Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2066

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
200.260.374/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Samenloop tussen (aanvullende) zorgverzekering en reisverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2021/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.260.374/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/554643 / HA ZA 18-667

arrest van 10 november 2020

inzake

Onderlinge Waarborgmaatschappij Zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid U.A.,

gevestigd te Leiden,

appellante,

hierna te noemen: ZZ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: NN,

advocaat: mr. T. Smith-Hussein te Den Haag.

1 Het verloop van het geding

1.1

Bij exploot van 6 mei 2019 is ZZ in hoger beroep gekomen tegen een tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 april 2019. ZZ heeft bij memorie van grieven drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft producties overgelegd.

1.2

Bij memorie van antwoord heeft NN de grieven bestreden en producties overgelegd.

1.3

Partijen hebben vervolgens beide nog een akte genomen.

1.4

Partijen hebben op 6 oktober 2020 hun zaak via een Skype-zitting doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. ZZ heeft ter gelegenheid van het pleidooi stukken overgelegd. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft Z&Z haar vordering verminderd, in die zin dat zij haar vordering over het jaar 1996 heeft ingetrokken.

1.5

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Inleiding

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, aangevuld met hetgeen in hoger beroep ook is komen vast te staan

2.2.

Het gaat in deze zaak om de vraag of er samenloop (in de zin van art. 7:961 BW) is tussen de aanvullende zorgverzekeringen van ZZ en de reisverzekeringen van NN in de periode 1997-2013. De feiten in deze zaak zijn als volgt.

( i) De aanvullende zorgverzekeringen die ZZ in de periode 1997-2013 aanbood, bevatten alle een harde na-u-clausule. Ter zitting in hoger beroep heeft ZZ toegelicht dat de polisvoorwaarden in de jaren 1997-2013 jaarlijks werden herzien, maar dat alle polisvoorwaarden (vrijwel) dezelfde bepaling over dubbele dekking bevatten. De onder (ii) en (iii) geciteerde clausules vormen een illustratie hiervan.

( ii) Art. 15 van de Aanvullende zorgverzekering 1997 luidt als volgt:

“DUBBELE DEKKING

ARTIKEL 15

“Aan de verzekering kan geen recht op verstrekkingen c.q. vergoeding van kosten worden ontleend, indien en voor zover de schade is gedekt door enige andere verzekering (al dan niet van oudere datum) of op grond van enige wet of andere voorziening, ofwel gedekt zou kunnen zijn, indien deze verzekering niet zou hebben bestaan. De verzekerde heeft in dit geval uitsluitend recht op verstrekkingen c.q. vergoeding van kosten voor zover de vergoeding het bedrag te boven gaat waarop de verzekerde elders aanspraak zou kunnen maken.”

( iii) Art. 3.14 van de aanvullende verzekering 2003 luidde als volgt:

“3.14 DUBBELE DEKKING

U kunt geen aanspraak maken op vergoeding van kosten.

Indien de kosten zijn ontstaan door ziekten of ongevallen en volgens een wettelijke geregelde verzekering, een verzekering van overheidswege, enigerlei subsidieregeling of – ware de onderhavige verzekeringsovereenkomst niet gesloten – een andere dan deze overeenkomst voor de daaruit voortvloeiende kosten aanspraken kan doen gelden. Deze verzekering geldt slechts als excedent boven de dekking die onder een andere verzekering, regeling van overheidswege, subsidieregeling is verleend of zou zijn verleend indien de onderhavige verzekering niet zou hebben bestaan.”

( iv) Ter zitting in hoger beroep heeft NN toegelicht dat zij in de jaren 1997-2013 de polisvoorwaarden voor de doorlopende en kortdurende reisverzekeringen slechts een enkele keer heeft gewijzigd. ZZ heeft de polisvoorwaarden die golden vóór 2006 overgelegd. Naar het hof begrijpt achten partijen deze voorwaarden illustratief voor de gehele in het geding zijnde periode.

( v) De polisvoorwaarden van de doorlopende reisverzekering van NN (polismantel 436-95) bepalen:

HOOFDSTUK II

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING

Artikel 2 Algemeen

(…)

Artikel 3 Verzekeringsgebied, dekkingsperiode en -omvang

(…)

Artikel 4 Verlening dekkingsperiode

(…)

Artikel 5 Hulpverlening

De dekking onder dit artikel is uitsluitend van kracht indien en voor zover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde

(…)

Artikel 6 Buitengewone kosten

De dekking onder dit artikel is uitsluitend van kracht indien en voor zover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde

(…)

Artikel 7 Bagage

(…)

Artikel 8 Schade logiesverblijven

(…)

De dekking als omschreven in art. 9 en 10 is uitsluitend van toepassing indien en voor zover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde

Artikel 9: Kosten van geneeskundige behandeling

9.1

Deze rubriek kan alleen meeverzekerd zijn en dekking geven indien er in Nederland een primaire dekking voor geneeskundige kosten via ziekenfonds of particuliere ziektekostenverzekering van kracht is. Indien gedurende de looptijd van de verzekering de primaire dekking wegvalt, dient dit aan de maatschappij gemeld te worden. De dekking vervalt per datum van het wegvallen van de primaire dekking. De premie-hoogte wordt dienovereenkomstig aangepast.

(…)

Artikel 10 Kosten van tandheelkundige behandeling

(…)

Artikel 12 Andere verzekeringen/voorzieningen

Krachtens deze verzekering bestaat geen recht op uitkering van de schade en kosten waarvoor, indien deze verzekering niet bestond, aanspraak gemaakt zou kunnen worden op vergoeding van enige andere verzekering, al dan niet van oudere datum, dan wel op grond van enige wet of voorziening. (…)”

(vi) De polisvoorwaarden van de gewone (kortlopende) reisverzekering van NN (polismantel 403-95) bepalen het volgende:

HOOFDSTUK II

OMSCHRIJVING VAN DE DEKKING

Artikel 2 Verzekeringsgebied

(…)

Artikel 3 Bagage

(…)

Artikel 4 Hulpverlening

De dekking onder dit artikel is uitsluitend van kracht indien de hiervoor verschuldigde premie is berekend en voorzover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde.

(…)

De dekking als omschreven in art. 5 en 6 is uitsluitend van kracht indien de hiervoor verschuldigde premie is berekend en voorzover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde.

Artikel 5 Kosten van geneeskundige behandeling

5.1

Omschrijving van de dekking

a. De verzekering geeft vergoeding tijdens de looptijd van de verzekering medisch noodzakelijk geworden en gemaakte kosten van geneeskundige behandeling zoals onder 5.2 vermeld, voorzover de behandeling niet kon worden uitgesteld tot na terugkeer naar Nederland.

(…)

Artikel 6 Kosten van tandheelkundige behandeling

(…)

Artikel 11 Andere verzekeringen/voorzieningen

Krachtens deze verzekering bestaat geen recht op uitkering van de schade en kosten waarvoor, indien deze verzekering niet bestond, aanspraak gemaakt zou kunnen worden op vergoeding van enige andere verzekering, al dan niet van oudere datum, dan wel op grond van enige wet of voorziening. (…)”

2.3

ZZ heeft in eerste aanleg betaling van € 43.153,96 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Verder heeft zij een verklaring voor recht gevorderd dat NN in geval van samenloop tussen de in deze procedure bedoelde polissen, gehouden is tot afwikkeling op basis van art. 7:961 BW. Dit houdt volgens ZZ in dat NN 50% heeft te voldoen van de uitkeringen en verstrekkingen die ZZ heeft gedaan onder de aanvullende zorgverzekeringen die samenlopen met de reisverzekeringen van NN.

2.4

NN heeft de vorderingen van ZZ weersproken.

2.5

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat de reisverzekeringen van NN niet dezelfde schade dekken als de aanvullende zorgverzekeringen van ZZ, omdat de reisverzekeringen slechts het excedent dekken.

2.6

In hoger beroep heeft ZZ geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis. In hoger beroep vordert zij – na vermeerdering van eis bij memorie van grieven en vermindering van eis bij pleidooi in hoger beroep – betaling van een hoofdsom van € 47.566,24 (€ 47.644,19 minus € 77,95), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 september 2011, althans vanaf 15 juni 2018, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.630,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2018.

2.7

NN heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.

3 Beoordeling in hoger beroep

3.1

ZZ heeft in hoger beroep haar vordering tot betaling verder verduidelijkt. De vordering betreft een groot aantal facturen over de jaren 1996-2013. Zij heeft bij memorie van grieven een totaaloverzicht overgelegd dat sluit op € 47.644,19, alsmede de onderliggende nota’s die zij daarvoor aan NN heeft gezonden. ZZ heeft haar vordering bij pleidooi in hoger beroep met een bedrag van € 77,95 verminderd. Dit bedrag betreft de vordering over het jaar 1996. ZZ heeft dit als volgt toegelicht. De polisvoorwaarden van de aanvullende zorgverzekeringen van ZZ kenden vanaf 1997 een harde na-u-clausule. Daarvoor was sprake van een zachte na-u-clausule. ZZ is van mening dat NN alleen in de periode dat de harde na-u-clausule gold aansprakelijk is voor 50% van de uitkeringen en verstrekkingen die ZZ heeft gedaan aan verzekerden die ook een reisverzekering (met dekking voor medische kosten) bij NN hadden.

3.2

De grieven 1 en 2 van ZZ lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij strekken ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van samenloop omdat de reisverzekeringen slechts het excedent dekken. Alvorens de grieven te behandelen, zal het hof ingaan op het verweer van NN dat de vordering van ZZ is verjaard; dit verweer gaat ten dele op (rov. 3.3-3.9). Vervolgens zal het hof de grieven van ZZ bespreken en concluderen dat er geen sprake is van samenloop zodat de vordering van ZZ niet toewijsbaar is (3.10-3.13).

De vordering is deels verjaard

3.3

NN heeft aangevoerd dat de vordering van ZZ in ieder geval voor een deel is verjaard.

3.4

Voor een regresvordering als die van ZZ geldt, anders dan ZZ heeft bepleit, ingevolge art. 3:310 BW een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze termijn vangt voor iedere nota afzonderlijk aan, telkens op de dag na die waarop ZZ de schade aan de verzekerde heeft vergoed voor meer dan zijn deel (HR 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:889). De laatste nota van ZZ aan NN dateert van 26 maart 2013. Daarin is voor zover relevant het volgende vermeld:

“Op verzoek van onderstaande verzekerde hebben wij de nota(‘s) voor verleende geneeskundige hulp in Tsjechië voldaan.

(…)

Wij hebben € 548,74 ten laste van de aanvullende verzekering betaald aan de verzekerde. Wij verzoeken u om 50% van dit bedrag, te weten € 274,37, aan ons over te maken (…).”

Uit dit citaat volgt dat ZZ het bedrag van € 548,74 uiterlijk op 26 maart 2013 aan haar verzekerde heeft voldaan. De verjaringstermijn van de laatste nota vangt dus (uiterlijk) aan op 27 maart 2013. De verjaring van de rechtsvordering tot betaling van deze nota was ten tijde van de inleidende dagvaarding, die dateert van 5 juni 2018, voltooid. Aangenomen moet worden dat ook ter zake van alle eerdere nota’s aan NN de verjaringstermijn is voltooid. Immers, het was gebruikelijk dat ZZ pas betaling van NN vorderde, nadat zij de nota’s van de desbetreffende verzekerden al had voldaan.

3.5

ZZ heeft echter aangevoerd dat zij de verjaring heeft gestuit. Zij heeft zich daarbij uitsluitend beroepen op de brieven van 9 augustus 2011, 5 juni 2013 en 15 september 2016. ZZ heeft niet gesteld dat zij vóór 9 augustus 2011 enige stuitingshandeling heeft verricht. Dat betekent dat de vordering in ieder geval is verjaard voor zover deze ziet op nota’s van vóór 9 augustus 2006. Voor de nota’s aan NN die dateren van ná 9 augustus 2006, moet worden onderzocht of de verjaring is gestuit. Nu ZZ in de periode augustus-december 2006 geen nota’s aan NN heeft verzonden, gaat het concreet om de nota’s vanaf 2007 (de eerste nota dateert van 12 januari 2007) tot en met 2013 (de laatste nota dateert van 26 maart 2013).

3.6

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. De schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Daarbij kan ook betekenis toekomen aan verdere correspondentie tussen partijen (HR 18 september 2015, ECLI:NLHR:2015:2741).

3.7

De drie stuitingsbrieven hebben de volgende inhoud.

 De brief van 9 augustus 2011 van de toenmalige advocaat van ZZ aan NN heeft als referentie “Schadenummer 31071159”. De brief maakt melding van een langslepend dispuut over de vraag of NN is gehouden tot terugbetaling aan ZZ van een deel van de door ZZ uitgekeerde ziektekosten die tevens gedekt zijn onder bij NN afgesloten reisverzekeringen. In de brief bespreekt de advocaat van ZZ waarom zij van mening is dat NN 50% van de door ZZ onder de aanvullende verzekering betaalde ziektekosten aan ZZ dient terug te betalen. De brief sluit af met het verzoek om binnen veertien dagen te laten weten of NN bereid is het geschil op deze wijze op te lossen en met de mededeling dat ZZ overweegt de rechter in deze kwestie om een uitspraak te verzoeken en dat NN de brief moet beschouwen als mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW.

 De brief van 5 juni 2013 van ZZ aan NN heeft als kenmerk “diverse en schadenummer 31071159”. Het onderwerp van de brief is “stuiting verjaring vordering inzake samenloop reisverzekering / aanvullende verzekering”. ZZ schrijft in de brief dat zij zich ondubbelzinnig en nadrukkelijk al haar rechten voorbehoudt, in het bijzonder het recht op nakoming van de openstaande vordering. ZZ verwijst naar “de reeds gevoerde correspondentie tussen Nationale Nederlanden en Zorg en Zekerheid”. Medegedeeld wordt dat de brief is te beschouwen als stuiting van de verjaring.

 De brief van 15 september 2016 is afkomstig van mr. Endedijk, namens ZZ, en is gericht aan NN. Mr. Endedijk verwijst in die brief naar correspondentie over de kwestie van de samenloop tussen zorgverzekeringen en reisverzekeringen. Hij nodigt NN uit tot overleg en kondigt aan een dagvaarding (waarvan een concept is bijgevoegd) te zullen laten betekenen indien het overleg op niets uitloopt.

3.8

Tussen partijen is niet in geschil dat NN in de periode 2007-2013 NN telkens een nota heeft gestuurd als zij aanspraak maakte op betaling door NN van 50% van de vergoeding die ZZ aan een verzekerde had verstrekt. De desbetreffende nota’s zijn overgelegd als productie 13 bij memorie van grieven. NN heeft de ontvangst daarvan niet betwist. Evenmin is in geschil dat partijen in de loop der jaren verschillende keren overleg hebben gevoerd over de vraag of sprake was van samenloop van de aanvullende zorgverzekering van ZZ en de doorlopende en kortlopende reisverzekeringen van NN. De brieven van 9 augustus 2011 en 5 juni 2013 hebben duidelijk op deze kwestie betrekking. Gezien de individuele nota’s die NN telkens van ZZ ontving, moet het voor NN duidelijk zijn geweest dat de mededeling (in de beide brieven) dat de brief als stuiting van de verjaring moet worden opgevat, zag op de verjaring van de vorderingen tot betaling van de reeds toegezonden nota’s. Dat NN (in ieder geval) de brief van 9 augustus 2011 als zodanig heeft opgevat, blijkt uit haar reactie van 18 augustus 2011. Daarin schrijft NN dat volgens haar geen sprake is van samenloop en sluit zij af met de volgende passage:

“Gezien het vorenstaande zal het duidelijk zijn dat wij geen gevolg zullen geven aan uw verzoek om alsnog voor 50% te participeren in de door Zorg en Zekerheid betaalde ziektekosten, aangezien Zorg en Zekerheid vanwege de in de reisverzekering opgenomen excedentdekking daar geen recht op heeft.

Gezien het vorenstaande nemen wij aan onze visie met betrekking tot onze vergoedingsplicht voldoende te hebben geadstrueerd en wij hopen met bovenstaande reactie u van de juistheid van ons standpunt te hebben kunnen overtuigen.”

3.9

Het hof concludeert dat de brieven van 9 augustus 2011 en 5 juni 2013 een voldoende waarschuwing inhouden dat ZZ nog steeds aanspraak maakt op de betaling van de reeds eerder toegezonden nota’s over de jaren daarvoor. De verjaring van de vordering tot betaling van de nota’s over de jaren 2007-2013 is met deze brieven dus gestuit en er is op 6 juni 2013 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen. De inleidende dagvaarding dateert van 5 juni 2018 en is dus tijdig uitgebracht. De vordering tot betaling van de nota’s over de jaren 2007-2013 is niet verjaard. De status van de brief van 15 september 2016 kan bij deze stand van zaken onbesproken blijven.

Er is geen sprake van samenloop

3.10

De rechtbank heeft overwogen dat in dit geval van samenloop geen sprake is omdat de kortlopende en doorlopende reisverzekeringen van NN niet dezelfde schade dekken als de aanvullende zorgverzekering van ZZ. De reisverzekeringen dekken slechts het excedent zoals blijkt uit de aanhef van de dekkingsbepalingen van de rubrieken “kosten van geneeskundige behandeling”. Deze aanhef in de polisvoorwaarden voor de doorlopende reisverzekering luidt als volgt:

“De dekking als omschreven in art. 9 en 10 is uitsluitend van toepassing indien en voor zover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde”

De aanhef in de polisvoorwaarden voor de kortlopende reisverzekering luidt:

“De dekking als omschreven in art. 5 en 6 is uitsluitend van kracht indien de hiervoor verschuldigde premie is berekend en voorzover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde.”

Hieruit volgt – aldus de rechtbank – dat NN voor het afsluiten van deze rubrieken van de reisverzekeringen het bestaan van een zorgverzekering veronderstelt. Dit blijkt ook uit art. 9.1 (eerste zin) van de doorlopende reisverzekering. De rechtbank oordeelt verder dat uit de hiervoor weergegeven aanheffen ook volgt dat slechts sprake is van dekking onder de reisverzekeringen als er geen dekking bestaat onder de (aanvullende) zorgverzekering. NN dekt dus uitsluitend risico’s voor zover deze onder de aanvullende zorgverzekeringen van ZZ niet worden vergoed. Dat betekent dat slechts dekking bestaat voor het excedent. Deze uitleg vindt steun in de door NN overgelegde aanvraagbrochure voor de doorlopende reisverzekering, aldus nog steeds de rechtbank.

3.11

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en maakt dit oordeel tot het zijne. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Anders dan ZZ veronderstelt, zijn in deze zaak de clausules over “samenloop” en “dubbele dekking” niet van belang en doet evenmin ter zake dat (zoals ZZ stelt) het in alle gevallen gaat om een harde na-u-clausule. Die clausules hebben uitsluitend relevantie wanneer zich samenloop van twee verzekeringen voordoet in de zin van art. 7:961 BW. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarvan geen sprake is. NN heeft in haar reisverzekeringen op het punt van de medische kosten een afzonderlijke regeling getroffen die inhoudt dat – zoals de rechtbank heeft overwogen – de risico’s ter zake van medische kosten slechts worden gedekt voor zover deze niet vallen onder de dekking van een (aanvullende) zorgverzekering. Dat dit de juiste uitleg is van de hiervoor onder 3.10 weergegeven bepalingen uit de polisvoorwaarden van NN, wordt onderstreept door de brochure die NN heeft overgelegd. De brochure is bedoeld als toelichting voor aspirant-verzekerden op de door hen te sluiten reisverzekering. Hierin wordt toegelicht dat kan worden gekozen voor dekking voor medische kosten in aanvulling op de zorgverzekering. In de brochure staat:

“De rubriek geneeskundige en tandheelkundige behandeling is bedoeld voor onverwachte medische uitgaven, als aanvulling op uw zorgverzekering. Niet elke zorgverzekeraar vergoedt namelijk alle gemaakte kosten. Zo zijn kosten van ziekenvervoer (repatriëring) vaak niet verzekerd. En het is helemaal afhankelijk van de dekking die uw zorgverzekering biedt, of u in alle landen aanspraak kunt maken op medische behandeling en of u de ziekhuisrekening volledig vergoed krijgt. (…).”

En verder:

“U kunt het basispakket beperken door af te zien van de dekking voor de kosten van geneeskundige en tandheelkundige hulp en/of ongevallen. Houd er echter wel rekening mee dat de dekking voor medische kosten in uw reisverzekering vaak meer biedt dan die van uw ziektekostenverzekering (denk daarbij aan een eventueel eigen risico of maximale vergoedingen).”

3.12

ZZ voert verder aan dat vrijwel iedereen in Nederland een ziektekostenverzekering heeft. Er is dus vrijwel altijd voldaan aan de voorwaarde in de eerste zin van art. 9.1 van de polisvoorwaarden voor de doorlopende verzekering, inhoudend dat NN slechts dekking biedt als een verzekerde ook een zorgverzekering heeft. Naar het hof begrijpt is ZZ van mening dat samenloop daarom juist wel aan de orde is. Dit betoog faalt. Uit art. 9.1 eerste zin, volgt enkel dat een persoon zonder Nederlandse zorgverzekering geen medische kosten kan meeverzekeren op de doorlopende reisverzekering van NN. ZZ wijst er op zichzelf terecht op dat personen met een gewone verblijfplaats in Nederland in bijna alle gevallen een zorgverzekering hebben. Echter, de conclusie die ZZ daaruit trekt, te weten dat er in die situatie dan dus ook in bijna alle gevallen sprake is van dubbele dekking, dus van dubbele verzekering van hetzelfde belang, kan het hof niet volgen. Immers, de polisvoorwaarden bepalen óók dat de dekking als omschreven in art. 9 en 10 uitsluitend van toepassing is indien en voor zover er geen dekking bestaat onder de ziektekostenverzekering van verzekerde. Daar komt nog bij dat niet valt in te zien waarom NN (als redelijk handelend verzekeraar) in haar polisvoorwaarden zou stipuleren dat haar aspirant-verzekeringnemers een dubbele verzekering van het hetzelfde belang zouden sluiten (met de daaraan verbonden extra premielasten).

3.13

De conclusie is dat de grieven 1 en 2 falen. Grief 3 ziet op de onderbouwing van de omvang van de vordering. Bij de bespreking daarvan heeft ZZ geen belang meer. Het hof zal het bewijsaanbod van ZZ passeren omdat dit onvoldoende concreet, althans niet terzake dienend is. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en ZZ zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt ZZ in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van NN tot aan deze uitspraak bepaald op € 2.020,- aan verschotten en € 6.856,50 voor salaris en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat;

- bepaalt dat het nasalaris voor de advocaat wordt verhoogd met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

- bepaalt dat de bedragen aan kostenveroordeling binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

- verklaart dit arrest wat betreft de betalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, P.M. Verbeek en G. Tangenberg en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter terechtzitting van 10 november 2020 in aanwezigheid van de griffier.