Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1913

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
200.221.295/02 + 200.236.850/02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4279, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Aandeelhoudersgeschil; onrechtmatig handelen jegens aandeelhouder. Kort geding. Onrechtmatige concurrentie via andere vennootschap. Zekerheid voor proceskosten; hoger beroep. Afstemmingsregel. uitleg vonnis. Executiekortgeding. Rechten op e-mailaccounts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummers : 200.221.295/02 en 200.236.850/02

Zaaknummers rechtbank: C/10/527637 / KG ZA 17-554 en C/10/44602 / KG ZA 18-158

Arrest van 24 maart 2020

in de zaak met zaaknummer 200.221.295/02

1 [appellant 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. RTMO Logistics B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

4. Ago Holding B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

5. Agora Shipping & Trading B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [X] c.s. en afzonderlijk: [X] , [Y] , RTMO, Ago en Agora,

advocaat: mr. M.G.J. Smit te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , Russische Federatie,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [Z] ,

advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer 200.236.850/02

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , Russische Federatie,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna te noemen: [Z] ,

advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. RTMO Logistics B.V.,
gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,

hierna gezamenlijk te noemen: RTMO c.s. en afzonderlijke: [X] en RTMO,

advocaat: mr. M.G.J. Smit te Rotterdam.

Het geding

In de zaak met zaaknummer 200.221.295/02

Voor het zaakverloop tot 16 januari 2018 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum waarbij het hof in verschillende door partijen opgeworpen incidenten heeft beslist. Vervolgens heeft [Z] een memorie van antwoord, met producties, genomen, waarop [X] c.s. bij antwoordakte hebben gereageerd.

Op 6 november 2018 heeft een pleidooizitting plaatsgevonden waarbij door beide partijen nog stukken in het geding zijn gebracht (productie 12 van [X] c.s. en productie 80 van [Z] ). Het pleidooi is aangehouden. Ter zitting van het hof van 19 maart 2019 is tussen partijen een (voorwaardelijke) schikking bereikt en is de zaak geroyeerd. Op 21 mei 2019 is de zaak opnieuw aangebracht. Op 3 december 2019 heeft andermaal een pleidooizitting plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities, die tot de gedingstukken behoren. Bij die gelegenheid heeft [Z] nog stukken in het geding gebracht (producties 81 en 82). Partijen hebben arrest gevraagd.

In de zaak met zaaknummer 200.236.850/02

Bij exploot van 28 maart 2018 is [Z] in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 2 maart 2018.

Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis (met producties) heeft [Z] zes grieven aangevoerd en zijn eis gewijzigd. Bij memorie van antwoord, houdende incidenteel appel en tevens houdende vermeerdering van eis (met producties), hebben [X] c.s. de grieven bestreden, in voorwaardelijk incidenteel appel een grief aangevoerd en hun eis in reconventie gewijzigd. Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel, tevens akte uitlating eisvermeerdering, heeft [Z] de grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel bestreden.

Op 6 november 2018 heeft een pleidooizitting plaatsgevonden waarbij door beide partijen nog stukken in het geding zijn gebracht (productie 29 van [Z] en productie 7 van [X] c.s.). Het pleidooi is aangehouden. Ter zitting van het hof van 19 maart 2019 is tussen partijen een (voorwaardelijke) schikking bereikt en is de zaak geroyeerd. Op 21 mei 2019 is de zaak opnieuw aangebracht. Op 3 december 2019 heeft andermaal een pleidooizitting plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak bepleit aan de hand van pleitnotities, die tot de gedingstukken behoren. Bij die gelegenheid heeft [Z] nog stukken in het geding gebracht (productie 30). Partijen hebben arrest gevraagd.

Beoordeling

In beide zaken

1. Het gaat in deze zaken, kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.
1.1. [X] , [Z] en [A] zijn ieder voor 1/3 deel aandeelhouder in Agora. [X] is bestuurder van Agora. [Y] is de partner/echtgenote van [X] . Ze was tot 31 november 2015 werkzaam bij Agora in de functie van administratief medewerker. Agora houdt zich bezig met dienstverlening in de logistiek sector.

1.2.

Op 30 oktober 2015 heeft [Y] Ago opgericht en op dezelfde datum heeft Ago RTMO opgericht. RTMO is actief op dezelfde markt als Agora en heeft in elk geval in 2016 een aantal klanten bediend die voorheen door Agora werden bediend.

1.3.

[Z] heeft op 3 mei 2017 conservatoire beslagen gelegd ten laste van [X] , [Y] , RTMO en Ago.

1.4.

Bij e-mail van 13 juni 2017 heeft [X] aan [Z] een uitnodiging gestuurd voor een vergadering van aandeelhouders van Agora, te houden op 28 juni 2017. Bij de aandeelhoudersvergadering op 28 juni 2017 waren noch [Z] , noch [A] aanwezig.

1.5.

[Z] heeft een kort geding tegen [X] c.s. aangespannen. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 14 juli 2017, onder meer, in conventie op straffe van verbeurte van een dwangsom [X] verboden (al dan niet via RTMO) betalingen te ontvangen van cliënten van Agora voor werkzaamheden en/of diensten die hij en/of RTMO ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht en [X] veroordeeld om betalingen die hij al dan niet via RTMO van (voormalige) cliënten van Agora ontvangt, binnen vijf werkdagen na ontvangst door te storten op de bankrekening van Agora. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [Z] veroordeeld de inloggegevens van de e-mailaccount(s) @agoro-shipping.com te verstrekken, binnen vijf dagen nadat (en dus onder voorwaarde dat) [X] aan [Z] heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. Dit betreft het bestreden vonnis in zaak 200.221.295/02, hierna ook: het eerste kortgedingvonnis.

1.6.

Op 14 februari 2018 heeft de rechtbank Rotterdam een verstekvonnis gewezen in een door [Z] tegen [X] c.s. aanhangig gemaakte bodemzaak. Daarbij heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [X] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [Z] als gevolg van door hen gepleegde onrechtmatige daden heeft geleden en hen hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat.

1.7.

[Z] heeft weer een kort geding aangespannen, dit keer tegen [X] en RTMO, stellende dat [X] niet aan het kortgedingvonnis van 14 juli 2017 voldeed. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 2 maart 2018, in conventie, onder meer, op straffe van verbeurte van een dwangsom [X] verboden om enige betaling van RTMO aan Agora, verricht om te voldoen aan 5.3 van het eerste kortgedingvonnis, ongedaan te maken door terugstorting aan RTMO of overboeking aan enige aan RTMO gelieerde (rechts)persoon en hem geboden om aan [Z] maandelijks de bankafschriften van Agora te verstrekken (in beginsel) voor een periode van één jaar. In reconventie heeft de voorzieningenrechter [Z] , onder meer, veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom de inloggegevens van de e-mailaccount(s) van Agora aan [X] te verstrekken (zonder voorwaarden). Dit betreft het bestreden vonnis in zaak 200.236.850/02, hierna ook: het tweede kortgedingvonnis.

1.8.

[Z] heeft verder een enquêteprocedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer bij het Gerechtshof Amsterdam en verzocht een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken binnen Agora, alsmede de nodige onmiddellijke voorzieningen te treffen. Bij beschikking van 9 maart 2018 heeft de Ondernemingskamer het verzoek afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, maar dat voldoende aannemelijk is dat de vennootschap de kosten van een onderzoek niet kan dragen.

In de zaak met zaaknummer 200.221.295/02

2. [Z] heeft in kort geding, na eiswijziging, gevorderd:
A. [X] met onmiddellijke ingang te ontslaan als bestuurder van Agora, althans te schorsen voor de duur van twee jaar als bestuurder van Agora, althans een andere door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn;

B. [B] of enig ander door de voorzieningenrechter in goede

justitie aan te wijzen persoon, te benoemen tot tijdelijk alleen en zelfstandig bevoegd

bestuurder van Agora;

C. Agora te gebieden om het ontslag, althans de schorsing bedoeld onder A en de

benoeming bedoeld onder B in te schrijven in het Handelsregister van de Kamer van

Koophandel;

D. [X] , [Y] , AGO en RTMO te verbieden om:
- bij cliënten of contactpersonen van Agora nieuwe werkzaamheden te acquireren en uit te voeren;

- opdrachten van cliënten van Agora te accepteren en uit te voeren;

- betalingen te ontvangen van cliënten van Agora;

E. [X] , [Y] , AGO en RTMO te gebieden om betalingen die zij ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden en of diensten die gedaagden ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht binnen 5 dagen na ontvangst van bedoelde betalingen deze (door) te storten op de bankrekening van Agora;

F. [Y] te veroordelen tot het nakomen van de geheimhoudingsverplichting opgenomen in haar arbeidsovereenkomst jegens Agora en geen gebruik te maken van

de gegevens van relaties en andere vertrouwelijke informatie van Agora;

G. Agora en [X] te veroordelen om onmiddellijk doch uiterlijk binnen 24 uur na het eerste verzoek van de tijdelijk bestuurder van Agora, hun volledige medewerking te verlenen en onder meer de volledige administratie en boekhouding van Agora aan hem ter beschikking te stellen;

H. te bepalen dat elke gedaagde een dwangsom verbeurt van € 25.000,-- voor iedere dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat hij/zij nalaat aan de voor

hem/haar geldende veroordelingen als genoemd onder sub D, E, F en/of G te voldoen;

I. [A] te veroordelen tot het gehengen en gedogen van voorgaande vorderingen;

J. [X] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure, te betalen uiterlijk binnen twee dagen na het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de nakosten van € 131,-- zonder betekening of € 199,-- in het geval van betekening en voor zover het voldoen van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de eerste dag na het verstrijken van de bedoelde voldoeningstermijn;

K. Agora, AGO en RTMO te veroordelen binnen vijf dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis op grond van art. 720 jo. 476a Rv verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het door [Z] op 3 mei 2017 onder ieder van hen gelegde conservatoire derdenbeslag zijn getroffen;

L. te bepalen dat de verklaring die Agora, AGO Holding of RTMO ex art. 720 jo. 476a Rv afgeeft in ieder geval de volgende informatie bevat:

a. een met redenen omklede opgave of zij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of zij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;

b. de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en

eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

c. een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;

d. een opgave van eventuele andere, onder de derde-beslagene ten laste van

de geëxecuteerde liggende beslagen met vermelding van de deurwaarders

die ze hebben gelegd en de tijdstippen waarop ze zijn gelegd;

e. een opgave van de aan de derde-beslagene bekende pandrechten die op

door het beslag getroffen goederen rusten, met vermelding van de

pandhouders;

f. de eventuele verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van

partijen dienstig mochten zijn;

M. te bepalen dat elke onder K van het petitum genoemde gedaagde (Agora, AGO en RTMO) een dwangsom verbeurt van € 7.500,-- voor iedere dag (een gedeelte van een dag daaronder begrepen) dat zij nalaat aan de voor haar geldende veroordelingen als genoemd onder K en L van het petitum te voldoen;

N. [X] , [Y] , AGO en RTMO hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen binnen vijf dagen na de datum van het in

deze te wijzen vonnis bij wijze van voorlopige maatregel en ter bekostiging van de

kosten en het salaris van de benoemde interim bestuurder, een bedrag van € 20.000,-- althans een ander door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, te betalen aan Agora.

[Z] heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat [X] c.s. jegens hem onrechtmatig handelen, althans wanprestatie plegen, die er in het bijzonder in bestaat dat [X] en [Y] via nieuwe ondernemingen Agora beconcurreren.

3. [X] c.s. hebben verweer gevoerd en in reconventie gevorderd:
A. de vordering van Agora c.s. betreffende het opheffen van de conservatoire (derden)beslagen toe te wijzen en te oordelen dat [Z] de gelegde conservatoire (derden)beslagen binnen twee werkdagen opheft, dan wel in goede justitie een andere redelijke termijn te bepalen waarbinnen de conservatoire (derden)beslagen dienen te worden opgeheven;
B. de conservatoire (derden)beslagen binnen twee werkdagen of een andere in goede justitie te bepalen termijn op te (laten) heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
C. bij toewijzing van de vordering tot benoeming van een interim-manager [Z] te veroordelen tot het stellen van voldoende zekerheid voor het salaris en de kosten van de interim-manager;
D. [Z] te veroordelen om de inloggegevens van het e-mailaccount van Agora te verstrekken, alsmede de gevorderde bescheiden te verstrekken aan Agora.
Zij stellen daartoe dat [Z] , dan wel door hem beheerste vennootschappen, facturen van Agora tot een bedrag van € 489.228,13 onbetaald laat waardoor Agora in een penibele financiële positie is geraakt en in haar voortbestaan wordt bedreigd. Zij hebben incidenteel gevorderd dat [Z] zekerheid stelt voor de proceskosten.

4. De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden kortgedingvonnis van 14 juli 2017 in conventie, voor zover hier van belang, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
(i) [X] verboden om vanaf één werkdag na de betekening van het vonnis (al dan niet via RTMO) betalingen te ontvangen van cliënten van Agora voor werkzaamheden en/of diensten die hij en/of RTMO ten behoeve van deze (voormalige) cliënten verrichten of hebben verricht op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding, met een maximum van € 50.000,--;
(ii) [X] veroordeeld om vanaf één werkdag na de betekening van het vonnis betalingen die hij al dan niet via RTMO van (voormalige) cliënten van Agora ontvangt, binnen vijf werkdagen na ontvangst door te storten op de bankrekening van Agora op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding, met een maximum van € 250.000,--;
(iii) Agora, Ago en RTMO veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis verklaring te doen van de zaken en vorderingen die door de conservatoire beslagen zijn getroffen.
Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen.
In reconventie heeft de voorzieningenrechter [Z] veroordeeld de inloggegevens van de e-mailaccount(s) @agora-shipping.com te verstrekken, binnen vijf dagen nadat (en dus onder voorwaarde dat) [X] aan [Z] heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. Deze veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De overige vorderingen, waaronder de incidentele vordering van [X] c.s. tot zekerheidstelling voor de proceskosten, zijn afgewezen.

5. Tegen deze uitspraak zijn de grieven van [X] c.s. gericht.

6. [X] c.s. hebben bij akte van 3 april 2018, waarbij zij producties hebben overgelegd, een eiswijziging aangekondigd, maar die akte houdt geen eiswijziging in.

7. De door de voorzieningenrechter in deze zaak in het eerste kortgedingvonnis onder 2 tot uitgangspunt genomen feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

8. Grief I is gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van de incidentele vordering tot het doen stellen van zekerheid voor de proceskosten (bestreden vonnis rov. 4.3). Het hof is echter van oordeel dat de voorzieningenrechter deze vordering op goede grond heeft afgewezen. De Russische Federatie (waar [Z] zijn woonplaats heeft), is als rechtsopvolger van de USSR partij bij het Rechtsvorderingsverdrag 1954 en artikel 17 van dat verdrag verzet zich ertegen dat [Z] zekerheid moet stellen. Op grond van artikel 224 lid 2 sub a Rv staat een dergelijke verdragsbepaling aan de gevorderde zekerheidstelling in de weg. Dat de regeling onevenwichtig zou zijn, zoals [X] c.s. stellen en in de literatuur wel is verdedigd, doet hieraan niet af. [X] c.s. beroepen zich ook nog op de redelijkheid en billijkheid. Hoewel afwijking van een wettelijke regeling op grond van de redelijkheid en billijkheid niet geheel is uitgesloten, kan een dergelijke afwijking slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De omstandigheid dat [X] c.s. kosten zullen moeten maken in geval van executie van een proceskostenveroordeling in de Russische Federatie, indien op enig moment in deze procedure een proceskostenveroordeling ten laste van [Z] mocht worden uitgesproken, is hiervoor in ieder geval niet voldoende. Verder geldt dat, voor zover de vordering tot het doen stellen van zekerheid voor proceskosten (mede) betrekking heeft op de proceskosten van het hoger beroep, [Z] – de oorspronkelijk eiser – in hoger beroep geïntimeerde is, in welk geval artikel 224 Rv. niet van toepassing is (artikel 353 lid 2 Rv). De grief is dus ongegrond.

9. Grief II is gericht tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [X] c.s. het spoedeisend belang niet hebben betwist (bestreden vonnis rov. 4.12). [X] c.s. stellen dat zij tijdens de zitting van 30 juni 2017 uitgebreid zijn ingegaan op het spoedeisend belang en verwijzen naar hun pleitnota onder 55 tot en met 60.

10. Het hof overweegt dat de aangehaalde passages uit de bedoelde pleitnota van [X] c.s. in de eerste plaats dienen ter onderbouwing dat c.s. een spoedeisend belang hebben (bij hun vordering in reconventie): volgens hen was sprake van een onhoudbare situatie bij Agora wegens zware financiële problemen die werden veroorzaakt door [Z] . In de pleitnota onder 57 wordt over het spoedeisend belang van [Z] opgemerkt: ‘Waarom de financiële problemen nu opeens een spoedeisend belang zijn, blijft voor gedaagden een raadsel.’ Vervolgens wordt onder 59/60 gesteld: ‘Een spoedeisend belang was er in 2013. En wel aan de zijde van Agora of [X] , niet aan de zijde van [Z] . (…) Eiser heeft geen spoedeisend belang in deze kwestie.’ Hieruit blijkt dat [X] c.s. niet inhoudelijk zijn ingegaan op de stelling van [Z] dat hij een spoedeisend belang heeft, zodat [X] het spoedeisend belang in ieder geval niet gemotiveerd hebben betwist. De voorzieningenrechter heeft dus terecht een spoedeisend belang van [Z] aangenomen. De grief is ongegrond. Ook in het hoger beroep is het spoedeisend belang van partijen gegeven.

10. Grief III wordt hierna, tezamen met grief VI, behandeld.

12. Grief IV is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [X] jegens [Z] onrechtmatig heeft gehandeld (bestreden vonnis rov. 4.14.3). [X] c.s. stellen dat de voorzieningenrechter dit oordeel heeft gebaseerd op verschillende feitelijke onjuistheden. Zij lichten verder toe waarom volgens hen geen sprake is van onrechtmatig handelen van [X] . Naar zij stellen hebben Agora en, indirect, [Z] enkel voordeel van de oprichting van RTMO. Niet gesteld is dat aan [X] een ernstig verwijt kan worden gemaakt en daarvan is ook geen sprake, terwijl [Z] bovendien geen schade heeft geleden, aldus [X] c.s.

13. Voorop wordt gesteld dat het hof in dit hoger beroep van een kortgedingvonnis slechts voorlopige oordelen geeft. Verder merkt het hof op dat, zoals hiervoor onder 1.6 is overwogen, in de bodemzaak een verstekvonnis is gewezen. Niet is gesteld dat de bodemrechter in de door [X] c.s. aanhangig gemaakte verzetprocedure inmiddels uitspraak heeft gedaan. Nu aan de ‘afstemmingsregel’ ten grondslag ligt dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoir gevoerde civiele bodemprocedure, anders dan in kort geding, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, afgezien van de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te stellen (HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128), moet worden aangenomen dat deze niet geldt in het geval dat in de bodemzaak een verstekvonnis is gewezen. Anders zou een bij verstek veroordeelde partij een effectieve toegang tot de rechter in kort geding worden onthouden.

14. Wat betreft de door [X] c.s. gestelde feitelijke onjuistheden in het bestreden vonnis, overweegt het hof als volgt. De overweging dat [X] bestuurder van [Z] is (rov. 4.14.3, eerste zin, van het bestreden vonnis), betreft een kennelijke verschrijving. De voorzieningenrechter heeft klaarblijkelijk bedoeld: bestuurder van Agora. Anders dan [X] c.s., en met de voorzieningenrechter, is het hof van oordeel dat [X] als feitelijk beleidsbepaler van RTMO kan worden aangemerkt. Het hof zal dit hierna in rov. 16 toelichten.

14. [X] c.s. voeren verder nog aan dat RTMO onder aftrek van ‘een fee dan wel gemaakte kosten’ de ontvangsten van (voormalige) klanten van Agora aan Agora heeft doorbetaald, dat zij dit heeft duidelijk gemaakt door ter zitting van 30 juni 2017 bij de voorzieningenrechter inzage te geven in haar administratie en dat ook duidelijk is dat de fee in rekening is gebracht voor verrichte werkzaamheden. Hierover oordeelt het hof als volgt. [X] c.s. hebben niet toegelicht in welke administratieve bescheiden zij inzage hebben verschaft, noch dat en hoe daaruit bleek dat en welke kosten zijn voldaan en hoe een en ander op elkaar aansluit. De strekking van de veroordeling van [X] is in elk geval dat de geldstromen in verband met de dienstverlening aan (voormalige) klanten van Agora niet via RTMO lopen (veroordeling 5.2 van het bestreden vonnis) en, als ze al bij RTMO binnenkomen, onmiddellijk integraal worden door- dan wel teruggeleid naar Agora (veroordeling 5.2 van het bestreden vonnis), zodat een en ander wordt verwerkt en verifieerbaar is in de administratie van Agora. Vervolgens kan er geen bezwaar tegen bestaan indien Agora uit die ontvangsten kosten aan derden voldoet, in verband met de desbetreffende dienstverlening, voor zover zij die ook zou hebben gemaakt indien de desbetreffende opdracht niet via RTMO zou zijn gelopen. Met de voorzieningenrechter is het hof voorshands verder van oordeel dat voor het in rekening brengen van een fee aan Agora geen behoorlijke basis is genoemd; gesteld noch gebleken is immers dat hiertoe tussen Agora en RTMO een afspraak is gemaakt en hoe de hoogte van de fee wordt bepaald (en dat deze fee deugdelijk en duidelijk is gedeclareerd). Dat [Z] door de in deze procedures getroffen voorzieningen (tijdelijk) inzicht krijgt in de bankmutaties bij zowel Agora als RTMO, doet aan de strekking van de veroordeling van [X] niet af. Ook indien, zoals [X] c.s. stellen, de klanten van Agora geen zaken meer willen doen met Agora en [Z] er daarom juist voordeel van heeft dat de dienstverlening via RTMO verloopt, had het onder de gegeven omstandigheden op de weg van [X] gelegen om hiervoor (contractueel en in verslaglegging) een zodanige structuur te creëren dat voor de aandeelhouders van Agora zonder meer duidelijk is dat hun belangen hierdoor niet (kunnen) worden geschaad. Dit heeft [X] nagelaten.

16. Ter onderbouwing van hun stelling dat zij geen klanten van Agora hebben benaderd, maar dat deze klanten, die geen zaken meer wilden doen met Agora, zelf op zoek zijn gegaan naar een nieuwe partij, verwijzen [X] c.s. naar schriftelijke verklaringen (e-mails) van enkele klanten, inhoudende dat zij er zelf voor hebben gekozen om met RTMO te gaan samenwerken en dat zij zich uit eigen beweging bij RTMO hebben gemeld. Naar het oordeel van het hof spreekt het vanzelf dat [X] c.s., zoals zij stellen, klanten van Agora niet kunnen dwingen om zaken te doen met RTMO. Dit laat echter onverlet dat [X] en [Y] , in hun hoedanigheid van (gewezen) vertegenwoordigers van Agora, deze klanten op de hoogte hebben gesteld van het bestaan van RTMO en hun hebben verzocht betalingen te doen aan RTMO. Dit blijkt uit de door hen namens Agora aan klanten gestuurde e-mails, waarnaar [Z] verwijst (memorie van antwoord onder 22 en producties 49 tot en met 56). Aldus hebben zij eraan meegewerkt dat RTMO omzet verkreeg van (voormalige) klanten van Agora. Dat RTMO, en niet Agora, de diensten voor deze klanten zou hebben verricht, is in dit verband niet relevant; naar [X] c.s. zelf stellen, gaat het om diensten die RTMO voor Agora heeft verricht en is RTMO speciaal opgericht om transporten voor klanten van Agora uit te voeren (memorie van grieven onder 89/90 en 83). Het hof is voorshands van oordeel dat dit samenstel van handelingen kan worden aangemerkt als (met die van Agora) ‘concurrerende activiteiten’ en dat [X] als bestuurder en aandeelhouder van Agora zich hiervan diende te onthouden. [X] c.s. hebben in het licht van het voorgaande niet voldoende gemotiveerd betwist dat [X] met de hier aan de orde zijnde gedragingen tevens het beleid bij RTMO feitelijk (mede)bepaalde. Zij hebben ook niet aangevoerd dat [X] niet in de positie verkeert en (steeds) heeft verkeerd om aan deze situatie een einde te kunnen maken. In zoverre kan hij worden aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler bij RTMO. Dat [X] blijkens de e-mail van [A] , waarnaar [X] c.s. verwijzen (productie 29 bij eis in reconventie), heeft gehandeld met medeweten en instemming van [A] , de derde aandeelhouder, bevestigt dat de handelwijze van [X] is ingegeven door een conflict tussen hen enerzijds en [Z] anderzijds. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de handelwijze van [X] in het licht van deze omstandigheden onzorgvuldig jegens [Z] . Het betreft hier een aansprakelijkheid van [X] , niet (alleen) op grond van een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder, maar één die (mede) berust op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm. In het bijzonder is dan niet vereist dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt (HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881). Hieruit volgt dat ook indien aan [X] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, dit niet aan zijn aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad in de weg staat.

16. Voorshands is voldoende aannemelijk dat [Z] als gevolg van het handelen van [X] schade lijdt. Dat de door (voormalige) klanten van Agora aan RTMO betaalde bedragen aan Agora ten goede komen, zoals [X] c.s. stellen, is niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden. Na het wijzen van het bestreden vonnis in deze zaak is immers gebleken dat [X] c.s. hieraan niet voldoen; voor zover bedragen wel zijn doorgestort naar Agora, is uit bankafschriften gebleken dat deze vaak dezelfde dag nog worden teruggestort op de rekening van RTMO. In dit verband wordt opgemerkt dat, nu naar het voorlopig oordeel van het hof onzorgvuldig is gehandeld (niet jegens Agora maar) specifiek jegens [Z] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder, het niet gaat om schade van Agora als gevolg van een tegen de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad. Aan de betwisting dat [Z] schade heeft geleden, wordt daarom als onvoldoende onderbouwd voorbij gegaan.

18. Grief V klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte dwangsommen heeft opgelegd ten aanzien van de vorderingen D en E jegens [X] (bestreden vonnis rov. 4.20). De dwangsommen worden verbeurd wanneer [X] (i) niet voldoet aan het verbod om (al dan niet via RTMO) betalingen te ontvangen van cliënten van Agora (dictum, rov. 5.2), dan wel (ii) niet voldoet aan zijn veroordeling om betalingen die hij (al die niet via RTMO) heeft ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden die hij en/of RTMO voor deze cliënten hebben verricht, (door) te storten op de bankrekening van Agora (dictum, rov. 5.3). Ook als alle cliënten worden geïnformeerd dat zij aan Agora moeten betalen, kan niet worden voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd als cliënten alsnog op de bankrekening van RTMO betalen, aldus [X] c.s. Verder voeren zij aan dat als alle betalingen voor door RTMO verrichte diensten moeten worden doorgestort aan Agora, RTMO geen inkomsten meer genereert en mogelijk failliet gaat. Volgens [X] c.s. is het vonnis in dit opzicht praktisch niet uitvoerbaar en wordt [X] hierdoor onevenredig geschaad. [X] c.s. verzoeken het hof daarom het vonnis te vernietigen en tevens de gelegde beslagen op te heffen.

19. Het hof overweegt wat betreft veroordeling (i) dat [X] c.s. hetzelfde hebben betoogd ter onderbouwing van hun incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. In het incidenteel arrest van 16 januari 2018 (rov. 10) heeft het hof in dit verband geoordeeld:
‘Het hof begrijpt dat [Z] de desbetreffende veroordeling (rov. 5.2) aldus opvat dat geen dwangsom wordt verbeurd indien een cliënt van Agora, die deugdelijk en tijdig is geïnstrueerd over het betalingsadres, desondanks aan RTMO betaalt. Of reeds door de ontvangst door [X] van een betaling van een cliënt van Agora een dwangsom wordt verbeurd, zal in voorkomend geval achteraf door een executierechter moeten worden beoordeeld. Het hof merkt in dit verband op dat de vraag of in een bepaald geval dwangsommen zijn verbeurd, moet worden beantwoord door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht, te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen, in dier voege dat veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (Hoge Raad 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1367). Het hof merkt verder op dat het dictum van een in een rechterlijke uitspraak geformuleerd verbod moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen welke tot de beslissing hebben geleid (Hoge Raad 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553).
Verder geldt dat [X] inmiddels voldoende tijd heeft gehad om, zonodig, (voormalige) cliënten van Agora te informeren en te instrueren dat betalingen van door hem en/of RTMO verrichte werkzaamheden aan Agora dienen plaats te vinden.’
Verder is van belang dat [X] c.s. hun hiervoor in rov. 16 weergegeven bezwaren niet hebben aangevoerd ter bestrijding van de hoofdveroordeling (5.2 van het bestreden vonnis) als zodanig, zodat – bij gebreke van (overige) succesvolle grieven daartegen – van de juistheid en geldigheid daarvan moet worden uitgegaan. [X] c.s. hebben tegen deze achtergrond in zoverre geen belang meer bij deze grief.

19. Wat betreft veroordeling (ii) overweegt het hof als volgt. Het hof kan op grond van de overgelegde bankafschriften en de verklaring van [X] ter zitting niet reeds (voorshands) oordelen dat RTMO door [X] wordt gebruikt om op onrechtmatige wijze de winsten van Agora af te romen ten detrimente van [Z] . Dat neemt niet weg dat [X] tot op heden tegenover [Z] als aandeelhouder van Agora niet (voldoende) transparant is geweest over de door hem (met [Y] ) opgezette constructie en daarom is hij – naar het voorlopig oordeel van het hof: terecht – veroordeeld om deze ongedaan te maken. [X] heeft hieraan – welbewust – niet voldaan. In zoverre faalt de grief.

Omdat het hof echter niet kan uitsluiten dat de dienstverlening aan (voormalige) cliënten van Agora via RTMO per saldo niet nadelig is geweest voor ( [Z] als aandeelhouder van) Agora in die zin dat deze Agora niet méér zou hebben opgeleverd zonder tussenkomst van RTMO, en het het hof oprecht een raadsel is waarom [X] ondanks het bestreden vonnis heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan, is het hof er onvoldoende van overtuigd dat de dwangsommen onder de veroordeling 5.3 van het bestreden vonnis, in het bijzonder het daar opgelegde maximum, niet disproportioneel zijn. Anderzijds kan van dergelijke disproportionaliteit geen sprake meer zijn nadat [X] heeft kennis genomen of heeft kunnen kennisnemen van (ook) het onderhavige arrest. Om deze redenen zal het hof het maximum van de dwangsomveroordeling van 5.3 van het bestreden vonnis tot twee weken na betekening van het onderhavige arrest beperken tot € 50.000, en voor het overige in stand laten.

21. De grieven III en VI verwijten de voorzieningenrechter dat zij de (op 3 mei 2017) gelegde conservatoire (derden)beslagen niet heeft opgeheven en dat zij heeft overwogen dat [X] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [Z] geen vordering op hen heeft (bestreden vonnis rov. 4.14 en 4.27-4.29). [X] c.s. voeren in dit verband aan dat ten aanzien van [Y] , RTMO en Ago de voorzieningenrechter zelf heeft geoordeeld dat de vorderingen ondeugdelijk zijn nu [Z] jegens hen geen zelfstandig vorderingsrecht heeft onder verwijzing naar HR 2 december 1994, ECL:NL:HR:1994:ZC1564 (ABP/Poot). Dat [X] jegens [Z] niet onrechtmatig heeft gehandeld, hebben zij reeds uitgebreid uiteengezet en zij volstaan hier met een verwijzing. Hiermee is summierlijk aangetoond dat de gelegde beslagen ondeugdelijk zijn en moeten worden opgeheven, aldus [X] c.s. Daarnaast stellen zij dat de belangen van partijen niet op een juiste wijze zijn afgewogen. Volgens hen heeft het (betalings)gedrag van [Z] Agora in moeilijkheden gebracht, terwijl [X] en [Y] door de beslagen onder Agora en RTMO op hun inkomsten grote moeilijkheden ondervinden; zij zijn niet langer in staat hun vast lasten te voldoen. Hierdoor worden zij onevenredig hard getroffen, om welke reden de beslagen dienen te worden opgeheven, aldus [X] c.s.

22. Naar het oordeel van het hof hebben [X] c.s. ook in hoger beroep niet aangetoond dat de vordering waarvoor [Z] beslag heeft gelegd ondeugdelijk is. Zoals hiervoor overwogen is de handelwijze van [X] naar het voorlopig oordeel van het hof onzorgvuldig, dus onrechtmatig, jegens [Z] . Wat betreft [Y] geldt dat zij voormalig werknemer is van Agora, dat zij de oprichter en bestuurder is van Ago en indirect de oprichter en bestuurder van RTMO. Zij is in zoverre rechtstreeks betrokken bij en verantwoordelijk voor het verrichten van de hiervoor onder 16 weergegeven activiteiten die concurreren met die van Agora. [Y] is bovendien de partner/echtgenote van [X] . Om die reden is het hof, met de voorzieningenrechter, voorshands van oordeel dat de verwijten jegens [Y] , RTMO en Ago sterk samenhangen met de verwijten jegens [X] en dat niet valt uit te sluiten zij (mede) aansprakelijk zijn voor de daardoor veroorzaakte schade en voorts dat de regel uit Poot/ABP aan deze aansprakelijkheid niet in de weg staat. Hun belang moet daarom wijken voor dat van [Z] . Hun belang bij opheffing van het beslag moet daarom wijken voor dat van [Z] bij handhaving daarvan. Deze grief is dan ook ongegrond.

23. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.

24. Nu de grieven in deze zaak (grotendeels) ongegrond zijn, zal het bestreden vonnis van de voorzieningenrechter worden bekrachtigd met dien verstande dat veroordeling (ii) zal worden geclausuleerd zoals hiervoor overwogen [X] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Het hof heeft in zijn arrest van 16 januari 2018 in het incident ex artikel 843a Rv. zijn beslissing over de kosten aangehouden tot zijn beslissing in de hoofdzaak. Nu in de hoofdzaak de grieven grotendeels ongegrond zijn bevonden, zullen [X] c.s. eveneens in de kosten van dit incident worden veroordeeld.
In de zaak met zaaknummer 200.236.850/02

24. [Z] heeft een tweede kort geding aanhangig gemaakt tegen [X] en RTMO en, na eiswijziging, gevorderd:
A. RTMO c.s. te veroordelen om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, aan alle (voormalige) klanten van Agora onderstaande mededeling (per post en per e-mail) te verzenden, en van elk bericht binnen 24 uur na verzending een kopie te

verstrekken aan de advocaat van [Z] , en daaraan een dwangsomveroordeling te verbinden, dan wel, als tijdens dit kort geding zou blijken dat een dwangsom geen (voldoende) effect heeft, te bepalen dat de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang is toegestaan:

‘The Provisional Measures Judge of the District Court of Rotterdam has

ordered the undersigned, [X] and RTMO Logistics

B.V., to inform you that the payments for invoices for the work and/or

services they have provided to you should be paid on the bank account of

Agora Shipping & Trading B.V.

The bank account details are:

Bank: ABN AMRO Bank

IBAN: [Iban]

BIC/SWIFT: ABNANL2A

Sincerely,

A. [X] RTMO Logistics B.V.’

B. te bepalen dat de dwangsom die is opgelegd bij vonnis van 14 juli 2017 onder 5.2 met ingang van twee dagen na betekening van dit vonnis wordt verhoogd van € 500,00 per overtreding naar € 2.500,00, met een maximum van € 250.000,00;

C. RTMO c.s. te gebieden om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, de gelden die zij ontvangt van (voormalige) klanten van Agora binnen vijf dagen na ontvangst door te betalen aan Agora, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

D. RTMO c.s. te gebieden om, binnen veertien dagen na betekening van dit

vonnis, de vanaf 18 juli 2017 ontvangen bedragen van (voormalige) klanten van

Agora, als vermeld in het overzicht van productie 5, volledig aan Agora door te

storten, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

E. [X] te verbieden om vanaf de datum van betekening van dit vonnis enige betaling van RTMO aan Agora, verricht onder het vonnis van 14 juli 2017 of het te wijzen vonnis, door terugstorting aan RTMO of overboeking aan enige aan RTMO

gelieerde (rechts)persoon ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een

dwangsom;

F. [X] te gebieden om, binnen tien werkdagen na het einde van elke

kalendermaand, (voor het) eerst uiterlijk op 14 maart 2018, aan [Z]

maandelijkse bankafschriften van Agora te verstrekken, gedurende een periode van

één jaar, of zoveel korter als dat [X] gedurende dat jaar geen

beschikkingsbevoegdheid meer heeft over de bankrekening van Agora, op straffe van verbeurte van een dwangsom, dan wel, als tijdens dit kort geding zou

blijken dat een dwangsom geen (voldoende) effect heeft, te bepalen dat de

tenuitvoerlegging bij lijfsdwang is toegestaan,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van RTMO c.s. in de (werkelijke)

proceskosten.
[Z] heeft aan deze vorderingen ten grondslag gelegd dat [X] nalaat aan het kortgedingvonnis van 14 juli 2017 te voldoen. Volgens [Z] heeft [X] van de 103 betalingen die hij (al dan niet via RTMO) heeft ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora voor werkzaamheden en/of diensten die hij en/of RTMO voor hen verricht(t)en, slechts 16 betalingen doorgestort aan Agora, waarvan 3 te laat. Verder tracht [X] door het verrichten van schijnhandelingen aan de veroordeling te ontkomen, in het bijzonder door de 16 doorgestorte betalingen dezelfde dag weer terug te storten, aldus [Z] . In totaal is volgens hem 206 keer in strijd gehandeld met het vonnis. Naar [Z] heeft gesteld zijn de dwangsommen kennelijk onvoldoende prikkel om de veroordelingen na te komen, zodat deze, evenals de maxima, moeten worden verhoogd en dat ook de klanten moeten worden geïnformeerd dat zij voortaan aan Agora moeten betalen. Ter controle van correcte nakoming is het noodzakelijk dat [Z] de bankrekeningen van Agora kan inzien, aldus [Z] . Omdat [X] welbewust (opzettelijk) een half jaar lang zich niet aan het vonnis heeft gehouden, ondanks de opgelegde dwangsommen, wordt tenuitvoerlegging bij lijfsdwang gevorderd.

26. RTMO c.s. hebben de vorderingen bestreden en in reconventie, na eiswijziging, gevorderd:

A. [Z] te veroordelen om binnen twee werkdagen na de uitspraak de

inloggegevens van de e-mailaccount(s) van Agora @agora-shipping.com te

verstrekken, alsmede de gevorderde bescheiden te verstrekken aan RTMO c.s.,

op straffe van verbeurte van een dwangsom;

B. de executie van het vonnis van 14 juli 2017 te schorsen of te staken;

C. voor recht te verklaren dat de op 5 en 8 februari 2018 gelegde beslagen op de

gelden, aandelen op naam van [X] in de vennootschap Agora Shipping &

Trading BV. en roerende/onroerende zaken van RTMO c.s. vexatoir zijn;

D. [Z] te veroordelen tot vergoeding van de schade die RTMO c.s. door het beslag hebben geleden en thans nog zullen lijden,

een en ander met veroordeling van [Z] in de proceskosten.

Daartoe hebben zij aangevoerd dat zij aantoonbaar de omzet van RTMO hebben doorbetaald aan Agora en bankafschriften over de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 januari 2018 aan [Z] hebben verstrekt en dat [Z] desondanks niet voldoet, ook niet na een expliciet verzoek daartoe, aan de veroordeling binnen vijf werkdagen de toeging tot de e-mailaccount te verschaffen. Verder hebben RTMO c.s. aangevoerd dat tijdens de enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer aan het licht is gekomen dat het vonnis van 14 juli 2017 is gebaseerd op onjuiste feiten. Zo heeft [Z] in strijd met de waarheid medegedeeld dat facturen vals zijn, dat hij geen zeggenschap heeft in de vennootschappen in kwestie, dat er documenten zouden zijn vervalst, dat hij geen betalingen heeft verricht vanuit Multi, dat hij bepaalde klanten voor Agora heeft verworven en dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de oprichting van de vennootschappen, aldus RTMO c.s. Volgens hen is sprake van misbruik van bevoegdheid en is dit grond voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis als bedoeld in artikel 438 lid 1 Rv.

27. De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden kortgedingvonnis van 2 maart 2018 in conventie, voor zover hier van belang:
(i) [X] verboden om vanaf de datum van betekening van dit vonnis enige

betaling van RTMO aan Agora, verricht om te voldoen aan 5.3 van het vonnis van 14 juli 2017 (en/of aan dit vonnis), door terugstorting aan RTMO of overboeking aan enige aan RTMO gelieerde (rechts)persoon ongedaan te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding met een maximum van €100.000,-- (vordering E);
(ii) [X] geboden om, voor het eerst op 16 maart 2018 en vervolgens binnen tien werkdagen na het einde van elke kalendermaand, aan [Z] maandelijks de

bankafschriften van Agora te verstrekken, zulks gedurende een periode van één jaar, of zoveel korter als dat [X] gedurende dat jaar geen beschikkingsbevoegdheid meer heeft over de bankrekening van Agora op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 250.000,-- (vordering F).

Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen.


In reconventie heeft de voorzieningenrechter:
(i) [Z] veroordeeld om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de inloggegevens van de e-mailaccount(s) van Agora aan [X] te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, met een maximum van € 50.000,--;
(ii) de tenuitvoerlegging van het vonnis van 14 juli 2017 geschorst voor zover het de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling op grond van in deze procedure door [Z] gestelde, tot op 16 februari 2018 gepleegde overtredingen betreft, en voor zover die tenuitvoerlegging ziet op hogere bedragen dan € 8.000, totdat in een bodemprocedure is vastgesteld of [X] de gestelde overtredingen heeft begaan en/of deswege dwangsommen heeft verbeurd.

De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen.

28. Beide partijen hebben deze uitspraak met (incidentele) grieven bestreden.

29. Dat partijen in dit hoger beroep van een executiekortgeding over en weer een spoedeisend belang hebben, is niet in geschil. Wel heeft [Z] betwist dat [X] en RTMO spoedeisend belang hebben bij de nieuwe vorderingen, waarmee zij hun eis hebben vermeerderd. Gezien de aard van deze vorderingen, gaat het hof aan die betwisting voorbij.

30. [X] en RTMO hebben in hoger beroep hun vordering in reconventie vermeerderd in die zin dat zij tevens vorderen [Z] te gebieden binnen twee werkdagen na betekening van dit arrest:
1. aan [X] volledige kopieën van de beheer-/e-mailboxen te verstrekken;
2. alle andere kopieën van de beheer-/e-mailboxen te vernietigen;
3. aan [X] alle inlogcodes voor de e-mail-/beheeraccounts die er ten behoeve van Agora zijn, te verstrekken;
4. alles op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per overtreding met een maximum van € 250.000,-- dan wel een ander in goede justitie te bepalen bedrag.

30. [Z] heeft tegen deze eisvermeerdering geen bezwaar gemaakt zodat het hof uitgaat van de vordering zoals gewijzigd.

32. De door de voorzieningenrechter in deze zaak in het tweede kortgedingvonnis onder 2. tot uitgangspunt genomen feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

33. Grief I in het principaal appel is gericht tegen rov. 6.13 van het bestreden vonnis. Geklaagd wordt dat de voorzieningenrechter ten onrechte onvoldoende aannemelijk heeft geacht dat [X] in strijd heeft gehandeld met het verbod onder 5.2 van het eerste kortgedingvonnis. Grief II in het principaal appel is gericht tegen rov. 5.8 van het bestreden vonnis. Geklaagd wordt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering om [X] en RTMO te gebieden alle door RTMO ontvangen omzet van (voormalige) cliënten van Agora, zoals vermeld in het als productie 5 in eerste aanleg overgelegde overzicht, door te storten, heeft afgewezen. Grief III in het principaal appel is gericht tegen de rov. 6.14, 6.15 en 8.7, waarin de voorzieningenrechter aannemelijk heeft geacht dat [X] het gebod onder 5.3 van het bestreden vonnis (slechts) 16 keer heeft overtreden. De voorzieningenrechter heeft op die grond de tenuitvoerlegging van het eerste kortgedingvonnis geschorst voor zover het de dwangsomveroordeling wegens door [Z] gestelde, tot op 16 februari 2018 gepleegde overtredingen van dit verbod betreft, en voor zover die tenuitvoerlegging ziet op hogere bedragen dan € 8.000,--, totdat in een bodemprocedure is vastgesteld of [X] de gestelde overtredingen heeft begaan.

Naar [Z] in de toelichting op deze grieven stelt, heeft hij wel degelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de in het overgelegde overzicht genoemde partijen (voormalige) cliënten van Agora zijn. Volgens hem is uit overgelegde bankafschriften van RTMO gebleken dat van deze (voormalige) cliënten afkomstige betalingen aan RTMO niet zijn doorgestort aan Agora. In hoger beroep wijst [Z] ter nadere onderbouwing van zijn standpunt op door hem overgelegde facturen van Agora aan deze cliënten en de bewijzen van betalingen door hen. Hij stelt verder dat hij beschikt over een kopie van de e-mailbox van Agora waarin zich vele facturen van Agora aan een aantal partijen en bewijzen van betalingen aan Agora door deze partijen bevinden, zodat deze als (voormalige) cliënten van Agora moeten worden aangemerkt. Inmiddels beschikt [Z] ook over bankafschriften over de periode van 23 januari 2018 tot en met 31 mei 2018, waaruit nog meer overtredingen van de veroordeling onder 5.2 en 5.3 van het eerste kortgedingvonnis blijken. Hij voert aan dat [X] de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 van het eerste kortgedingvonnis in totaal 118 keer heeft overtreden en in totaal € 59.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd. Naar hij stelt, is het maximum aan verbeurde dwangsommen inmiddels ruim overschreden en is de huidige dwangsom voor [X] onvoldoende prikkel om de veroordeling na te komen. [Z] handhaaft daarom zijn vordering om de dwangsom ter zake van overtredingen van het gebod onder 5.2 en 5.3 van het eerste kortgedingvonnis te verhogen.

34. Voorwaardelijk, voor het geval dat grief III in het principaal appel gegrond is, hebben RTMO c.s. in incidenteel appel een grief gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter (rov. 6.14 van het bestreden vonnis) dat aannemelijk is dat [X] het gebod onder 5.3 van het eerste kortgedingvonnis naar de bedoeling daarvan heeft overtreden door in 16 gevallen betalingen die hij via RTMO heeft ontvangen van (voormalige) cliënten van Agora eerst (door) te storten op de bankrekening van Agora en vervolgens diezelfde dag terug te storten. Volgens RTMO c.s. is dit oordeel onbegrijpelijk: de bedragen zijn immers overgeboekt naar de bankrekening en (voormalig) cliënten van Agora Zij hebben zich gehouden aan de letterlijke tekst van de uitspraak en het kan niet zo zijn dat partijen dienen te gissen naar de bedoelingen van een rechter, aldus RTMO c.s. Verder betogen zij dat de vaststelling of dwangsommen wel of niet zijn verbeurd in de bodemprocedure aan de orde moet komen en niet in dit kort geding, nu de voorzieningenrechter niet bevoegd is een declaratoire uitspraak te doen. Hetzelfde geldt voor de vaststelling of het gaat om (voormalige) cliënten van Agora, aldus RTMO c.s. Zij verzoeken dan ook de tenuitvoerlegging van de dwangsomveroordeling voor het gehele bedrag te schorsen totdat er in de bodemprocedure is beslist of er wel of niet dwangsommen zijn verbeurd.

35. Naar het voorlopig oordeel van het hof is op grond van de door [Z] in hoger beroep overgelegde stukken voldoende aannemelijk dat Shortsea Express Lines (hierna: SEL), Equilex Chemical, Eastliner Finland OY, Avanfleet Commercial Group, Itaka Trans Co. Ltd., World Container Company, Narvatank OÜ, GST GmbH, CTL ICS, Prento, Promtreid en Transavis UAB cliënten van Agora zijn (geweest). [Z] heeft in hoger beroep oude facturen van Agora aan deze bedrijven en/of bewijzen van betaling door deze bedrijven aan Agora en/of e-mailcorrespondentie waarin deze bedrijven als opdrachtgever van Agora en/of consignee worden aangemerkt, overgelegd. Uit de al overgelegde bankafschriften blijkt dat RTMO van deze bedrijven betalingen heeft ontvangen. [X] en RTMO hebben betwist dat het om (voormalige) cliënten van Agora gaat. Ten aanzien van SEL voeren zij aan dat dit een rederij is. Wat daarvan zij, nu Agora heeft gefactureerd aan SEL en ook betalingen van SEL heeft ontvangen, valt zonder toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat SEL niet als cliënt in de zin van opdrachtgever van Agora kan worden aangemerkt. Ten aanzien van Equilex Chemical erkennen [X] en RTMO dat deze vroeger een klant was. Wat betreft Itaka, Avanfleet, World Container Company, GST en CTL voeren [X] en RTMO aan dat deze bedrijven expliciet een opdracht aan RTMO hebben verstrekt en/of onder geen beding nog met Agora willen samenwerken. Naar het voorlopig oordeel van het hof staat dit er niet aan in de weg dat het hier om voormalige cliënt van Agora gaat en dat zij dus onder het verbod vallen. Aan het verweer van [X] en RTMO dat Eastliner Finland OY nooit een klant van Agora is geweest, wordt voorbijgegaan, gezien de overgelegde facturen van Agora aan en betalingen door Eastliner Finland OY. Grieven II en III zijn voor zover het om (betalingen door) deze partijen gaat gegrond. Wat betreft de overige in productie 5 bij de inleidende dagvaarding genoemde partijen zijn deze grieven ongegrond, omdat [Z] onvoldoende heeft onderbouwd dat het hier om (voormalige) klanten van Agora gaat.

35. [X] en RTMO hebben niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat zij deze (voormalig) cliënten van Agora hebben geïnstrueerd om aan Agora te betalen. In zoverre is voorshands voldoende aannemelijk dat niet is voldaan aan het verbod onder 5.2 van het eerste kortgedingvonnis. Voor schorsing daarvan bestond daarom geen aanleiding, zodat grief I in het principaal appel gegrond moet worden geoordeeld. Het hof zal het tweede kortgedingvonnis, voor zover daarmee de executie van de veroordeling onder 5.2 van het eerste kortgedingvonnis is geschorst, vernietigen, en de vordering in reconventie tot schorsing of staking van de executie ter zake van de veroordeling onder 5.2 (vordering B) alsnog afwijzen.

37. De voorwaardelijke grief in het incidenteel appel – de voorwaarde waaronder deze is aangevoerd, is vervuld met het slagen van grief III in het principaal appel – is gegrond. De strekking van de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 van het eerste kortgedingvonnis, en van de veroordeling van RTMO met het onderhavige arrest, is dat RTMO geen betalingen van (voormalige) klanten van Agora dient te ontvangen en dat, voor zover zij deze toch ontvangt, de desbetreffende bedragen direct dienen te worden overgemaakt aan Agora. Met dit laatste wordt bereikt dat de betalingen door deze klanten bij Agora terechtkomen. In het eerste kortgedingvonnis is geen verbod uitgesproken dat inhoudt dat Agora geen betalingen mag doen aan RTMO. Het voert te ver om in het gebod van 5.3 tevens een dergelijk verbod te lezen. Voor zover aan het gebod wordt voldaan, wordt tenminste bereikt dat de desbetreffende betaling door een (voormalige) klant van Agora op de bankrekening van Agora wordt geboekt en dientengevolge verder dient te worden (tegen)geboekt in de administratie van Agora, en in die administratie ook dient te worden verantwoord indien en voor zover Agora weer betalingen aan RTMO doet. Het gebod heeft in die zin zelfstandige betekenis en tegen die achtergrond voert het te ver om daaraan een verdergaande betekenis toe te kennen. Het hof ziet voorts geen aanleiding het gevraagde verbod (vordering E in conventie) als zodanig toe te wijzen, omdat de belangen van [Z] met de in deze procedures gegeven en in dit arrest nog te geven ver- en geboden voldoende wordt gediend. Voldoende duidelijk is dat RTMO c.s. dienen te stoppen met het bedienen van (voormalige) klanten van Agora via RTMO, althans op de – ondoorzichtige – wijze waarop dat nu gebeurt.

38. Het bestreden vonnis zal dus worden vernietigd. De op genoemde punten in conventie afgewezen vorderingen komen alsnog voor toewijzing in aanmerking, met inachtneming van het volgende. Het (exacte) aantal overtredingen van het eerste kortgedingvonnis kan in dit (tweede) kort geding niet worden vastgesteld. Enerzijds leent een kort geding zich daar niet toe, anderzijds zijn de door [Z] genoemde aantallen overtredingen in het door hem overgelegde overzicht niet voldoende onderbouwd. Zo is niet aangegeven welke bedragen van welke cliënten niet zijn doorgestort, terwijl verschillende doorstortingen betrekking hebben op meer betalingen. Het is niet aan het hof om die bedragen te reconstrueren. Dit neemt niet weg dat de bankafschriften voldoende aannemelijk maken dat het aantal overtredingen van het eerste kortgedingvonnis – zowel de veroordeling onder 5.2 als onder 5.3 – hoger is dan 16, zodat dat er geen aanleiding is de dwangsomveroordelingen te beperken tot een bedrag van € 8.000 (16 overtredingen van € 500,--). Naar het hof begrijpt (memorie van grieven onder 101 en 107) zijn de grieven I en II mede gericht tegen de afwijzing van de vordering tot verhoging van de dwangsom (vordering B). Gezien de overtredingen van het eerste kortgedingvonnis onder 5.2 is de bij het eerste kortgedingvonnis opgelegde dwangsom niet een voldoende prikkel tot naleving daarvan gebleken en zal het hof de dwangsom verhogen naar € 1.000,-- per overtreding tot een maximum van € 250.000,--. Met inachtneming van wat het hof oordeelt over grief V in het principaal appel (hierna onder 39 en 40) zal het hof vordering D in conventie tegen RTMO toewijzen voor zover het de volgende (voormalige) cliënten van Agora betreft: Shortsea Express Lines, Equilex Chemical, Eastliner Finland OY, Avanfleet Commercial Group, Itaka Trans Co. Ltd., World Container Company, Narvatank OÜ, GST GmbH, CTL ICS, Promtreid, Prento en Transavis UAB. Aan de veroordeling zal, zoals gevorderd, een dwangsom worden verbonden, waarbij het hof aansluiting zoekt bij de in hoger beroep verhoogde dwangsom ten aanzien van de veroordelingen onder 5.2 van het eerste kortgedingvonnis. Voor zover deze vordering tegen [X] is ingesteld, wordt deze reeds afgedekt door zijn veroordeling in het eerste kortgedingvonnis onder 5.3 (met de daaraan met het onderhavige arrest, in die zaak, gekoppelde clausulering). Voor verhoging van de dwangsom per overtreding of het maximum, op die veroordeling van [X] , ziet het hof geen aanleiding. Vordering D in conventie tegen [X] zal het hof dus afwijzen. De vordering in reconventie onder B tot schorsing of staking van de executie voor zover het gaat om vordering 5.3 zal na vernietiging ook worden afgewezen.

39. Grief V is gericht tegen rov. 5.5 en 5.6 van het bestreden vonnis. Deze grief klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vorderingen voor zover gericht tegen RTMO heeft afgewezen op de grond dat [Z] als aandeelhouder van Agora in beginsel geen zelfstandig vorderingsrecht heeft jegens RTMO als derde die (beweerdelijk) schade berokkent aan Agora en, daarnaast, dat in het eerste kortgedingvonnis de vorderingen tegen RTMO zijn afgewezen zodat van samenspannen tussen [X] en RTMO om de veroordeling van RTMO te omzeilen geen sprake kan zijn. [Z] stelt dat nu [X] alle macht in handen heeft bij Agora, vast staat dat Agora geen actie jegens RTMO zal instellen. Naar hij stelt, is hier sprake van een bijzondere situatie waarin de aandeelhouder wel degelijk een zelfstandig vorderingsrecht heeft tegen RTMO die de vennootschap (Agora) onrechtmatige concurrentie aandoet. Bovendien schendt RTMO een specifieke norm jegens hem door actief mee te werken aan de onrechtmatige acties van [X] jegens hem, onder meer door – onterecht – een fee in te houden op doorbetalingen aan Agora, aldus [Z] .

40. Ook deze grief is gegrond. Naar het voorlopig oordeel van het hof is hier geen sprake van onrechtmatig handelen van RTMO jegens Agora, maar van schending van een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens een aandeelhouder – [Z] – door [X] , als bestuurder van Agora, tezamen met RTMO. [X] heeft, zoals hiervoor onder 16 is overwogen, namens Agora (voormalige) cliënten van Agora geïnstrueerd aan RTMO te betalen en aldus Agora benadeeld. RTMO heeft hieraan meegewerkt door (namens Agora) werkzaamheden voor die (voormalige) cliënten te verrichten en daarvoor betalingen in ontvangst te nemen. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat [X] namens Agora jegens RTMO een vordering tot schadevergoeding zal instellen op grond van onrechtmatig handelen van RTMO jegens Agora, voor zover daarvan in dit geval al sprake is. Dat in het eerste kortgedingvonnis de vordering jegens RTMO is afgewezen, doet hieraan niet af. Hierbij moet worden bedacht dat de achtergrond van het conflict tussen partijen een aandeelhoudersgeschil tussen [X] en [A] enerzijds en [Z] anderzijds is. Het hof is op grond van het voorgaande voorshands van oordeel dat onder de omstandigheden van dit geval [Z] wel degelijk een vorderingsrecht heeft jegens RTMO. Vordering C zal daarom worden toegewezen tegen RTMO. Daarbij zal wel worden bepaald dat deze veroordeling hoofdelijk is met de veroordeling van [X] in het eerste kortgedingvonnis, wat betekent dat voor zover het gebod wordt overtreden en Vladimorov dwangsommen verbeurt en betaalt, RTMO op die overtredingen geen dwangsommen (meer) verbeurt.

40. Grief IV is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [Z] de inloggegevens van e-mailaccounts @agora-shipping.com aan [X] moet verstrekken (bestreden vonnis rov. 6.4 en 8.6). Volgens [Z] is deze reconventionele vordering van [X] en RTMO ten onrechte toegewezen omdat deze vordering toekomt aan Agora en niet aan [X] . Zo is in het eerste kortgedingvonnis geoordeeld dat [Z] (onder voorwaarde) de inloggegevens dient te verstrekken aan Agora, niet aan [X] . Agora is echter geen partij in dit tweede kort geding, zodat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt, aldus [Z] . Verder is volgens [Z] niet voldaan aan de voorwaarde die in het eerste kortgedingvonnis is gesteld, te weten dat [X] op genoegzame wijze onder overlegging van bewijsstukken heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt immers dat de omzet niet volledig is doorbetaald en voor zover de omzet wel is doorbetaald, deze onmiddellijk is teruggeboekt naar RTMO, aldus [Z] . Subsidiair verzoekt [Z] het hof de vertrekking van de inloggegevens te beperken tot de e-mailaccounts sales@, [naam 1] @, [naam 2] @, administration@ en [naam 3] @.

42. Het hof overweegt dat [Z] bij het eerste kortgedingvonnis is veroordeeld de inloggegevens van de van e-mailaccounts @agora-shipping.com aan Agora te verstrekken binnen vijf werkdagen nadat [X] aan [Z] op genoegzame wijze onder overlegging van bewijstukken heeft aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora. De voorzieningenrechter heeft in dit tweede kort geding geoordeeld dat door overlegging van bankafschriften van RTMO over de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 januari 2018 op genoegzame wijze is aangetoond dat de omzet van RTMO is doorbetaald aan Agora en dat daaraan niet afdoet dat aannemelijk is dat er nog bedragen openstaan. De voorzieningenrechter heeft om die reden de veroordeling gehandhaafd zonder opschortende voorwaarde, omdat daaraan naar haar oordeel inmiddels was voldaan, en hieraan een dwangsomveroordeling verbonden. [Z] stelt, onder verwijzing naar een door hem overgelegde e-mail aan [X] van 6 maart 2018, dat hij naar aanleiding van het tweede kortgedingvonnis de inloggegevens onmiddellijk heeft verstrekt. De door hem verstrekte inloggegevens betreffen de e-mailaccounts sales@, [naam 1] @, [naam 2] @, administration@ en [naam 3] @. [Z] voert terecht aan dat de vordering van [X] in eerste aanleg in de tweede kort geding slechts zag op deze e-mailadressen en het e-mailadres info@. De veroordeling moet daarom geacht worden slechts hierop betrekking te hebben. [Z] voert verder onweersproken aan dat laatstgenoemd adres geen zelfstandige login heeft omdat het is gekoppeld aan sales@. Nu hij daarvan wel de login heeft verschaft, moet [Z] geacht worden aan de gehele veroordeling te hebben voldaan. Bij die stand van zaken heeft [Z] geen belang bij zijn grief, anders dan met het oog op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Het hof oordeelt de grief ongegrond, op de hierna in rov. 44 uiteen te zetten redenen.

43. [X] vordert voorts, na eisvermeerdering in hoger beroep, aan hem volledige kopieën van de beheer-/e-mailboxen te verstrekken, alle andere kopiëen van de beheer-/e-mailboxen te vernietigen en aan [X] alle inlogcodes voor de e-mail-/beheeraccounts die er ten behoeve van Agora zijn, te verstrekken, op straffe van een dwangsom. Hij stelt daartoe dat [Z] alle e-mailboxen, alsmede het beheer daarvan, vrij moet geven, nu hij niet de eigenaar is van de e-mailaccounts. Hij stelt verder dat [Z] een kopie van de e-mailbox van Agora op onrechtmatige wijze heeft verkregen, dat hij deze aan [X] moet afgeven en na afgifte eventuele andere kopieën en gegevens dient te vernietigen. [X] wenst alle inloggegevens te verkrijgen, dus ook de gegevens van het beheeraccount en alle andere e-mailsaccounts die voor of ten behoeve van Agora zijn gemaakt. Gezien de handelwijze van [Z] dienen aan deze veroordelingen dwangsommen te worden verbonden, aldus [X] .

44. Het hof gaat ervan uit dat [X] , als bestuurder van Agora, bevoegd is ten behoeve van Agora deze vorderingen in reconventie in te stellen. Tussen partijen is in geschil aan wie de rechten op de e-mailaccounts @agora-shipping.com toekomen. Dit kort geding leent zich niet voor een beoordeling aan wie de rechten op deze e-mailaccounts toekomen. Het hof zal [Z] evengoed veroordelen om de inloggegevens van het beheeraccount aan [X] te verschaffen. Het moge zo zijn dat [Z] in het (verre) verleden met instemming van [X] (Agora) het beheer over de e-mailaccounts heeft gevoerd, uit het inmiddels gerezen geschil blijkt dat [X] , als bestuurder van Agora, dit niet meer zo wil. Ongeacht wie als ‘rechthebbende’ met betrekking tot de e-mailaccounts kan worden aangemerkt, naar het voorlopige oordeel van het hof is het Agora, en daarmee [X] , die beslist wie het beheer voert (en wie wel en geen toegang verkrijgt tot de informatie die met dat beheer kan worden ontsloten). De aard van deze aanspraak op inloggegevens verzet zich ertegen dat hieraan enige voorwaarde wordt gekoppeld (zoals in het in het eerste kortgedingvonnis was gedaan). Voor een definitieve maatregel als vernietiging van door [Z] gemaakte kopieën van de e-mailbox van Agora is in dit kort geding geen plaats. [Z] heeft aangevoerd dat er geen andere e-mailaccounts zijn dan die waarvan hij de inloggegevens heeft verstrekt. [X] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat er nog andere e-mailaccounts @agora.com in gebruik zijn. Deze vorderingen zullen dan ook worden afgewezen. Wel zal het hof nog toewijzen de vordering van [X] tot afgifte van kopieën van de e-mailboxen waarover [Z] beschikt, omdat niet kan worden uitgesloten dat onderdelen daarvan in het e-mailprogramma zelf inmiddels zijn verwijderd, maar nog wel in kopie bij (de advocaat van) [Z] ter beschikking staan. Ook hieraan worden voor [X] geen verdere voorwaarden verbonden.

45. Grief VI klaagt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de proceskosten tussen partijen moeten worden gecompenseerd en dat [Z] de proceskosten van RTMO dient te dragen. [Z] heeft uiteengezet dat zijn vorderingen ten onrechte in conventie niet geheel zijn toegewezen en de reconventionele vorderingen van [X] en RTMO niet zijn afgewezen. Wanneer zijn grieven in dit hoger beroep slagen, brengt dit mee dat [Z] alsnog (voor het overgrote deel) in het gelijk wordt gesteld. Voor een verdeling van de proceskosten is dan geen plaats; dit geldt zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep, aldus [Z] .

46. [Z] heeft op grond van dit arrest als de grotendeels in eerste aanleg in het gelijk gestelde partij in conventie te gelden. [X] en RTMO zullen in de proceskosten van het geding in conventie worden veroordeeld. In reconventie zal de maximering van de dwangsommen weliswaar worden vernietigd, maar de veroordeling tot het verschaffen van inloggegevens blijft in stand. Het hof ziet daarom geen aanleiding anders te beslissen over de proceskosten in reconventie.

47. Voor bewijslevering is in dit kort geding geen plaats.

47. RTMO c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van het principaal appel worden veroordeeld. [Z] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in het incidenteel appel worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.221.295/02

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2017 voor zover de op overtreding van het gebod onder 5.3 van dat vonnis gestelde dwangsommen niet zijn gemaximeerd tot € 50.000 tot veertien dagen na betekening aan [X] van het onderhavige arrest;

- bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

- veroordeelt [X] c.s. in het kosten van het hoger beroep, de kosten van het incident daaronder begrepen, tot op heden aan de zijde van [Z] begroot op € 313,-- aan verschotten en € 3.222,-- aan salaris advocaat;

In de zaak met zaaknummer 200.236.850/02

In het principaal en in het incidenteel appel

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de
rechtbank Rotterdam van 2 maart 2018, en

opnieuw rechtdoende,

in conventie

- bepaalt dat de dwangsom die is opgelegd bij het tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 14 juli 2017 onder 5.2 met ingang van veertien dagen na betekening van dit arrest wordt verhoogd van € 500,-- per overtreding naar € 1.000,--, met een maximum van € 250.000,--;

- gebiedt RTMO om, binnen veertien dagen na betekening van dit

arrest, de vanaf 18 juli 2017 ontvangen bedragen van Shortsea Express Lines, Equilex Chemical, Eastliner Finland OY, Avanfleet Commercial Group, Itaka Trans Co. Ltd., World Container Company, Narvatank OÜ, GST GmbH, CTL ICS, Prento, Promtreid en Transavis UAB, en de vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest van (voormalige) klanten van Agora ontvangen bedragen volledig aan Agora door te storten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per overtreding met een maximum van € 250.000,--, met dien verstande dat voor zover [X] dwangsommen verbeurt en betaalt voor dezelfde overtreding, RTMO geen dwangsom verbeurt;

- gebiedt [X] om, voor het eerst op 16 maart 2018 en vervolgens binnen tien werkdagen na het einde van elke kalendermaand, aan [Z] maandelijks de bankafschriften van Agora te verstrekken, gedurende een periode van één jaar, of zoveel korter als dat [X] gedurende dat jaar geen beschikkingsbevoegdheid meer heeft over de bankrekening van Agora, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 250.000,--;

- veroordeelt [X] en RTMO in de kosten van het geding in eerste aanleg voor zover in conventie gevallen, tot op heden aan de zijde [Z] begroot op € 291,-- aan verschotten en € 1.629,-- aan salaris advocaat;

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde;

in reconventie

- veroordeelt [Z] om binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis de inloggegevens van de e-mailaccount(s) sales@, [naam 1] @, [naam 2] @, administration@ en [naam 3] @ en binnen twee werkdagen na betekening van het arrest de inloggegevens van het beheeraccount van Agora (@agora-shipping.com) aan [X] te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, met een maximum van € 50.000,--;

- veroordeelt [Z] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest de hem ter beschikking staande kopieën van e-mailboxen van @agora-shipping.com aan [X] te verschaffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag, met een maximum van € 50.000,--;

- bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen;

- wijst af het anders of meer gevorderde;

voorts in het in het principaal appel

- veroordeelt [X] en RTMO in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [Z] tot op heden begroot op € 416,01 aan verschotten en € 3.222,-- aan salaris advocaat;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

voorts in het in het incidenteel appel

- veroordeelt [Z] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van RTMO c.s. tot op heden begroot open € 1.611,-- aan salaris advocaat;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Verduyn, J.W. Frieling en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.