Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1892

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
200.238.559, 200.238.586. 200.239.218, 200.239.537
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Complexe verdelingszaak met betrekking tot een voormalige echtelijke woning waarbij de woning na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap met instemming van de man is verbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummers : 200.238.559/01, 200.238.586/01, 200.239.218/01 en

200.239.537

Rekestnummers rechtbank : FA RK 16-5428 en FA RK 17-2923

Zaaknummers rechtbank : C/10/504919 en C/10/524226

beschikking van de meervoudige kamer van 30 september 2020

In de zaak met zaaknummers 200.238.559/01 en 200.239.537/01

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Salhi te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Spijkenisse.

In de zaak met zaaknummers 200.238.586/01 en 200.239.218/01

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.E. Gout de Kreek te Spijkenisse,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S. Salhi te Den Haag.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

In alle zaken

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook: de bestreden beschikking.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummers 200.238.559/01 en 200.239.537/01

2.1

De vrouw is op 4 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De man heeft op 29 augustus 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 12 oktober 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 7 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 juli 2018 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een bericht van de zijde van de vrouw van 27 december 2018 met bijlagen, ingekomen op 28 december 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 31 december 2018 met bijlagen, ingekomen op 3 januari 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 10 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 10 januari 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.5

Op 11 januari 2019 is een mondelinge behandeling gehouden waarbij de zaken met zaaknummers 200.238.586/01 en 200.239.218/01 en 200.238.586/01 en 200.239.218/01 gevoegd zijn behandeld. Partijen en hun advocaten zijn verschenen. Ter zitting hebben de advocaten pleitnotities overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 11 januari 2019 hebben partijen besloten om een mediationtraject te volgen. De zaak is vervolgens pro forma aangehouden in afwachting van de resultaten van dit traject.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat naar partijen is verstuurd.

2.6

Bij V-formulier van 1 november 2019, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vrouw het hof laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en dat de mediation is gestopt.

2.7

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 9 maart 2020 met bijlagen, ingekomen op 10 maart 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 10 maart 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 11 maart 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 maart 2020 met bijlagen, ingekomen op 13 maart 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 15 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 18 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 25 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 26 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 mei 2020 met bijlage, ingekomen op 26 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 26 mei 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 juni 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 2 juni 2020 met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2020.

In de zaak met zaaknummers 200.238.586/01 en 200.239.218/01

2.8

De man is op 7 mei 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.9

De vrouw heeft op 17 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

2.10

Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 21 juni 2018.

2.11

Het hof beschouwd de ingekomen stukken in de zaken met zaaknummers 200.238.559/01 en 200.239.537/01 als ingekomen in de zaken met zaaknummers 200.238.586/01 en 200.239.218/01.

In alle zaken

2.12

De nieuwe mondelinge behandeling van alle zaken was gepland op 20 maart 2020. Deze behandeling heeft geen doorgang gevonden in verband met het beleid ten aanzien van het Corona-virus. Aangezien de man bij V-formulier van 7 april 2020 aan het hof kenbaar heeft gemaakt dat hij een nieuwe zitting wenst, heeft het hof een nieuwe mondelinge behandeling bepaald op 5 juni 2020.

2.13

De raad heeft bij brief van 20 mei 2020 aan het hof laten weten niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen, aangezien hij in het kader van deze procedure geen onderzoek heeft verricht.

2.14

De nieuwe mondelinge behandeling in alle zaken heeft op 5 juni 2020 plaatsgevonden, met instemming van partijen in verband met ziekte van de derde raadsheer, door twee raadsheren. De derde raadsheer zal de beschikking meewijzen.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

De mondelinge behandeling van 5 juni 2020 is voortijdig beëindigd omdat het Paleis van Justitie ging sluiten.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat naar partijen is verstuurd.

2.15

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 juni 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 juni 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 15 juli 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 15 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 16 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;.

2.16

De mondelinge behandeling in alle zaken is op 24 juli 2020 voortgezet. Met instemming van partijen in verband met afwezigheid van de derde raadsheer (welke raadsheer op 5 juni 2020 ziek was), door twee raadsheren. De derde raadsheer zal de beschikking meewijzen.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd die hij deels heeft voorgelezen.

3 De feiten

In alle zaken

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn gehuwd geweest.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] , hierna: de oudste minderjarige,

- [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2]

- [naam 3] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 3] ,

hierna tezamen ook: de minderjarigen.

3.4

De minderjarigen verblijven bij de vrouw. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarigen.

3.5

De echtscheiding is op 2 juli 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

In alle zaken

4.1

Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen de in de wettelijke gemeenschap gehuwde partijen uitgesproken.

Voorts is, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw zal zijn;

- een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald;

- bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, zolang de man niet beschikt over eigen woonruimte, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 137,- per maand per kind, en vanaf het moment dat de man beschikt over eigen woonruimte € 75,- per maand per kind, in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

Voorts is de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap gelast zoals is weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.9.4 tot en met 2.9.10 van de bestreden beschikking. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.2

Ter zitting bij het hof zijn door partijen diverse grieven en onderdelen van het dictum van het principale appelschrift van de vrouw en van de man en incidenteel appelschrift van de man ingetrokken. Het gaat om het volgende:

Door de vrouw zijn ingetrokken haar verzoeken betreffende:

- de inboedel;

- de € 7.000,- van de kinderrekening;

- de auto.

Door de man zijn ingetrokken zijn verzoeken betreffende:

- het hoofdverblijf van de minderjarigen (deel van grief 1 van het principale -en van het incidentele appel van de man);

- de € 7.000,- van de kinderrekening (grief 4 principale appel en grief 3 incidentele appel van de man);

- de partneralimentatie (grief 6 principale appel van de man);

- de datum van ontbinding van de gemeenschap (grief 7 principale appel en grief 5 incidentele appel van de man).

Deze intrekkingen hebben tot gevolg dat de door partijen aangevoerde grieven of verzoeken ten aanzien van voornoemde (geschil)punten niet meer behoeven te worden behandeld omdat er op deze punten geen beslissing van het hof (meer) wordt gevraagd.

4.3

Nu de man ter zitting bij het hof niet meer is ingegaan op de inboedel en de auto, gaat het hof ervan uit dat de man ook geen beslissing hieromtrent wenst van het hof. Daarnaast is de inhoud van de kluis geen onderwerp geweest van het debat van partijen, noch zijn hieromtrent grieven geformuleerd, zodat het hof ervan uitgaat dat ook dit onderdeel van het dictum van het principale appel van de man geen bespreking meer behoeft.

4.4

In geschil zijn thans nog:

  • -

    de zorgregeling;

  • -

    de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderalimentatie);

  • -

    een aantal geschilpunten met betrekking tot de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Een kerngeschilpunt tussen partijen is de verdeling van de voormalige echtelijke woning.

In de zaak met nummers 200.238.559/01 en 200.239.537/01

4.5

De vrouw verzoekt het hof bij beschikking in appel de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie en ten aanzien van de verdeling en, opnieuw recht doende:

I. te bepalen dat de man een bijdrage dient te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen ad € 237,- per maand per kind;

II. de verdeling als volgt vast te stellen:

  • -

    aan de vrouw wordt toebedeeld: de echtelijke woning aan [adres 2] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening en levensverzekering, onder de verplichting aan de man te voldoen: de helft van de taxatiewaarde, te weten € 500.000,-, verminderd met de helft van de waarde van de hypothecaire geldlening per peildatum verdeling, alsmede verminderd met de helft van de waarde van de levensverzekering per peildatum verdeling en verminderd met € 23.500,-, de helft van de lening bij [naam 5] die aangegaan was ter financiering van de echtelijke woning en verminderd met € 325,- de helft van de taxatiekosten;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de aflossing van de aanslag IB 2015, tot betaling van het bedrag van € 5.676,50 aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de aflossing van de aanslag IB 2012, tot betaling van het bedrag van € 1.971,50 aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de teruggave van de aanslag IB 2015, tot betaling van het bedrag van € 1.071,- aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de teruggave van de aanslag IB 2016, tot betaling van het bedrag van € 1.250,- aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de uitgeleende bedragen aan de zus van de man en twee vrienden van de man, tot betaling van het bedrag van € 1.650,- aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de creditcardschuld, tot betaling van het bedrag van
    € 364,50 aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen in het kader van de schade-uitkering van Interpolis, tot betaling van het bedrag van € 1.500,- aan de vrouw;

  • -

    de saldi van de bij partijen genoegzaam bekende bankrekeningen per peildatum bij helfte worden verdeeld.

4.6

De man bestrijdt het beroep en verzoekt de vrouw in het haar verzochte niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het verzochte ongegrond en/of onbewezen te verklaren, dan wel haar grieven af te wijzen.

In incidenteel appel verzoekt de man te vernietigen de bestreden beschikking, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en, opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

  • -

    een verdeling van de verzorgings- en opvoedingstaken (hierna ook: zorgregeling) geldt waarbij de minderjarigen elke veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot maandag 8.30 uur bij de man verblijven en waarbij de man elke zaterdag met de oudste minderjarige naar voetbal kan gaan, alsmede de helft van alle schoolvakanties, onder dwangsom van € 250,- voor elke dag dat de vrouw de minderjarigen niet meegeeft aan de man;

  • -

    de man aan de vrouw dient te betalen het bedrag van € 75,- per maand per kind met ingang van 6 mei 2018;

  • -

    de vrouw de helft van de taxatiewaarde van de echtelijke woning, verminderd met de helft van de waarde van de hypothecaire lening en vermeerderd met de helft van de waarde van de levensverzekering aan de man dient te betalen;

dan wel een zo danige uitspraak te doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

4.7

De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel dan wel de grieven van de man ongegrond te verklaren althans af te wijzen.

In de zaak met nummers 200.238.586/01 en 200.239.218/01

4.8

De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende alsnog de inleidende verzoeken van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat:

  • -

    de zorgregeling als volgt zal zijn: de minderjarigen zullen iedere veertien dagen van maandag na school tot de volgende week op vrijdag tot school bij, het hof begrijpt: de man verblijven;

  • -

    de echtelijke woning, de hypothecaire lening en de daaraan verbonden polissen van levensverzekering aan de vrouw worden toegescheiden, waarbij de vrouw ten titel van overbedeling het bedrag van € 200.000,- aan de man betaalt:

  • -

    de schuld bij [naam 5] ter hoogte van € 47.000,- aan de vrouw wordt toegescheiden;

  • -

    de saldi van de bij de partijen genoegzaam bekende bankrekeningen bij peildatum bij helfte worden verdeeld;

dan wel een zodanige uitspraak te doen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

4.9

De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel dan wel alle grieven van de man ongegrond te verklaren althans af te wijzen.

4.10

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

In alle zaken

Echtscheiding

5.1

Uit de stukken is gebleken dat de echtscheiding op 2 juli 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het hof gaat er derhalve van uit dat de vrouw haar grief tegen de echtscheiding niet langer handhaaft en het hof zal op deze grief niet meer ingaan nu de vrouw bij deze grief geen belang meer heeft.

Zorgregeling

5.2

De man is het niet eens met de door de rechtbank bepaalde zorgregeling waarbij de minderjarigen iedere dinsdag en donderdag na school tot 19.00 uur bij hem verblijven. Weliswaar was dit conform zijn eigen voorstel, maar nu de man eigen woonruimte heeft, wenst hij een ruimere zorgregeling, waarbij de minderjarigen elke veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot maandag 08.30 uur bij de man verblijven, alsmede de helft van alle schoolvakanties, en waarbij de man elke zaterdag met de oudste minderjarige naar voetbal kan gaan. De man wenst voorts dat een dwangsom wordt bepaald voor elke dag dat de vrouw de minderjarigen niet meegeeft aan de man.

5.3

Volgens de vrouw heeft de man nauwelijks contact met de minderjarigen en komt hij afspraken rond de zorgregeling niet na. Inmiddels is na een politiemelding (de man viel de vrouw lastig en bedreigde haar) het Jeugdteam bij het gezin betrokken. De man weigert met de vrouw in gesprek te gaan. In haar appelschrift stelt de vrouw dat de man de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling zelf heeft voorgesteld. Voor de door de man verzochte dwangsommen is volgens haar geen grond.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man nog niet over eigen woonruimte beschikt dat hij de minderjarigen op een voor hun prettige manier zou kunnen ontvangen en de door hem verzochte zorgregeling zou kunnen uitvoeren. Het hof acht het in beginsel in het belang van de minderjarigen dat zij contact hebben met hun vader. Het hof acht het evenzeer van belang dat de man zich nauwkeurig houdt aan de zorgregeling. Van de man en de vrouw mag in het belang van de minderjarigen worden verlangd dat zij de minderjarigen niet belasten met hun onderlinge strijd. Van beide ouders mag ook in redelijkheid worden verlangd dat er op termijn gestreefd wordt naar uitbreiding van de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen. Wel is het van belang dat beide partijen zich inzetten om een einde te maken aan hun jarenlange conflict waarbij alleen maar verliezers zijn. Partijen dienen zich te richten op hun eigen toekomst los van elkaar als partners echter als ouders dienen zij zich in te zetten voor het welzijn van de minderjarigen. Het hof zal dan ook de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling waarbij de minderjarigen iedere dinsdag en donderdag na school tot 19.00 uur bij de vader verblijven, bekrachtigen nu er op dit moment nog onvoldoende draagvlak is om te komen voor een uitbreiding van de zorgregeling. Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat de moeder geen grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling en ook ter zitting bij het hof, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen andere zorgregeling heeft voorgesteld. Hetgeen zij wel ter zitting bij hof naar voren heeft gebracht omtrent de zorgregeling maakt niet dat het hof tot een andere beslissing komt.

Voorts ziet het hof, gelet op al het voorgaande en dan met name ook de bekrachtiging van de door de rechtbank vastgestelde regeling en het feit dat de moeder tegen deze regeling niet gegriefd heeft, onvoldoende reden om de door de man verzochte dwangsom op te leggen zodat hof dit verzoek van de man afwijst.

Kinderalimentatie

Behoefte

5.5

Het hof stelt vast dat de gezamenlijke behoefte van de minderjarigen van € 1.879,- per maand – exclusief opvangkosten van de kinderen – niet in geschil is tussen partijen.

Volgens de vrouw moet deze behoefte nog worden verhoogd met de opvangkosten van de minderjarigen van, zo blijkt uit het debat van partijen ter zitting bij het hof, € 100,- per maand per kind. Dit is het bedrag dat zij aan haar buurvouw per maand betaalde. In de behoefte berekening met betrekking tot de kosten van de kinderen die zij op 26 mei 2020 in het geding heeft gebracht voert zij een bedrag op – naar het hof aanneemt voor opvangkosten – een bedrag van € 242,- per maand per kind.

5.6

Door de man is voor de zitting van 5 juni 2020 een aantal producties in het geding gebracht. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij akkoord is met de door de vrouw opgevoerde kosten van de opvang van de kinderen. Productie 37 heeft betrekking op de kinderalimentatie. De man heeft de kosten van de kinderen berekend op een bedrag van € 1.701,- per maand voor drie kinderen. De man neemt in zijn berekening van de behoefte geen extra bedrag op voor de opvangkosten van de kinderen. Het hof begrijpt uit de door de man in het geding gebrachte behoefte berekening dat als er opvangkosten zijn voor de minderjarigen dat deze zijn verdisconteerd in de behoefte van de kinderen.

5.7

Het hof overweegt als volgt. Naar het oordeel van het hof spitst het geschil tussen partijen zich toe of de basis behoefte van de minderjarigen moet worden verhoogd met de kosten van opvang van de minderjarigen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen enkele onderbouwing gegeven met betrekking tot de opvangkosten van € 242,- per maand. Het hof heeft uit het betoog van de vrouw begrepen dat dit een fictieve berekening is. De opvangkosten van € 300,- per maand voor drie kinderen – welke kosten als zodanig door de man zijn erkend ter zitting – zijn niet dermate hoog dat deze kosten geen deel uit maken van de behoefteberekening zoals deze door de rechtbank is vastgesteld. Er is dus voor het hof geen aanleiding om de behoefte van de minderjarigen op een hoger bedrag vast te stellen dan dat de rechtbank heeft gedaan. Het hof gaat er derhalve van uit dat de behoefte van de minderjarigen totaal € 1.879,- per maand bedraagt. Nu beide partijen in hun berekeningen uitgaan van een indexering van de behoefte van 2016 naar 2020, zal het hof dat ook doen. De behoefte van € 1.879,- per maand in 2016 bedraagt thans, in 2020 geïndexeerd: € 2.035,83, afgerond € 2.036,- per maand voor de drie minderjarigen.

5.8

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 137,- per maand per kind zolang de man niet over eigen woonruimte beschikt en vanaf het moment dat hij over eigen woonruimte beschikt op € 75,- per maand per kind. De echtscheidingsbeschikking is op 2 juli 2020 ingeschreven. De man is vanaf die datum € 137,- per maand per kind verschuldigd nu hij nog niet over eigen zelfstandige woonruimte beschikt.

Draagkracht

5.9

Ter onderbouwing van de draagkracht heeft de vrouw draagkrachtberekeningen overgelegd van zowel haar eigen draagkracht als die van de man. Ter zitting zijn deze berekeningen (productie 38 van de vrouw) met partijen besproken. De man heeft te kennen gegeven met de berekeningen die door de vrouw als productie 38 zijn overgelegd te kunnen instemmen, behalve met het inkomen van de vrouw waarvan in de draagkrachtberekening van de vrouw is uitgegaan.

5.10

Volgens de man dient het inkomen van de vrouw dat blijkt uit de jaaropgave 2019 te worden verhoogd met de inkomsten die zij ontvangt uit het PGB van haar zus en met de huurinkomsten die zij ontvangt van haar zus. Het totale inkomen van de vrouw bedraagt dan niet € 69.111,- bruto per jaar maar € 121.219,- per jaar, aldus de man.

De vrouw heeft stellingen van de man gemotiveerd betwist.

5.11

Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vrouw als productie 37 overgelegde jaaropgave 2019 blijkt dat het bruto jaarinkomen van de vrouw € 69.111,- bedraagt. Verder volgt uit de door haar als productie 39 overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2019 eveneens een bruto jaarinkomen van € 69.111,-. Daar naar gevraagd door het hof heeft de vrouw toegelicht dat zij geen PGB inkomsten en geen huurinkomsten ontvangt van haar zus omdat haar zus een eigen woning/woongedeelte heeft en haar eigen zorg inkoopt. Verder ontvangt de zus een Wajong-uitkering waardoor zij niet in staat is om de bedragen die de man noemt te betalen aan de vrouw.

Gelet op de toelichting van de vrouw, welke toelichting het hof, gezien de familierechtelijke situatie en gezien de verbouwing van de woning met het woongedeelte voor de zus, zeer aannemelijk acht, gaat het hof uit van de door de vrouw verstrekte financiële gegevens. Het hof gaat dus uit voor een inkomen van de vrouw van € 69.111,-.

5.12

Uit het voorgaande volgt dat het hof uitgaat van de door de vrouw als productie 38 overgelegde draagkrachtberekeningen (4 en 5) van de draagkracht van de man en van de vrouw. Hieruit volgt dat de draagkracht van de man € 780,- per maand bedraagt en de draagkracht van de vrouw € 1.373,- per maand, totaal derhalve € 2.153,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.13

De gezamenlijke draagkracht van partijen van € 2.153,- per maand is hoger dan de behoefte van de minderjarigen van € 2.036,- per maand. Het hof zal dan ook de behoefte over partijen verdelen volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte:

Aandeel man: € 780,-/€ 2.153,- x € 2.036,- = afgerond € 738,-

Aandeel vrouw: € 1.373,-/€ 2.153,- x € 2.036,- = afgerond € 1.298,-

Totaal € 2.036,-

Van de totale behoefte komt een gedeelte van € 738,- per maand, zijnde € 246,- per maand per kind voor rekening van de man, en van afgerond € 433,- per maand per kind voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

5.14

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen gaat het hof uit van een zorgregeling van twee middagen per week. Bij een dergelijke zorgregeling past een zorgkorting van 15 %.

Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. De zorgkorting bedraagt 15% van € 2.036,- = afgerond € 305,- per maand, zodat de man een kinderalimentatie moet betalen van € 738,- -/- 305,- = 433,- per maand, zijnde afgerond € 144,- per maand per kind.

Ingangsdatum

5.15

De vrouw verzoekt om vanaf 2 juli 2020 de kinderalimentatie vast te stellen. De man heeft in zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel appel verzocht om een bedrag van € 75,- vast te stellen met ingang van 6 mei 2018.

5.16

Het hof overweegt als volgt. De echtscheidingsbeschikking dateert van 6 februari 2018 welke beschikking eerst op 2 juli 2020 is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand.

De rechter die het bedrag van een alimentatie-uitkering wijzigt dan wel vaststelt, heeft een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum daarvan. De rechtbank heeft in eerste aanleg gekozen om de alimentatie vast te stellen per datum inschrijving echtscheidingsbeschikking en in appel heeft de vrouw niet om een andere datum verzocht. Alhoewel de man verzoekt de kinderalimentatie vast te stellen op 6 mei 2018, acht het hof het in het onderhavige geval redelijk en billijk om als ingangsdatum te kiezen voor de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te meer daar in de procedure voorlopige voorzieningen een regeling is getroffen en de man daarvan geen wijziging heeft verzocht.

5.17

De rechtbank heeft als ingangsdatum bepaald de datum inschrijving echtscheidingsbeschikking, deze datum is dus 2 juli 2020. Het hof heeft uitsluitend het bedrag aan kinderalimentatie op een ander bedrag bepaald zijnde € 144,-, in zoverre moet derhalve de bestreden beschikking worden vernietigd.

Verdeling

Peildatum

5.18

De rechtbank heeft de peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap conform de hoofdregel gesteld op de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap, zijnde de datum indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding op 29 juni 2016. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank van een juridisch correct uitgangspunt uitgegaan. De man heeft zijn grieven met betrekking tot de bepaling van de omvang en samenstelling ingetrokken zodat deze grieven dus niet meer behoeven te worden besproken.

5.19

De bestreden beschikking is gewezen op 6 februari 2018. In de bestreden beschikking is door de rechtbank de wijze van verdeling gelast, waarbij deze datum voor de waardering van de goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap in aanmerking komt tenzij in appel tegen de door de rechtbank gelaste wijze van verdeling als geheel wordt opgekomen. De man heeft geen grief gericht tegen de door de rechtbank gelaste toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw, zijn bezwaren richten zich uitsluitend tegen de financiële gevolgen ervan, zodat als peildatum voor de waardering deze datum ook in hoger beroep in stand blijft.

Voormalige echtelijke woning

5.20

Uit de bestreden beschikking blijkt, r.o. 2.9.7, dat partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning, en de daaraan verbonden polissen van de levensverzekering aan de vrouw dienen te worden toegedeeld en de man draagplichtig is voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening. Het hof zal hier dan ook van uit gaan nu partijen dit met elkaar zijn overeengekomen.

5.21

Partijen verschillen van mening over:

  1. de waarde van de voormalige echtelijke woning;

  2. of de woning moet worden gewaardeerd voor of na de verbouwing

  3. welke schulden, gemaakt voor de financiering van de aankoop van de voormalige echtelijke woning, in mindering dienen te worden gebracht op de waarde van de voormalige echtelijke woning;

  4. of de kosten van de verbouwing moeten worden meegenomen.

Waarde voormalige echtelijke woning

5.22

Zoals hiervoor overwogen is de peildatum voor de waardering van de voormalige echtelijke woning 6 februari 2018. Tijdens de zitting bij het hof op 5 juni 2020 heeft het hof dat aan partijen medegedeeld. Partijen hebben toen ter zitting afgesproken dat de man drie NVM makelaars aanwijst waaruit de vrouw een makelaar kiest die de waarde van de voormalige echtelijke woning vaststelt op 6 februari 2018.

Het hof heeft ter zitting eveneens medegedeeld dat de waardering dient plaats te vinden inclusief de aanbouw. De woning behoort tot de huwelijksgoederen gemeenschap van partijen. Door natrekking maakt de aanbouw en het resultaat van de verbouwing deel uit van de woning. Het feit dat de verbouwing is gerealiseerd na ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 29 juni 2016 doet daaraan niet af. Op 29 juni 2016 heeft de vrouw een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, hetgeen tot gevolg heeft dat vanaf die datum de huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden. De goederenrechtelijke natrekking prevaleert in deze, daar komt nog bij dat de man te samen met de vrouw aan de aannemer de opdracht heeft verstrekt tot de verbouwing van de woning.

5.23

Bij journaalbericht van 15 juli 2020 heeft de vrouw, als productie 47, het taxatierapport van [A] B.V. te [plaats] overgelegd waaruit een waarde van de voormalige echtelijke woning volgt van € 590.000,-.

Nu partijen tijdens de zitting van 5 juni 2020 bij het hof een bindende afspraak hebben gemaakt over de wijze van taxeren van de woning per de peildatum van 6 februari 2018, gaat het hof uit van het taxatierapport dat door de vrouw in het geding is gebracht. Volgens het taxatierapport bedraagt de waarde € 590.000,-. De advocaat van de man heeft conform de ter zitting gemaakte afspraak aan de advocaat van de vrouw een voorstel gedaan van drie makelaars. Conform de afspraak heeft de advocaat van de vrouw daaruit een keuze gemaakt. Het hof heeft het taxatierapport van [A] bestudeerd. Naar het oordeel van het hof betreft het een degelijk rapport. Op blz. 4 van het rapport heeft de makelaar de waarderingsgrondslag vastgesteld. Uit blz. 3 van het rapport volgt dat de makelaar de juiste datum heeft gehanteerd. Voor het hof is er geen aanleiding om van de waarde af te wijken, zoals door de makelaar is getaxeerd.

Schulden/financiering van de voormalige echtelijke woning.

5.24

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij het hof is het volgende gebleken:

- de voormalige echtelijke woning is in januari 2015 aangekocht voor een bedrag van totaal € 429.996,06, inclusief overige kosten, exclusief de verbouwing (productie 47 van de man, eindafrekening [naam 4] Notarissen van 15 januari 2015);

- partijen zijn ter financiering van een deel van de aankoop van de woning een hypothecaire geldlening bij de ING aangegaan van € 250.000,-;

- de peildatum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap is zoals hiervoor reeds is overwogen 29 juni 2016. Op dat moment bedroeg de lening bij de ING nog € 228.699,- (productie 5 onder G van de vrouw). Partijen zijn gelijk draagplichtig voor die lening.

5.25

Nu ten tijde van de aankoop van de voormalige echtelijke woning de hypothecaire geldlening € 250.000,- bedroeg, is de voormalige echtelijke woning voor een bedrag van (€ 429.996,06 -/- € 250.000,- =) € 179.996,06 gefinancierd uit andere middelen:

- uit productie 47 van de man blijkt dat een waarborgsom is betaald van € 41.000,- Dat bedrag is op 8 december 2014 door de vrouw naar [naam 4] Notarissen overgemaakt (productie 22 van de vrouw);

- van de bankrekening van de zuster van de vrouw, [naam 5] , is op 7 en 8 januari 2015 een bedrag van € 14.000,- resp. € 22.000,- overgemaakt naar de derdengelden rekening van [naam 4] Notarissen (productie 21 van de vrouw);

- uit productie 5 K (kopie bankafschrift [naam 5] van 5 februari 2015) van de vrouw blijkt dat de zuster van de vrouw op 14 januari 2015 een bedrag van € 25.000,- aan de man heeft overgemaakt. De man heeft dat ook ter zitting bij het hof erkend. Ook blijkt uit deze productie dat de zuster van de vrouw op 7 januari een bedrag van € 25.000,- heeft overgemaakt naar de derdengelden rekening van [naam 4] Notarissen.

Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat van de bankrekening van de zuster van de vrouw een bedrag van totaal € 86.000,- aan [naam 4] Notarissen is overgemaakt ten behoeve van de aankoop van de voormalige echtelijke woning. De man heeft dat ook erkend.

5.26

De vrouw stelt dat haar zus een vordering heeft op partijen ter hoogte van € 86.000,- en dat die vordering in de verdeling moet worden betrokken. De man betwist dat en stelt dat de bankrekening van de zus van de vrouw werd gevoed met gelden afkomstig van partijen en dat partijen ten tijde van de aankoop van de voormalige echtelijke woning volledig schuldenvrij waren.

5.27

Het hof overweegt als volgt. In de bestreden beschikking is in r.o. 2.9.10 overwogen dat partijen ter zitting hebben afgesproken, onder meer, dat de schuld bij [naam 5] van € 47.000,- aan de vrouw wordt toegescheiden. In de derde grief van de vrouw staat:

“de rechtbank heeft volgens de vrouw de vrouw verkeerd begrepen in haar verdelingsvoorstel en heeft ten onrechte bepaald dat de schuld bij [naam 5] en de hypothecaire lening aan de vrouw wordt toegescheiden. De vrouw heeft hier ter zitting ook niet mee ingestemd.........Nu schulden niet verdeeld kunnen worden zal de vrouw de schuld bij [naam 5] ad € 47.000,- zelf aflossen. enz”

De vrouw geeft hiermee aan dat er een schuld is aan haar zuster van € 47.000,-. In het principale appelschrift van de man wordt in het petitum, gedachtestreepje 6, door de man verzocht om de schuld van € 47.000,- aan de vrouw toe te scheiden. Ook de man heeft het bedrag van € 47.000,- erkend.

5.28

Het hof heeft gezien het voorgaande vastgesteld dat sprake is geweest van geldstromen van de zuster van de vrouw richting partijen. Uit de genoemde producties blijkt dat het om een totaal bedrag van € 86.000,- gaat. De man heeft dit bedrag ook ter zitting bij het hof erkend. Nu echter het appelschrift van de vrouw zich beperkt tot een bedrag van € 47.000,-, de vrouw heeft aangetoond dat in ieder geval dit bedrag van € 47.000,- deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap en nu de man onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om af te wijken van de hoofdregel dat ieder voor de helft draagplichtig is voor de schulden, zal het hof in het kader van de verdeling van de woning in de verdeling meenemen: € 590.000,- -/- € 228.699 -/- € 47.000,- = € 314.301,- te vermeerderen met de waarde van de aan de hypothecaire lening op de woning gekoppelde levensverzekering per 6 februari 2018.

Kosten taxatie € 650,-

5.29

De vrouw stelt dat de door haar gemaakte taxatiekosten van € 650,- (productie 10 van de vrouw) als last in het kader van de verdeling van de woning meegenomen moeten worden. De man heeft dat betwist.

5.30

Het hof is van oordeel dat, nu tijdens de zitting bij de rechtbank door partijen is afgesproken dat de woning zal worden getaxeerd waartoe beide partijen de opdracht zouden verstrekken en uit de stukken (productie 9 en 10 van de vrouw) blijkt dat, anders dan was afgesproken, alleen de vrouw opdrachtgever is van de taxatie, de taxatie kosten buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Gezien dit feit is het hof van oordeel dat de vrouw die kosten zelf dient te dragen.

Verbouwingskosten voormalige echtelijke woning

5.31

De vrouw heeft ter zitting bij het hof verzocht om de kosten van de verbouwing van de voormalige echtelijke woning eveneens in de verdeling te betrekken.

5.32

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken (onder meer productie 23 van de vrouw) en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verbouwing van de voormalige echtelijke woning heeft plaatsgevonden in opdracht van beide partijen, na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Gelet hierop maken deze kosten geen deel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dus niet van de verdeling. Het hof kan niet anders dan vaststellen dat beide partijen draagplichtig zijn voor de verbouwingskosten en dat deze kosten moeten worden toegerekend aan partijen ieder voor een gelijk aandeel. In de onderhavige procedure kan het hof dit niet toewijzen nu het niet door de vrouw is gevorderd.

Recapitulatie woning

Het hof overweegt. Partijen hebben de woning al verdeeld nu zij overeenstemming hebben bereikt dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld. Het hof gaat er dan ook vanuit dat beide partijen hun medewerking zullen verlenen aan de notariële overdracht. De vrouw dient in het kader van deze verdeling de helft van de overwaarde van de woning aan de man te vergoeden.

In het kader van de verdeling en de bepaling van de omvang van de overwaarde van de woning dient van een waarde uitgegaan te worden van € 590.000,-. Hierop dient in mindering te worden gebracht:

  1. De hypothecaire geldlening per 6 februari 2018 zijnde € 179.996,-

  2. De vordering van de zuster van de vrouw zoals door de vrouw gevorderd € 47.000,-

  3. De helft van de waarde van de levensverzekering per datum ontbinding huwelijksgemeenschap.

Nu het hof geen gegevens bekend zijn met betrekking tot de waarde van deze levensverzekering kan het hof niet vaststellen welk bedrag de vrouw aan de man moet uitkeren. Voorts dient de man zich te realiseren dat hij ter zake de verbouwing van de woning in 2017 nog een bedrag verschuldigd is aan de vrouw.

Aanslagen Inkomstenbelasting 2015 en 2012

2015

5.33

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft ten aanzien van de aanslag Inkomstenbelasting 2015 bepaald dat ieder van partijen verplicht is de helft van deze schuld te dragen. De vrouw stelt in hoger beroep dat zij de aanslag Inkomstenbelasting 2015 van € 11.353,- volledig heeft voldaan, zodat de man de helft hiervan aan haar dient te vergoeden. De man heeft dat betwist.

5.34

Ter zitting bij het hof heeft de man erkend dat de aanslag Inkomstenbelasting 2015 een gemeenschapsschuld is die in de verdeling moet worden betrokken. Het hof heeft echter niet kunnen vaststellen dat de vrouw het bedrag van € 11.353,- na de peildatum van 29 juni 2016 (datum ontbinding gemeenschap) uit haar eigen privévermogen heeft voldaan. Uit productie 5 I van de vrouw waarnaar zij verwijst ter onderbouwing van haar stelling, blijkt immers slechts dat door de Belastingdienst op 10 juni 2016 een voorlopige aanslag 2015 is verstuurd naar de vrouw en dat het bedrag van € 11.353,- op 22 juli 2016 op de rekening van de Belastingdienst moet staan.

De vrouw heeft ook met het stuk dat zij ter zitting bij het hof aan het hof en de advocaat van de man heeft laten zien en waaruit blijkt dat een bedrag van € 11.353,- op 22 juni 2016 op de rekening van de Belastingdienst staat, niet aangetoond wanneer het betreffende bedrag is voldaan en uit welk vermogen. Dit onderdeel van de vierde grief van de vrouw treft dan ook geen doel.

2012

5.35

De vrouw stelt dat dat zij de aanslag Inkomstenbelasting 2012 van € 3.942,- na de peildatum geheel heeft afgelost en dat de man de helft daarvan aan haar dient te vergoeden. De man heeft dit gemotiveerd betwist.

5.36

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting bij het hof heeft de man erkend dat de aanslag Inkomstenbelasting 2012 van € 3.942,- een gemeenschapsschuld is die in de verdeling moet worden betrokken.

Desgevraagd door het hof heeft de vrouw ter zitting erkend niet te kunnen aantonen of, en zo ja wanneer zij het betreffende bedrag heeft voldaan en uit welk vermogen. Dit onderdeel van de vierde grief van de vrouw treft dan ook geen doel.

Teruggaven Inkomstenbelasting 2015 en 2016

2015

5.37

Volgens de vrouw heeft de man over het belastingjaar 2015 € 2.142,- en over het belastingjaar 2016 € 2.500,- teruggestort gekregen. Hij dient de helft van beide bedragen aan de vrouw te vergoeden, aldus de vrouw. De man erkent dat voormelde bedragen heeft ontvangen, maar stelt dat dat partijen toen nog bij elkaar waren.

5.38

Het hof overweegt ten aanzien van de teruggave Inkomstenbelasting 2015 dat ter zitting bij het hof is komen vast te staan dat het bedrag van € 2.142,- door de man is ontvangen op 18 mei 2016, zijnde vóór de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Het betreffende bedrag valt derhalve in de huwelijksgoederengemeenschap en is gesaldeerd in het saldo wat de man op zijn bankrekening had staan. Dit deel van de vierde grief van de vrouw faalt derhalve.

2016

5.39

Ten aanzien van de teruggave Inkomstenbelasting 2016 overweegt het hof dat het hof ter zitting niet heeft kunnen vaststellen of de man het bedrag van € 2.500,- heeft ontvangen vóór of na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw heeft ter zitting weliswaar inzage gegeven in een brief van de Belastingdienst van 2 februari 2018 betreffende de aanslag Inkomstenbelasting 2016, echter hierin wordt een bedrag genoemd van € 2.760,- en niet van € 2.500,- welk bedrag de vrouw in haar beroepschrift noemt. Dit deel van de vierde grief van de vrouw faalt eveneens.

Schade-uitkering Interpolis

5.40

De vrouw stelt dat de rechtbank de schade-uitkering van Interpolis van € 3.000,- niet in de verdeling heeft betrokken. Volgens de vrouw stond deze polis op haar naam, maar vond betaling plaats op rekening van de man. De schade is op drie data uitgekeerd, waaronder € 520,- op 22 juli 2016. De man dient inzage te geven in de uitgekeerde bedragen en de helft daarvan aan haar te voldoen, aldus de vrouw. De man stelt dat de door hem ontvangen bedragen zijn gebruikt voor de gemeenschappelijke vakantie toen partijen nog bij elkaar waren, zodat deze niet in de verdeling dienen te worden betrokken.

5.41

Ter zitting bij het hof hebben beide partijen erkend dat de vordering op Interpolis van totaal € 3.000,- bestaat. De vrouw stelt dat Interpolis het bedrag van € 3.000,- na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap heeft betaald, de man stelt dat het bedrag voor de ontbinding door Interpolis aan hem is betaald.

Gebleken is dat de vrouw de verzekeringsnemer is bij Interpolis. Het had, naar het oordeel van het hof, dan ook op de weg van de vrouw gelegen om zelf bij de verzekeringsmaatschappij stukken op te vragen met betrekking tot de schade-uitkering. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht voldaan en kan het hof niet vaststellen wanneer het bedrag van € 3.000,- is betaald. De vijfde grief van de vrouw faalt derhalve.

Vorderingen van partijen op derden

5.42

De vrouw stelt dat partijen in totaal een bedrag van € 3.300,- hebben uitgeleend aan een zuster van de man en twee van zijn vrienden. De man heeft volgens haar bevestigd dat hij de bedragen inmiddels terug heeft ontvangen. De helft daarvan dient hij volgens de vrouw aan haar te voldoen. De man heeft dat betwist. Ter zitting bij het hof heeft de man ook het bestaan van de leningen betwist.

5.43

Het hof overweegt als volgt. In het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de man, onder punt 27, staat:

“De man betwist niet dat de partijen in totaal € 3.300,- hebben uitgeleend aan een zus van de man en twee vrienden van de man en dat die bedragen door die personen zijn terugbetaald in 2017. Echter heeft de zus van de man € 500,- rechtstreeks aan de vrouw terugbetaald.”

Gelet op het voorgaande komt de ter zitting bij het hof afgelegde verklaring van de man, dat de betreffende leningen niet zouden bestaan, het hof dan ook ongeloofwaardig voor.

5.44

Het hof gaat ervan uit dat de man de aanwezigheid van de vordering van € 3.300,- op de peildatum niet heeft weersproken. Nu de man zelf stelt dat de bedragen in 2017 zijn terugbetaald en hij de stellingen van de vrouw dat deze bedragen aan hem zijn terugbetaald niet heeft weersproken, zal het hof deze vordering toedelen aan de man onder gehoudenheid om de helft daarvan aan de vrouw te betalen. Het hof heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat het hof alleen hoeft te verdelen wat op de peildatum aanwezig is. Wat daarna mogelijk is betaald maakt geen onderdeel uit van die verdeling.

Creditcardschuld

5.45

De vrouw stelt dat zij een creditcardschuld van partijen van € 729,- heeft betaald. De man dient de helft daarvan aan de vrouw te vergoeden. De man betwist het bestaan van deze schuld, alsmede dat de vrouw die schuld heeft afbetaald na verbreking van de samenwoning van partijen.

5.46

Het hof overweegt als volgt. Ter zitting bij het hof heeft de vrouw verwezen naar haar productie 5M. Deze productie betreft een overzicht van de creditcard van de ING van 3 juli 2016 waaruit blijkt dat het saldo van de creditcard de vorige maand (zo staat links onderin het overzicht), zijnde derhalve in juni 2016, € 729,13 was. Naar het oordeel van het hof staat hiermee vast dat sprake is geweest van een huwelijkse schuld. Echter, uit productie 13 van de vrouw waarnaar zij verwijst, noch uit andere stukken, kan vastgesteld worden of die schuld na de peildatum uit het privévermogen van de vrouw is betaald en of dit voor meer dan de helft van het bedrag het geval is geweest. Het hof kan derhalve alleen vaststellen dat beide partijen ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn voor deze schuld.

Bankrekeningen

5.47

De vrouw verzoekt in het petitum van haar beroepschrift om de saldi van de bij partijen genoegzaam bekende bankrekeningen per peildatum bij helfte te verdelen. Nu de man dit in zijn principale hoger beroep eveneens heeft verzocht, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Proceskosten

5.48

Het hof zal - gezien de familierechtelijke aard van de procedure - de proceskosten in hoger beroep compenseren.

6 De beslissing

Het hof:

In alle zaken

vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2018, voor zover het de hoogte van de kinderalimentatie betreft en de rechtbank de schuld van € 47.000,- aan de vrouw heeft toegedeeld, en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

- bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 2 juli 2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen € 144,- per maand per kind zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2018, voor zover het de aan de verdeling van de echtelijke woning verbonden gevolgen betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

- gelast de wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] aldus:

- dat bij de verdeling met toedeling aan de vrouw als waarde op de peildatum 6 februari 2018 heeft te gelden € 590.000,-;

- dat ten behoeve van de vaststelling van de vergoeding door de vrouw aan de man op deze waarde in mindering komt:

a) de schuld aan de zuster van de vrouw tot een bedrag van € 47.000,- b) de hypothecaire geldlening van € 179.996,- per peildatum, en de vrouw in de onderlinge verhouding draagplichtig is voor deze schulden en,

- gelast voorts de toedeling van de eventuele vorderingsrechten uit hoofde van polissen levensverzekering aan de vrouw naar de waarde per de peildatum 6 februari 2018 met voldoening van de helft van deze waarde aan de man;

- gelast de wijze van verdeling van de vordering van partijen op derden zoals overwogen in rechtsoverweging 5.43 en 5.44 van € 3.300,- aldus dat deze wordt toegedeeld aan de man tegen de nominale waarde onder de gehoudenheid om de helft daarvan, zijnde € 1.650,-, aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en B. Breederveld, bijgestaan door mr. M.A.J. Vergeer als griffier, en is op 30 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.