Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1990

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
22-005255-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 249 Sr. Deels vrijspraak. Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005255-19

Parketnummer: 09-852265-18

Datum uitspraak: 15 oktober 2020

TEGENSPRAAK

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [plaats] op [datum]

BRP-adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair, 2 primair en subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een ontzetting van het recht het beroep van masseur uit te oefenen voor de duur van 3 jaren. Voorts zijn in eerste aanleg beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. De benadeelde partijen [aangeefster 3] en [aangeefster 4], die in eerste aanleg in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zijn verklaard, hebben zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 08 december 2018 te Leiden door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- terwijl hij als masseur uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op [aangeefster 1]

- onderhoeds zijn hand in de onderbroek van die [aangeefster 1] heeft gestopt en/of

- daarbij onverhoeds de (blote) vagina en/of schaamstreek van die [aangeefster 1] heeft aangeraakt en/of

- onverhoeds de binnenzijde van de bovenbenen en/of liezen van die [aangeefster 1] heeft gemasseerd en/of aangeraakt [aangeefster 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 1], te weten

- het (meermalen) duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 1], althans tussen de schaamlip(pen), althans de ontblote vagina heeft betast en/of

- het met zijn vinger(s) rondjes draaien tussen de schaamlip(pen) en/of op de clitoris van die [aangeefster 1];


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 december 2018 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 1], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 1], althans het brengen van de vinger(s) tussen de schaamlippen, althans haar ontblote vagina heeft betast en/of

- het met zijn vinger(s) rondjes draaien tussen de schaamlip(pen) en/of op de clitoris van die [aangeefster 1].

2.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 6 oktober 2016 te Leiden door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- terwijl hij als masseur uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht had op [aangeefster 2] en/of

- onverhoeds zijn hand in de onderbroek van die [aangeefster 2] heeft gestopt en/of

- ( daarbij) onverhoeds de (blote) vagina en/of schaamstreek en/of anus van die [aangeefster 2] heeft aangeraakt en/of

- onverhoeds de binnenzijde van de bovenbenen en/of de liezen en/of de borsten van die [aangeefster 2] heeft gemasseerd en/of aangeraakt en/of

- het toevoegen van de woorden aan die [aangeefster 2]: "Ik ben hier niet gekomen om alleen maar naar je te kijken", [aangeefster 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster 2], te weten het (meermalen)

- duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2], althans tussen de schaamlip(pen), althans de ontblote vagina heeft betast en/of

- duwen van de vinger(s) op/tegen de anus van die [aangeefster 2] en/of

- masseren/aanraken van de billen en/of borsten van die [aangeefster 2] en/of

- duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen de hand van die [aangeefster 2];

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2016 tot en met 6 oktober 2016 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2], althans tussen de schaamlip(pen), althans de ontblote vagina heeft betast en/of

- het duwen van de vinger(s) op/tegen de anus van die [aangeefster 2] en/of

- het masseren/aanraken van de bil(len) en/of borst(en) van die [aangeefster 2] en/of

– duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen de hand van die [aangeefster 2];


3.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 1 september 2016 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 3], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het masseren van de binnenzijde van de dij(en) van die [aangeefster 3] en/of (vervolgens)

- ( daarbij) het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tegen de vagina van die [aangeefster 3] en/of

- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen het been en/of de hand en/of de arm en/of de schouder, althans tegen het lichaam, van die [aangeefster 3] (tijdens het masseren van het lichaam van die [aangeefster 3]);

4.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2014 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 4], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het masseren van de binnenzijde van de dij(en) van die [aangeefster 4] en/of (vervolgens)

- ( daarbij) het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tegen de vagina van die [aangeefster 4] en/of

- het masseren van de borst(en) van die [aangeefster 4] met zijn, verdachtes, beide handen en/of

- het duwen van zijn, verdachtes, (stijve) penis tegen de hand(palm) van die [aangeefster 4] (tijdens het masseren van het lichaam van die [aangeefster 4]) en/of (vervolgens) meerdere malen heen en weer gaan met zijn, verdachtes, (stijve) penis;

5.
hij in of omstreeks de periode van 14 april 2016 tot en met 30 september 2016 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 5], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het masseren van de (onderkant van de ) blote bil(len) van die [aangeefster 5] en/of

- het masseren van de binnenzijde van de lie(s)(zen) van die [aangeefster 5] en/of (vervolgens)

- het opzij schuiven en/of tussen de schaamlip(pen) schuiven van de onderbroek/string van die [aangeefster 5] en/of (vervolgens)

- het masseren van het schaambot van die [aangeefster 5] en/of

- ( daarbij) het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) tegen de vagina en/of de schaamlip(pen) van die [aangeefster 5].

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot de bijzondere voorwaarde van een contactverbod met de aangeefsters van de te bewezen verklaren feiten en een ontzetting van het recht het beroep van masseur uit te oefenen voor de duur van 3 jaren, met het bevel dat het contactverbod en het beroepsverbod dadelijk uitvoerbaar zijn.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak feit 1 primair

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte zich op 8 december 2018 schuldig heeft gemaakt aan het verkrachten van [aangeefster 1], zoals onder 1 primair is tenlastegelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in het bijzonder in hoger beroep stelt het hof vast dat de verdachte, gedurende de uitoefening van zijn beroep als masseur, tijdens het masseren van de onderbuik van zijn cliënt, onverhoeds zijn vingers onder de onderbroek van het aangeefster heeft gestopt, en even onverhoeds de schaamstreek van het aangeefster heeft aangeraakt, doordat hij twee vingers tussen de schaamlippen van het aangeefster heeft gebracht. Voorts stelt het hof vast dat deze handeling in het onderhavige geval slechts een zeer kort ogenblik - volgens het aangeefster slechts “één tel” - heeft geduurd, nu het aangeefster onmiddellijk daarop en met klaarblijkelijk succes daartegen weerstand heeft kunnen bieden en heeft geboden, door de pols van de verdachte te pakken, zijn hand weg te duwen, en hem te vertellen dit niet te willen. De verdachte heeft zijn ongewenste gedrag daarop meteen gestaakt.

Het hof dient vervolgens de rechtsvraag te beantwoorden of dit handelen gekwalificeerd dient te worden als verkrachting in de zin van artikel 242 Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof leveren voormelde (onverhoedse) handelingen van de verdachte geen (geweld of) dwang op in de zin van artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht nu het aangeefster daaraan bijna onmiddellijk weerstand heeft kunnen bieden en geboden. Het hof acht daarmee niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging feit 1 subsidiair

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich – conform de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte ook van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat geen sprake is van opzet, nu de verdachte het aangeefster niet bewust tussen haar schaamlippen heeft aangeraakt. Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en met name in hoger beroep voorts het navolgende vast.

De verdachte is een professionele masseur met meer dan tien jaar ervaring. Op 8 december 2018 werd de aangeefster volgens afspraak door de verdachte in zijn behandelkamer gemasseerd. De aangeefster lag op de behandeltafel, slechts gekleed in haar onderbroek, waarbij haar lichaam plaatselijk werd bedekt door handdoeken. Aanvankelijk lag zij aldus op haar buik. Op enig moment lag zij op haar rug. Over haar onderbroek lag een handdoek die de verdachte om de tailleband van de onderbroek had gevouwen. De verdachte heeft met zijn beide handen ronddraaiende bewegingen op de onderbuik van aangeefster gemaakt en ging daarbij in de richting van de schaamstreek van aangeefster. Op enig moment is de verdachte tijdens het maken van deze ronddraaiende bewegingen met zijn vingers onder de onderbroek van de aangeefster gekomen. Vervolgens gleden zijn vingers in de richting van de vagina van de aangeefster en kwamen zij daadwerkelijk tussen haar schaamlippen. De aangeefster heeft toen onmiddellijk de pols van de verdachte vastgepakt en zijn hand daar weg gehaald.

In het licht van deze feiten en omstandigheden acht het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat de verdachte per ongeluk met zijn vingers tussen de schaamlippen van de aangeefster is gekomen. Daarbij betrekt het hof in de eerste plaats dat de verdachte een ervaren professionele masseur is, die uit dien hoofde redelijkerwijs verondersteld kan worden tijdens de uitoefening van zijn vak controle te hebben over zijn handen en zich bewust te zijn van de positie daarvan op het lichaam en met name de intieme delen daarvan van zijn cliënt. Tevens weegt het hof mee dat de verdachte met zijn vingers onder de onderbroek van de aangeefster en tevens onder de daarop liggende handdoek is gegaan, hetgeen de verdachte naar ’s hofs oordeel niet kan zijn ontgaan. Desondanks heeft de verdachte zijn vingers na het passeren van de rand van de onderbroek en de handdoek verder laten glijden richting de schaamlippen van de aangeefster. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan dit handelen van de verdachte onder de gegeven omstandigheden niet anders worden beoordeeld dan als te zijn verricht met opzet. De door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep nauwkeurig omschreven handelingen, aanvankelijk correct druk uitoefenend met de palmen van zijn handen, en later per abuis met zijn vingers naar beneden op de intieme delen van het aangeefster, maakt het vorenoverwogene niet anders.

Het verweer wordt verworpen.

Vrijspraak feit 2 tot en met 5

Het onder de feiten 2 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van elk van deze door de verdachte betwiste feiten is het hof van oordeel dat de belastende verklaringen van de desbetreffende aangeefsters niet of onvoldoende redengevend wordt ondersteund door een of meer andere bewijsmiddelen om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring te kunnen komen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat uit de verscheidene aangiftes niet een zodanig onderscheidende werkwijze (modus operandi) van de verdachte kan worden opgemaakt, dat deze aangiftes elkaar over en weer tot ondersteunend (schakel)bewijs kunnen dienen.

Met betrekking tot de feiten 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 heeft het hof meegewogen het tijdsverloop tussen de gestelde feiten en de uiteindelijke aangiftes daarvan, en de omstandigheden dat de aangeefsters van deze feiten voorafgaande aan hun aangiftes op de hoogte waren van een of meer andere soortgelijke beschuldigingen jegens de verdachte, en dat zij onderling hebben gesproken over hetgeen zij hebben meegemaakt. Deze feiten en omstandigheden nopen tot extra behoedzaamheid bij het gebruik van deze aangiftes voor het bewijs.

Ook de aangeefster van feit 5 is pas aangifte gaan doen nadat zij had gehoord van een andere soortgelijke beschuldiging jegens de verdachte, hetgeen ook in dit geval noopt tot extra behoedzaamheid bij het gebruik van haar aangifte voor het bewijs. Voorts is het hof van oordeel, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, dat de waarneming van de aanvankelijke (lichamelijke) reactie van de aangeefster van feit 5 door haar echtgenoot toen zij de gestelde gebeurtenissen in zijn bijzijn met hem besprak, en die er volgens haar eigen verklaring uit bestond dat zij hem op laconieke en luchtige wijze vertelde dat zij niet meer naar deze salon zou gaan omdat de masseur haar bij haar lies had gemasseerd, in dit geval onvoldoende betrouwbaar steunbewijs oplevert om tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van dit feit te komen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de verdachte van het onder de feiten 2 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Leiden, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, als masseur ontucht heeft gepleegd met [aangeefster 1], die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door

- het duwen/brengen van de vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 1], althans het brengen van de vinger(s) tussen de schaamlippen, althans haar ontblote vagina heeft betast en/of

- het met zijn vinger(s) rondjes draaien tussen de schaamlip(pen) en/of op de clitorisvan die [aangeefster 1].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en/of zorg heeft toevertrouwd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich tijdens de uitoefening van zijn werk als masseur schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een cliënte. Door zijn handelen van seksuele aard heeft de verdachte niet alleen een sociaal-ethische norm overschreden maar ook een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de aangeefster. Daarnaast heeft de verdachte op een onacceptabele wijze misbruik gemaakt van zijn positie als masseur. De verdachte was – als professional – juist degene die haar een veilige behandelomgeving had moeten bieden. De verdachte heeft zich echter uitsluitend laten leiden door zijn eigen seksuele behoeften en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het aangeefster. Aangeefsters van delicten als de onderhavige ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarop is de onderhavige zaak geen uitzondering. Uit de schriftelijke aangeefsterverklaring d.d. 24 september 2019 volgt treffend onder meer dat zij als gevolg van het gebeurde onder andere hulp heeft moeten zoeken bij een psycholoog.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 september 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland d.d. 4 juli 2019 en het in een andere zaak opgestelde, maar ter terechtzitting in hoger beroep besproken, advies van de Reclassering Nederland d.d. 21 juli 2020. Teneinde het recidiverisico te beperken adviseert de reclassering aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met de aangeefster en een verbod op het uitoefenen van werkzaamheden als masseur.

[rapporteur 1] en [rapporteur 2], beiden GZ-psycholoog, hebben elk een rapportage over de verdachte opgemaakt, gedateerd respectievelijk 21 februari 2019 en 19 april 2019. Het hof heeft acht geslagen op deze rapportages. De rapporteurs concluderen dat er bij de verdachte geen aanwijzingen zijn voor een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Zij schatten de kans op recidive in als laag. Nu het recidivegevaar als laag wordt ingeschat en er geen psychiatrische of persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld kan worden, worden door deze rapporteurs geen gedragsdeskundige interventies geadviseerd.

Het hof zal, anders dan geëist door de advocaat-generaal, geen beroepsverbod opleggen, nu het hof slechts een van de tenlastegelegde incidenten bewezen acht en de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Daar komt bij dat de gedragsdeskundigen het recidiverisico als laag hebben ingeschat. Het hof acht het daarom thans niet proportioneel om aan de verdachte een beroepsverbod op te leggen.

Gelet op de ernst en de aard van het bewezen verklaarde feit is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangeefster 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.084,01.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5394,86 (bestaande uit € 4.000,00 immateriële schade en € 1.394,86 materiele schade), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van € 5.797,72.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij oordeelt het hof als volgt.

Voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘Studievertraging’ en ‘Verlies van arbeidsvermogen’ zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, omdat onvoldoende is gebleken dat deze schade, rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 1.394,86 materiële schade is geleden, bestaande uit de posten psychische hulp ad € 1.295,38 en reiskosten ad € 99,48. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de hierna te bepalen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de hierna te bepalen aanvangsdatum tot aan de dag der algehele voldoening. Het ten aanzien van de immateriële schade meer gevorderde zal worden afgewezen.

In totaal zal de vordering van de benadeelde partij derhalve tot een beloop van (€ 1.394,86 + € 1.000,00 =) € 2.394,86 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag zoals voormeld.

Voorgaande beslissingen brengen mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het aangeefster [aangeefster 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.394,86 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het aangeefster [aangeefster 1]. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partij na de datum van het vonnis waarvan beroep nog meer kosten heeft moeten maken die rechtsreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit, te weten een bedrag van € 402,86 betreffende “psychische hulp 31 oktober 2019 tot en met 11 februari 2020”. De benadeelde partij heeft dit bedrag om processuele redenen niet meer in haar vordering kunnen betrekken. Het hof zal de verdachte de verplichting opleggen eveneens dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de hierna te bepalen aanvangsdatum, aan de Staat te betalen ten behoeve van het aangeefster, zodat het hof het totale aan de Staat te betalen bedrag bepaalt op (€ 2.394,86 + € 402,86 =) € 2.797,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf hierna te bepalen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.394,86 (tweeduizend driehonderdvierennegentig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 1.394,86 (duizend driehonderdvierennegentig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst het door de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade meer gevorderde af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het aangeefster, genaamd aangeefster 1], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.797,72 (tweeduizend- zevenhonderdzevenennegentig euro en tweeënzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het aangeefster niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente als volgt:

- voor materiële schade op 8 december 2018;

- voor immateriële schade op 11 februari 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, mr. R.J. de Bruijn en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 oktober 2020.

mr. A.S.I. van Delden en mr. M.A.J. van de Kar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.