Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:182

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2020
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BK-19/00404
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:4584, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is in juli 2017 een informatiebeschikking afgegeven. Het Hof oordeelt dat de informatiebeschikking terecht is afgegeven nu tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde bescheiden van belang konden zijn voor de belastingheffing in de onderhavige jaren en voorts staat vast dat belanghebbende de door de Inspecteur verzochte gegevens ten tijde van het opleggen van de informatiebeschikking niet (volledig) beschikbaar heeft gesteld. De argumenten van belanghebbende waarom niet aan tijdig aan het informatieverzoek is voldaan, leiden niet tot een ander oordeel. Voorts komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van het procesrecht door te procederen tegen de informatiebeschikking, zodat aan belanghebbende geen nadere termijn wordt verleend om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2020-0463
Viditax (FutD), 14-02-2020
V-N Vandaag 2020/374
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00404

Uitspraak van 21 januari 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [A] , [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 mei 2019.

Procesverloop

1.1.

De Inspecteur heeft op 17 juli 2017 op voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) met betrekking tot voor de jaren 2011 tot en met 2015 aan belanghebbende opgelegde/op te leggen belastingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen een informatiebeschikking (de beschikking) gegeven.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Er is geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 26 november 2019. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van [D] B.V., [E] B.V., [F] B.V., [G] B.V., [H] B.V., [I] B.V., [J] B.V., [K] en [L] Ltd. Voor zover in die zaken door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaken voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

De Rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:

“1. [X] (D) is werkzaam in de accountancy- en belastingadviespraktijk. D verricht zijn werkzaamheden als maat in de [K] (de maatschap) en via de acht als eisende partijen aangeduide vennootschappen, waarvan hij onmiddellijk dan wel middellijk 100% aandeelhouder is (de vennootschappen). Een van de vennootschappen is de andere maat in de maatschap.

2. Op 10 februari 2017 heeft tussen D en [de Inspecteur], in verband met een bij D en de vennootschappen in te stellen boekenonderzoek, een bedrijfsgesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [de Inspecteur], vooruitlopend op het boekenonderzoek, D bij e-mailbericht van 13 februari 2017 verzocht vóór 31 maart 2017 een aantal aangiften over de jaren 2014 en 2015 in te dienen en enkele vragen te beantwoorden. In dit bericht is vermeld dat na ontvangst van de aangiften en de antwoorden op de gestelde vragen de reikwijdte van het in te stellen boekenonderzoek zal worden bepaald.

3. Bij e-mailbericht van 12 mei 2017 heeft [de Inspecteur] aan D de reikwijdte van het boekenonderzoek medegedeeld en hem voorts verzocht aan te geven op welke van de in dit bericht voorgestelde data in juni 2017 het boekenonderzoek kan plaatsvinden.

4. Bij brief van 24 mei 2017 is aan D de reikwijdte van het boekenonderzoek bevestigd en is de aanvang van het boekenonderzoek aangekondigd voor 21 juni 2017 ten kantore van [belanghebbende]s. In deze brief is voorts aan D medegedeeld dat het boekenonderzoek eventueel naar andere jaren en belastingmiddelen kan worden uitgebreid.

5. Bij brief van 12 juni 2017 heeft D aan [de Inspecteur] bericht dat hij, anders dan [de Inspecteur] meent, wel op de e-mail van 12 mei 2017 heeft gereageerd. D heeft voorts gesteld dat hij in die reactie heeft aangegeven dat de aangekondigde reikwijdte van het boekenonderzoek niet strookt met de oorspronkelijke toezegging dat slechts één boekjaar geheel zou worden gecontroleerd. [De Inspecteur] heeft hierop niet gereageerd, aldus D. Gelet op de uitbreiding van de reikwijdte van het boekenonderzoek is meer tijd nodig om alle gevraagde stukken te verzamelen. D verzoekt [de Inspecteur] dan ook om uitstel tot in ieder geval 29 november 2017.

6. Op 19 juni 2017 heeft [de Inspecteur] D telefonisch bericht met het verzochte uitstel niet akkoord te gaan, nu immers de administraties binnen redelijke termijn controleerbaar dienen te zijn. Aan D is daarop voorgesteld het boekenonderzoek op 21 juni 2017 te starten met een informeel gesprek om de knelpunten rond het instellen van het boekenonderzoek en het ter beschikking stellen van de administraties te bespreken. D is niet op dit voorstel ingegaan.

7. [De Inspecteur] heeft D daarop bij brief van 21 juni 2017, onder vermelding van de contactmomenten die tot op dat moment hadden plaatsgevonden en de toepasselijke regelgeving, gewezen op diens plicht aan het boekenonderzoek mee te werken. [De Inspecteur] heeft zich voorts bereid verklaard de start van het boekenonderzoek nog één maal uit te stellen tot 17 juli 2017.

8. Op 17 juli 2017 is aan D een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Awr gegeven op de grond dat D weigert om binnen redelijke termijn mee te werken aan een boekenonderzoek en niet bereid is de administratie ter beschikking te stellen. De informatiebeschikking luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

“(…) Ondanks het feit dat niet alle fiscale aangiften, waarvan de uiterste datum indiening is verstreken, zijn ingediend, heb ik u op 12 mei 2017 via e-mail alvast de reikwijdte van het boekenonderzoek meegedeeld. (…) De reikwijdte is als volgt vastgesteld:

 - inkomstenbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015 van [D];

 - vennootschapsbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015 van [L] Ltd;

 - vennootschapsbelasting over de jaren 2011 tot en met 2015 van [D] bv;

 - omzetbelasting over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016 van [F] bv

 - omzetbelasting over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 van [K]

 - omzetbelasting over de periode 28 november 2014 tot en met 31 december 2016 van [E] bv;

 - omzetbelasting over de periode 28 november 2014 tot en met 31 december 2016 van [I] bv;

 - omzetbelasting over de periode 28 november 2014 tot en met 31 december 2016 van [J] bv;

 - omzetbelasting over de periode 28 november 2014 tot en met 31 december 2016 van [H] bv en

 - omzetbelasting over de periode 28 november 2014 tot en met 31 december 2016 van [G] bv

(…)

Aangezien u weigert binnen redelijke termijn mee te werken aan een boekenonderzoek en niet bereid bent de administraties van de wel ingediende aangiften ter beschikking te stellen, voldoet u niet aan de wettelijke informatie- en administratieplicht. (…)” ”

2.2.

Het Hof neemt de feitenvaststelling van de Rechtbank over en vult deze als volgt aan.

2.3.

De Inspecteur heeft in een brief met als onderwerp “uw afzegging van de afspraak om het boekenonderzoek uit te voeren”, met dagtekening 21 juni 2017, onderstaande opsomming gegeven van de contactmomenten tussen de heer [X] en de Inspecteur in de periode januari 2017 tot en met juni 2017. Voorts is in dezelfde brief het boekenonderzoek uitgesteld tot 17 juli 2017.

“- Medio januari 2017 heeft mijn collega de heer [C] telefonisch contact met u gehad over het bij u en uw vennootschappen in te stellen boekenonderzoek. Er is een afspraak gemaakt om op 3 februari 2017 een inleidend gesprek te houden wat, kort erna op uw verzoek, is verplaatst naar 10 februari 2017.

- Dit gesprek heeft plaats gehad op 10 februari 2017 en aanwezig waren u, mijn collega [M] en [C] .

- Naar aanleiding van dit gesprek zijn door de heer [C] op 13 februari 2017 via e-mail vragen gesteld over ingediende en in te dienen aangiftes. In de e-mail is expliciet vermeld dat na beantwoording (vóór 31 maart 2017) van de vragen en de indiening van de ontbrekende aangiftes de reikwijdte van het boekenonderzoek bepaald zal worden. De reikwijdte zal in een aankondigingsbrief bevestigd worden.

- Op 8 maart doet u per e-mail het verzoek de termijn voor het beantwoorden van de vragen en het indienen van de aangiften te verruimen naar 31 mei 2017.

- Op 24 maart heeft de heer [C] telefonisch met u gesproken en aangegeven dat uitstel van twee maanden tot 31 mei 2017 voor de Belastingdienst niet acceptabel is.

- Op 27 maart 2017 heeft u na e-mailcontact besloten toch de informatie conform afspraak (vóór 31 maart 2017) aan te leveren.

- Op 3 april 2017 ontvingen wij van u per e-mai! de antwoorden op de gestelde vragen. Daarnaast waren inmiddels diverse aangiften omzetbelasting van verschillende vennootschappen ingediend.

- Op 4 april 2017 meldt u vervolgens dat ook de aangifte vennootschapsbelasting 2015 van [L] Ltd. is ingediend.

- Op 10 april 2017 stuurt u een e-mail waarin u aangeeft dat u nog niet alle vragen heeft kunnen beantwoorden. U geeft aan dat alle administratie is bijgewerkt tot het jaar 2013. U zegde in deze e-mail tevens toe dat de aangiften 2014 van [D] B.V. inclusief cumulatieve correcties uiterlijk 14 april 2017 ingeleverd zou worden. De aangifte 2015 van [D] B.V. zou uiterlijk 18 april ingediend worden.

- Op 9 mei 2017 is u via e-mail verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de heer [C] omdat ondanks uw toezegging van 10 april 2017 de aangiften vennootschapsbelasting 2014 en 2015 van [D] B.V. nog niet zijn ingediend.

- Op 11 mei geeft u per e-mail aan dat u tegenslagen heeft gehad met het vaststellen van de cumulatieve correcties. U geeft tevens aan dat er fouten in aangiftes zitten. Het is ons niet geheel duidelijk op welke aangiftes deze opmerking ziet. U eindigt uw e-mail met de zin "u ontvangt dit allemaal uiterlijk 19 mei 2017". Wij gaan ervan uit dat u doelt op de nog in te dienen aangiftes.

- Op 12 mei 2017 heeft de heer [C] u per e-mail reeds de voorgenomen reikwijdte van het onderzoek medegedeeld en u in de gelegenheid gesteld een voorkeur aan te geven voor controledata in de periode medio tot eind juni 2017. Daarnaast heeft hij u verzocht aan te geven op welk locatie het onderzoek kan plaatsvinden. U reageert dezelfde dag per e-mail en geeft aan dat u verbaasd bent dat de controleperiode ruimer zal zijn dat slechts één controlejaar. U geeft tevens aan dat u in dat geval meer tijd nodig heeft om de controle voor te bereiden.

- Op 24 mei hadden we nog steeds geen voorstel voor een controledatum van u ontvangen.

- Aangezien een aanvang met het boekenonderzoek gemaakt moet worden heeft de heer [C] u op 24 mei 2017 de officiële aankondigingsbrief gestuurd waarin als controledatum 21 juni 2017 is vastgesteld.

- Op 12 juni 2017 reageert u op de aankondigingsbrief. U geeft aan dat u gezien het feit dat de controle betrekking zal hebben op meer dan één controlejaar, u meer tijd nodig heeft ter voorbereiding van het onderzoek. U stelt voor de controle plaats te laten vinden op 29 november of 1 december 2017.

- Op 19 juni 2017 heeft u met mevrouw [N] telefonisch gesproken. Zij heeft u aangegeven dat het voor de Belastingdienst onacceptabel is het boekenonderzoek een halfjaar uit te stellen. Zij heeft u voorgesteld om toch op 21 juni 2017 bij elkaar te komen en te bespreken wat de knelpunten zijn in het ter beschikking stellen van de administraties ten behoeve van het onderzoek, ü heeft haar bij herhaling aangegeven te weigeren om met ons in gesprek te gaan op 21 juni 2017. Mevrouw [N] heeft u aangegeven dat u (zeker als accountant) weet dat een deugdelijke administratie de basis is voor het indienen van uw aangiftes. Aangezien u inmiddels vrijwel alle aangiftes heeft ingediend dienen deze administraties voor beschikbaarstelling aanwezig te zijn.”

Oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank heeft, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“(…)

12. Ter zitting heeft [de Inspecteur] toegelicht dat de informatiebeschikking weliswaar op naam van D is gesteld, maar dat de beschikking niet alleen aan D is gegeven maar ook aan de vennootschappen. De beschikking is gericht aan D in privé in zijn hoedanigheid van maat in de maatschap voor wat betreft de aangiften IB/PVV voor de jaren 2011 tot en met 2015 en aan D als bestuurder van de vennootschappen voor wat betreft de aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over diverse jaren en aangiftetijdvakken in de periode van 2011 tot en met 2016. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel de informatiebeschikking op naam van D is gesteld en hem op zijn privéadres is toegezonden, uit de hiervóór onder 8 opgenomen inhoud van de informatiebeschikking en de daarop door [de Inspecteur] ter zitting gegeven toelichting volgt dat deze zich ook richt tot de vennootschappen en de maatschap.

13. Op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is ieder gehouden desgevraagd aan de inspecteur gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn.

14. Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Awr, zijn administratieplichtigen gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Ingevolge artikel 52, zesde lid, van de Awr dient de administratie zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.

15. Nu de administraties niet in een zodanig ordelijke staat verkeerden dat deze voor [de Inspecteur] binnen redelijke termijn controleerbaar waren en [belanghebbende]s de gevraagde informatie niet hebben verstrekt, hebben zij niet aan de op hen rustende administratie- en informatieplicht voldaan. [Belanghebbende]s hebben zich op het standpunt gesteld dat zij door [de Inspecteur] onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om aan de genoemde verplichtingen te voldoen. Aan de hand van de gedingstukken en hetgeen partijen over en weer hebben verklaard, stelt de rechtbank echter vast dat tussen de datum waarop [de Inspecteur] het boekenonderzoek heeft aangekondigd (10 februari 2017) en de datum waarop de informatiebeschikking is gegeven (17 juli 2017) ruim vijf maanden zijn verstreken. Dat betekent dat [belanghebbende]s gedurende vijf maanden de gelegenheid hebben gehad om de administraties, welke op het moment waarop het boekenonderzoek werd aangekondigd overigens allang op orde en voor [de Inspecteur] controleerbaar hadden moeten zijn, alsnog op orde te brengen en de nog niet ingediende aangiften in te dienen c.q. de gevraagde informatie te verstrekken. [Belanghebbende]s zijn dan ook ruimschoots in de gelegenheid gesteld om (alsnog) aan de informatie- en administratieplicht te voldoen zodat niet gezegd kan worden dat [de Inspecteur] niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen heeft. De informatiebeschikking is dan ook terecht gegeven.

16. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur de informatiebeschikking terecht heeft genomen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Voorts is tussen partijen in geschil of aan belanghebbende een nadere termijn dient te worden verleend om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en, naar het Hof begrijpt, tot het verlenen van een hersteltermijn om de door de Inspecteur opgevraagde gegevens aan te leveren waarna - bij tijdige en volledige aanlevering - de informatiebeschikking door de Inspecteur zal worden vernietigd.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Opleggen informatiebeschikking

5.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep, evenals in beroep, gesteld dat hij niet alle gevraagde gegevens die aanleiding zijn geweest voor het afgeven van de informatiebeschikking tijdig heeft kunnen overleggen vanwege onder andere de volgende redenen: (1) het computerprogramma waar een deel van de administratie tot en met 2013 mee is verzorgd, is niet meer beschikbaar waardoor via een externe systeembeheerder toegang tot de gegevens diende te worden verschaft, (2) een deel van de stukken is voor belanghebbende niet digitaal beschikbaar bij de bank en diende aldaar te worden opgevraagd en (3) uit de formele aankondiging van het boekenonderzoek leidde belanghebbende af dat de reikwijdte van het boekenonderzoek was gewijzigd waardoor belanghebbende meer gegevens beschikbaar diende te stellen, hetgeen hem meer tijd zou kosten.

5.2.

De Inspecteur wijst op het feit dat belanghebbende op basis van de artikelen 47, 49 en 52 van de AWR gehouden is gegevens en inlichtingen aan de Inspecteur te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen inzien van belang kunnen zijn, dat deze stukken binnen een door de Inspecteur gestelde termijn dienen te worden verstrekt en dat belanghebbende - als administratieplichtige - de administratie zodanig dient in te richten en te voeren dat controle daarvan door de Inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. De Inspecteur stelt belanghebbende voldoende gelegenheid te hebben gegeven om aan het informatieverzoek te voldoen. Daarbij stelt de Inspecteur belanghebbende niet alleen een redelijke termijn hebben gegeven om aan het informatieverzoek te voldoen, maar voorts - om belanghebbende ter wille te zijn - nog diverse malen uitstel te hebben verleend, alsmede te hebben voorgesteld om - ervan uitgaande dat nog niet de gehele administratie beschikbaar was - hetgeen wel beschikbaar was reeds in te laten zien.

5.3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde bescheiden van belang konden zijn voor de belastingheffing in de onderhavige jaren. Voorts staat vast dat belanghebbende de door de Inspecteur verzochte gegevens ten tijden van het opleggen van de informatiebeschikking niet (volledig) beschikbaar heeft gesteld. Gelet hierop is de informatiebeschikking in beginsel terecht afgegeven.

5.3.2.

Blijkens de diverse contactmomenten tussen belanghebbende en de Inspecteur werd belanghebbende in januari 2017 geïnformeerd over het feit dat een boekenonderzoek zou plaatsvinden. Vervolgens, na divers contact tussen partijen, kondigt de Inspecteur het boekenonderzoek op 24 mei 2017 per brief formeel aan, met de mededeling dat het onderzoek op 21 juni 2017 zal aanvangen. Per brief van 21 juni 2017 zegt de Inspecteur - naar aanleiding van een verzoek om uitstel van belanghebbende - toe het onderzoek uit te stellen, te weten tot 17 juli 2017. Belanghebbende deelt vervolgens ongemotiveerd mee de gevraagde informatie pas op 29 november of 1 december 2017 beschikbaar te kunnen stellen. Met dagtekening 17 juli 2017 geeft de Inspecteur de informatiebeschikking af. Belanghebbende heeft derhalve vanaf medio januari 2017 tot en met medio juli 2017 de gelegenheid gehad de gevraagde informatie beschikbaar te stellen. Gedurende deze periode heeft belanghebbende weliswaar een aantal vragen beantwoord en een aantal aangiften ingediend, maar heeft belanghebbende de administratie niet aan de Inspecteur beschikbaar gesteld. Daarbij heeft belanghebbende geen enkel inzicht gegeven in de status van zijn informatieverzoeken bij externe partijen (de externe systeembeheerder en de bank), noch welke informatie hij exact miste en heeft opgevraagd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen zijn uitstelverzoeken inhoudelijk te motiveren en inzage te geven in hetgeen belanghebbende precies miste. Ook overigens in het geval de administratie wellicht niet langer op de reguliere wijze te benaderen was, ontslaat dit belanghebbende geenszins van de verplichting te voldoen aan zijn wettelijke verplichting. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om te anticiperen op deze omstandigheden. Daar komt voorts bij dat belanghebbende stelt dat een deel van de administratie niet beschikbaar was. Welk deel wel beschikbaar was heeft belanghebbende niet geconcretiseerd en evenmin (volledig) aan de Inspecteur overgelegd. Daarnaast had het met het oog op de expertise van belanghebbende - werkzaam als fiscalist met een accountants- en adviespraktijk - mogen worden verwacht dat hij genoegzaam bekend is met de verplichtingen van een administratieplichtige zoals genoemd in artikel 52 van de AWR. Op basis van de voornoemde feiten en omstandigheden komt het Hof dan ook tot de conclusie dat de informatiebeschikking rechtmatig is afgegeven.

Nadere termijn

5.4.1.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of aan belanghebbende een nadere termijn dient te worden verleend om alsnog aan het informatieverzoek van de Inspecteur te voldoen. Belanghebbende heeft verzocht om een termijn van vier weken. De Inspecteur stelt dat geen nadere termijn dient te worden verleend nu belanghebbende reeds genoeg tijd is gegeven om de gevraagde informatie aan te leveren en dat het enkel aan belanghebbende is te wijten dat de informatie tot op heden niet beschikbaar is gesteld.

5.4.2.

Op basis van artikel 27e, tweede lid, van de AWR dient het Hof - indien het beroep tegen een in artikel 52a, eerste lid, bedoelde informatiebeschikking ongegrond wordt verklaard - een nieuwe termijn te verlenen voor het voldoen aan de in de informatiebeschikking bedoelde verplichtingen, in situaties waarin daar nog gevolg aan kan worden gegeven, tenzij sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. In de parlementaire geschiedenis is daaromtrent het volgende overwogen:

“In verband met het uitgangspunt van «equality of arms» is geregeld dat de rechter de informatieplichtige een nieuwe, redelijke termijn geeft om alsnog aan zijn informatieverplichting te voldoen, als hij oordeelt dat het informatieverzoek van de inspecteur rechtmatig was. Als het middel van bezwaar en beroep tegen een informatiebeschikking echter alleen maar wordt gebruikt om de juiste gang van zaken bij de voortgang van het proces van heffing te verstoren, dan is er geen aanleiding voor een nieuwe termijn. Omdat het geven van een nieuwe termijn aan de informatieplichtige die geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt, dwingend is voor de rechter, is er voor de informatieplichtige, mits niet handelend vanuit traineringsoverwegingen, te allen tijde een vangnet. Als hij immers te goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om in bezwaar en beroep te gaan, maar hij wordt niet in het gelijk gesteld, dan kan hij toch binnen de door de rechter gestelde termijn alsnog de gevraagde informatie leveren.”

Kamerstukken II 2008/09, 30 645, nr. 14, p. 6.

5.4.3.

Niet in geschil is dat belanghebbende alsnog kan voldoen aan het in de informatiebeschikking opgenomen informatieverzoek. Enkel in het geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht kan belanghebbende derhalve een nieuwe termijn worden onthouden. Naar oordeel van het Hof is hier in het onderhavige geval sprake van. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de opgevraagde informatie als zodanig, zijn grieven hebben alleen betrekking op de termijn waarbinnen de opgevraagde informatie diende te worden aangeleverd. Ondanks het feit dat belanghebbende te kennen heeft gegeven dat slechts een deel van de informatie medio 2017 nog niet voorhanden zou zijn - wat daar ook van zij - en hij zelf heeft voorgesteld alle stukken eind november/begin december 2017 aan te leveren, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt gedurende de gehele procedure enige informatie te hebben overgelegd; noch in de bezwaarfase, noch in de beroepsfase, noch in de hoger beroepsfase. Belanghebbende heeft voorts geen enkel inzicht gegeven omtrent welke gegevens hij voornemens is aan te leveren en heeft tevens niet geconcretiseerd welke acties belanghebbende gedurende de afgelopen tweeëneenhalf jaar heeft uitgevoerd om aan het informatieverzoek te voldoen. Verder heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat belanghebbende met het door hem verzochte uitstel van vier weken wel bij machte zal zijn om de gevraagde informatie beschikbaar te stellen, noch heeft hij een verklaring gegeven waarom de gevraagde informatie niet eerder had kunnen worden aangeleverd. De omstandigheid dat de laptop van belanghebbende, wat daar ook op zou hebben gestaan, begin 2018 - zijnde inmiddels bijna twee jaar geleden - zou zijn gestolen, is onvoldoende rechtvaardiging daarvoor. Uit voornoemde feiten en omstandigheden kan het Hof niet anders dan concluderen dat belanghebbende niet ter goeder trouw gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om te procederen tegen de informatiebeschikking en alleen procedeert uit traineringsoverwegingen, zodat dat daarmee sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Slotsom

5.5.

Het Hof komt tot het oordeel dat de informatiebeschikking rechtmatig is afgegeven en zal belanghebbende geen nadere termijn verlenen om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen. Het hoger beroep is daarmee ongegrond; beslist dient te worden zoals hierna vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is er aanleiding de Inspecteur te gelasten belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door E.M. Vrouwenvelder, J.V. van Noorle Jansen en P.G.H. Albert, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 21 januari 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.