Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2185

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
13-01-2021
Zaaknummer
200.257.724/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van weduwe en erfgenamen van een vruchtbaarheidsarts tegen beslissing van de rechtbank dat zij DNA-vergelijkingsonderzoek moeten toestaan. Niet-ontvankelijk t.a.v. één inmiddels meerderjarig donorkind. De bezwaren tegen het vonnis falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0009
Jurisprudentie Erfrecht 2021/43
JERF 2021/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.257.724/01

Zaak-/rolnrs. rechtbank : C/10/541411 / HA ZA 17-1210 en C/10/541424 / HA ZA 17-1211

arrest van 24 november 2020

inzake

1. [appellante] ,

in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] ,

wonende te Barendrecht,

2. De gezamenlijke erfgenamen van [erflater] ,

laatstelijk gewoond hebbende te Barendrecht,

appellanten,

hierna te noemen: [de erven] ,

advocaat: mr. J.P. Vandervoodt te Rotterdam,

tegen

Verweerders 1 t/m 33

hierna te noemen: [verweerders]

advocaat: mr. T.J.C. Bueters te Wijchen.

Het geding

Bij dagvaarding van 20 maart 2019 zijn [de erven] in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 13 februari 2019 (hierna: het vonnis). Bij memorie van grieven hebben [de erven] bezwaren tegen het vonnis geformuleerd. Bij memorie van antwoord met producties hebben [verweerders] de bezwaren bestreden.

Vervolgens hebben [verweerders] de stukken overgelegd en is een datum voor arrest vastgesteld. Deze datum is nader vastgesteld op vandaag.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de weduwe en erfgenamen van vruchtbaarheidsarts [erflater] tegen de beslissing van 13 februari 2019 van de rechtbank Rotterdam dat zij DNA-vergelijkingsonderzoek moeten toestaan. De rechtbank heeft dit beslist op vordering van twee groepen donorkinderen en hun moeders (en een vader). De eisers vermoedden dat de arts bij kunstmatige inseminaties zijn eigen sperma heeft gebruikt en wilden laten onderzoeken of dat inderdaad zo is. Toen hij nog in leven was, wilde [erflater] niet meewerken aan zo’n onderzoek. Na zijn overlijden in 2017 heeft de rechter in kort geding toestemming gegeven om DNA-materiaal van [erflater] te verzamelen om een DNA-profiel te maken. Dat is bij een notaris in een kluis bewaard. In het vonnis van 13 februari 2019 heeft de rechtbank toestemming gegeven om het DNA van de donorkinderen te vergelijken met het DNA-profiel van [erflater] .

2. De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis van 13 februari 2019 feiten vastgesteld. Over die feiten als zodanig bestaat tussen partijen geen geschil. Ook het hof zal uitgaan van die feiten. Het gaat, samengevat, om het volgende:

2.1

[erflater] (hierna: [erflater] ) is in 1957 begonnen te werken als vruchtbaarheidsarts. Hij heeft deze werkzaamheden bij diverse ziekenhuizen verricht. Vanaf 1 januari 1980 is hij dezelfde werkzaamheden gaan verrichten vanuit zijn eigen kliniek, Medisch Centrum Bijdorp (hierna: MC Bijdorp), in Barendrecht. MC Bijdorp bewaarde sperma in een spermabank.

2.2

Op 29 oktober 2008 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (hierna: de inspectie) een bezoek gebracht aan MC Bijdorp, om te beoordelen of de kliniek als spermabank voldeed aan de voorwaarden voor erkenning als orgaanbank op grond van de Wet Veiligheid en Kwaliteit Lichaamsmateriaal (WVKL). De conclusie van de inspectie was dat dit niet het geval was.

2.3

Per 1 januari 2009 heeft MC Bijdorp haar werkzaamheden als spermabank gestaakt. MC Bijdorp is nog wel in de gelegenheid gesteld om sperma dat op 29 oktober 2008 voor twee specifieke patiëntgroepen opgeslagen lag, over te dragen aan deze patiënten of elders onder te brengen.

2.4

Op 21 maart 2013 heeft de inspectie een routinematig toezichtbezoek gebracht aan MC Bijdorp. Conclusie van dit bezoek was dat er sinds 1 januari 2009 geen handelingen meer zijn verricht aan lichaamsmateriaal en dat alle apparatuur was verwijderd. Bij dit bezoek heeft de inspectie [erflater] uitdrukkelijk gewezen op de bewaarplicht van (patiënten)dossiers op grond van de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) en op de verplichting tot registratie van gegevens op grond van de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (WDKB).

2.5

De inspectie heeft in oktober 2014, op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister van VWS) het (medisch) archief van MC Bijdorp, bestaande uit 14 archiefkasten met inhoud, onder toeziend oog van een notaris, opgehaald. Deze kasten zijn door de notaris genummerd, verzegeld en beveiligd in opslag genomen. Vervolgens heeft de minister van VWS twee onafhankelijke onderzoekers opdracht gegeven een inventariserend (vertrouwelijk) onderzoek uit te voeren naar het aantal, de aard en de volledigheid van de (medische) dossiers en de validiteit van de in deze dossiers opgenomen gegevens van donoren, patiënten en nakomelingen. Doel daarvan was het (alsnog) ter beschikking (kunnen) stellen van de benodigde gegevens aan de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (hierna: SDKB) en om te kunnen bezien of, en zo ja hoe en waar, (onderdelen van) de dossiers structureel bewaard zouden kunnen worden, zodat de gegevens uit de dossiers beschikbaar konden blijven voor verzoeken van donorkinderen. In het verslag van dit inventariserend onderzoek van 4 mei 2015 is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

(…)

Samenvatting conclusies

Archiefkasten: niet duidelijk is waarom bepaalde laden van archiefkasten 1, 11 en 14 leeg zijn.

Protocollen, electronische bestanden, overzichten en contracten zijn niet gevonden.

Donoren:

- Na juni 2004 is er genetisch materiaal van 7 donoren uit Duitsland geïmporteerd. De gegevens van die donoren voldoen aan de eisen zoals gesteld in Wdkb, artikel 2 lid 1 onder a en b, naast die onder c.

- In de onderzochte statussen van de overige donoren hebben we de gegevens zoals vereist in Wdkb artikel 2 lid 1 onder a en b kunnen vinden, maar veelal minder specifiek en uitgebreid dan die uit Duitsland.

- In het archiefsysteem “A-donoren” staan ook mappen/gegevens van B-donoren.

- Er is een aanwijzing dat een CIBG registratie niet geheel overeenkomt met de gegevens in het archief.

- Het bijhouden van de administratie per donor lijkt afwezig. Systematiek is vrijwel niet te vinden.

Meerdere keren wordt binnen een A-donorstatus zowel een anonimiteitsverklaring van deze donor als een verklaring van een B-status (notarisverklaring) aangetroffen. Zwangerschap geregistreerd bij notaris:

- Geen informatie over contract tussen patiënte en donor via notaris.

- De informatie van Bijdorp naar patiënte wat betreft donorbeschrijvingsformulieren is veelal

incorrect.

- Per donor, wisselende benummering.

- Slordige en onnauwkeurige administratie, voorzover er sprake is van administratie.

- Naam van en/of contract met notaris zijn afwezig.

Overige zwangerschappen:

- Gegevens van patiënte, bevalling, kind en corresponderende donor zijn in de onderzochte gevallen niet systematisch genoteerd en bijgehouden.

- Geen gegevens in deze mappen gezien dat de nakomelingen (tot stand gekomen na juni 2004) met de corresponderende donor zijn geregistreerd in CIBG.

- De vraag is of een betrouwbare CIBG registratie mogelijk is. In dat wat we hebben gezien, is het antwoord negatief.

(…)

Conclusies

1. Alle documenten moeten worden opgeslagen om eventueel vragen van wie dan ook te kunnen beantwoorden. Terzakekundigen moeten met eigen ogen kunnen zien, wat de kwaliteit van de gegevens is. Tijd: in de richtlijn Semenbank wordt een bewaartijd van 80 jaar aangehouden.

2. De combinatie donornummer & nakomeling zijn in dit archief niet met zekerheid vast te stellen.

3. Aan de betrouwbaarheid van de bestaande gegevens van donor, patiëntengegevens en ontstane nakomelingen in dit archief moet getwijfeld worden.

4. De vraag is of de bij CIBG, dan wel bij een notaris geregistreerde gegevens betrouwbaar zijn. Wij twijfelen daar aan.

5. Uitbreiding met een onderzoek naar alle beschikbare gegevens behoort tot de mogelijkheden. De kans dat bij verder onderzoek betrouwbare gegevens worden gevonden wordt laag ingeschat. De kans dat onze conclusie zal veranderen, lijkt ons evenzeer gering.

(…)

Adviezen

DNA-bepaling van alle donoren om eventuele toekomstige vragen naar de identiteit van een donor met zekerheid te kunnen beantwoorden. (…)

Verwijder de door Bijdorp geregistreerde gegevens in CIBG.

Tenslotte

Ons totaalbeeld van het archief is dat er een soort administratie is gedaan (niet bijgehouden) door een amateur die niet begrijpt hoe belangrijk deze documenten kunnen zijn voor nakomelingen, patiënten en donoren. Dit archief voldoet noch aan de eisen in het huidige tijdsgewricht, noch aan die in de tijd dat de gegevens verzameld zijn dan wel verzameld hadden moeten worden.

(…)

2.6

Bij brief van 20 oktober 2016 hebben verschillende ouders en donorkinderen [erflater] aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van het tekortschieten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst dan wel onrechtmatig handelen/nalaten. Daarnaast hebben zij [erflater] bij diezelfde brief verzocht om vrijwillig DNA af te staan ten behoeve van opname daarvan in de databank van de Stichting FIOM (hierna: FIOM).

2.7

[erflater] heeft bij brief van 6 februari 2017 laten weten niet vrijwillig DNA af te staan.

2.8

Op 11 april 2017 is [erflater] overleden. Bij testament heeft hij zijn echtgenote [appellante] (appellante onder 1) benoemd tot executeur. Deze benoeming heeft zij aanvaard.

2.9

Op 2 mei 2017 heeft de deurwaarder conservatoir (bewijs)beslag gelegd op in de woning van [erflater] aanwezige gebruiksartikelen (waaronder een neustrimmer, kam, bril, wandelstok en tandenborstel). Deze zaken zijn vervolgens ter gerechtelijke bewaring afgegeven.

2.10

Bij vonnis in kort geding van 2 juni 2017 heeft de voorzieningenrechter toestemming verleend voor het uitvoeren van een DNA-onderzoek op de in beslag genomen gebruiksartikelen van [erflater] . Dit onderzoek, uitgevoerd door het gecertificeerde instituut Independent Forensic Services, heeft een DNA-profiel opgeleverd. Een schriftelijk verslag van het onderzoek is in bewaring gegeven aan notaris J. van Diederen van Metis Notarissen.

3. In eerste aanleg hebben verweerders 1 tot en met 11 (in de zaak 17-1210) en verweerders 12 tot en met 33 (in de inhoudelijk gelijkluidende zaak 17-1211) tegen [de erven] de volgende vorderingen (samengevat weergegeven) ingesteld:

- [de erven] te veroordelen mee te werken aan een vergelijkend DNA-onderzoek door een onderzoeksinstituut, tussen het DNA van [erflater] en het DNA van de kinderen onder [verweerders] ;

- te bepalen dat voor het onderzoek gebruik gemaakt mag worden van de testresultaten uit het rapport van Independent Forensic Services;

- notaris J. van Diederen van Metis Notarissen op te dragen dit rapport ten behoeve van het onderzoek in afschrift aan [verweerders] te verstrekken;

- [verweerders] toestemming te verlenen om een onderzoeksinstituut opdracht te geven om het DNA-onderzoek te laten uitvoeren en de testresultaten van dit onderzoek aan [verweerders] te overhandigen;

- [de erven] te veroordelen in de proceskosten;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De rechtbank heeft deze vorderingen in enigszins gewijzigde vorm grotendeels toegewezen, door als volgt te beslissen (samengevat weergegeven):

- staat [verweerders] toe om een kopie van het rapport van Independent Forensic Services bij de notaris op te vragen en te overhandigen aan een gecertificeerd onderzoeksinstituut;

- staat verweerders 2, 4, 5, 6, 8, 10, 11, 14, 15, 17, 19, 20, 21, 22, 23, 25, 27, 28, 29, 31 en 32 toe om door een gecertificeerd onderzoeksinstituut een vergelijkend DNA-onderzoek te laten verrichten tussen het DNA-profiel van [erflater] en elk van hun eigen DNA-profielen, zonder dat zij daartoe toestemming van [de erven] behoeven;

- staat [verweerders] toe kennis te nemen van de resultaten van het onderzoek;

- verbiedt [de erven] om het hiervoor bedoelde opvragen, onderzoek en kennisname te verhinderen, te verbieden of te belemmeren;

- veroordeelt [de erven] in de proceskosten en de nakosten;

- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

5. De overwegingen die de rechtbank hebben geleid tot deze beslissing, kunnen als volgt worden samengevat.

5.1

Ten aanzien van een deel van de verweerders staat door erkenning of door in het geding gebrachte documenten vast dat zij als patiënt in het kader van kunstmatige inseminatie zijn behandeld door [erflater] , dan wel als gevolg van die behandelingen zijn geboren. (4.20-4.21)

5.2

Voor toewijzing van het gevorderde is voldoende dat ten minste één van de verweerders een patiënt van [erflater] was. (4.22)

5.3

Vast staat dat sprake is geweest van onvolledige en inadequate dossiervorming bij MC Bijdorp. Ook in de periode vóór 2004 diende de hulpverlener in een dossier al die gegevens op te nemen die voor een goede hulpverlening van de patiënt noodzakelijk waren. (4.23-24)

5.4

De gedaagden hebben erkend dat er vanuit MC Bijdorp diverse donorpaspoorten zijn verstrekt die onjuiste gegevens bevatten en dat [erflater] sperma van verschillende donoren heeft gemengd. (4.25-26)

5.5

Sinds 1992 geldt er een algemene norm van maximaal 25 kinderen per donor. In MC Bijdorp gold een nog strengere norm, namelijk van maximaal 6 kinderen per donor. Niet (voldoende) betwist is dat deze laatste norm, maar ook de algemene norm, (ruimschoots) is overschreden. (4.27)

5.6

Door toedoen en/of nalaten van [erflater] is aan patiënten verstrekte en thans nog voor (donor)kinderen toegankelijke informatie over donoren onbetrouwbaar gebleken. Belangrijke afspraken die [erflater] met zijn patiënten maakte, zijn niet nagekomen. Aldus heeft [erflater] de op hem als vruchtbaarheidsarts rustende zorgplicht geschonden. Daarmee is [erflater] tekortgeschoten in zijn contractuele verplichtingen dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld. (4.29)

5.7

De stelling van [verweerders] dat [erflater] sperma van zichzelf heeft gebruikt om patiënten te insemineren is voldoende onderbouwd. Het FIOM heeft na het overlijden van [erflater] laten weten over DNA van een wettige zoon van [erflater] te beschikken. Inmiddels is er via de FIOM KID-DNA databank ten aanzien van in totaal 47 donorkinderen en deze zoon van [erflater] een relevante biologische verwantschap vastgesteld (de zogenaamde ‘ [erflater] -groep’). Voldoende aannemelijk is gemaakt dat [erflater] sperma van zichzelf heeft gebruikt om patiënten te insemineren, ook al zijn mogelijk andere verklaringen denkbaar. Onder meer is onbetwist gesteld dat een aantal donorkinderen qua uiterlijk grote gelijkenissen vertoont met [erflater] . (4.30-32)

5.8

[de erven] hebben de concrete en voldoende onderbouwde stelling van [verweerders] dat een aantal van de donorkinderen onder hen in ieder geval kunnen afstammen van [erflater] , althans dat zij redelijkerwijs reden hebben om aan te nemen dat het gebruik van sperma van [erflater] tot hun geboorte kan hebben geleid, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank hun verweer op dit punt passeert. (4.33)

5.9

Voor de donorkinderen die behoren tot de [erflater] -groep is in ieder geval voldoende concreet aannemelijk is gemaakt dat zij er belang bij hebben dat aan de hand van een DNA-vergelijkingsonderzoek wordt vastgesteld of [erflater] hun biologische vader is. Hieruit volgt dat de vordering in dat opzicht en als het gaat om de kennisname van de resultaten in beginsel in ieder geval jegens hen dient te worden toegewezen. (4.34)

5.10

Ten aanzien van alle kinderen, dus ook degenen die niet tot de [erflater] -groep horen, geldt dat het tekortschieten en/of onrechtmatig handelen/nalaten van [erflater] ertoe heeft geleid dat zij (en hun ouders) in onzekerheid zijn komen te verkeren over de vraag of wellicht de arts die hun moeder destijds heeft behandeld hun biologische vader is. Ook zij hebben evident belang bij het wegnemen van die onzekerheid. Ook wat hen betreft dient de vordering dus in beginsel op gelijke wijze te worden toegewezen. (4.34)

5.11

Het belang van de moeders vloeit voort uit hun contractuele relatie met [erflater] en de vaststelling van een - mogelijke - schending van de in dat kader op [erflater] rustende verplichtingen. Het belang van de als verweerder 12 optredende vader vloeit voort uit zijn relatie met zijn kind en zijn echtgenote. Wat hen betreft dient de vordering tot kennisname in beginsel ook te worden toegewezen. (4.34)

5.12

Aan toewijzing van de vorderingen zouden echter de belangen van gedaagden in de weg kunnen staan, als deze voldoende zwaarwegend zijn. Aangevoerd zijn het belang om de wens van [erflater] te respecteren dat geen DNA-materiaal ter beschikking zal worden gesteld en de stelling dat met toewijzing van de vordering [de erven] ook zelf in hun eer of goede naam zullen worden geschaad. Die belangen wegen evenwel gelet op de aannemelijkheid van biologische verwantschap tussen de kinderen uit de [erflater] -groep en [erflater] onvoldoende zwaar. Voorts geldt dat gedaagden er geen relevant, voldoende zwaarwegend, belang bij hebben dat de vorderingen aangaande de kennisname van de resultaten jegens de niet tot de [erflater] -groep behorende donorkinderen en moeders (en een wettige vader) niet zouden worden toegewezen. (4.35)

5.13

De veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [verweerders] hebben er belang bij dat aan de bestaande onzekerheid zo spoedig mogelijk een einde komt. (4.38)

Ontvankelijkheid

6. Verweerder 17 is geboren op 28 december 1999. Dit blijkt uit productie 23 bij de dagvaarding in de zaak 17-1211. Zij is dus meerderjarig sinds 28 december 2017 en wordt sinds die datum niet meer wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder. [de erven] waren hiervan op de hoogte. Niettemin hebben zij ten aanzien van verweerder 17 het hoger beroep – zoals eerder de procedure in eerste aanleg – ingesteld tegen “ [verweerder 17] , wettelijk vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger] ”. Omdat zij in zoverre niet de juiste persoon hebben gedagvaard, zal het hof hen niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover gericht tegen verweerder 17.

7. [verweerders] betogen dat [de erven] geen belang hebben bij het hoger beroep en daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zij wijzen erop dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, het toegestane vergelijkingsonderzoek inmiddels is uitgevoerd en dat hieruit gebleken is dat het DNA van vier van de onderzochte donorkinderen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid biologische verwantschap vertoont met het DNA van [erflater] . Volgens [de erven] hebben zij wel degelijk belang bij het hoger beroep, onder meer omdat zij in de inmiddels aanhangige (vervolg)procedure over schadevergoeding betogen dat de onderzoeksresultaten niet mogen worden gebruikt.

8. Het hof ziet geen grond om [de erven] wegens gemis aan voldoende belang bij het hoger beroep daarin niet-ontvankelijk te verklaren. [de erven] hebben in elk geval – zelfs als de door hen genoemde belangen niet zouden volstaan – voldoende belang bij het verkrijgen van een oordeel op hun vordering dat [verweerders] alsnog veroordeeld worden in de proceskosten van de eerste aanleg. Daartoe is aanleiding indien wordt geoordeeld dat – in het licht van de aangevoerde grieven in hoger beroep – de vorderingen in eerste aanleg ten onrechte zijn toegewezen (vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782). Mede tegen deze achtergrond zal het hof de (tegen het vonnis) geformuleerde grieven beoordelen.

De bezwaren tegen het vonnis

9. [de erven] hebben hun bezwaren tegen het vonnis niet, zoals gebruikelijk, van een nummering voorzien. Het hof zal hierna gemakshalve aansluiten bij de door [verweerders] gehanteerde nummering van de bezwaren (hierna aangeduid als grieven).

10. Grief I houdt in dat de rechtbank door de lengte van de samenvatting van het verslag van het inventariserend onderzoek van 4 mei 2015 (zie hiervoor, 2.5) bij dat onderzoek te uitvoerig stilstaat. Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte uit dat verslag afleidt dat bij MC Bijdorp sprake is geweest van een onvolledige en inadequate dossiervorming.

11. Deze grieven falen, omdat het verslag relevant is en daaruit wel degelijk blijkt dat er bij MC Bijdorp van onvolledige en inadequate dossiervorming sprake was. De enkele stelling van [de erven] dat er tot en met 2006 inspecties waren waarbij telkens door de inspectie zou zijn meegedeeld dat de administratie in orde was, is bij ontbreken van enige onderbouwing onvoldoende. Reeds om die reden moet daaraan worden voorbijgegaan. Hetzelfde geldt voor de veronderstelling dat het ‘heel goed’ kan zijn dat bij de verhuizing van het archief door het ministerie van VWS administratie is verloren gegaan. [de erven] bestrijden niet dat die verhuizing heeft plaatsgevonden onder het toeziend oog van een notaris, waarbij de archiefkasten zijn genummerd, verzegeld en beveiligd in opslag zijn genomen. In het licht van die omstandigheden bestaat voor de ongemotiveerde veronderstelling geen grond. [de erven] hebben niet (gemotiveerd) gesteld en ook is niet gebleken dat de gebreken in het archief pas na de sluiting van de kliniek in 2009 en het veiligstellen daarvan in 2014 zijn ontstaan. Maar al zou dat wel het geval zijn geweest, dan zou dat eveneens hebben betekend dat [erflater] tekortschoot in zijn verplichting tot het inrichten en bewaren van adequate dossiers. Het hof onderschrijft de overweging van de rechtbank in r.o. 4.24 dat een vruchtbaarheidsarts destijds kon begrijpen dat bepaalde specifieke en relevante medische en fysieke gegevens in verband met mogelijke erfelijkheidsproblematiek in de toekomst van belang konden zijn en met het oog daarop deugdelijk geregistreerd dienden te worden en voor langere periode toegankelijk dienden te blijven. Het hof maakt die overweging tot de zijne. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals [de erven] aanvoeren (grief III), ‘in die tijdgeest’ vooropstond dat de donor anoniem was en dat diens privacy diende te worden beschermd. Anders dan [de erven] daarbij nog betogen, hebben de kinderen er wel degelijk belang bij op de hoogte te kunnen raken van mogelijke erfelijkheidsproblemen, al is het maar bij de keuze om zelf wel of geen kinderen te krijgen.

12. Grief IV gaat over het bijmengen van sperma van een andere donor of van [erflater] zelf. [de erven] erkennen dat, zoals de rechtbank in r.o. 4.25 overweegt, als gevolg daarvan het donorpaspoort niet meer kan kloppen. Het is het hof dan ook niet duidelijk waarom het volgens [de erven] niet terecht is dat de rechtbank dit heeft overwogen. Dat het zou gaan om een gangbare, op de universiteiten onderwezen methodiek, zoals [de erven] (zonder onderbouwing) stellen en [verweerders] betwisten, doet er niet aan af dat het bijmengen van sperma in elk geval leidt tot onbetrouwbaarheid of zelfs onjuistheid van dossiers en donorpaspoorten. Het hof verwerpt de grief derhalve.

13. Vervolgens maken [de erven] bezwaar tegen de overweging dat er een algemene norm van maximaal 25 kinderen per donor zou gelden, omdat dit slechts een richtlijn zou zijn (grief V). Bij dit bezwaar hebben [de erven] geen belang, wat daarvan inhoudelijk verder ook zij, omdat zij niet bestrijden dat in MC Bijdorp een nog strengere norm gold, van maximaal 6 kinderen per donor, en dat in elk geval deze laatste norm ruimschoots is overschreden.

14. Met grief VI keren [de erven] zich tegen r.o. 4.28, waar de rechtbank heeft geoordeeld dat [de erven] een aantal stellingen van [verweerders] niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, hebben weersproken en dat de gestelde feiten daarom vaststaan. Naar het oordeel van het hof voeren [de erven] tegen de gestelde feiten ook in hoger beroep niets aan dat kan gelden als een voldoende motivering van hun betwisting. Omdat de juistheid van de bedoelde feiten evenwel niet doorslaggevend is voor de toewijzing van de vorderingen, kan de grief in elk geval niet leiden tot vernietiging van het vonnis.

15. Grief VII bestrijdt de overweging in r.o. 4.28 van het vonnis dat [erflater] , ondanks de expliciete afspraak met de betrokken patiënten dat sperma van een bekende donor gebruikt zou worden, donorgegevens niet heeft laten registreren bij de databank van de FIOM. Verder bestrijden [de erven] dat [verweerder 18] destijds aan [erflater] heeft aangegeven geen anonieme donor te willen en dat haar beide kinderen van dezelfde donor afkomstig zouden moeten zijn. Wat het laatste betreft: gelet op de als productie 22 bij inleidende dagvaarding van 28 november 2017 overgelegde stukken uit het door [erflater] gehouden medisch dossier van [verweerder 18] (waaronder het intakeformulier en een brief van 22 april 2003 van [verweerder 18] , waarin zij onder meer schrijft: “Mijn kinderen hebben dezelfde donorvader”) vormt de enkele ontkenning door [de erven] niet een voldoende gemotiveerde betwisting. Het antwoord op de vraag of [erflater] gegevens al dan niet had moeten laten registreren bij de databank van FIOM, is voor de beoordeling van de gegrondheid van de vorderingen in eerste aanleg niet doorslaggevend en hoeft daarom door het hof verder niet te worden onderzocht. De grief leidt uiteindelijk niet tot vernietiging van het vonnis.

16. Aan de vaststellingen die de rechtbank in r.o. 4.28 heeft gedaan, en waartegen [de erven] vergeefs opkomen, heeft de rechtbank in r.o. 4.29 de gevolgtrekking verbonden dat [erflater] belangrijke afspraken met zijn patiënten niet is nagekomen. Het bezwaar van [de erven] tegen die voor de hand liggende gevolgtrekking (memorie van grieven, onderaan p. 6) is niet voldoende onderbouwd. Het hof gaat er daarom aan voorbij.

17. Ook grief VIII faalt, waarmee [de erven] betogen dat [erflater] op geen enkele wijze is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de behandelovereenkomst voortvloeiende verbintenissen en dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens de donorkinderen. Een serieuze toelichting ziet het hof in elk geval niet in de opmerking dat cliënten destijds bij [erflater] kwamen om zwanger te worden en dat “dat was wat de cliënten ook kregen” (memorie van grieven, p. 7). Het hof onderschrijft op dit punt het oordeel van de rechtbank en de daarvoor gegeven gronden en maakt deze tot de zijne.

18. Ten slotte wijzen [de erven] erop dat zij inmiddels door een aantal van de verweerders zijn gedagvaard ter verkrijging van schadevergoeding van omstreeks € 1.000.000. [de erven] menen dat de rechtbank de vordering nooit zou hebben toegewezen als met dit oogmerk toestemming tot het verrichten van DNA-onderzoek was gevorderd en dat van [de erven] niet kan worden gevergd dat zij meewerken aan DNA-onderzoek ter vergaring van bewijs van aansprakelijkheid tegen hen.

19. Het hof deelt dit standpunt niet, en is juist van oordeel dat de rechtbank op grond van de uitvoerig vastgestelde concrete feiten en omstandigheden in deze kwestie op goede gronden heeft beslist tot toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg. Hetgeen [de erven] hebben gesteld in hoger beroep leidt niet tot een ander oordeel.

20. [de erven] hebben in hoger beroep geen bewijsaanbod gedaan voor het bewijzen van feiten die voor de beoordeling van de zaak relevant zijn. Aan bewijslevering komt het hof daarom niet toe.

Slotsom

21. [de erven] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het beroep is gericht tegen verweerder 17. Geen van de bezwaren van [de erven] tegen het vonnis slaagt. Dat betekent dat het vonnis in de verhouding tot de overige verweerders zal worden bekrachtigd. Hierbij past dat [de erven] zullen worden veroordeeld in de proceskosten als hierna vermeld. Het arrest zal wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd door [verweerders]

Beslissing

Het hof:

- verklaart [de erven] niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen verweerder 17;

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2019, voor zover gewezen tussen [de erven] en verweerders 1-16 en 18-31;

- veroordeelt [de erven] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verweerders] begroot op € 324,- voor griffierecht en op € 1.074,- voor salaris advocaat;

- verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, B.J. Lenselink en M.J. van Cleef-Metsaars en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 24 november 2020 in aanwezigheid van de griffier.