Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1968

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
BK-20/00277
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:13083, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep zijn, net als voor de Rechtbank, de naheffingsaanslag en de boete in geschil. Partijen houdt in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende al met ingang van 5 februari 2014 (het begin van de naheffingsperiode) dan wel pas met ingang van begin december 2016 in Nederland de feitelijke beschikking over de auto heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2490
Viditax (FutD), 20-10-2020
FutD 2020-3156
V-N 2020/60.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00277

Uitspraak van 10 september 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen, kantoor Apeldoorn, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 december 2019, nr. SGR 19/265.

Overwegingen

1. Belanghebbende zijn over het tijdvak van 5 februari 2014 tot en met 14 mei 2018 met betrekking tot een auto met een buitenlands kenteken een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting van € 6.567 en bij beschikking een boete van € 5.278 opgelegd. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete in verband met financiële omstandigheden verlaagd naar € 528.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 131 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij op zaterdag 22 augustus 2020 per e-mail en per fax en op 25 augustus 2020 per gewone post binnengekomen en op 27 augustus 2020 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 21 augustus 2020 met diverse bijlagen ("NADERE GRONDEN") en bij op zondag 23 augustus 2020 per e-mail en per fax en op 25 augustus 2020 per gewone post binnengekomen en op 27 augustus 2020 aan de Inspecteur doorgezonden brief van 23 augustus 2020 met diverse bijlagen ("NADERE AANVULLENDE GRONDEN").

4. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 3 september 2020. Partijen zijn verschenen.

5. Bij een controle op 15 mei 2018 is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van de auto, een Mercedes C200 CDI met het Bulgaarse kenteken [kenteken] , gebruikmaakt van de openbare weg in Nederland. Motorrijtuigenbelasting is niet betaald. Vanaf 23 augustus 2012 is hij houder van de auto. Hij is sinds 4 februari 2014 in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een woonadres in [woonplaats] . Naar aanleiding van de constatering ter zake van het gebruik van de auto in Nederland is hem de naheffingsaanslag met boete opgelegd.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

5. In geschil is de naheffingsaanslag en de boete.

[Belanghebbende] stelt dat de auto pas in november 2016 Nederland is binnengekomen. De vader van [belanghebbende] is toen met deze auto naar Nederland gereden, omdat [belanghebbende] zijn voet/been had gebroken. [De Inspecteur] heeft niet aangetoond dat [belanghebbende] de auto over de gehele periode van 5 februari 2014 tot en met 14 mei 2018 heeft gebruikt. Namens [belanghebbende] is voorts gesteld dat de door [de Inspecteur] genoemde uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:482/483) niet van toepassing is omdat het daar een Pools kenteken en Poolse nationaliteit betrof. Bulgarije hanteert het nationaliteitsbeginsel. [Belanghebbende] meent dat hij voldoende tegenbewijs heeft geleverd en wijst daarbij op de verklaring van de vader van [belanghebbende] en de overgelegde stukken uit Bulgarije. [Belanghebbende] staat ingeschreven in Bulgarije en de auto staat op naam van [belanghebbende] op het adres in Bulgarije. De auto stond ter beschikking van zijn vader en die staat niet in Nederland ingeschreven. [Belanghebbende] stelt zich voorts op het standpunt dat de boete moet worden gematigd naar € 160 omdat het matigingsbeleid van de belastingdienst niet is gepubliceerd. De gemachtigde verwijst naar ECLI:NL:GHSHE:2015:5186.

5.1. [

De Inspecteur] heeft de stellingen van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken en stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Nadere gronden en stukken

6. De gemachtigde van [belanghebbende] heeft bij brieven van 12 juni 2019 en 16 juni 2019 nog aanvullende gronden en stukken ingediend. [De Inspecteur] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat deze stukken buiten de scope van de aanhouding ter zitting van 29 mei 2019 vallen. [De Inspecteur] stelt dat deze stukken tot uitbreiding van het geding leiden, hetgeen in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en strijd oplevert met een goede procesorde. De rechtbank volgt [de Inspecteur] hierin niet. De rechtbank zal de nadere gronden en stukken tot de stukken van het geding toelaten en bij haar beoordeling betrekken. De nader ingediende stukken bevatten geen argumenten die tot dan niet waren aangevoerd. De nadere stukken strekken ter onderbouwing van eerder aangevoerde stellingen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. [De Inspecteur] is bovendien in de gelegenheid geweest om op hetgeen door de gemachtigde is gesteld te reageren, zoals blijkt uit de reactie van [de Inspecteur] bij brief van 17 juli 2019. Gelet hierop is evenmin sprake van strijd met een goede procesorde.

Bijstand tolk

7. Het onderzoek ter zitting heeft telkens plaatsgevonden met de door [belanghebbende] naar de zitting meegenomen heer M. Kebap, tolk in de Turkse taal. Ter zitting is gebleken dat de tolk slechts hetgeen [belanghebbende] verklaarde vertaalde in het Nederlands en dat de vragen van de rechtbank en de opmerkingen van zijn gemachtigde en van [de Inspecteur] niet voor [belanghebbende] werden vertaald in het Turks. Desgevraagd verklaarde de tolk dat [belanghebbende] wel het Nederlands kon verstaan, maar dat [belanghebbende] moeite heeft met het zich uitdrukken in het Nederlands. Dit werd door [belanghebbende] bevestigd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek ter zitting ten aanzien van [belanghebbende] op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat hij met betrekking tot de opgelegde boete niet in zijn verdediging is geschaad.

Beoordeling van het geschil

8. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wet motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet MRB) wordt motorrijtuigenbelasting geheven ter zake van het houden van een motorrijtuig. Op grond van artikel 7, eerste lid, onder c, van de Wet MRB is de houder van een motorvoertuig degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Wet MRB wordt deze houder, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de brp.

Hoofdverblijf

9. Naar de rechtbank begrijpt stelt [belanghebbende] zich op het standpunt dat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland heeft maar in Bulgarije omdat hij daar ook ingeschreven staat. [Belanghebbende] meent voorts dat de door [de Inspecteur] aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad toepassing mist.

10. In zijn uitspraak van 5 april 2019, nr. 18/02987, (ECLI:NL:HR:2019:483), oordeelde de Hoge Raad, naar aanleiding van prejudiciële vragen met betrekking tot de bewijslast verdeling voor het antwoord op de vraag waar een persoon zijn hoofdverblijf in de zin van artikel 7, derde lid, van de Wet MRB heeft, onder meer als volgt:

‘Indien de inspecteur feiten en omstandigheden aannemelijk kan maken die meebrengen dat een dergelijk motorrijtuig feitelijk in Nederland ter beschikking staat aan een persoon die zijn hoofdverblijf in Nederland heeft en voorts dat die persoon - zonder voorafgaande betaling van mrb voor dat motorrijtuig - gebruik van de weg in Nederland heeft gemaakt, kan de inspecteur op grond van artikel 20, lid 3, AWR mrb naheffen tot maximaal vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan. Indien de betrokken persoon in de BRP is ingeschreven […] kan de inspecteur bij naheffing van die persoon - wegens het feitelijk in Nederland ter beschikking staan van het motorrijtuig - een beroep doen op het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en op het vermoeden van de duur van houderschap in Nederland. Deze vermoedens gelden [- vanwege het (…) bedoelde voortduren van de verplichting tot het periodiek voldoen op aangifte van de belasting -] voor alle tijdvakken die zijn gelegen na de dag van inschrijving in de BRP. Het is bij toepassing van de algemene naheffingsregels van artikel 20 AWR vervolgens aan de betrokken persoon om ter afwering van naheffing voor elk van de tijdvakken het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en/of het vermoeden van de duur van houderschap in Nederland te weerleggen.’

De rechtbank vermag niet in te zien waarom voornoemde uitspraak in het onderhavige geval toepassing mist. Dat de belanghebbende in deze uitspraak een andere nationaliteit had en het een Poolse auto betrof kan aan de toepassing van het bewijsvermoeden niet afdoen.

11. Niet in geschil is dat [belanghebbende] vanaf 2014 tot heden staat ingeschreven op een woonadres in [woonplaats] . Op grond van voormelde bepaling van het derde lid van artikel 7 Wet MRB wordt [belanghebbende] dan geacht zijn hoofdverblijf in Nederland te hebben. Daarbij komt dat [belanghebbende] in Nederland is verzekerd voor ziektekosten, hier zorgtoeslag en een uitkering ontvangt. [De Inspecteur] heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [belanghebbende] zijn hoofdverblijf in Nederland heeft. [Belanghebbende] is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is. Het enkele feit dat [belanghebbende] ook in Bulgarije staat ingeschreven en dat Bulgarije het nationaliteitsbeginsel hanteert is daartoe onvoldoende.

Naheffingsaanslag

12. Artikel 34, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat belasting kan worden nageheven bij constatering van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig, waarvoor de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald. Het tweede lid van artikel 34 bepaalt dat in een situatie als de onderhavige de na te heffen belasting wordt berekend over een periode die aanvangt op het begin van het tijdvak, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet MRB en die eindigt op de dag die voorafgaat aan de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Het tweede lid van artikel 13 van de Wet MRB bepaalt dat het heffingstijdvak aanvangt op de dag waarop de houder is ingeschreven in de brp, tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerde voertuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

13. Vast staat dat [belanghebbende] op 15 mei 2018 - als bestuurder - met de auto gebruik heeft gemaakt van de Nederlandse weg. [Belanghebbende] heeft dit gebruik ook niet weersproken. Vast staat tevens dat de auto eigendom is van [belanghebbende]. Voorts is met de auto op 7 april 2017 in Rotterdam een parkeerovertreding begaan, welke [belanghebbende] heeft voldaan. Omdat [belanghebbende] op 15 mei 2018 feitelijk heeft beschikt over de auto en [belanghebbende] in Nederland zijn hoofdverblijf heeft, heeft [de Inspecteur] terecht [belanghebbende] aangemerkt als de houder van de auto en als belastingplichtige voor de MRB.

14. [ De Inspecteur] is voor de berekening van de verschuldigde motorrijtuigenbelasting voor de aanvang van de berekeningsperiode uitgegaan van de datum van 5 februari 2014, de eerste dag waarop belanghebbende stond ingeschreven in de brp. De wetgever heeft ten aanzien van de duur van het houderschap in artikel 34, derde lid, van de Wet MRB een tegenbewijsregeling opgenomen. Het is aan [belanghebbende] om tegenbewijs te leveren met betrekking tot de berekeningsperiode. Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent moet hij dan ook aantonen dat de auto hem pas op een later moment dan 5 februari 2014 feitelijk ter beschikking in Nederland heeft gestaan.

15. Naar het oordeel van de rechtbank is [belanghebbende] niet in deze bewijslast geslaagd.

[Belanghebbende] heeft een verklaring van zijn vader overgelegd. [Belanghebbendes] vader verklaart daarin dat de auto met het kenteken [kenteken] eigendom is van zijn zoon en dat hij van 2012 tot november 2016 in de auto heeft gereden en dat de auto Bulgarije niet heeft verlaten. De rechtbank kent aan deze verklaring niet die waarde toe die [belanghebbende] daaraan wil toekennen. De verklaring van de vader is onvoldoende specifiek en kan daarbij niet als objectief worden aangemerkt. De verklaring wordt bovendien verder niet ondersteund door concreet en verifieerbaar bewijs. In tegenstelling wat [belanghebbende] meent maakt de omstandigheid dat de verklaring is afgelegd tegenover een notaris de verklaring niet geloofwaardiger. Daarbij wijst [de Inspecteur] terecht op inconsistenties in de verschillende verklaringen van de vader, zoals de afwijkende datum waarop de auto naar Nederland zou zijn gereden, mei 2016 of november 2016. Ook de medische reden waarom de vader van [belanghebbende] naar Nederland zou zijn gereden wijkt af, daar waar sprake is van een gebroken voet of gebroken been. Dat deze verschillen verklaarbaar zouden zijn door een taalbarrière acht de rechtbank niet waarschijnlijk. Aannemelijk is immers dat vader en zoon in hun moedertaal communiceren. [Belanghebbende] heeft voorts nog een contract van ruil/vervanging van de auto overgelegd. Dit stuk geeft aan dat op 17 juli 2018 de auto is vervangen door een andere Mercedes. Nu deze datum van na de periode van naheffing ligt kan daaraan verder geen betekenis worden toegekend. Ook zijn door [belanghebbende] duplicaten van kwitanties van een voertuig belasting overgelegd. Deze kwitanties betreffen de periode 2013 tot en met 2018. Ook hieraan kan geen afdoende bewijs worden ontleend dat de auto in de naheffingsperiode niet in Nederland ter beschikking van [belanghebbende] heeft gestaan. [Belanghebbende] is immers de eigenaar van een auto met Bulgaars kenteken. Het is daarom logisch dat voor deze auto Bulgaarse belasting moet worden betaald, ook als de auto in Nederland is. Daarbij komt het de rechtbank vreemd voor dat kennelijk is betaald voor een Mercedes C200 Compressor. Dat is geen dieselauto zoals die waarvoor de naheffingsaanslag is opgelegd.

Verzuimboete

16. De boete is opgelegd op grond van het BBBB en vanwege financiële omstandigheden gematigd naar 10%. Anders dan [belanghebbende] stelt is dit gepubliceerd beleid. De door [belanghebbende] aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch ziet op de cumulatie van boetes in het kader van de Wet belasting zware motorvoertuigen en betreft een niet vergelijkbare casus.

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

7. In hoger beroep zijn, net als voor de Rechtbank, de naheffingsaanslag en de boete in geschil. Partijen houdt in het bijzonder het antwoord op de vraag verdeeld of belanghebbende al met ingang van 5 februari 2014 (het begin van de naheffingsperiode) dan wel pas met ingang van begin december 2016 in Nederland de feitelijke beschikking over de auto heeft. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. Met betrekking tot de in het verweerschrift in hoger beroep gemaakte opmerking over de ontvankelijkheid van het hoger beroep overweegt het Hof dat het hoger beroep zonder meer ontvankelijk is: belanghebbende heeft bij per Falk Courier verzonden brief van 27 januari 2020 ("VOORLOPIG BEROEPSCHRIFT") hoger beroep ingesteld tegen de op 17 december 2019 in afschrift aan partijen verzonden uitspraak van de Rechtbank, de brief is weliswaar bij het Hof binnengekomen na de termijn van zes weken, doch de brief is ook per fax van 27 januari 2020 aan het Hof gestuurd en ook op die datum bij het Hof binnengekomen.

9. De beschikbare gegevens, in het licht van de relevante regelingen, brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee dan dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat het gelijk met betrekking tot elk onderdeel van het geschil, ook waar het gaat om de verdeling van de bewijslast, aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbende heeft met wat hij in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, geenszins feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, die een andere conclusie rechtvaardigen. Het Hof neemt in aanmerking dat sprake is van een opvallend gebrekkige bewijskracht van de door belanghebbende ingebrachte stukken, waaronder ook de diverse in hoger beroep vlak vóór de zitting in het geding gebrachte verklaringen, reparatiebonnen en andere bescheiden, wat veeleer aangeeft dat in feite in het geheel niet is aan te tonen dat de naheffing geheel of ten dele onjuist is, ook met dien verstande dat belanghebbende tegen beter weten in een beeld probeert te schetsen dat niet strookt met de werkelijkheid. Wat dat aangaat verdient opmerking dat de Inspecteur op de zitting aan de hand van een uitvoerige analyse van die verklaringen, reparatiebonnen en andere bescheiden heeft gewezen op diverse inconsistenties en op diverse vragen die al die stukken oproepen, met de conclusie dat met het geheel van stukken niet alleen niet is aan te tonen dat belanghebbende later dan met ingang van 5 februari 2014 in Nederland de feitelijke beschikking over de auto heeft, maar ook dat de andersluidende stelling van belanghebbende ongeloofwaardig is. De door de Inspecteur gemaakte op- en aanmerkingen zijn - belanghebbende heeft het gelaten bij enkele tamelijk betekenisloze opmerkingen - in feite onbesproken gebleven, ook toen het Hof belanghebbende de gedachte voorhield dat de door de Inspecteur gegeven analyse stellig plausibel overkomt.

10. Al met al komt het Hof met de Inspecteur met betrekking tot de naheffing en de boete tot de conclusie, de overwegingen van de Rechtbank volgend, dat het geheel van beschikbare gegevens uitwijst dat 1) belanghebbende geen enkel bewijs heeft bijgebracht dat hij gedurende (een deel van) de naheffingsperiode in Nederland niet de feitelijke beschikkingsmacht over de auto heeft en 2) dat de boete van € 528 niet alleen terecht is opgelegd, maar onder de gegeven omstandigheden, een en ander in het licht van het overwogene in punt 9, ook, gelet op de aard en de ernst van het beboetbare feit, passend en ook, uit een oogpunt van normhandhaving, alleszins geboden is.

11. Het overwogene met betrekking tot de bewijskracht van de door belanghebbende in het geding gebrachte stukken brengt ook mee dat het Hof geen reden ziet, de zienswijze van de Inspecteur volgend, het onderzoek te heropenen teneinde belanghebbende alsnog in de gelegenheid te stellen met nader bewijs te komen.

12. Het Hof komt, nu voor het overige uit niets blijkt dat met de naheffing en/of de boete een nationaal of verdragsrechtelijk beginsel is geschonden, tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.

13. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 10 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.