Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1864

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
200.259.258/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Niet uitgewerkt periodiek verrekenbeding. Het bewijsvermoeden met betrekking tot art. 1.141, lid 3 BW. Op de vrouw rust de bewijslast dat er nog meer vermogen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.259.258/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2522 (echtscheiding) en FA RK 18-7219 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

zaaknummer rechtbank : C/09/551077 (echtscheiding) en C/09/560916 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

beschikking van de meervoudige kamer van 30 september 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk (ZH),

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.H. de Milliano-Machielse te Katwijk (ZH).

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 12 februari 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 10 mei 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 8 juli 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 8 augustus 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 22 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 27 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 7 augustus 2020 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. A.A.G. Balkenende;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. E.H. de Milliano-Machiels.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

3.2

Partijen zijn op 29 augustus 1985 te [plaats] gehuwd.

3.3

Partijen zijn bij akte van 16 augustus 1985 huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Daarin is onder meer opgenomen:

“Artikel 1

Er zal tussen de echtgenoten geen enkele gemeenschap van goederen bestaan. Derhalve zal ieder der echtgenoten behouden hetgeen door hem of haar aan baten en schulden ten huwelijk wordt aangebracht en tijdens het huwelijk door hem of haar wordt verkregen respectievelijk aangegaan, op welke wijze dan ook.

(…)

Artikel 4

De kosten van de huishouding (…) komen ten laste van de man en de vrouw naar evenredigheid van hun zuivere inkomsten (…) Voorzover die inkomsten ontoereikend zijn om in gemelde uitgaven te voorzien zijn de echtgenoten verplicht op overeenkomstige wijze uit eigen vermogen daarin bij te dragen. Onder zuivere inkomsten zullen ten deze worden verstaan de inkomsten na aftrek van de in het bijzonder daarop betrekking hebbende lasten, zoals kosten van verwerving en op bepaalde zaken der echtgenoten betrekking hebbende belastingen en heffingen (…).

Artikel 5:

Ieders bijdrage in de in artikel 4. bedoelde kosten zal per kalenderjaar door de echtgenoten in onderling overleg worden vastgesteld en, zo zij het daarover niet eens kunnen worden door een deskundige, (…).

Artikel 6:

Zolang de echtgenoten een gemeenschappelijke huishouding voeren, zullen zij na afloop van elke kalenderjaar samen voegen, hetgeen van hun in artikel 4. bedoelde inkomsten in dat jaar onverteerd is gebleven, teneinde het bij helfte te verdelen. Ingeval deze samenvoeging en verdeling niet voor het einde van het jaar volgende op het betrokken kalenderjaar heeft plaatsgevonden, zal betreffende dat kalenderjaar nimmer meer enige aanspraak op samenvoeging, verdeling of verrekening, in welke vorm ook, van de onverteerde inkomsten kunnen worden gemaakt. De echtgenoot die in de verstreken drie jaren ingevolge het bepaalde in artikel 4. vermogen aanwendde ter bestrijding van de kosten der huishouding, mag hetgeen hij uit zijn vermogen putte uit het ter verdeling samengevoegde vooruitnemen.”

4 De bestreden beschikking

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken.

4.2

Daarnaast is bepaald:

- dat partijen de op de peildatum 14 oktober 2017 aanwezige saldi op ieders bankrekeningen zoals vermeld in het lichaam van de bestreden beschikking moeten verrekenen;

- dat de vrouw gerechtigd is tot de helft van de waarde van de spaarverzekering Robein, polisnummer [nummer] , op de peildatum 14 oktober 2017.

De beschikking is – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

De omvang van het geschil

4.3

De man is het (gedeeltelijk) niet eens met de bestreden beschikking en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking voor zover deze beschikking betreft de beslissing ten aanzien van de Robein-polis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de vrouw ten aanzien van de Robein-polis alsnog af te wijzen.

4.4

Het verweer van de vrouw in het principaal hoger beroep strekt tot afwijzing van het verzoek van de man.

4.5

In het incidenteel appel verzoekt de vrouw het hof– na intrekking van haar tweede grief en het daarop betrekking hebbende deel van het petitum ter zitting – om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat tot het te verrekenen vermogen behoort het banksaldo/banksaldi en/of de waarde van de Spaarverzekering(en) waarmee de man de hypothecaire lening(en) per 1 november 2019 aflost, en voor zover mocht blijken dat de man deze vermogensbestanddelen verzwegen heeft, te bepalen dat de man de totale waarde van hetgeen hij verzwegen heeft aan de vrouw dient te vergoeden en de man daartoe te veroordelen, en

- de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van het door hem uit hoofde van verrekening op grond van artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigde bedrag.

5 Beoordeling van het hoger beroep

Juridisch kader

5.1

Partijen zijn getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met daaraan gekoppeld een periodiek verrekenbeding. Tijdens het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodiek verrekenbeding. In artikel 1:141 lid 3 BW is een bewijsregel geformuleerd: het op de peildatum aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en de omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding wordt in beginsel afgewikkeld als een finaal verrekenbeding. Het aanwezige vermogen van partijen wordt tot het te verrekenen vermogen gerekend, tenzij de betreffende partij aantoont dat het goed dat tot zijn of haar vermogen behoort niet is aangeschaft of deels is gefinancierd met overgespaard en herbelegd inkomen. Het hof verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2017, ECLI:HR:2017:161.

Principaal appel: De Robein-polis

5.2

De man stelt dat hij voldoende bewijs heeft aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat zijn vermogen op de peildatum is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Hij voert aan dat gedurende het huwelijk het inkomen van de man net aan voldoende is geweest om de kosten van de huishouding te voldoen en dat zijn gehele vermogen op de peildatum is opgebouwd uit privévermogen. De man heeft dit vermogen verkregen uit schenkingen van ouders bij leven en uit de nalatenschappen van de ouders na hun overlijden, te weten een bedrag van € 228.000,-. De man stelt verder dat het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid om uit te gaan van het vermoeden dat het vermogen van de man is gevormd uit overgespaarde inkomsten. In ogenschouw moet worden genomen dat de man recht heeft op vergoeding van hetgeen hij uit privévermogen heeft besteed aan gemeenschapsschulden, waaronder de gezamenlijk consumptieve uitgaven. De man stelt dat de premies die hij heeft voldaan voor de Robein-polis, waarmee de waarde in die polis is opgebouwd, geheel zijn voldaan uit dit privévermogen, zodat de waarde van de polis niet tot het te verrekenen vermogen behoort. De man biedt bewijs van deze betalingen aan door overlegging van bankafschriften.

5.3

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert aan dat de man heeft nagelaten enig bewijs te leveren van zijn stelling dat zijn vermogen op de peildatum is opgebouwd uit privévermogen en dat de man voorts heeft nagelaten om inzichtelijk te maken dat hij de polis bij Robein heeft bekostigd met privévermogen.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de bewijsregel van artikel 1:141 lid 3 BW is het aan de man om te stellen en te bewijzen dat de waarde van de Robein-polis niet is gevormd uit vermogen dat verrekend had moeten worden. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat toepassing van dit vermoeden in strijd met de regels van redelijkheid en billijkheid zou zijn omdat de man privévermogen heeft aangewend voor de kosten van de huishouding. De man heeft zijn stellingen met betrekking tot de door hem ontvangen schenkingen en erfenissen en de besteding daarvan – afgezien van een eigen opstelling – met geen enkel stuk onderbouwd. Hij heeft geen inzicht geven in de geldstromen die betrekking hebben op de financiering van de Robein-polis. Het hof is van oordeel dat de man – gelet op de bewijsregel van artikel 1:141 lid 3 BW en de betwisting van zijn stellingen door de vrouw – niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, zodat er geen plaats is voor bewijslevering door de man. Ter zitting heeft de man bovendien verklaard niet in staat te zijn om de benodigde gegevens over te leggen. Het hof beschouwt daarmee zijn bewijsaanbod als ingetrokken. De slotsom is dat de grieven van de man falen en de polis tot het te verrekenen vermogen moet worden gerekend.

Incidenteel appel: te verrekenen banksaldi

5.5

De vrouw stelt dat er banksaldi en/of een spaarverzekering in de verrekening dienen te worden betrokken nu de man daarmee in oktober 2018 een bedrag van € 95.294,- op de hypothecaire lening heeft afgelost. Het lijkt erop dat de man het vermogen (om deze hypothecaire geldlening af te lossen) heeft verzwegen. De man moet aantonen met welk vermogen deze aflossing is betaald.

5.6

De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw slechts vermoedens heeft en dit een ‘fishing expedition’ betreft. Het verzoek van de vrouw is onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden.

5.7

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking al beslist dat de op de peildatum aanwezige banksaldi in de verrekening moeten worden betrokken. Het hof begrijpt de grief aldus dat de man op de peildatum aanwezig te verrekenen banksaldo niet heeft opgegeven. Alleen vermogen dat aanwezig was op de peildatum, te weten 14 oktober 2017, komt voor verrekening in aanmerking. Op de vrouw rust dus de bewijslast om te bewijzen dat er op de peildatum nog meer vermogen aanwezig is dan dat door de man is gesteld De aflossing op de hypothecaire geldlening is gedaan in of omstreeks oktober 2018. Op de vrouw rust de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat het vermogen waarmee die aflossing is gedaan aanwezig was op de peildatum. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. De enkele stelling van de vrouw dat, gelet op de aflossing op de hypothecaire geldlening in oktober 2018, het benodigde geld op de peildatum aanwezig moet zijn geweest, is naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende. De grief van de vrouw faalt.

5.8

Bovenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof, beschikkende in principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, C.M. Warnaar en A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. A.M. Sipkes-Kerkman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2020.