Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2111

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
BK-20/00342 t/m BK-20/00345
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:607, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het uitblijven van uitspraken op de door hem tegen enige WOZ-beschikkingen gemaakte bezwaren. Vervolgens doet de Heffingsambtenaar alsnog uitspraken op bezwaar, waarin hij volledig tegemoetkomt aan de bezwaren. Belanghebbende trekt zijn beroepen in en verzoekt om een proceskostenvergoeding ex artikel 8:75a Awb en nadien nog om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In hoger beroep is de belangrijkste vraag wanneer de redelijke termijn voor het bepalen van de omvang van de vergoeding van immateriële schade eindigt. Is dat op de dag van de uitspraak van de Rechtbank (30 januari 2020), van de intrekking van het beroep (24 april 2019) of van de tegemoetkoming door de Heffingsambtenaar aan de bezwaren van belanghebbende (26 maart 2019)?

Omwille van de proceseconomie merkt het Hof het verzoek tot vergoeding van immateriële schade aan als te zijn gedaan gedurende de procedure bij de Rechtbank tegen het schadeveroorzakende besluit (artikel 8:91, lid 1, Awb). Aangezien de Heffingsambtenaar in de uitspraken op bezwaar geheel aan belanghebbende is tegemoetgekomen, is met deze uitspraken een einde gekomen aan het geschil dat belanghebbende en de Heffingsambtenaar verdeeld hield (de hoofdzaak). Hiermee is tevens een einde gekomen aan de spanning en frustratie die voor belanghebbende met het geschil gepaard ging. Indien na intrekking van het beroep nog slechts de proceskostenvergoeding in geding is, moet voor het einde van de redelijke termijn van de procedure in de hoofdzaak daarom worden aangesloten bij de datum waarop geheel aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen (26 maart 2019). De redelijke termijn voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep van twee jaar is in dit geval niet overschreden, evenmin als de redelijke termijn van de procedure over de proceskostenvergoeding. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2836
Viditax (FutD), 19-11-2020
FutD 2020-3476
Belastingblad 2021/17 met annotatie van J.C. Scherff
NTFR 2021/252 met annotatie van Mr. P.G.M. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-20/00342 tot en met BK-20/00345

Uitspraak van 4 november 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: […] )

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordigers: […] en […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 30 januari 2020, nrs. ROT 19/949, ROT 19/950, ROT 19/952 en ROT 19/953.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft bij een viertal beschikkingen op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1, adres 2, adres 3] en [adres 4] te [woonplaats] (de onroerende zaken) voor het kalenderjaar 2017 vastgesteld (de beschikkingen).

1.2.

Bij brieven van 2 januari 2019 heeft belanghebbende de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van uitspraken op zijn bezwaren tegen voormelde beschikkingen.

1.3.

Bij brieven van 26 februari 2019 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van vier maal € 47.

1.4.

Bij uitspraken op bezwaar van 26 maart 2019 heeft de Heffingsambtenaar:

- de tegen de beschikkingen gemaakte bezwaren gegrond verklaard;

- de waarde van de onroerende zaken nader vastgesteld op het door belanghebbende verzochte bedrag;

- in elke zaak afzonderlijk een vergoeding van proceskosten toegekend voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voor een deskundige;

- de dwangsommen in verband met de ingebrekestellingen op nihil gesteld.

1.5.

Bij brieven van 24 april 2019 heeft belanghebbende zijn beroepen ingetrokken en op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Rechtbank verzocht de Heffingsambtenaar bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende in beroep gemaakte kosten. Bij brief van 6 januari 2020 heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

1.6.

De Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 787,50 en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.7.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 131. Bij brief van 9 april 2020, ingekomen bij het Hof op diezelfde dag, heeft belanghebbende zijn hoger beroep aangevuld. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.

1.8.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van de enkelvoudige kamer op 16 september 2020 per videoconferentie (Skype). Partijen zijn verschenen, waarbij sprake was van een directe beeld- en geluidsverbinding met het Hof. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.9.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Hiervan is op 13 oktober 2020 aan partijen schriftelijk mededeling gedaan, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld te verzoeken om een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak. Partijen hebben van die gelegenheid niet gebruikgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft bij brieven van 8 december 2017 pro forma bezwaarschriften ingediend tegen de beschikkingen. De bezwaarschriften zijn bij de Heffingsambtenaar ingekomen op 12 december 2017. Bij brieven van 1, 2, 5 en 6 maart 2018 heeft belanghebbende zijn bezwaren gemotiveerd. Belanghebbende heeft voor elk van de onroerende zaken verzocht om een vermindering van de vastgestelde WOZ-waarde en de vergoeding van de kosten van een taxatierapport en de kosten voor rechtsbijstand.

2.2.

De Heffingsambtenaar is in de uitspraken op bezwaar van 26 maart 2019 volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van belanghebbende tegen de beschikkingen (zie 1.4).

2.3.

De gemachtigde van belanghebbende heeft met dagtekening 24 april 2019 een viertal brieven met intrekkingsverklaring verzonden om de door hem ingestelde beroepen in te trekken. In elk van de brieven is, voor zover van belang, vermeld:

"Hierbij ontvangt u de ingevulde en ondertekende intrekkingsverklaring retour.

Namens cliënt verzoeken wij u verweerder te veroordelen in proceskosten, namelijk € 512,- voor het indienen van het beroepschrift en € 47,- aan griffierechten."

2.4.

De bij de brieven gevoegde intrekkingsverklaringen betreffen een standaard intrekkingsverklaring van de Rechtbank waarop de belanghebbende kan aankruisen wat van toepassing is. Belanghebbende heeft voor elk van de ingetrokken beroepen de volgende optie gekozen:

"Ik verklaar hierbij dat ik het beroep tegen het besluit van De directeur gemeentebelastingen Rotterdam intrek. Verder verzoek ik de rechtbank [de Heffingsambtenaar] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die ik in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heb moeten maken, zoals door mij ingevuld op het bijgevoegde formulier ‘Opgave proceskosten’."

2.5.

Bij brieven van 1 mei 2019 zijn partijen erover geïnformeerd dat de beroepen zijn ingetrokken en dat de Rechtbank op belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding nog een uitspraak zal doen. Hierbij is aan de Heffingsambtenaar gelegenheid gegeven te reageren op belanghebbendes verzoek.

2.6.

Bij brief van 6 januari 2020 heeft de gemachtigde van belanghebbende de Rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. De brief vermeldt, voor zover van belang:

"5. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is ingediend op 8 december 2017 en zal nu ter zitting worden behandeld op 17 januari 2020. De overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg bedraagt 1,5 maand. Aangezien verweerder pas hangende het beroep uitspraak op bezwaar heeft gedaan en de Rechtbank binnen 1 jaar na de uitspraak op bezwaar uitspraak zal doen, dient in dit geval de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg geheel aan verweerder te worden toegerekend. Dit resulteert in een immateriële schadevergoeding van € 500,-.

Redenen waarom uw rechtbank wordt verzocht vanwege immateriële schadevergoeding € 500,0 toe te kennen en om vanwege het feit dat de redelijke termijn is overschreden, de proceskosten toe te kennen (…)."

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen:

"1. De rechtbank stelt vast dat [de Heffingsambtenaar] aan [belanghebbende] is tegemoetgekomen, dat [belanghebbende] om die reden zijn beroepen heeft ingetrokken.

(…)

4. [Belanghebbende] verzoekt voorts om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.1.

De redelijke termijn is aangevangen met het instellen van bezwaar op 8 december 2017. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van [belanghebbende] tot het intrekken van de beroepen op 24 april 2019 nog geen 2 jaar was verstreken. Met de intrekking van de beroepen bij brief van 24 april 2019 is de procedure tot een einde gekomen. De termijn voor het doen van de onderhavige uitspraak op de door [belanghebbende] gevraagde proceskosten valt buiten de termijn waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op een schadevergoeding. De rechtbank wijst daarom het verzoek om toekenning van immateriële schadevergoeding af.

5. De rechtbank wijst er ten slotte op dat [de Heffingsambtenaar], gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, de door [belanghebbende] betaalde griffierechten van 4 x € 47,- aan hem dient te vergoeden."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is nog slechts in geschil of aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de beslissing geen vergoeding van immateriële schade toe te kennen. Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een schadevergoeding ten bedrage van € 500 en veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van het hoger beroep alsmede de vergoeding van de griffierechten.

4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank zijn verzoek tot toekenning van een vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte niet heeft ingewilligd. Hiertoe voert belanghebbende aan dat de beroepsprocedure niet al met de intrekking van zijn beroep op 24 april 2019 maar pas met de uitspraak van de Rechtbank van 30 januari 2020 is geëindigd. Hiervan uitgaande bedraagt de periode tussen het indienen van de bezwaarschriften en de uitspraak op beroep volgens belanghebbende twee jaar, één maand en 22 dagen (8 december 2017 – 30 januari 2020) en dient aan belanghebbende € 500 te worden vergoed in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

5.2.1.

De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, brengt mee dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn behoren te worden beslecht (vgl. HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232). De Hoge Raad heeft over deze redelijke termijn het volgende geoordeeld (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140):

"b) In aanmerking te nemen termijn

3.3.1.

De in dit verband in aanmerking te nemen termijn begint als regel te lopen op het moment waarop de inspecteur of de heffingsambtenaar (hierna ook kortweg: de inspecteur) het bezwaarschrift ontvangt (zie het arrest BNB 2011/232).

3.3.2.

De in aanmerking te nemen termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet in de procedure met betrekking tot het geschil dat de belastingplichtige en de inspecteur verdeeld houdt (de hoofdzaak). Deze termijn loopt derhalve niet door indien de rechter bij zijn uitspraak in de hoofdzaak het onderzoek met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73, lid 2, Awb heropent om een nadere uitspraak te doen over het recht op vergoeding van immateriële schade wegens de duur van het proces (zie HR 20 juni 2014, nr. 13/01045, ECLI:NL:HR:2014:1461, BNB 2014/200; hierna: het arrest BNB 2014/200). Hetzelfde geldt indien de rechter na zijn uitspraak in de hoofdzaak een dergelijke afzonderlijke uitspraak doet naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in het sinds 1 juli 2013 geldende, hierna in 3.12 nader te bespreken, artikel 8:91 Awb. Wel heeft ook in dergelijke procedures over vergoeding van immateriële schade te gelden dat de rechter binnen een redelijke termijn uitspraak behoort te doen (in vergelijkbare zin CRvB 4 mei 2010, nrs. 09/3266 t/m 3273 BESLU, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034, AB 2010/296).

3.3.3.

Bij de beoordeling of de in aanmerking te nemen termijn als een redelijke termijn is aan te merken, dient in het licht van de rechtspraak van het EHRM niet alleen te worden gelet op de verschillende in die periode doorlopen fasen van de procesgang afzonderlijk, maar ook op de duur van de totale procedure (vgl. HR 26 oktober 1988, nr. 25383, BNB 1989/16)."

5.2.2.

Over de spanning en frustratie die een belanghebbende ervaart bij overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Hoge Raad voorts het volgende geoordeeld (HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, BNB 2014/200):

"2.7. Volgens het Hof heeft de hogerberoepsfase geen overschrijding van de redelijke termijn te zien gegeven. Het heeft geoordeeld dat – anders dan door belanghebbende is betoogd – de termijn tussen de beslissing in de hoofdzaak en de beslissing op het verzoek [van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, Hof] niet meetelt voor de bepaling van de redelijke termijn in hoger beroep. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het gaat om vergoeding van immateriële schade die wordt geleden door de spanning en frustratie die een belanghebbende ondervindt in de procedure met betrekking tot het geschil over de belastingheffing dat hem en de Belastingdienst verdeeld houdt. Naar het oordeel van het Hof is met de uitspraak in de hoofdzaak aan de door belanghebbende ondervonden spanning en frustratie een einde gekomen en eindigt de in aanmerking te nemen termijn derhalve op het moment waarop die uitspraak is gedaan. Voor zover de klachten zijn gericht tegen dit oordeel falen zij, omdat dit oordeel juist is (…)."

5.3.

De procedure van de artikelen 8:88 en volgende Awb dient naar analogie te worden toegepast op het onderhavige verzoek tot vergoeding van immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.12).

5.4.

Op grond van artikel 8:91, eerste lid, Awb wordt het verzoek, indien het wordt gedaan gedurende het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit, ingediend bij de bestuursrechter waar het beroep aanhangig is. In het onderhavige geval heeft belanghebbende het verzoek gedaan gedurende de procedure omtrent het verzoek om een proceskostenvergoeding ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, Awb, dus pas na intrekking van het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit. Voor zover deze omstandigheid aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek tot vergoeding van immateriële schade in de weg zou staan, geldt dat de belastingrechter in een afzonderlijke verzoekschriftprocedure op de voet van artikel 8:90, eerste en tweede lid, Awb uiteindelijk weer bevoegd zou zijn kennis te nemen van het verzoek. Omwille van de proceseconomie merkt het Hof het verzoek tot vergoeding van immateriële schade daarom aan als te zijn gedaan gedurende de beroepsprocedure bij de Rechtbank.

5.5.

De Heffingsambtenaar is in zijn uitspraken op bezwaar van 26 maart 2019 volledig tegemoetgekomen aan belanghebbendes bezwaren tegen de beschikkingen en heeft tevens een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten voor rechtsbijstand en de kosten van de deskundige (taxateur). Dit heeft ertoe geleid dat belanghebbende op 24 april 2019 zijn beroepen heeft ingetrokken en heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten voor het ingestelde beroep. Aangezien de Heffingsambtenaar geheel aan belanghebbende is tegemoetgekomen, is met de uitspraken op bezwaar een einde gekomen aan het geschil dat belanghebbende en de Heffingsambtenaar verdeeld hield (de hoofdzaak). Hiermee is tevens een einde gekomen aan de spanning en frustratie die voor belanghebbende met het geschil gepaard ging. Hieraan doet niet af dat de beroepsprocedure formeel met de latere intrekking van de beroepen is geëindigd. Belanghebbende heeft immers vanaf het moment dat aan zijn bezwaren tegemoet is gekomen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Gelet op de strekking van de arresten genoemd in 5.2.1 en 5.2.2 moet, indien na intrekking van het beroep nog slechts de proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand in beroep als bedoeld in artikel 8:75a Awb in geding is, voor het einde van de redelijke termijn van de procedure in de hoofdzaak worden aangesloten bij de datum waarop de Heffingsambtenaar geheel aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen. Het beroep van belanghebbende op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 15 juni 2016, ECLI:CRVB:2016:2209, en van 31 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2601, waarin is beslist overeenkomstig de opvatting van belanghebbende, leidt het Hof daarom niet tot een ander oordeel. Dit neemt overigens niet weg dat de rechter ten aanzien van het verzoek om een proceskostenvergoeding dat bij de intrekking van het beroep is gedaan, binnen een redelijke termijn uitspraak behoort te doen.

5.6.

Vanaf de ontvangst van de bewaarschriften door de Heffingsambtenaar op 12 december 2017 tot en met 26 maart 2019, de datum van de uitspraken op bezwaar (die zijn gedaan gedurende de beroepsprocedure), zijn één jaar en ruim drie maanden verstreken. De redelijke termijn voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep is niet overschreden, omdat de procedure tot de datum van de uitspraken op bezwaar niet langer heeft geduurd dan twee jaar (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.4.2). Verder is gesteld noch gebleken dat de redelijke termijn van de procedure ten aanzien van het verzoek om vergoeding van proceskosten is overschreden. De Rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dan ook terecht afgewezen.

5.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, I. Obbink-Reijngoud en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 4 november 2020 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Peters.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.