek dat de telefonische bedreigingen aan het adres van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden verricht met twee mobiele telefoons. Een van deze telefoons is de Alcatel One Touch 1016D, [IMEI-nummer], in combinatie met een simkaart met bijbehorend telefoonnummer [nummer eindigend op 249] (LEBARA).

Deze telefoon is op maandag 2 mei 2016, om 15:03 uur, voor € 10,- gekocht bij Kijkshop, Struijtse Hoeck 57 Hellevoetsluis. Er werd contant betaald. De omschrijving op de verkoopbon van Kijkshop was ‘Prepaid Lebara Alcatel 0T 1016 Duo WT [IMEI-nummer].

Op woensdag 6 juli 2016 omstreeks 13.30 uur zijn verbalisanten J.S. Bodegom en R. Peek in de winkel de Kijkshop in Hellevoetsluis geweest om de precieze aankooptijd van de bovenstaande telefoon vast te stellen. Filiaalmanager mevr. J. van Triet heeft laten zien dat de tijd op de kassa van de Kijkshop op dat moment het tijdstip 13.46 uur aan gaf (zie bijgevoegde foto). Op dat zelfde moment heb ik, verbalisant J.S. Bodegom, op mijn telefoon op internet de atoomtijd gekeken. De atoomtijd bleek op dat moment 13.35 uur aan te geven.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de kassa van de Kijkshop elf (l1) minuten voor de atoomtijd liep. Hetgeen werd bevestigd door de filiaalmanager, mevr. J. van Triet. Ik hoorde haar zeggen dat het kassasysteem vanaf het begin, een aantal jaren geleden, een paar minuten voor liep en dat dit inmiddels was opgelopen tot tien/elf minuten. Tevens hoorde ik haar zeggen dat de tijd die de kassa aangeeft, dezelfde tijd is die op de kassabon wordt geprint.

De aankoop van de bovenstaande Alcatel telefoon is dus niet aangeschaft om 15.03 uur, maar elf minuten eerder, te weten 14.52 uur op maandag 2 mei 2016.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606141343.AMB (pagina 1049 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op verzoek van B. Schrijver, werkzaam bij het team TGO Grutto van de politie, stelde ik een nader onderzoek in aan het hieronder genoemde goed.

PV-nummer Goednummer Soort SVO

l606071348.OIG B.02.04.01 Tablet

Merk Type Eigendom van

Samsung T211 [de verdachte]

Door mij werd met de hiervoor beschikbare hard- en software gezocht naar (verwijderde) internethistorie.

Hierbij werd middels geautomatiseerde software (verwijderde) internethistorie aangetroffen en inzichtelijk gemaakt. Deze internethistorie werd vervolgens door mij veiliggesteld op een

externe harddisk van het onderzoeksteam in een folder met de benaming “B.02.04.01 Tablet [de verdachte] Internethistorie”.

Tevens werd door mij gezocht in de veiliggestelde data gezocht op het woord “Kijkshop”.

Hierbij werd door mij het volgende aangetroffen:

Ambtshalve werd dit door mij herkend als (een deel van) internethistorie, waarbij vermoedelijk door de gebruiker van het onderzochte apparaat middels de internet

zoekmachine “Google” is gezocht op “Kijkshop” en waarbij de vervolgresultaten verwijzen naar Spijkenisse (Nieuwstraat) en Hellevoetsluis.

Ik zag hierbij een unix tijdsnotering vermeld staan (001462183598126). Vertaald naar 'leesbare' tijd betekent dit: maandag 02 mei 2016 10:06:38 GMT.

Voor Nederland dient daar in zomertijd twee uur bij geteld te worden en resulteert in: maandag 02 mei 2016 12:06:38.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606041035.AMB (pagina 952 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op woensdag 1 juni 2016 werd bij de doorzoeking van de woning [adres verdachte] een tablet van het merk Samsung type Galaxy tab in beslag genomen.

Deze tablet is door een collega van de afdeling digitale opsporing uitgelezen en de inhoud van de tablet werd aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld voor nader onderzoek.

Op zaterdag 4 juni 2016 omstreeks 10:30 uur werd door mij, verbalisant, een onderzoek ingesteld naar de webhistory van de genoemde tablet.

Hierbij zag ik dat op 14 mei 2016 om 09:36 uur UTC (dit is 11:36 uur in Nederland) middels de internet zoekmachine Google is gezocht met de zoekterm “i will watch you”

De eerstvolgende zoekvraag om 09:37 uur UTC op deze tablet betreft afbeeldingen, hetgeen hoogstwaarschijnlijk inhoudt dat er op de zoekvraag “i will watch you” op afbeeldingen gezocht is.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606151049.AMB (pagina 303 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Inhoud proces-verbaal

Op 16-05-2016 omstreeks 18:15:40 uur krijgt [slachtoffer 1] een sms van [nummer eindigend op 249] (dreigtelefoon), met de tekst: “IK KRIJG NET FOTO’S TE ZIEN EN GELOOF MIJ, IK MAAK JOU KAPOT! NET ZOALS JIJ MIJ PIJN DOET. HOE KAN JIJ MET MIJN GEVOELENS SPELEN?”. De zendmast waar de dreigtelefoon op dat moment contact mee maakt, staat aan de [adres zendmast 3] te Hellevoetsluis.

Uit de sms is op te maken dat de dreiger foto’s heeft gezien waar hij/zij niet blij mee is. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de avond van 15-05-2016 in het Barbiertje is geweest met: [slachtoffer 2], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (de vriend van [betrokkene 2]; zie proces-verbaal 1605211030.G03). Van deze avond heeft [slachtoffer 1] op 16-05-2016 omstreeks 11:00 uur foto’s op Facebook gezet. [slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat [betrokkene 2] en [slachtoffer 2] de foto’s al eerder die ochtend op Facebook hadden gezet.

Voor het huidige proces-verbaal zijn de Facebookpagina’s van [betrokkene 2] en [slachtoffer 2] bekeken, om vast te stellen hoe laat zij op 16-05-2016 foto’s van de avond

daarvoor op Facebook hebben gezet. Verder is gekeken naar de tijden waarop [de verdachte] foto’s op zijn telefoon en tablet heeft opgeslagen (Zie proces-verbaal 1606080900.AMB).

In onderstaande tabel zijn de foto’s weergegeven die [slachtoffer 2] op haar Facebookpagina heeft gezet in de ochtend van 16-05-2016.

Foto 1 16-05-2016 10:13 uur

Foto 2 16-05-2016 10:20 uur

Foto 3 16-05-2016 10:30 uur

foto 4 16-05-2016 10:30 uur

foto 5 16-05-2016 10:30 uur

foto 6 16-05-2016 10:30 uur

Foto 7 16-05-2016 10:30 uur

Foto 8 16-05-2016 10:45 uur

In onderstaande tabel zijn de foto’s, in combinatie met de tijden te zien, waarop [de verdachte] deze heeft opgeslagen op zijn tablet en telefoon.

foto 8 16-05-2016 10:46:01 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 7 16-05-2016 10:58:00 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 6 16-05-2016 10:58:01 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 4 16-05-2016 10:58:01 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 5 16-05-2016 10:58:02 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 3 16-05-2016 10:58:03 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 2 16-05-2016 10:58:03 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 1 16-05-2016 10:58:04 uur (Samsung tablet [de verdachte] )

Foto 4 16-05-2016 12:18 uur (Huawei telefoon [de verdachte] )

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606041350.AMB (pagina 71 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op woensdag 1 juni 2016 werd bij de doorzoeking van de woning [adres woning verdachte] een tablet van het merk Samsung type Galaxy tab in beslag genomen.

Deze tablet is door een collega van de afdeling digitale opsporing uitgelezen en de inhoud van de tablet werd aan het onderzoeksteam ter beschikking gesteld voor nader onderzoek.

Op zaterdag 4 juni 2016 omstreeks 14:05 uur werd door mij, verbalisant, een onderzoek ingesteld in de uitgelezen gegevens uit de genoemde tablet. Hierbij zag ik dat onder files/document een word-bestand opgeslagen stond, genaamd: verslag hoorzitting plan Dyckhoeve dd 060709rev. Ik zag dat bij de datum waarop het bestand voor het laatst gewijzigd was 25-4-2016 19:58 stond.

Nadat ik het betreffende bestand geopend had zag ik dat de titel van het document was:

VERSLAG VAN DE HOORZITTING IN HET KADER VAN DE

VRIJSTELLINGSPROCEDURE BESTEMMINGSPLAN DEN BONSEN HOEK

REALISERING 40 WONINGEN OOSTDIJK 5

En dat het verslag gedateerd was op 6 juli 2009.

Eén van de namen en adressen welke genoemd zijn in het document betreft:

[slachtoffer 1] [adres 2],

Het adres [adres 2], betreft het adres te Hellevoetsluis waar op 24 mei 2016 brand gesticht is.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606281032.AMB (pagina 107 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier BRAKEL2405), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Ik stelde een nader onderzoek in aan het hieronder genoemde goed.

Beslagcode: B.03.01.01

Portable navigatie-systeem

Merk: Navigon Canada 310

Dit navigatie-systeem is eerder door mij handmatig onderzocht en vastgelegd in proces-verbaal met kenmerk 1606171355.OIG.

Vervolgens is het volledige geheugen van het navigatie-systeem veiliggesteld. Door mij werd nader onderzoek gedaan in deze veiliggestelde data.

RecentTargets.store

In het proces-verbaal van het handmatige onderzoek werden door mij de meest recente (door de gebruiker geselecteerde) bestemmingen vermeld. Door mij werd naar deze recente bestemmingen gezocht in de veiliggestelde data. Deze werden door mij aangetroffen in een bestand genaamd:

- RecentTargets.store

Hierin zag ik het volgende adres:

[adres 2] (geen nummer) Hellevoetsluis

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607181130.AMB (pagina 310 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 1 juni 2016 werd in de woning van verdachte [de verdachte] een tablet in beslag genomen. Op vrijdag 15 juli werd in de Tablet van [de verdachte] Ruiten een foto van Google Earth aangetroffen met een plattegrond overzicht waar de [adres 1] te Hellevoetsluis te zien is.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608021000.G43 (pagina 505 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van de getuige I.C.H. [getuige 1], met bijlage met schermafbeelding op pagina 516:

Wij zijn bezig met een onderzoek naar een aantal brandstichtingen in Hellevoetsluis in de periode van eind april tot omstreeks eind mei 2016. Hierbij werden ook sms-berichten verstuurd aan een aantal betrokkenen. Inmiddels hebben wij een verdachte aangehouden, zoals u kennelijk weet. Uit onderzoek is gebleken dat er telefonisch contact is tussen deze verdachte en u.

De getuige verklaarde:

A: Ik had gehoord dat [de verdachte] was aangehouden voor deze zaak. Voor de brandstichtingen ging ik redelijk met [de verdachte] om.

In die tijd heb ik ook een telefoon van [de verdachte] bij me gehad. Dat ging zo. [de verdachte] had al weken tegen mij lopen vertellen dat hij werd lastig gevallen en bedreigd via de telefoon en thuis. Op een middag was [de verdachte] bij mij thuis koffie aan het drinken. [de verdachte] werd gebeld door iemand. Ik zag dat [de verdachte] opnam, maar niks zei. Hij hing weer op. Hij vroeg toen of ik wilde opnemen als hij weer werd gebeld. Dat gebeurde ongeveer een kwartiertje later. Niet zo veel later in ieder geval. Ik nam de telefoon op. Het enige dat ik zei was iets van: “Jullie moeten hem met rust laten, anders krijgen jullie met mij aan de stok.” Hierna heb ik opgehangen.

Ik gaf de telefoon terug aan [de verdachte]. Maar [de verdachte] gaf de telefoon weer aan mij terug. Hij zei dat ik weer moest opnemen als er weer werd gebeld. Samen met [de verdachte] ben ik naar [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2]) gelopen. We gingen op de koffie. Daar heb ik de telefoon op de salontafel gelegd voor het geval hij weer over ging. En de telefoon ging ook weer over. Ik heb geen naam of nummer in beeld gezien. Ik was meer bezig met hoe ik de telefoon moest opnemen. Dat lukte wel. Terwijl ik zei dat ze [de verdachte] met rust moesten laten, praatte de beller er doorheen aan de andere kant van de lijn. Daardoor hoorde ik niet goed wat er werd gezegd. Maar vlak voor het moment dat ik weer ophing, hoorde ik dat de beller iets zei over zijn moeder, maar wat? Ik zou het bij god niet meer weten. De beller had een mannenstem, maar het was een jonge stem.

Ik zei dat ook nog tegen [de verdachte]. Het was een jong iemand, een jongen. Was het haar zoon of zo?

V: Weet u nog hoe laat u die twee telefoontjes hebt beantwoord?

A: Dat was in ieder gevat ‘s middags. Grofweg tussen 13:00 uur en 17:00 uur.

V: Wat kunt u over de telefoon van [de verdachte] vertellen?

A: Het was volgens mij een blauwe telefoon. Ik weet het merk niet, maar het was zo’n model net als NOKIA of Samsung. Het was geen smartphone. Het is zo’n klein model met een toetsenbordje aan de voorkant.

V: Welke telefoons had [de verdachte] nog meer in gebruik?

A: Ik wist dat hij er nog een had. Het was een smarttelefoon.

Na het verhoor werd de telefoon van de getuige aan haar teruggegeven. Van de Facebook Messenger chat tussen de getuige en [de verdachte], aanwezig tussen 1 januari 2016 en 3 mei 2016, werden schermafbeeldingen gemaakt. Deze zijn als bijlage gevoegd bij dit proces-verbaal.

“3 mei

Hoi ing, kan ik zo ff langs komen om dat mobieltje oo te halen bij je

Geef dan maar gewoon aan de dur af en dan ben ik weer weg”

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609051000.G62 (pagina 387 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806) inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Dit onderzoek gaat over een aantal brandstichtingen in Hellevoetsluis. [de verdachte] is hier voor aangehouden. Naar aanleiding van onder ander de getuigenverklaring van

[getuige 1] zijn wij bij jou gekomen. Verder is gebleken dat je via Facebook bevriend bent met [de verdachte].

De getuige verklaarde:

Weet je nog wanneer [de verdachte] bij je thuis was?

(...) Ik zie in Messenger dat we op 1 mei contact hadden. Ik zie dat [de verdachte] om 12:01 uur mij een bericht stuurde met de vraag of hij op de koffie kon komen. We hebben maar 1 weekend met elkaar afgesproken.

Dus het gaat dus om het weekend van zaterdag 30 april 2016 en zondag 1 mei 2016?

Dat klopt.

Wat werd er op zaterdag tussen jullie besproken?

[de verdachte] had het over zijn Ex [slachtoffer 2]. Ik was vooral met [getuige 1] aan het praten en [getuige 4] (het hof begrijpt: [getuige 4]) met [de verdachte]. Ook had [de verdachte] het over die man.

Kan je dat over die man nader uitleggen?

[de verdachte] vertelde dat [slachtoffer 2] hem jaloers probeerde te maken met een man. Dat [slachtoffer 2] hem aan het uitdagen was met deze man. Hij vertelde ook dat hij woorden met [slachtoffer 2] in een café in

Hellevoetsluis hierover heeft gehad. Toen [de verdachte] en [getuige 1] net bij mij binnen waren ging de telefoon van [de verdachte] af. Ik zag dat hij de telefoon gelijk aan [getuige 1] gaf. Ik hoorde dat hij zei: “daar zijn ze weer”. Ik zag dat [getuige 1] de telefoon opnam en zei dat ze hem met rust moesten laten, anders kregen ze met haar aan de stok.

Hierna gaf [getuige 1] de telefoon weer terug aan [de verdachte]. Ik hoorde [getuige 1] tegen [de verdachte] zeggen dat het een jongen was. [de verdachte] zei toen: “dat zal wel haar zoon wel wezen”.

Heeft [getuige 4] dit ook gezien en gehoord?

Ja, die zat er ook bij.

Wist jij op dat moment waarover dat telefoongesprek ging?

Nee, alleen dat hij bedreigd werd. Dat zei hij. [de verdachte] zei dat hij door [slachtoffer 2] of die man bedreigd werd.

Wanneer zei [de verdachte] dit tegen jou?

Na het telefoongesprek.

Waar hebben [de verdachte] en [getuige 4] het die zaterdag over gehad?

Ze wilden naar de man zijn huis gaan om een steen door het raam te gooien. [getuige 4] moest die steen door het raam gooien en [de verdachte] zou op de hoek met zijn auto wachten.

Om welke man gaat het?

Om die man die met [slachtoffer 2] omging.

Nog even terug naar de zaterdag. Hoe zat het nu precies met die telefoon van [de verdachte]. Is er nog meer met de telefoon gedaan? Ik heb zelf liet vermoeden dat [de verdachte] zaterdag die telefoon bij zich had en dat de telefoon op zondag bij [getuige 1] thuis lag.

Hoe is jou ter ore gekomen dat de telefoon van [de verdachte] bij [getuige 1] thuis lag?

Dat heb ik van [getuige 1] gehoord. [getuige 1] was die maandag 2 mei 2016 bij mij thuis toen zij een WhatsApp bericht van [de verdachte] ontving dat hij zijn telefoon kwam ophalen. [getuige 1] is toen naar haar huis gelopen. Vervolgens ben ik naar buiten gelopen en wilde ik naar de woning van [getuige 1] lopen. [getuige 1] woont in dezelfde straat als waar ik woon. Zij woont ongeveer tien

deuren verder. Op straat zag ik dat [de verdachte] zijn telefoon in zijn handen was. Dit was dezelfde telefoon welke ik die zaterdag bij [de verdachte] gezien had.

Het verhoor van getuigen bij de raadsheer-commissaris d.d. 11 september 2018, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

U vraagt of ik nog weet wat voor een soort telefoon [de verdachte] destijds gebruikte. Normaal had hij een andere telefoon dan het oude telefoontje. U vraagt of dat wel een smartphone was. Ja, volgens mij was dat wel een smartphone. Dat oude telefoontje was zwart en ik had het nooit eerder bij hem gezien. Ik denk dat het een Nokia was.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605242228.G9 (pagina 132 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van de getuige [slachtoffer 3]:

Jij hebt gebeld naar het nummer waar je moeder mee bedreigd wordt, klopt dat?

Ja dat klopt.

Hoe ging dit gesprek precies?

Ik heb haar gebeld en gevraagd waarom ze sms’t naar mijn nummer. Ik wilde haar doen geloven dat het mijn nummer was in de hoop dat ze mijn moeder met rust zou laten. Die vrouw noemde geen naam toen ze op nam. We raakten in gesprek en ik zei wat over dat sms’je dat gestuurd was en dat ik daar over wilde praten maar dat wilde ze niet. Ik herkende de stem van die vrouw totaal niet. Ik ga niet zoveel met oudere mensen om.

Wat heeft ze precies gezegd?

Dat mijn moeder op moest passen en dat ze niet met [afkorting] om moest gaan.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608041130.G46 (pagina 522 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

Wat kan je vertellen over de telefoon(s) van [de verdachte] ?

Volgens mij had hij er twee. Een goedkope blauwe telefoon, zo een wegwerptelefoon. Geen touchscreen. Hij had ook een Samsung, een zwarte. Die was een smartphone.

Op die blauwe werd hij wel eens gebeld, toen was ik er bij. Hij nam deze op en liep toen altijd weg. Eén keer nam hij de telefoon op en had hij gezeik, geloof ik. Toen werden hij en [getuige 1] bedreigd op de telefoon dacht ik. Op die blauwe telefoon. Hij had een nummer in beeld en toen hij dit zag gaf hij het aan [getuige 1] en nam zij op.

Het verhoor van getuigen bij de raadsheer-commissaris d.d. 20 september 2018, inhoudende als verklaring van

[getuige 4]:

U houdt mij voor dat er mensen zijn die zeggen dat de oude telefoon van [de verdachte] zwart was en dat er mensen zijn die zeggen dat de telefoon blauw was. Nee, het frontje was blauw, korenbloem blauw, de kleur zoals van uw keycord. De toetsen waren licht en de achterkant van de telefoon was zwart.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607260918.AMB (pagina 504 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Eén van de telefoonnummers waarmee bedreigende sms-berichten waren verzonden aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was [nummer eindigend op 417]. Van dit telefoonnummer werden historische

verkeersgegevens gevorderd en verstrekt.

Op zaterdag 30 april 2016 te 15:34:14 uur vond naar dit telefoonnummer een inkomende oproep plaats van het telefoonnummer [huisnummer slachtoffer 2], het huisnummer van [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2]. [slachtoffer 3], de zoon van [slachtoffer 2], verklaart hierover dat hij bij inbellen naar het telefoonnummer [nummer eindigend op 417] een vrouwenstem hoorde aan de andere kant van de lijn.

Uit onderzoek was reeds gebleken dat de telefoon met telefoonnummer [nummer eindigend op 417] tijdens bovengenoemd belcontact een zendmast gebruikte (KPN-GSM-[nummer] die niet kan worden bereikt vanuit de woning van verdachte [de verdachte].

Omdat de verdenking bestaat dat [de verdachte] de gebruiker was van de telefoon met telefoonnummer [nummer eindigend op 417], werd onderzocht met welke vrouw of vrouwen hij contact had op of rond 30 april 2016.

Uit dit onderzoek bleek dat [de verdachte] met zijn eigen telefoonnummer [nummer verdachte] op 30 april en 3 mei 2016 telefonische contacten had met het telefoonnummer [telefoonnummer] op naam van [naam], [adres getuige 1]. Dit telefoonnummer staat in de telefoon van [de verdachte] opgeslagen onder ‘[getuige 1] VB’. Op de [adres getuige 1] woont een vrouw genaamd [getuige 1], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats]. Op haar profiel op Facebook, onder de naam [getuige 1], reageert [de verdachte] op enkele posts, in ieder geval sinds 19 februari 2016 en tot 1 mei 2016.

De woning van [getuige 1] aan de [adres getuige 1] bevindt zich in het zendgebied van de mast KPN-GSM-[nummer].

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606010345.AMB (pagina 145 van de doorgenummerde bij lagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Op woensdag 01 juni 2016 om 03:45 uur reden wij, verbalisanten, in een onopvallend dienstvoertuig op de Amnesty lnternationallaan te Hellevoetsluis. Wij, verbalisanten, waren op dat moment gekleed in burgerkleding en derhalve niet herkenbaar als zijnde politieambtenaren.

Wij, verbalisanten, hadden de opdracht van het Team Grootschalige Optreden (TGO) Grutto om eventuele verdachte(n) personen aan te houden c.q. staande te houden.

Wij, verbalisanten, hadden op dat moment portofonisch contact met medewerkers van het Observatieteam (OT). Het was ons bekend dat deze medewerkers de woning gelegen aan de [adres 3] te Hellevoetsluis onder observatie hadden.

Op woensdag 1 juni 2016 omstreeks 03:50 uur hoorden wij, verbalisanten, portofonisch van medewerkers van het OT dat er een man op de [adres 3] in de nabijheid van pandnummer 32 liep.

Wij hoorden deze medewerkers zeggen dat deze man gekleed was in zwarte kleding. Wij hoorden dat er op dat moment een opvallend dienstvoertuig door de [adres 3] reed. Wij

hoorden dat de medewerkers zagen dat de man zich verstopte tussen twee geparkeerde voertuigen, kennelijk om niet gezien te worden door de collega’s in het opvallend dienstvoertuig.

Wij, verbalisanten, hoorden medewerkers van het OT portofonisch zeggen dat de man weer tevoorschijn kwam ten tijde dat het opvallend dienstvoertuig de straat verliet. Wij hoorden dat de man begon te rennen toen hij een medewerker van het OT in de straat zag lopen. Wij hoorden dat de man enige tijd uit het zicht verdwenen was. Wij hoorden portofonisch dat een medewerker van het 01 in gesprek was met deze man. De man wordt verder [de verdachte] genoemd.

Wij, verbalisanten, kregen het verzoek [de verdachte] staande te houden, gezien het feit dat er geen overige personen in de straat liepen, de branden in de nachtelijke uren aangestoken waren en zijn opvallend en verdacht gedrag in de nabijheid van de woning gelegen aan de [adres 3] te Hellevoetsluis.

Ik, verbalisant, vroeg [de verdachte] om een geldig legitimatiebewijs te tonen om zijn identiteit vast te kunnen stellen. Ik zag dat hij mij een paspoort overhandigde. [de verdachte] bleek voluit genaamd te zijn:

[de verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats]

Wonende op [adres verdachte].

Ik, verbalisant, vroeg [de verdachte] hoe hij hier gekomen was. Wij hoorden [de verdachte] zeggen: “Ik ben op de fiets gekomen, die staat in het park verderop”. Ik, verbalisant, vroeg [de verdachte] waarom hij op dit late tijdstip op de fiets vanuit Spijkenisse in Hellevoetsluis was.

Wij hoorden [de verdachte] zeggen dat:

- Hij niet kon slapen.

- Hij naar Brielle was gefietst om naar zijn overleden vader te gaan.

- Hij daar erachter was gekomen dat zijn graf ontruimd was.

- Zijn stiefmoeder dit niet tegen hem gezegd had.

- Hij tijdens het terug fietsen het bordje Hellevoetsluis zag staan.

- Hij zich zorgen maakten om zijn ex [slachtoffer 2] omdat zij de laatste tijd zo stil was op Facebook en hij het niet vertrouwde.

Ik vroeg aan [de verdachte] of ik hem mocht fouilleren. Wij hoorden hem zeggen dat hij dit geen probleem vond. Wij troffen tijdens de fouillering o.a. een groenkleurige aansteker, een pak shaq en een adapter van een mobiele telefoon aan. Ik zag dat op deze adapter de tekst: ALCATEL stond. Ik hoorde [de verdachte] zeggen: “Dat is de oplader van mijn oude telefoon”.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 16060010731.OBS (pagina 141 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier MOSSEL0906), inhoudende als relaas van de verbalisanten of één van hen:

Wij hebben op dinsdag 31 mei 2016 tussen 23:45 uur en woensdag 1 juni 2016 07:30 uur geobserveerd en daarbij hebben wij de volgende waarnemingen, bevindingen gedaan en/of handelingen verricht:

03:48 uur

Ik zag dat NN1, vanuit de brandgang gelegen tussen de panden Alikruik 2 en de achterzijde van de panden aan de Mantelschelp 9-23 te Hellevoetsluis, wederom de Alikruik opliep. Ik zag dat NN1 mij toen zag en de genoemde brandgang weer in rende.

Kort hierop liep ik langs genoemde brandgang en zag dat NN1, nu zonder petje op zijn hoofd, rustig vanuit genoemde brandgang weer terug de Alikruik opliep.

Ik sprak NN1 aan en vroeg hem of hij op dat tijdstip alweer zo vroeg naar zijn werk moest. NN1 bevestigde dit en zei mij, ongevraagd, dat hij bij zijn vriendin vandaan kwam en dat hij moest gaan werken bij de [firma].

De onbekende man geeft, daarna gevraagd, bij het team Parate Eenheid van de Nationale Politie, eenheid Rotterdam, op te zijn genaamd; [de verdachte], geboren [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], wonende [adres].

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606010830.DZK (pagina 163 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS0806), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op woensdag, 1 juni 2016, omstreeks 08:30 uur, werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres verdachte].

Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:

Lege Bio-Ethanol fles

Brief met zwarte letters

Brief met blauwe letters

Briefje in enveloppe

Briefjes met adressen slo’s tel. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Laptop vanaf TV meubel

Huawei telefoon van [de verdachte]

Tablet, slaapkamer [de verdachte] onder nachtkastje

Navigatiesysteem - beslagcode B.03.01.01

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606021600.AMB (pagina 44 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS2804), inhoudende als relaas van de verbalisant:

In verband met de doorzoeking in de woning van [de verdachte] aan de [adres verdachte], op woensdag 1 juni 2016, was ik verbalisant Buis samen collega E. Kremer belast met het doorzoeken van de woonkamer. Collega Kremer zag op de linkerhoek van het dressoir/tv-meubel, een laptop staan met het scherm open. Onder de laptop trof verbalisant Kremer twee notitiebrieven aan. Een klein dubbelgevouwen papier met lijntjes van ca 10 x 5 cm. Het andere papier betrof een tot klein formaat samengevouwen papier. Dit laatste papier moest verbalisant Kremer diverse keren openvouwen voor hij de handgeschreven tekst zag.

De tekst die verbalisant Kremer las betrof de namen en adresgegevens alsmede telefoonnummer van [slachtoffer 1], [slachtoffer 8] (Pa [slachtoffer 1] en een zus [slachtoffer 6] met de daarbij behorende adressen [adres 1], [adres 5] en [adres 2] te Hellevoetsluis.

Het adres [adres 5] te Hellevoetsluis is waar de uitslaande brand heeft plaatsgevonden en waar de ouders van de familie [slachtoffer 1] zijn omgekomen. Het andere dubbelgevouwen papiertje betrof de gegevens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met hun beider telefoonnummers.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609051745AMB (pagina 171 van de doorgenummerde bijlagen van zaaksdossier ASMUS2804), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op dinsdag 5 september werd ik gebeld door Pieter de Hoog. Pieter verklaarde het volgende.

Ik heb samen met Sonja heel dat huis leeg gehaald en vroeg me af of jullie dat flesje wat bij opsporing verzocht is laten zien, bij hem uit huis hebben gehaald. Als dat wel zo is, dan vind ik het vreemd dat hij dat spul in huis had want wij hebben natuurlijk heel dat huis leeggehaald en hij had geen brandertje. Kijk als je zo’n fles met biogel hebt lijkt het me wel zo handig dat je een brandertje hebt waar je dat in brandt en dat hebben we dus niet aangetroffen.

Hoe goed hebben jullie die spullen bekeken Pieter?

We hebben alles in onze handen gehad en alles in doosjes gedaan.

En dus nergens iets gevonden wat gebrand kan worden met dat spul?

Nee precies.

Het proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606151000.AMB (pagina 412 van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier bijlage 2), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op dinsdag 14 juni 2016 vond er een doorzoeking plaats in de woning gelegen aan de [adres verdachte]. Dit is de woning waar [de verdachte], geboren [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats], staat ingeschreven en waar hij feitelijk verblijft.

Ter gelegenheid van deze doorzoeking werden diverse goederen aangetroffen en inbeslaggenomen ten behoeve van het onderzoek.

Bij een door mij ingesteld onderzoek in deze inbeslaggenomen goederen trof ik onder beslagcode B2.03.01.02 onder andere het volgende goed aan:

- 1 kassabon van de Action, gedateerde 30-04-2016.

Ik zag dat de bon aankopen betrof van de navolgende goederen:
Gekocht op 30-04-2016, 10:03:24 uur,
- 4 x Estar Bio Ethanol a 1 L,
- 2 x lampolie geurloos a 1 1.

46

Het verhoor van getuigen bij de raadsheer-commissaris d.d. 25 november 2019, inhoudende als verklaring van de [getuige 7]:

Wat hier gebeurd was, had specifiek te maken met de database waarin de data opgeslagen waren. De ruwe data zijn niet veranderd, maar in de configuratie van de database zijn fouten gemaakt. De database die gebruikt was, was verkeerd geconfigureerd met betrekking tot de rijrichting en de locatie. Dat is later rechtgezet. De camera’s stonden op zich goed. De laatste leveringen zijn correct.

De bewijsmiddelen zijn -ook in hun onderdelen- slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover geschriften zijn gebruikt, zijn deze slechts gebruikt in samenhang met de inhoud van andere bewijsmiddelen, die op hetzelfde feit betrekking hebben.

Deze bijlage is ondertekend door de voorzitter,

mr. A.S.I. van Delden, op .

1 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1604280116.A, aangifte [slachtoffer 1] p. 5 e.v. van zaaksdossier ASMUS2804.

2 Een deskundig verslag van het Nederlandse Forensische Instituut van 25 mei 2016, nummer 1605250903.NFI, p. 39 e.v. van zaaksdossier ASMUS2804.

3 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605011447.A, aangifte [slachtoffer 2] p. 62 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

4 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A, verklaring [slachtoffer 1] p. 288 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier 1.

5 Idem.

6 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606090925.A, aangifte [slachtoffer 2] p. 422 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

7 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A, verklaring [slachtoffer 1] p. 288 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier 1.

8 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606090925.A, aangifte [slachtoffer 2] p. 422 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

9 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A, verklaring [slachtoffer 1] p. 288 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier 1.

10 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605101300.FO, relaas verbalisant, p. 3 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005.

11 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A, verklaring [slachtoffer 1] p. 288 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier 1 en Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606090925.A, aangifte [slachtoffer 2] p. 422 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

12 idem.

13 idem.

14 idem.

15 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605241050.FO, relaas verbalisant, p. 14 e.v. van zaaksdossier BRAKEL2405.

16 Idem + Een deskundig verslag van het Nederlandse Forensische Instituut van 30 mei 2016, nummer 2016.05.25.097, p. 50 e.v. van zaaksdossier BRAKEL2405.

17 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 123 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005.

18 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605280950.A, aangifte [slachtoffer 2], p. 6 e.v. van zaaksdossier MOSSEL2805.

19 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605280900.FO, relaas verbalisant, p. 29 e.v. van zaaksdossier MOSSEL2805 en een deskundig verslag van het Nederlandse Forensische Instituut van 27 oktober 2016, nummer 2016.06.02.096, p. 104 e.v. van zaaksdossier MOSSEL2805.

20 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606010345.AMB, relaas verbalisanten, p. 145 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

21 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606010830.DZK, relaas verbalisant, p. 148 e.v. van zaaksdossier ASMUS2804.

22 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606021600.AMB, relaas verbalisant, p. 44 e.v. van zaaksdossier ASMUS2804.

23 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606151049.AMB, relaas verbalisant, p. 303 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

24 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606041350.AMB, relaas verbalisant, p. 71 e.v. van zaaksdossier BRAKEL2405.

25 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607181130.AMB, relaas verbalisant, p. 310 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

26 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606041035.AMB, relaas verbalisant, p. 952 e.v. van de doorgenummerde bijlage van zaaksdossier hoofddossier bijlage 3.

27 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606151049.AMB, relaas verbalisant, p. 303 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

28 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606281032.AMB, relaas verbalisant, p. 107 e.v. van zaaksdossier BRAKEL2405.

29 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606151000.AMB, relaas verbalisant, p. 412 e.v. van zaaksdossier hoofddossier bijlage 2.

30 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606031200.AMB, relaas verbalisant, p. 800 e.v. van hoofddossier bijlage 3.

31 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605011447.A, aangifte [slachtoffer 2] p. 62 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

32 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606051203.AMB, relaas verbalisant, p. 812 e.v. van het hoofddossier bijlage 3.

33 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609021237.AMB, relaas verbalisant, p. 73 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

34 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608221800.G52, verhoor getuige [getuige 3], p. 721 e.v. van hoofddossier bijlage 2.

35 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608041130.G46, verhoor getuige [getuige 4], p. 669 e.v. van hoofddossier bijlage 2.

36 Verhoor van getuigen bij de RhC, rolnummer 22-004160-17, d.d. 20 september 2018, getuige [getuige 4].

37 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608021000.G43, verhoor getuige [getuige 1], p. 616 e.v. van hoofddossier bijlage 2.

38 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609051000.G62, verhoor getuige [getuige 2], p. 757 e.v. van hoofddossier bijlage 2.

39 Verhoor van getuigen bij de RhC, rolnummer 22-004160-17, d.d. 11 september 2018, getuige [getuige 2].

40 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605011447.A, aangifte [slachtoffer 2], p. 62 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906 en Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1605242228.G9, verhoor getuige [slachtoffer 3], p. 132 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

41 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608021000.G43, verhoor getuige [getuige 1], p. 505 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

42 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608041130.G46, verhoor getuige [getuige 4], p. 522 e.v. van zaaksdossier MOSSEL0906.

43 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609051000.G62, verhoor getuige [getuige 2], p. 387 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

44 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1608021000.G43, bijlage bij verhoor getuige [getuige 1], p. 627 van hoofddossier bijlage 2.

45 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609021237.AMB, relaas verbalisant, p. 73 e.v. van zaaksdossier ASMUS0806.

46 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606141343.AMB, relaas verbalisant, p. 1049 e.v. van hoofddossier bijlage 3.

47 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 123 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005.

48 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606061255.AMB, relaas verbalisant, p. 804 e.v. van hoofddossier bijlage 3.

49 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 127 van zaaksdossier ASMUS1005.

50 Idem.

51 Idem.

52 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606010345.AMB, relaas verbalisanten, p. 145 van zaaksdossier MOSSEL0906.

53 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606021330.V01, verhoor verdachte, p. 4, Persoonsdossier.

54 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606081300.A, verklaring [slachtoffer 1] p. 288 e.v. van de doorgenummerde bijlagen van hoofddossier 1; proces-verbaal bevindingen nummer 1609061000.AMB, p. 401 van zaaksdossier ASMUS0806.

55 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1607270903.G41, verklaring getuige [getuige 5], p. 326 e.v. van zaaksdossier ASMUS2804.

56 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 123 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005.

57 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 123 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005.

58 Idem.

59 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606051440.AMB, p. 247 van zaaksdossier ASMUS0806 en proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606041350.AMB, p. 1004 van bijlagen hoofddossier, deel 3.

60 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1606011430.G, p. 48 van bijlagen Asmus 2804 en proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 november 2016 door de rechter-commissaris, p. 4 en 5.

61 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1610081200.AMB, relaas verbalisanten, p. 123 e.v. van zaaksdossier ASMUS1005 en Proces-verbaal van Districtsrecherche Rijnmond Zuid-West nummer 2016164244, documentcode 1812131726.AMB, beantwoording vragen aan ARS.

62 Proces-verbaal van politie eenheid Rotterdam nummer 1609051745.AMB, proces-verbaal, p. 171 van bijlagen Asmus 2804.