Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:2000

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
BK-19/00664
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:13503, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1663
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat de rechtsvordering tot betaling van de belastingschuld is verjaard. Inhoudelijk is in geschil of een hoger bedrag aan alimentatie voor aftrek in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 20-10-2020
NTFR 2020/3260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00664

Uitspraak van 27 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Buitenland (Heerlen), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 12 september 2019, nr. SGR 19/1289.

Overwegingen

1. Met dagtekening 16 december 2017 is belanghebbende over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.627 opgelegd en is bij beschikking € 800 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingaanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.073 en de belastingrente tot € 520.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 128 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 13 maart 2020. Op de zitting is ook het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-19/00665 behandeld. Belanghebbende is verschenen, de Inspecteur niet. Op 12 maart 2020 heeft de Inspecteur telefonisch en per e-mail verzocht om uitstel van de zitting en is hem telefonisch meegedeeld dat het verzoek wordt afgewezen en dat conform zijn voor dat geval geopperde mogelijkheid de zitting zonder zijn aanwezigheid doorgaat en op basis van de gedingstukken uitspraak wordt gedaan.

5. Voor de feiten wijst het Hof naar onderdeel 3 van het verweerschrift in eerste aanleg.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

5. [ Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat de rechtsvordering tot betaling van de belastingschuld is verjaard. Daartoe beroept [belanghebbende] zich daartoe op artikel 4:104 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Dat betekent dat een navorderingaanslag over het jaar 2013 uiterlijk op 31 december 2018 moet worden opgelegd. Nu de navorderingsaanslag met dagtekening 16 december 2017 is vastgesteld, is deze binnen de wettelijke termijn opgelegd.

7. Voor zover [belanghebbende] de navorderingsaanslag op inhoudelijke gronden betwist, overweegt de rechtbank als volgt. In de bezwaarfase is gedeeltelijk aan het bezwaar van [belanghebbende] tegemoet gekomen door hogere bedragen aan alimentatie en uitgaven voor kosten van levensonderhoud kinderen in aftrek toe te staan. Daartegenover is de aftrek voor de eigen woning verlaagd. Dat de aanslag daarmee op een te hoog bedrag is vastgesteld, is de rechtbank niet gebleken. [Belanghebbende] stelt zich thans op het standpunt dat een hoger bedrag aan alimentatie voor aftrek in aanmerking komt, maar hij heeft zijn stelling niet nader kunnen concretiseren, laat staan onderbouwen. [Belanghebbende], op wie hier de bewijslast rust, heeft aldus onvoldoende aannemelijk gemaakt dat meer kosten voor aftrek in aanmerking komen dan [de Inspecteur] bij uitspraak op bezwaar heeft toegestaan.

8. [ Belanghebbende] heeft gesteld dat de rechtsvordering tot betaling van de belastingschuld verjaard is en zich daartoe beroepen op artikel 4:104 van de Awb. De rechtbank overweegt dat dit artikel is opgenomen in titel 4.4 (Bestuurlijke geldschulden) van de Awb en dat deze titel betrekking heeft op de betaling en invordering van belastingschulden. Betaling en invordering van de onderhavige belastingschuld kan pas aan de orde komen op het moment dat de inspecteur een aanslag heeft vastgesteld waaruit een belastingschuld voortvloeit en de ontvanger overgaat tot invordering van die belastingschuld. In dit beroep gaat het echter om de vraag of de inspecteur de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd. De vraag of de daaruit voortvloeiende belastingschuld ook daadwerkelijk zal kunnen worden ingevorderd, valt buiten het bestek van deze procedure.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

7. Het hoger beroep kent hetzelfde geschilpunt als het beroep. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. De beschikbare gegevens brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee dan dat de Rechtbank in het licht van de aan de orde zijnde regelingen terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbende heeft, ook met wat hij op de zitting heeft gesteld, niets dan wel te weinig aangevoerd, tegenover de betwisting door de Inspecteur, dat een andere conclusie rechtvaardigt.

9. Het hoger beroep is ongegrond, ook overwegende dat geen reden is aan te nemen dat de belastingrente, waartegen geen afzonderlijke grief is ingebracht, tot een onjuist bedrag is berekend.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.