Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:187

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
2200071719
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:353
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

12 jaar gevangenisstraf voor drievoudige poging moord. Verdachte heeft zich gedurende enkele minuten kunnen beraden op het genomen besluit om een kennelijk bestaand conflict met (één van de ) slachtoffer(s) met vuurwapengeweld te beslechten en er zijn geen aanwijzingen voor handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarnaast ontbreken aanwijzingen die tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000717-19

Parketnummers: 10-690244-18 en 10-692095-18 (gev. ttz in eerste aanleg)

Datum uitspraak: 5 februari 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [datum] 1993,

BRP-adres: [adres],

thans gedetineerd in de PI Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 22 januari 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is in eerste aanleg een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 10-690244-18:

1.
hij op of omstreeks 24 mei 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) genaamd [aangever] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met (een) vuurwapen(s) meermalen, althans eenmaal, heeft geschoten op die [aangever] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2], althans in de richting van die [aangever] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 24 mei 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (of meer) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 en/of Categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (merk: FEG, model: AP-MBP, kaliber: 7.65 mm),

en/of

munitie van categorie II en/of III, te weten één of meer kogelpatro(o)n(en), kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad;


Zaak met parketnummer 10-692095-18 (gevoegd):

3.
hij op of omstreeks 28 mei 2018 te Helden, gemeente Peel en Maas, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk FN type 1906, kaliber 6,35 mm

en/of

munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 6,35 mm, voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-692095-18 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 10-690244-18:

1.
hij op 24 mei 2018 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer perso(o)n(en) genaamd [aangever] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen, heeft geschoten op die [aangever] en/of [getuige 1] en/of [getuige 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.
hij op 24 mei 2018 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool (merk: FEG, model: AP-MBP, kaliber: 7.65 mm),

en

munitie van categorie III, te weten kogelpatronen, kaliber 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.


Zaak met parketnummer 10-692095-18 (gevoegd):

3.
hij op 28 mei 2018 in Nederland een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk FN type 1906, kaliber 6,35 mm

en

munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de Categorie III, te weten 6 kogelpatronen, kaliber 6,35 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit arrest gehechte bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Nadere bewijsoverwegingen

De betrouwbaarheid van herkenningen en verklaringen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verdachte van het ten laste gelegde onder 1 en 2 dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet herkend heeft kunnen worden, nu de camerabeelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een herkenning op te baseren en de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] daarom onmogelijk is. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van aangever [aangever] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, nu de aangever de verdachte niet heeft gezien en daarom niet heeft kunnen herkennen. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tapgesprek tussen [getuige 4] de ex-vriendin van de verdachte, en haar [familielid] niet voor het bewijs kan worden gebezigd, nu onder meer onduidelijk is of de vertaling vanuit het Papiaments juist is.

Het hof overweegt ten aanzien van de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] als volgt.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij beelden heeft gezien waarop twee personen op een fiets voorbij komen fietsen. De bestuurder van de fiets herkende hij als de verdachte. Uit de beschrijving van verbalisant [verbalisant 1] begrijpt het hof dat de verbalisant zijn herkenning heeft gebaseerd op de beelden gemaakt door de Poolse supermarkt met de naam [supermarkt] (hierna: de supermarkt), waarop de bestuurder van de fiets de latere schutter betreft. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de camerabeelden van de supermarkt (en de beelden van het ten laste gelegde vanuit het pand van de tandarts (met de naam: “schieten op auto”) getoond. Het hof heeft bij het uitkijken van deze beelden vastgesteld dat de beelden van goede kwaliteit zijn. Op de beelden gemaakt door de supermarkt zijn de gezichten en de kleding van de betrokken personen goed waarneembaar. Anders dan de verdediging, acht het hof de camerabeelden van voldoende kwaliteit om daar een herkenning op te kunnen baseren, ook door verbalisant [verbalisant 1]. Dat verbalisant [verbalisant 1] in het proces-verbaal niets heeft genoemd over de operatie van de verdachte en het gegeven dat hij daardoor op krukken heeft moeten lopen, maakt het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal niet minder betrouwbaar. Immers is naar het oordeel van het hof van belang dat de verbalisant werkzaam is als contactpersoon voor de doelgroep Caribische Nederlanders, dat hij de verdachte op twee momenten persoonlijk heeft gesproken en dat hij hem in het jaar 2018 met regelmaat heeft zien staan op de kruising van de Strevelsweg te Rotterdam. Daar komt bij dat de verbalisant in het proces-verbaal in het geheel niet in gaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Aldus acht het hof de herkenning van de verdachte door verbalisant [verbalisant 1] betrouwbaar.

Daarnaast heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep zelf het volgende waargenomen. Op de beelden van de supermarkt om 16:49:49 uur rijden twee personen op een fiets voorbij. Tussen de bestuurder van de fiets – de latere schutter - en de verdachte - ter terechtzitting in dezelfde richting kijkend als de persoon op de fiets - is een grote gelijkenis waar te nemen. Zo heeft het hof vastgesteld dat er een grote gelijkenis is in de profiellijn van het gezicht, te weten ten aanzien van de neus, het snorretje, de lippen en de kin.

Met betrekking tot de verklaring van aangever [aangever] overweegt het hof als volgt.

Aangever [aangever] heeft bij de politie verklaard dat hij de persoon die op hem heeft geschoten, verschillende keren voorafgaand aan het schietincident heeft gezien. Dat hij ook ten tijde van het schietincident de schutter heeft gezien, volgt naar het oordeel van het hof uit zijn omschrijving van een persoon met een donkere huidskleur, rastaharen/dreads en een sik. Voorts heeft hij verklaard dat de schutter een scooter- dan wel motorongeluk heeft gehad waarbij hij meerdere tanden heeft verloren. De aangever heeft ook bij de politie verklaard dat hij, na te zijn beschoten en uit de auto waarin hij zat te zijn gevlucht, een blik heeft geworpen op de schutter.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad een motorongeluk heeft gehad waarbij hij meerdere tanden heeft verloren.

Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat aangever [aangever] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij niet heeft gezien wie er heeft geschoten. Het hof is van oordeel dat dit niets aan zijn verklaring zoals kort na het incident afgelegd bij de politie afdoet, temeer nu naar het oordeel van het hof de verklaring zoals afgelegd tegenover de rechter-commissaris, de verklaring zoals afgelegd bij de politie niet tegen spreekt. Aldus acht het hof de verklaring van getuige [aangever] betrouwbaar.

Ten aanzien van het tap-gesprek tussen [getuige 4], de ex-vriendin van de verdachte, en haar moeder overweegt het hof als volgt.

Het telefoongesprek heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018 te 12:23 uur. In dit gesprek zegt [getuige 4] – blijkens een daarvan gemaakte vertaling - onder meer het volgende tegen haar moeder:

- “ sorry sorry want de man heeft tegen mij gezegd dat ik beter mijn telefoon uit zet voor als de politie kijk waar ik ben, dan weten ze misschien waar.”

- “ die van mij heeft geschoten”;

- “ en toen gingen ze om te gaan schuilen zodat hij zich kan verschuilen, toen hebben zij de andere gepakt”’

- “ zij hebben de andere maar zoals het hij het mij uitleg is het een persoon die al vaker problemen met hem zocht. De persoon had een keer een schietding tevoorschijn gehaald om op hem te mikken”;

- “ ik ben in Albert Hein vlak bij hem waar ik samen met hem ben”;

- “ ik ga vandaag gewoon naar huis want hij zei tegen mij doe de normaal doen alsof er niks is gebeurd”.

Het hof stelt vast dat [getuige 4] tegenover de rechter-commissaris heeft verklaard dat het klopt dat zij in het betreffende afgeluisterde telefoongesprek “die van mij heeft geschoten” heeft gezegd. Het verweer van de verdediging, dat dit niet door haar zou zijn gezegd, slaagt reeds daarom niet. Daar komt bij dat de getuige bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de terminologie die in een andere vertaling van hetzelfde telefoongesprek is gebruikt, niet juist kan zijn. Dat [getuige 4] deze informatie heeft gehoord op een feestje en dat deze informatie is bovengekomen uit een geruchtenmolen, is niet aannemelijk gemaakt.

Het hof verwerpt dan ook de verweren van de verdediging.

Gelet op de voornoemde overwegingen is het hof van oordeel dat het de verdachte is, die voorafgaand aan het tenlastegelegde de persoon is die de fiets bestuurt en die later als de schutter op de camerabeelden is waar te nemen.

Opzet op de dood

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte geheel onverwacht op aangevers is afgelopen en op hen heeft geschoten met een vuurwapen. Dit was voor hen op een kwetsbaar moment, namelijk toen zij in een geparkeerde auto zaten. Aangevers, met name de passagier achterin, konden nauwelijks een kant op. De verdachte heeft in totaal zeven schoten gelost in hun richting.

Uit de omstandigheden dat de verdachte aangevers op deze wijze heeft aangevallen met een vuurwapen, terwijl zij zich in een kwetsbare positie bevonden en [aangever] een levensgevaarlijke schotverwonding heeft opgelopen, volgt dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig op de dood van aangevers waren gericht, dat naar het oordeel van het hof ook het opzet van de verdachte daarop was gericht.

Voorbedachte raad

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – subsidiair op het standpunt gesteld, dat niet bewezen kan worden dat de verdachte ‘met voorbedachten rade’ heeft gehandeld, waardoor de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die vóór of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

Bij de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ heeft het hof in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend geacht.

De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] fietsten op 24 mei 2018 samen over de Strevelsweg in Rotterdam. De verdachte was op dat moment de bestuurder van de fiets en de medeverdachte de persoon achterop de fiets. Op het ogenblik dat zij langs de supermarkt fietsen, lijken de personen op de fiets de daarvoor geparkeerde rode auto met daarnaast een persoon, één van de latere slachtoffers, op te merken. Uit het proces-verbaal omschrijving camerabeelden, op pagina 62 van het dossier, volgt in ieder geval dat de verdachte vrijwel direct na het passeren van de auto omkeert met de fiets, de weg oversteekt en vervolgens samen met de medeverdachte uiteindelijk plaats neemt in een portiek vlakbij de geparkeerde rode auto. Binnen enkele minuten lopen de drie slachtoffers naar de rood geparkeerde auto waarin zij vervolgens plaatsnemen. De verdachte wacht op het moment dat alle personen in de auto zitten en een onbekende passant uit de schietlinie is weggelopen. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte al die tijd zijn handen achter zijn rug houdt, waarin hij vermoedelijk het te gebruiken vuurwapen gereed houdt. Daarna loopt de verdachte in de richting van de auto en schiet hij in de richting van de inzittenden. Vervolgens wordt er door de verdachte dadelijk na het eerste schot nog zesmaal op zeer korte afstand gericht geschoten op de inzittenden van de nog stilstaande auto. Direct hierna is de verdachte achterop de fiets gesprongen, die nu door de medeverdachte wordt bestuurd. Hierna zijn zij samen weggefietst.

Het hof stelt vast dat de verdachte bij het naderen van de latere slachtoffers kennelijk reeds de beschikking moet hebben gehad over een vuurwapen. Er is immers geen tijd of gelegenheid geweest om zich van een wapen te voorzien. Het hof is voorts van oordeel dat de loop van de gebeurtenissen geen andere conclusie toelaat dan dat de verdachte een conflict had met één (of meer) van de inzittenden van de auto en dat hij – toen hij die zag – besloten moet hebben om dat conflict met vuurwapengeweld te beslechten. Het hof stelt voorts vast dat na het nemen van dat besluit er bijna twee minuten zijn verstreken waarin de verdachte zich in een positie heeft gemanoeuvreerd van waaruit hij zijn voorgenomen daad kon plegen en daarna heeft gewacht tot zijn beoogde slachtoffer(s) in de auto was/waren gaan zitten en er zich geen omstanders meer in de vuurlinie bevonden, alvorens zijn al die tijd gereedgehouden vuurwapen te pakken en daarmee op de inzittenden te schieten.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte zich heeft kunnen beraden op het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn – ook bij gebreke van een verklaring van de verdachte over hetgeen door hem heen is gegaan in de momenten voor de schietpartij of andere verklaringen daarover - geen contra-indicaties gerezen voor bewezenverklaring van voorbedachte raad. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht de tenlastegelegde poging tot moord bewezen. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 2 en in de zaak met parketnummer 10-692095-18 (onder 3) bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord door zeven schoten te lossen met een vuurwapen in de richting van een auto met drie inzittenden, waarbij één van de inzittenden is geraakt en daarbij levensgevaarlijk gewond is geraakt. Het door een kogel geraakte slachtoffer heeft diverse operaties moeten ondergaan. Gelet op de korte afstand van waaraf op de slachtoffers is geschoten en het gegeven dat zij in een kleine auto zaten en moeilijk weg konden vluchten, is het een wonder te noemen dat slechts één inzittende gewond is geraakt en dat er geen doden zijn gevallen. Het feit is gepleegd op klaarlichte dag in een drukke woonwijk in Rotterdam-Zuid in de onmiddellijke nabijheid van een supermarkt, spelende kinderen en langsrijdende auto’s, waarvan er één ook geraakt is door een kogel. Dergelijk levensgevaarlijk gedrag schokt de rechtsorde en wekt gevoelens op van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen. Het voorhanden hebben en met name het gebruik ervan, brengt onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich mee. Toevallige omstanders hadden het slachtoffer van deze schietpartij kunnen worden, hetgeen blijkt uit het gegeven dat een passerende auto is geraakt door een kogel.

Daarnaast had de verdachte vier dagen na de schietpartij, ten tijde van zijn aanhouding, wederom de beschikking over een (doorgeladen) vuurwapen en munitie. Het gevaar bestaat, zoals voornoemde feiten laten zien, dat dergelijke wapens en munitie ook daadwerkelijk gebruikt gaan worden met mogelijk fatale gevolgen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Nu het hof het onder 1 ten laste gelegde feit zwaarder kwalificeert dan de advocaat-generaal legt het een langere gevangenisstraf op dan geëist.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 54.466,10. Voorts is een verzoek gedaan tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 1.074,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 54.466,10.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 33.523,71 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voorts is het hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Proceskosten

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op € 1.074,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 48.523,71 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [aangever].

Vordering tot schadevergoeding [getuige 2]

In het onderhavige strafproces heeft [getuige 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 10.000,00.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 5.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [getuige 2].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.525,17.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag van € 1.525,17.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte deels betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 1.525,17 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-692095-18 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 en 2 en in de zaak met parketnummer 10-692095-18 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 48.523,71 (achtenenveertigduizend vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 33.523,71 (drieëndertigduizend vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.074,00 (duizend vierenzeventig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 48.523,71 (achtenveertigduizend vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenzeventig cent) bestaande uit € 33.523,71 (drieëndertigduizend vijfhonderddrieëntwintig euro en eenenzeventig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 277 (tweehonderdzevenënzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 24 mei 2018.

Vordering van de benadeelde partij [getuige 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [getuige 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [getuige 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 24 mei 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.525,17 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en zeventien cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-690244-18 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.525,17 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en zeventien cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 25 (vijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 mei 2018.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 februari 2020.

mr. L.F. Gerretsen-Visser is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.