Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2005

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
2200087416
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

285b Sr - telkens belaging; GEV 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren + TS 120 uren + beslag. Vernietiging. Voeging in hoger beroep. Vrijspraak van tenlastegelegde binnendringen in geautomatiseerd werk (138ab Sr), nu (1) een Facebook-account niet kan worden aangemerkt als een geautomatiseerd werk, (2) de webserver en/of het netwerk en/of de computer(s)(systemen) achter het Facebook-account niet toebehoren aan het slachtoffer en (3) op basis van het procesdossier slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte de beveiligingsvraag behorende bij het wijzigen van de inloggegevens van het Facebook-account van het slachtoffer juist heeft beantwoord en vervolgens een nieuw e-mailadres heeft opgegeven en aldus op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de verdachte zich daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot afgeschermde gegevens in het Facebook-account. Bewezenverklaring van belaging. Verdachte heeft een stelselmatige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers d.m.v. o.a. het versturen van mails en WhatsApp berichten, het aanmaken van websites met de volledige aanduiding van de voor- en achternaam van een van de slachtoffers, het inloggen op het Facebook-account van een van de slachtoffers en het plaatsen van tatoeages met de naam/initialen van de slachtoffers. De tatoeages leveren naar het oordeel van het hof een inbreuk op, nu de slachtoffers hiervan op de hoogte zijn geraakt. Vanwege ouderdom van de zaak en gedrag van verdachte geen reden tot oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummers: 22-000874-16 en 22-000696-18

(gevoegd in hoger beroep)

Parketnummers: 10-691053-15 en 10-080359-17

Datum uitspraak: 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2016 respectievelijk 13 februari 2018 in de strafzaken tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] (Bangladesh),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-691053-15 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis waarvan beroep, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-080359-17 onder 1 en 2 tenlastegelegde is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden als vermeld in het vonnis waarvan beroep, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp en is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Namens de verdachte is tegen beide vonnissen hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2019 heeft het hof de voeging bevolen van de zaken tegen verdachte, welke onder de parketnummers 10-691053-15 en 10-080359-17 bij afzonderlijke dagvaardingen zijn aangebracht, nu deze zaken dezelfde verdachte betreffen en voeging in het belang van het onderzoek is.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding met parketnummer

10-691053-15 en in de inleidende dagvaarding met parketnummer 10-080359-17.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.


1.
zij in of omstreeks de periode van 5 november 2014 tot en met 8 maart 2015 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens), wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 1], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door

immers heeft zij, verdachte, (tekens) op verschillende data in voormelde periode (onder meer):

- zogenaamde whatsapp berichten naar de mobiele telefoon(s) van die [slachtoffer 1] verstuurd en/of

- ( een) voicemailbericht(en) ingesproken en/of

- ( een) email(s) verstuurd naar (een collega van) die [slachtoffer 1] en/of

- ( een) facebook account(s) op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en/of (vervolgens) één of meer foto's van die [slachtoffer 1] en/of (een) liefdesverklaring(en) op voornoemd(e) facebook account(s) gepost en/of geplaatst en/of

- ( een) twitter account(s) op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en/of

- ( een) instagram account(s) op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en/of

- één of meer website(s) op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd, te weten: [slachtoffer 1].com en/of [slachtoffer 1].net en/of [slachtoffer 1].info en/of Okefe[slachtoffer 1].com en/of

- een tatoeage met de naam "[slachtoffer 1]" op haar, verdachtes, (onder)arm laten tatoeëren althans laten aanbrengen en/of

- ( persoonlijke) gegevens en/of foto's van die [slachtoffer 1], weergegeven op social media dan wel van websites van familieleden en/of bekende(n) van die [slachtoffer 1], gekopieerd/overgenomen van die social media dan wel van die websites van die familieleden en/of bekende(n) van die [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) die gegevens en/of foto('s) geplaatst en/of gepost op de website(s) [slachtoffer 1].com en/of [slachtoffer 1].net en/of [slachtoffer 1].info en/of Okefe[slachtoffer 1].com;


2.
zij op of omstreeks 20 september 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk in (een) geautomatiseerd(e) werk(en) voor opslag of verwerking van gegevens, te weten

- een facebook account toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of

- een webserver en/of een netwerk toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of

- een of meerdere computer(s)(systemen) toebehorende aan die [slachtoffer 2],

- althans een webserver en/of een netwerk en/of een computer(systeem) toebehorende aan (een) ander(en) dan verdachte, is binnengedrongen, waarbij zij, verdachte, toegang tot dat/die werk(en) heeft verworven door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische ingreep en/of met hulp van valse signalen en/of valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, immers heeft verdachte gebruik gemaakt van (een) (combinatie(s) van) gebruikersna(a)m(en) en/of wachtwoord(en), waartoe zij, verdachte, niet gerechtigd was;

3.
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 augustus 2016 tot en met 23 december 2016 te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer 2], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

immers heeft zij, verdachte, (telkens) op verschillende data in voormelde periode (onder meer):

- ( een) email(s) verstuurd naar voornoemde [slachtoffer 2] en/of (een) email(s) verstuurd naar één of meerdere perso(o)n(en) waar die [slachtoffer 2] contact mee had en/of

- ingelogd op de facebook account(s) toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of getracht in te loggen waarbij die [slachtoffer 2] via haar e-mail (telkens) één of meerdere melding(en) kreeg van deze inlogpoging(en) en/of

- een facebook bericht met daarin een liefdesverklaring naar het facebook account van die [slachtoffer 2] verzonden en/of

- een liefdesverklaring betreffende die [slachtoffer 2] op haar, verdachtes, facebook account gepost en/of geplaatst en/of

- een tatoeage met de initialen van die [slachtoffer 2] "[initialen slachtoffer 2]" op haar, verdachtes, hand laten tatoeëren althans laten aanbrengen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en onder de bijzondere voorwaarden van een locatie- en een contactverbod, die dadelijk uitvoerbaar dienen te worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak (feit 2)

De verdachte is onder 2, eerste gedachtestreepje tenlastegelegd dat zij wederrechtelijk een geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens zou zijn binnengedrongen, te weten het Facebook-account van [slachtoffer 2]. Het hof is van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden verklaard. Onder ‘geautomatiseerd werk’ wordt blijkens artikel 80sexies van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – zoals geldend op de ten laste gelegde datum 16 september 2016 – verstaan ‘een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan, te verwerken en over te dragen’. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever in de begripsbepaling van het ‘geautomatiseerd werk’ steeds het oog gehad op uitsluitend fysieke apparaten (vergelijk Kamerstukken II, 1991-1992, 21 551, nr. 3, p. 5 en 6 en Kamerstukken II, 2018-2019, 34 372, nr. 3, p. 85 e.v.). Een account op Facebook bestaat feitelijk slechts uit een samenstel van gegevens en heeft daarmee geen fysieke vorm. Om die reden kan een Facebook-account niet worden aangemerkt als geautomatiseerd werk, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Dat geldt eveneens ten aanzien van het tweede en derde gedachtestreepje, aangezien de webserver en/of het netwerk en/of de computer(s)(systemen) achter het Facebook-account waarop de verdachte trachtte in te loggen niet toebehoren aan [slachtoffer 2]. Het tweede en het derde gedachtestreepje uit de tenlastelegging kunnen naar het oordeel van het hof daarom evenmin wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Wat betreft het vierde gedachtestreepje constateert het hof dat op basis van de inhoud van het procesdossier en hetgeen de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard slechts kan worden vastgesteld dat de verdachte de beveiligingsvraag behorende bij het wijzigen van de inloggegevens van het Facebook-account van [slachtoffer 2], juist heeft beantwoord en vervolgens een nieuw e-mailadres voor dat account heeft opgegeven. De verdachte heeft verklaard dat het Facebook-account hierna tijdelijk door Facebook werd geblokkeerd en dat zij vervolgens niet verder heeft geprobeerd toegang te krijgen tot gegevens behorende bij dat Facebook-account van [slachtoffer 2]. De inhoud van het strafdossier bevat geen verdere informatie over de precieze werking van Facebook in dit opzicht en evenmin bewijsmiddelen die erop duiden dat de verdachte zich daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot afgeschermde gegevens in het Facebook-account van [slachtoffer 2].
Nu het dossier geen andere informatie bevat betreffende het binnendringen van enige webserver, netwerk of computer(systeem) kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte een webserver, netwerk of computer(systeem) toebehorende aan een ander dan de verdachte is binnengedrongen.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging (feiten 1 en 3)

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat zowel de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1] als de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1] voert de advocaat-generaal – overeenkomstig het oordeel en de motivering in eerste aanleg - daartoe aan dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1]. Met betrekking tot de geplaatste tatoeage met de naam van [slachtoffer 1] stelt de advocaat-generaal dat dit eveneens een indringende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] heeft opgeleverd, nu de verdachte [slachtoffer 1] met de tatoeage heeft geconfronteerd.

Met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 2] voert de advocaat-generaal aan dat de gedragingen van de verdachte in vergelijking tot die ten aanzien van [slachtoffer 1] weliswaar minder omvangrijk zijn geweest, maar dat het samenstel van die gedragingen door de intensiteit van de gedragingen toch aan te merken is als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Aangezien [slachtoffer 2] ook door de verdachte op de hoogte is gebracht van de tatoeage met de initialen van [slachtoffer 2], kan dit volgens de advocaat-generaal eveneens bewezen worden verklaard als onderdeel van de belaging.

Standpunt raadsman

Door en namens de verdachte is – kort en zakelijk weergegeven - ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte in beide onderhavige zaken weliswaar bepaalde gedragingen heeft verricht, maar dat dit desondanks geen belaging in de zin van artikel 285b Sr oplevert.

Met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1] stelt de verdediging zich daartoe op het standpunt dat haar persoonlijke levenssfeer door de verdachte niet geschonden is, nu de verdachte slechts gebruik heeft gemaakt van foto’s en informatie die reeds door [slachtoffer 1] zelf op social media waren geplaatst, waardoor [slachtoffer 1] zelf haar recht op privacy ten aanzien van die foto’s en die informatie had prijs gegeven. De verdediging betwist verder dat het door de verdachte laten plaatsen van de tatoeage met de naam van [slachtoffer 1] dermate indringend is dat het een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] oplevert. De verdediging verzoekt het hof de verdachte derhalve vrij te spreken van de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1].

Met betrekking tot de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 2] stelt de verdediging zich op het standpunt dat de hoeveelheid berichten en de wijze waarop deze berichten zijn verstuurd, gelet op de aard van de berichten, geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer opleveren. De berichten zijn volgens de verdediging bovendien verstuurd, omdat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer 2] jegens haar als contactpersoon van de gemeente fungeerde. De verdediging heeft verklaard dat de berichten pas tegen het einde persoonlijker werden, maar stelt dat een liefdesverklaring op zichzelf geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Met betrekking tot het wijzigen van het wachtwoord van het Facebook-account van [slachtoffer 2] en de meldingen die [slachtoffer 2] daarvan zou hebben ontvangen stelt de verdediging zich op het standpunt dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te kunnen stellen dat de verdachte deze wijzigingen heeft aangebracht. Met betrekking tot de geplaatste tatoeage betwist de verdediging wederom dat dit dermate indringend is dat het een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2] oplevert. De verdediging verzoekt het hof de verdachte derhalve eveneens vrij te spreken van de tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 2].

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr verschillende factoren van belang zijn: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vergelijk HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Het hof stelt met betrekking tot de onder 1 tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 1] op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer 1] heeft op 30 november 2014, na meerdere WhatsAppberichten van de verdachte te hebben ontvangen, aan de verdachte laten weten dat de relatie tussen hen puur zakelijk was en dat [slachtoffer 1] het daarbij wilde laten. De verdachte heeft de aangeefster vervolgens via WhatsApp met rust gelaten. De verdachte heeft echter wel nog diverse Facebook-, Twitter- en Instagram-accounts en verschillende websites aangemaakt op naam van [slachtoffer 1]. Op deze accounts en websites heeft de verdachte gedurende een periode van ruim drie maanden een liefdesverklaring aan en foto’s en persoonlijke gegevens van de aangeefster geplaatst. Op de websites met de naam van [slachtoffer 1] plaatste de verdachte ook grievende informatie. Het gezicht van [slachtoffer 1] werd als profielfoto gebruikt. Hiervan was het slachtoffer niet gediend. Het slachtoffer heeft bovendien verklaard dat de gedragingen van de verdachte haar persoonlijke leven en persoonlijke vrijheid in sterke mate negatief hebben beïnvloed.

Het hof stelt met betrekking tot de onder 3 tenlastegelegde belaging van [slachtoffer 2] op grond van de gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

[slachtoffer 2] heeft gedurende een periode van ongeveer een maand meerdere e-mails ontvangen van de verdachte. De verdachte heeft voorts getracht in te loggen op het Facebook-account van [slachtoffer 2]. De verdachte heeft daarbij de beveiligingsvraag juist beantwoord en vervolgens haar eigen e-mailadres ingevuld. [slachtoffer 2] is hierna door Facebook op de hoogte gesteld met het bericht dat het leek alsof iemand toegang heeft verkregen tot het account van [slachtoffer 2]. Via Facebook heeft de verdachte een liefdesverklaring verzonden aan [slachtoffer 2].

Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de persoonlijk levens en de persoonlijke vrijheden van de slachtoffers - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers sprake is geweest. Hierbij verwijst het hof in het bijzonder naar de inhoud van de aangiftes van beide slachtoffers, de frequentie en inhoud van de door de verdachte aan de slachtoffers verzonden berichten alsmede, ten aanzien van [slachtoffer 1], de 3 door de verdachte aangemaakte websites met volledige aanduiding van haar voor- en achternaam.


Uit deze berichten komt naar voren dat de verdachte op indringende, intensieve en obsessieve wijze heeft geprobeerd met de slachtoffers in contact te komen. Ook blijkt hieruit dat in ieder geval het slachtoffer [slachtoffer 1] via WhatsApp aan de verdachte te kennen heeft gegeven van haar toenaderingen niet gediend te zijn. De gevolgen die de gedragingen van de verdachte in de persoonlijke levens en de persoonlijke vrijheden van de slachtoffers teweeg hebben gebracht zijn groot.

Het plaatsen van de tatoeages met de naam van [slachtoffer 1] en de initialen van [slachtoffer 2] levert naar het oordeel van het hof in samenhang met de overige gedragingen van de verdachte een inbreuk op de persoonlijke levenssferen van de slachtoffers op, nu de beide slachtoffers op de hoogte zijn geraakt van het plaatsen van deze tatoeages. De verdachte heeft online op pagina’s met de naam van [slachtoffer 1] aangekondigd de tatoeage te zullen plaatsen en achteraf foto’s van de tatoeage geplaatst. De verdachte heeft [slachtoffer 2] voorafgaand aan het plaatsen van de tatoeage gemaild dat zij een tatoeage met de initialen van [slachtoffer 2] zou laten plaatsen en achteraf heeft de verdachte aan [slachtoffer 2] een e-mail gestuurd met in de bijlage twee foto’s waarop de hand van de verdachte te zien is met daarop een tattoo met de initialen ‘[initialen slachtoffer 2]’.

Het hof acht daarmee bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 3 tenlastegelegde belagingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.
zij in of omstreeks de periode van 30 november 2014 tot en met 8 maart 2015 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1], te dulden,

immers heeft zij, verdachte, op verschillende data in voormelde periode:

- een Facebook-account op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en (vervolgens) foto's van die [slachtoffer 1] en een liefdesverklaring op voornoemd Facebook-account gepost en/of geplaatst en

- Twitter-accounts op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en

- een Instagram-account op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd en

- websites op naam van die [slachtoffer 1] aangemaakt/aangevraagd, te weten: [slachtoffer 1].com en [slachtoffer 1].net en [slachtoffer 1].info en Okeefe[slachtoffer 1].com en

- een tatoeage met de naam "[slachtoffer 1]" op haar, verdachtes, (onder)arm laten tatoeëren althans laten aanbrengen en

- ( persoonlijke) gegevens en foto's van die [slachtoffer 1], weergegeven op social media, gekopieerd/overgenomen van die social media en/of (vervolgens) die gegevens en foto('s) geplaatst op de websites [slachtoffer 1].com en [slachtoffer 1].net en [slachtoffer 1].info en Okeefe[slachtoffer 1].com;


3.
zij in de periode van 16 augustus 2016 tot en met 23 december 2016 te Rotterdam, wederrechtelijk stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 2], met het oogmerk die [slachtoffer 2], te dwingen iets te dulden,

immers heeft zij, verdachte, op verschillende data in voormelde periode:

- emails verstuurd naar voornoemde [slachtoffer 2] en

- op het Facebook-account toebehorende aan die [slachtoffer 2] getracht in te loggen waarbij die [slachtoffer 2] via haar e-mail melding(en) kreeg van deze inlogpoging en

- een Facebook bericht met daarin een liefdesverklaring naar het Facebook-account van die [slachtoffer 2] verzonden en

- een tatoeage met de initialen van die [slachtoffer 2] "[initialen slachtoffer 2]" op haar, verdachtes, hand laten tatoeëren.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 en 3 bewezenverklaarde levert telkens op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze tot twee maal toe schuldig gemaakt aan belaging. Ten eerste heeft de verdachte [slachtoffer 1] gedurende een periode van ruim drie maanden belaagd door op haar naam accounts op verschillende sociale media aan te maken, meerdere websites op naam van [slachtoffer 1] aan te maken, persoonlijke gegevens van [slachtoffer 1] op die websites te plaatsen en een tatoeage met de volledige naam van [slachtoffer 1] op haar arm te laten tatoeëren en haar daarvan op de hoogte te stellen. Daarnaast heeft de verdachte [slachtoffer 2] gedurende een periode van een maand belaagd door haar e-mails te sturen, te proberen in te loggen op haar Facebook-account, een liefdesverklaring te verzenden naar haar Facebook-account en de initialen van [slachtoffer 2] op haar hand te laten tatoeëren en [slachtoffer 2] daarvan op de hoogte te stellen.

De verdachte heeft zodoende herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans als beangstigend en bedreigend ervaren. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep namens haar voorgedragen slachtofferverklaring blijkt bovendien dat het feit nog altijd een grote impact op [slachtoffer 2] heeft.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

25 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder – zij het langere tijd geleden - onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. De laatste veroordeling voor een belaging dateert uit 2009. Gelet op de ouderdom van deze veroordeling zal het hof deze niet als strafverzwarend meewegen.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

De voorwaardelijke straf strekt ertoe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ondanks dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen blijk geeft van enig inzicht in het effect van haar handelen op de slachtoffers, ziet het hof geen meerwaarde in het opleggen van bijzondere voorwaarden in de vorm van een contact- en locatieverbod, zoals door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof heeft daarbij gelet op de ouderdom van de zaken, het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte de afgelopen tijd

– ook niet na het aflopen van de vrijheidsbeperkende maatregelen – direct of indirect op enigerlei wijze contact heeft opgenomen met de slachtoffers en dat de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard geen interesse meer te hebben in de slachtoffers. Bovendien heeft de verdachte reeds enige tijd begeleiding gehad en heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard verdere begeleiding niet te zien zitten.

Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof is van oordeel dat in de zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel

6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

Immers, de tijd die in de zaak onder 1 is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op 19 februari 2016 en het eindarrest op 22 september 2020 is langer dan twee jaar. Dit maakt dat de redelijke termijn in die zaak met ruim tweeënhalf jaar is overschreden.

Het hof is van oordeel dat deze overschrijding tot een matiging van de op te leggen straf moet leiden. De taakstraf voor de duur van 140 uren, die het hof in beginsel passend acht, zal derhalve worden verlaagd tot een taakstraf voor de duur van 120 uren.

De tijd die in de zaak onder 3 is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op

19 februari 2018 en het eindarrest op 22 september 2020 is eveneens langer dan twee jaar. Dit maakt dat de redelijke termijn in die zaak met ruim een half jaar is overschreden. Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in hoger beroep in deze zaak dat de zaak op 9 april 2019 door het hof is aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met het verzoek van de verdediging tot horen van mevrouw [slachtoffer 2] als getuige. Het hof is derhalve van oordeel dat ten aanzien van deze overschrijding kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Beslag

Onder de verdachte zijn meerdere voorwerpen in beslag genomen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof het onder 8 op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp, verbeurd dient te verklaren, nu de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp heeft begaan.

Standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof een last tot teruggave dient te geven ten aanzien van het onder 8 inbeslaggenomen voorwerp, nu onvoldoende is gebleken dat de verdachte het onder 3 bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp heeft begaan.

Beoordeling

Verbeurdverklaren

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder nummer 8 - volgens opgave van verdachte aan haar toebehorend - is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Teruggave aan de verdachte

Ten aanzien van de op de beslaglijst nummer 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12 en 13 inbeslaggenomen voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

8. 1 STK Computer Notebook (serienr. [serienummer], zwart, merk: Acer, bouwjaar 2015);

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. 1 STK GSM (Omschrijving: bijz.heden: metaal hoesje merk soigen aangetrokken slaapkamer, G5317901, zwart, merk: Samsung);

2. 1 STK Fototoestel (Omschrijving: zwart, merk: nikon);

3. 1 STK GSM (Omschrijving: zwart, merk: Samsung note);

4. 1 STK GSM (Omschrijving: zwart, merk: Samsung note);

5. 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: zwart, merk: datatraveler 11);

6. 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: reg. nr. [reg.nr. 6], zilverkleurig, merk: sitecom usb);

7. 1 STK Filmcamera (Omschrijving: reg. nr. [reg.nr. 7], zwart, merk: sony);

9. 1 STK USB-stick (memorykaart) (Omschrijving: reg nr [reg.nr. 9], zwart, merk: HP);

10. 1 STK Computer (Omschrijving: Reg nr: [reg. Nr. 10], serienr. ModelP6735, zwart, merk: HP)

11. 1 STK Diskette Harde schijf (Omschrijving: reg. nr. [reg.nr. 11], serienr. WX31a11589FXY, Hardeschijf woonkamer naast bank in rugtas zichtbaar, blauw, merk: My Paspoort);

12. 1 STK Diskette harde schijf (Omschrijving: regnr. [reg.nr. 12], zwart, merk: Iomega);

13. 1 STK Computer Notebook (Omschrijving: regnr. [reg.nr. 13] serienr. T200TA CP004H, zwart, merk: Asus Mad Catz).

Dit arrest is gewezen door Chr.A. Baardman,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffiers mr. S.J. de Vries en mr. J.J. Mossink.

Mr. C.H.M. Royakkers, mr. J.W. van den Hurk en

mr. S.J. de Vries zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 september 2020.